maandag 21 november 2011

Willem Jan Otten, De vlek

een vertelling. Eerste druk, oktober 2011, Van Oorschot, Amsterdam. 89 blz. Hardcover met stofomslag; achterin een cd met registratie van de voordracht van de gehele vertelling (plm. 77 minuten) door Otten.

Voor lange, verhalende gedichten heb ik een zwak. Van Ottens epyllion De eend (1975) heb ik zeer genoten, zoals ook van zijn 'oude' werk, tot ongeveer Ons mankeert niets (1994) en Eerdere gedichten (2000). Van zijn Libris Literatuurprijswinnende roman Specht en zoon (2005) was ik evenwel bepaald niet onder de indruk; sterker: ik ben toen een beetje opgehouden met Otten te lezen. Maar dit kleine epische gedicht trok m'n aandacht, ook omdat het een mooi boekje is, gezet uit een mooie letter, de Remer (van Gerrit Noordzij).

Het band- en omslagontwerp is van Christoph Noordzij. Mooi, maar er is iets mee aan de hand. De afbeeldingen van het omslag die op internet te vinden zijn (zoals die ik hierboven gejatplakt heb), zijn beter dan het echte omslag. Op het boek heeft het silhouet van deze fraai 'biddende' kiekendief heel lelijk een lullig oogje gekregen; eigenlijk gewoon een gat in z'n knar; niet bepaald realistisch ook nog (zie de foto van mijn exemplaar hierneven; en vergelijk 'm met deze vroege vogel).

Dat beest speelt een cruciale rol in de vertelling, waarvan het plotje gemakkelijk is te vinden op internet, onder andere bij de uitgeverij. De vlek op de X-ray, bijvoorbeeld, wordt in de proloog al beschreven als 'Een dubbele vorm, een donkere vleermuis zich spreidende wijd over / alles wat long is, een aswolk met vleugels, een omtrek lukkraak / als een aardschol maar even exact als een vlinder, een engel van inkt.'

En het beest komt ook voor in een oerscène in het gedicht (of: het onderdeel) 'Een kiekendief in 1960', en die speelt 'Ten tijde van hun moeders dood', wanneer de tweeling Abel en Ton Kans op vakantie op Vlieland is en vanuit een geheime plek in de duinen omhoog kijkt: 'Daar stond zij, / zwijgend als een vlieger, / wijde brede vleugels / met gespreide vingers, / een dubbele vorm gitzwart / in het tegenlicht. / De kiekendief, zei Abel zacht.' En dan worden ze geroepen; moeder overleden.

Later, als Abel te horen krijgt dat hij een vlek op zijn longen heeft, ontkomt broer Ton 'niet aan weten dat hij, starend / naar het nabeeld van de X-ray dacht: / daar heb je hem dan dus. De kiekendief. / Dit is de kiekendief die altijd op mij wacht.' Tot slot, in de epiloog, realiseert Ton zich, als zijn broer toch gestorven is, zij het niet direct aan de vlek, die immers niet op zijn, maar op Josefssons longen zat: 'kiekendief hangt boven jou, / zingen zul jij aan je broer z'n graf.' En nog wat: broer Abels boot, zijn geliefde vluchtplaats van de wereld, heet Bird, niet alleen als eerbetoon aan Charly Parker.

Die vogel is lot en God in één; het alziend oog. En omdat het al zo duidelijk is, had dat beest op het omslag niet dat suffe oogje moeten krijgen. Het rare is dat ik denk dat Otten er mede verantwoordelijk voor is, voor dat oog. Het strookt namelijk niet met de Noordzijdelingse strakheid, en wel met de al te grote explicietheid van Ottens vertelling, zijn overladen symboliek. Het verhaal speelt zich op één dag af (maar heeft een reikwijdte van zeker een halve eeuw). Niet zo maar een dag, neen: 'Het is dinsdag, de eerste na Pasen, twee duizend tien.' De hoofdpersoon heet Abel, Abel Kans, voormalig fenomenaal saxofonist met de artiestennaam Aby Chance ('wonderen, daar gelooft een Kans niet in'). Wel weer aardig is dat zijn broer, die grotendeels de verteller is, zowel ik-verteller als afstandelijke vertelinstantie in vogelvlucht, niet Kaïn Kans heet, maar gewoon Ton. Net zo goed als het leuk is dat die Ton de hele dag bewakingscamerabeelden bestudeert; past mooi bij zijn rol als verteller. Hij werkt in een ziekenhuis; niet zo maar een ziekenhuis, maar het Onze-Lieve-Vrouwe-Gasthuis, voorzien van kapel waarin een koor het Kyrie van Bach oefent en waarin een bijbel opengeslagen ligt met wijze teksten, en waar een Braziliaanse pater werkzaam is die - nota bene - Josefsson heet (dan moet zijn voornaam wel Jezus zijn). Alsof de verwisseling van de röntgenfoto door een zeven maanden zwangere radiologe, die op dezelfde dag voortijdig van een gezonde jongen verlost wordt, niet genoeg ellende veroorzaakt, is er ook nog een zeventienjarige met de 'ogen van Callas' die een sporttas in 'de hospitaalhal die Lichtstraat heet' achterlaat, waarvan iedereen denkt dat die een bom bevat, maar waarin een vondeling blijkt te liggen, 'het Adidaswonder', en deze Baby Boem komt toevallig of niet in een couveuse naast die van de vroeggeboren Johannes (ja ja) van radiologe Nana. En ook komen pater Josefsson en Abel Kans, de eerste met, de tweede zonder vlek, naast elkaar op de IC te sterven te liggen. Het kon allemaal best wat minder.

Toch heeft deze vertelling ook z'n aantrekkelijke kanten. Dat het zo'n beknopte vertelling is, bijvoorbeeld. Dat Otten zeer vaardig gebruik maakt van uiteenlopende versvormen (van mij had hij echter meer gebruik mogen maken van de ouderwetse, brede, klassieke versmaat, zoals in de proloog) en stijlen en niet alleen Bach noemt, maar ook, bij wijze van existentiële vraag van Abel, 'is dit alles wat er is' citeert, en - een beetje flauw - wanneer een rijnaak langs Ton vaart, wat grasduint in de Nederlandse klassieken: 'Ik lees de boeg, Johan-Christina, de vrouw in het stuurhuis zwaait me toe / en wat ik hoor dat daar klinkt is Sky Radio', en het even gemakkelijk heeft over God als over snot ('etterbak, je lekt, hou daar mee op'). Intrigerend vind ik de wisselende rol van de verteller (personage en alwetend); gevaarlijk de referentie aan internet ('groot muzikant, / straks zoek ik op You Tube / de Cape Town Sessions op, / uw broer leeft in zijn solo's voort') als daar vervolgens niets te vinden is, althans geen saxsolo's; niet erg mooi de vele spaties tussen woorden die aaneengeschreven horen te zijn; pijnlijk het 'ziekenhuiszijl'; bizar soms Ottens woordgeknutsel: 'Ik besef dat ik raaskal, ik roep / om Josefsson, tier Jezus Christus / ik beweeg hemel en aarde, jawel. / Hoe moet ik nog zijn blik vergeten, hoe boosheids gesloten ook zijn ogen', dat soms ook resulteert fraaie passages: 'ademtocht / voor ademtocht, heel het wisse stikken / scheuren smeken om morfine heel / de santekraam van mens onteren'.

Ik ben er, ouderwets gezegd, wat dubbel over.

P.S.
dat is me bij nader inzien een te zwak slot. Dus beter nog iets aantrekkelijks genoemd. De titel van het laatste onderdeel voor de epiloog: 'Er moet nog begrepen worden hoe het is bedoeld'. Want zo is het ook nog een keer: deze vertelling wil niet een rotsvaste overtuiging opdringen. Onzekerheid of verbazing over wat er allemaal gebeurt lijkt te overheersen. En dat is aangenaam.

P.S. II
Vandaag - 25 november 2011 - had ik - misschien een beetje vreemd, maar het is nu eenmaal zo - op de sportschool m'n i-podje mee met daarop de door Otten voorgelezen versie van De vlek. Nieuwsgierig, want ooit heeft Otten me versteld doen staan tijdens De Nacht van de Poëzie. Hij kwam op met geen bombarie (en heel groot is hij ook al niet), ging ontspannen op dat grote toneel in die muziekschuur Vredenburg (1.0) staan, één hand in een broekzak, en stak, geheel anders dan al die andere lieden, helder en volledig uit het hoofd van wal. Impressief.

Kort en goed: de voordracht van De vlek viel me tegen. Te 'dichterlijk' met slepende medeklinkers op woordeinde onder andere. Weinig theater ook. En vooral: dit was de derde keer dat ik de tekst tot me nam, en nu ging die me toch tegenstaan. Die Jezusrol van Josefsson viel me veel meer op (en tegen). Het blijft wel zo dat er ook ruimte is voor afwijkende visies op het leven, onder andere die van dokter Benjamin, maar het goddelijk plan overheerst bij nader inzien. Zelfs die titel van de laatste afdeling - 'Er moet nog begrepen worden hoe het is bedoeld' - is niet slechts een leuk auto/metacommentaar van de verteller op de vertelling; ze is ontleend aan die zalverige Josefsson, en die bedoelt ermee dat we Gods dobbelspel met de mens op die manier maar hebben te accepteren.

woensdag 3 augustus 2011

Vakantielectuur-II

Herman Koch, Het diner. 28e dr. Z.p. 2010 [eerste dr. 2009]. 498 blz.

Mijn coll/e/ega had deze publiekslieveling meegenomen. Zelf had ik er niet aan gedacht, hoewel het alle kwaliteiten van een vakantieboek heeft, en dan doel ik vooral op de materiële.
Het is klein: kan last minute overal tussen gepropt worden en raakt dan niet vervormd of beschadigd.
Het is hanteerbaar: het ligt fijn in de hand, of je er nu mee zit op een kampeerstoeltje, ligt op je kampeermatrasje, of hangt over een kampeertafel om iets van de parasolschaduw mee te kunnen pikken, en zo voort en zo verder.
Het is licht: gaat moeiteloos in de dakkoffer, de rugzak, de handtas of langs de incheckbalie (wat de vriendin van onze dochter met haar 0.7 kg zware Tolkien, die nu thuis op haar ligt te wachten, op Eindhoven Airport niet kon zeggen).
Het is welgevormd: 8 x 11,9 x 1,2 cm, een mooi ingenaaide paperback met linnen rug, en dat boekblok ligt dan weer in een hardcover, alleen aan de achterzijde vastgelijmd, zodat het geheel soepel openvalt; daar is over nagedacht. En leuk: alleen de onderste pagina heeft een paginanummer, waardoor de totale bladspiegel, van het opengeslagen boek, lijkt op die van een reguliere paperback (ook al passen er maar 30 regels op).

Regelmatig sta ik in die uitstalkastjes met Dwarsliggers te staren, omdat ik het van die leuke boekjes vind, terwijl er bijna nooit een mij boeiende titel tussen zit. Wel was ik immer bang, al bladerend, dat het bijzonder dunne papier (Indoprint van Bolloré Thin Papers) tijdens het lezen te veel van de vorige en volgende pagina's te zien zou geven.

Nou, dat lezen is helemaal geen enkel probleem. En dan bedoel ik vooral het - zeg maar - technisch lezen. Het ziet er wel vreemd uit, vind ik, als iemand ergens zit, het hoofd licht geknikt, één hand voor zich uit en verder niks. Pas in tweede of latere instantie zie je dan dat die iemand een Dwarsligger hanteert.

Maar dan het boek als leesplezier. Twee echtparen gaan uit eten, maar daar gaat het niet om. Dus op pagina 180 kletst de ik-verteller nog steeds over allerlei beuzelarijen en lucht hij nog immer zijn hart van afkeer van het gedoe in een voor zijn doen te duur restaurant, waar hij in verzeild is geraakt op uitnodiging van zijn broer die landelijk bekend politicus is die streeft naar het premierschap na de verkiezingen die over een paar maanden gehouden zullen worden, maar die van nul en geen enkel belang zijn voor wat er in deze roman verder nog ter sprake wordt gebracht. Het kletst maar voort, het stelt maar uit, het komt maar niet tot de kern; en dat heet dan wellicht de spanningsopbouw waaraan dit boekwerk zijn kwalificatie pageturner te danken zal hebben.

Op zoek naar zijn vrouw en schoonzus, die het (wat? iets) even allemaal te veel is geworden, bezoekt de ik-verteller het damestoilet: 'Op de plaswand na was de ruimte identiek aan het herentoilet. Roestvrij staal, graniet en pianoklanken. Het enige verschil was de vaas met witte narcissen die tussen de twee wastafels in stond.' (160) Hoezo, het 'enige' verschil? Ik tel er twee.

Veel gedoe ook met mobiele telefoons, en of je die van iemand anders mag inzien om sms'jes te lezen, en of je, als je dat doet, je sporen dan wel of niet kunt wissen; ellenlange verhandelingen daarover. Onzin als deze:
Nog voordat ik mijn hand met het piepende mobieltje weer tevoorschijn haalde, begreep ik hoe de vork in de steel zat. Hoe Michels mobieltje in de zak van mijn jasje terecht was gekomen, kon ik niet zo een-twee-drie reconstrueren, maar ik zag me nu wel met het simpele feit geconfronteerd dat iemand Michel belde: op zíjn mobiel. (178)
En dat gaat nog een stuk verder:
De ringtone klonk behoorlijk luid nu hij niet langer door de afgesloten ruimte van mijn jaszak werd gehinderd, zo luid dat ik vreesde dat je hem tot ver in het park zou kunnen horen.
'Kut!' zei ik.
Het beste was natuurlijk om het mobieltje net zo lang door te laten jengelen tot het vanzelf in de voicemail schoot. Aan de andere kant wilde ik dat het nu onmiddellijk stil zou worden.
Aan de andere kant was ik nieuwsgierig wie er belde.
Ik keek op het display om te zien of ik misschien een naam herkende, maar een naam lezen bleek niet nodig te zijn. Het display lichtte op in het duister, en ook al waren de gelaatstrekken wazig, het kostte me geen enkele moeite het gezicht van mijn eigen vrouw te herkennen. (178-179)
Hoe moeilijk kan je doen over niks?

De babbelaar, want een echte verteller is het niet, heeft heeft de centrale focalisatie maar helaas ook het vernuft van een dodo en bespat al zijn waarnemingen met zijn flodderige overwegingen, zoals in het citaat hierboven, en anders wel met zijn kleverige waarden en normen. Spanning ontstaat in dit verhaal alleen maar doordat de verteller niet in een keer alles vertelt wat relevant is en verder alles wat hij niet weet probeert te vervangen door zijn veronderstellingen.

Zo zal het heel spannend zijn dat je er pas heel laat van op de hoogte wordt gesteld dat de verteller misschien een ernstige ziekte heeft die ertoe leidt dat hij zijn emoties niet op sociaal acceptabele wijze kan kanaliseren en zo nu en dan iemand volkomen in elkaar slaat, liefst door met zijn vuist die iemand de tanden uit de bek te rammen. Hetgeen dan straffeloos gebeurt. Hij mishandelt onder anderen de rector van de school van zijn zoon en heeft al eerder zijn eigen broer met een hete pan in zijn smoel geslagen, maar ook dat bleef zonder kennelijke gevolgen.

Vervolgens wordt natuurlijk verondersteld dat de zoon mogelijk erfelijk belast is, en dat zou dan weer (mede) kunnen verklaren waarom deze met twee neefjes een dakloze bekogeld, in de fik gestoken en aldus vermoord heeft. Dat zou die kinderen dan niet helemaal aan te rekenen zijn, en niemand weet ervan dus zouden ze er geen ruchtbaarheid aan hoeven te geven, maar dat komt die politicus natuurlijk niet goed uit, of juist wel; ligt eraan hoe je het beziet.

Maar omdat dit een vertelling par derrière is, slaat die hele, die schier eindeloze reeks van brokjesgewijze onvolledige informatievoorziening aan de lezer helemaal nergens op. Pageturner? A pig in a poke!

zondag 31 juli 2011

Vakantielectuur-I

Robert Anker, Oorlogshond; roman. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2011. 334 bladzijden.

Wat ik vreesde, is werkelijkheid geworden: korte vakantie in Italië, zelfs nog geen twee romans uit; de lectuur van de tweede pas zojuist en thuis beëindigd. En dan te bedenken dat ik ook nog een meer dan zevenhonderd pagina’s dikke Amerikaanse roman mee had. Ballast. Die moet dus ook nog mee naar Engeland, waar ik nog een weekje ga wandelen.

Ten eerste: de jongste van Robert Anker, Oorlogshond. Ongeveer alles van Anker gaat er bij mij in als een preek in een ouderling, en ik geef het Woord ook graag door: dochterlief had, nadat ze eerder Hajar en Daan gelezen had, nu Een soort Engeland van me geleend, voor aan het Gardameer, en zoonlief had voor de terugreis via Oostenrijk Oorlogshond van me geleend. Dus/En ook naar deze, wederom forse, roman had ik de hals gereikt de dagen voor de vakantie toen ik het werk voorprettelijk had aangeschaft. De cover had me misschien moeten waarschuwen. Maar dan, wat is een cover nog in letterland?

Als ik mijn oordeel in één woord moet samenballen: ‘te’. En dat dan te plaatsen voor alles wat / iedere kwalificatie die wellicht de bedoeling was van de auteur: vlot, hip, actief, getapt, lekker leesbaar, dramatisch, erg, heftig, meeslepend, episch; noem maar op. Want het is duidelijk dat Anker daarop heeft ingezet: keiharde, rücksichtlose actie en vertelgeweld. En het moet gezegd: deze schrijver verstaat zijn vak (als ik dat zo zeggen mag); de vertelkunst spat ervan af.

Maar toch: de erg onsympathieke held (wat op zich geen bezwaar hoeft te zijn voor een lekkere lectuur), die te zeer een uitvergroting van een klassieke held is (wat vervelend wordt doordat de verteller geen afstand van hem neemt, maar voluit met hem sympathiseert en zelfs met hem samenvalt), hing me al snel de keel uit. A l l e s lukt hem: studeren (twee studies), kickboksen of iets dergelijks, een professionele militaire opleiding, een doctorsgraad halen in de filosofie (maar liefst summa cum laude), hals over kop leraar worden zonder enige specifieke opleiding daartoe, het eigenhandig hervormen van een onderwijssysteem op een scholengemeenschap, het versieren, veroveren en veelstandig penetreren van allerlei hyperintelligente, voorbevochtigde, jonge, maar wel zelfstandige en juridisch volwassen leerlingen. Wapen nodig? Michiel de Ruyter regelt het. Coke? Geen probleem. Goede ideeën? In overvloed. Relativering? No way. Iemand in elkaar slaan? Hoppa, in een oogwenk en straffeloos voor elkaar. Iemand doden? Even zo gemakkelijk en meer dan eens. Zelfs voor een aartstrouwe hond hoeft hij geen moeite te doen: die volgt en gehoorzaamt hem ex nihilo. Allemaal intertekstueel verantwoord, naar ik aanneem, maar zeer vervelend, doordat de held geen seconde zelfs maar een snipper van tragiek heeft of krijgt, ook niet wanneer een geliefde door zinloos geweld sterft; en nog een. En: alles weet hij beter. Hij kankert er maar op los; niets wat niet Michiel de Ruyter zelf is, deugt; type: Youp van ’t Hek, maar dan met (spier)ballen en zonder brilletje.

Zo veel succes, zo veel geweld, zo veel geld, wapens, seks en overwinningen in zowel studie, vechtsport, wetenschap, autoracerij als duistere oorlogen in Afrika en het oosten van Nederland, daar moet wel een greintje ironie bijgeleverd zijn. Maar ik heb het niet kunnen ontdekken. Zelfs al Michiels leerlingen slagen voor hun eindexamen en de meeste studeren met succes en promoveren daarna ook nog, en blijven idolaat van hun leraar die zich van het nieuwe leren niets aantrekt maar ze even indrukwekkend en frontaal lesgeeft als hij ze lichamelijk bejegent. Doordat deze postmoderne terminator klassieke talen en filosofie heeft gestudeerd, denkt hij overal mee weg te kunnen komen door er een klassieke, met Nietzsche en Heidegger aangelengde, saus van intellectualisme over te gieten (zoals moorden in Afrika kennelijk minder erg is als hij er Homerus bij citeert).

De handelingen van de drie delen zijn gesitueerd in Nederland, een fictief Afrikaans land, respectievelijk een fictieve provincie in het oosten van Nederland die naar autonomie streeft. De drie verhalen over drie episoden uit het leven van deze zich noemende Michiel de Ruyter, spelen zich af in een vage toekomstige periode, wat mogelijk bedoeld is om de ruimte te creëren voor maatschappelijke en sociaal-culturele kritiek zonder werkelijk realistisch te hoeven worden. Dat heeft soms tot leuke vondsten geleid, zoals de naamgeving van politieke groeperingen als Wouters Verjaardag en Voorheen de Moslimpartij. Maar op mij heeft die plaatsing in de toekomst vooral het effect dat de indirecte referenties aan de huidige realiteit/actualiteit er allemaal niet toe doen; het is toch maar fictie; niets dat hier bespot wordt, bestaat echt. Dat, gevoegd bij de al te lomp opererende held, maakt dat de kritiek op het Nederlandse onderwijs in deel 1 te gemakkelijk is, om niet te zeggen gemakzuchtig. Het Afrikaanse avontuur in deel 2 is volgestopt met militair-strategische en wapenkundige beschrijvingen die van ieder actueel belang ontbloot blijven behalve het aanleiding geven tot meer beschrijvingen van geweld en het onfeilbare genie van De Ruyter. Dat geldt ook voor deel 3 waarin de streek Saumerland door een stelletje radicalo’s, bij wie De Ruyter zich om niets aansluit, naar de autonomie wordt gevochten, ten koste van bomaanslagen en vele doden (het is enigszins verwarrend dit na 22 juli te moeten noteren).

Al met al geloof ik dat Anker probeert te betogen dat de kennelijke idealen van deze De Ruyter uiteindelijk loos zijn, geen hogere doelen zijn, maar alleen de glans van zijn eigen ego dienen, of dat nu gaat via de Bildung van nieuwe aristoi in VWO-5, via een op economische belangen van een buitenlandse miljardair gefundeerde stammenstrijd in Afrika, of via het onparlementaire streven naar zelfstandigheid van een Nederlandse regio. Het zal wat.

Wat me aantrok in deze roman, was het begin. Daarin presenteert zich de naamloze ik-verteller als de biograaf van de held, wiens ware naam we niet te horen krijgen; de held laat zich, ook door de biograaf, Michiel de Ruyter noemen. Grapje, waardoor duidelijk wordt dat meneer eerder een mythisch dan werkelijk personage is; iets wat weer goed aansluit bij zijn eerste lessen in klassieke cultuur aan gym 5 of 6, monologische lessen die hoorcolleges lijken en handelen over de aristocraten, elites en het boven de moraal verheven zijn.

Bijzonder aan de verteller is dat hij zich een embedded biograaf noemt. Hij leeft dus letterlijk met de held mee; tegelijk is hij geen personage tussen de andere personages; alleen met Michiel spreekt hij af en toe, wanneer deze weer een passage uit zijn biografie gelezen heeft (waardoor deze biografie dus bepaald geen zuiver, objectief verslag meer is, want Michiel bemoeit zich er actief mee). Echt leuk wordt het als de biograaf zich soms zo inleeft in het leven van Michiel de Ruyter, dat hij de derde persoon loslaat, en het heeft over ‘wij’ en ‘ons’, maar die gezamenlijkheid weer snel loslaat wanneer het gevaar te groot of levensbedreigend wordt; dan schiet de bange biograaf toch maar weer terug in de veilige ‘zij’- en ‘hun’-vorm.

In zekere zin is deze embedded biograaf weinig meer dan de concretisering van een klassieke alwetende verteller. De vraag is evenwel wat deze concretisering toevoegt aan de roman. Het antwoord op die vraag heb ik niet gevonden. In tegendeel: ik denk dat de roman erbij gewonnen zou hebben als Anker had gekozen voor een ouderwetse neutrale vertelsituatie, gecombineerd met een wat kwetsbaarder, tragischer hoofdfiguur, of anders voor een sterker van de held afwijkende verteller, een tegenspeler, een antagonist. Het ontbreekt deze omnipotente De Ruyter aan werkelijk tegenspel en dito tegenslag. Daardoor is in mijn optiek de roman niet geworden wat er op de achterkant staat: 'een harde, verontrustende roman over iemand die alleen staat in een angstaanjagend lege wereld.'

PS (30-12-2011)

Herlezen tijdens kerstreces, wegens m'n grote waardering voor In het westen, de laatste trans. Maar dat heeft niet geholpen. De pathetiek aan het eind van het eerste deel bijvoorbeeld, als die mysterieuze, platonische geliefde, Lot zich in de baan van het schot werpt dat voor Michiel bedoeld is, ik blijf het een draak vinden die scène, ook al probeer ik me te bedenken dat Michiel niet reëel is maar een ouderwetse, een homerische Held, en die Lot een vermomde Godin die de Held bijstaat; en ook de opmerking van de verteller/biograaf 'het werd deerniswekkend' (129) trekt de boel niet in een ander licht. Licht dat alleen heel indirect schijnt wanneer bijvoorbeeld Michiel een nieuwe collega tegenkomt op school, en dat er dan staat: 'Deze was Job.' Dat moet letterlijk uit Bint komen (ik heb het niet nagezocht), die even overdreven (maar veel kortere) roman van Bordewijk.

In het begin van deel II vind ik die verteller ook weer even leuk doordat hij veel explicieter optreedt als personage en tegelijk wat onvolkomener, slordiger wordt als verteller; en het is best wel aardig dat daar in Afrika zich weer een Godin-achtige bij Michiel voegt, Sibongile, zo dat je je ervan bewust blijft dat Michiel niet realistisch bedoeld is maar als een tweede Achilles of zo; maar dat dat mens dan ook weer door lomp geweld aan haar einde moet komen aan het einde van dat deel, is me dan weer drie mijl te veel. Sowieso vind ik dat hele Afrikaanse deel net zo interessant en spannend als, noem eens iets saais: dat geknok en gedoe in de Ilias.

Wel weer aardig is dat in deel III zich, zoals eerder Lot en Sibongile, een hond, Hans gedoopt, zich onafwijsbaar aan zijn zijde voegt (zal wel refereren aan Kapitein Rob en diens Skip, maar De thuiskomst van kapitein Rob vond ik veel beter, ook en vooral dat waanzinnige titelverhaal). En nee, die hond wordt niet doodgeschoten aan het eind, want de roman eindigt een beetje flauw in een quasi voormalig-Russich staatje, waar de held, na zijn volkomen debacle in Saumerland, met zijn nieuwe lief Dakota, en oude hond mogelijk weer nieuwe avonturen tegemoet gaat.

En ook de verwisseling van Held en verteller in het hart van het boek (166-167) is aardig, te meer daar die plaatsvindt na een dialoog tussen beiden waarin de een de ander toevoegt: 'Volgens mij ben jij zo iemand die niet weet hoe hij moet leven, of erger nog: de kracht niet heeft om dat te doen. Eigenlijk leef jij gewoon via mij, weet je dat?' En daarmee is een link naar Ankers episodische gedicht Goede manieren gelegd; maar in dat gedicht is het inzetten van Van Beek als een Awater, een verkenner van het leven, veel intrigerender dan in deze roman.

Vreemd, er zijn tal van ingrediënten aan te wijzen die smaak en pit geven aan ander werk van Anker, en er is een thematische verwantschap te zien met In het westen, en toch 'doet' deze roman me weinig.

donderdag 7 juli 2011

Rilke | via Wigman

Tijdens de Dichtersmarathon, vorige week vrijdag in De Tolhuistuin te Amsterdam 1) hoorde ik, onder andere, 2) Menno Wigman zijn vertaling voordragen van Rilkes 'Der Tod der Geliebten'. Dat gedicht heb ik ooit, pathetisch hyperbolisch, mijn lijfgedicht genoemd (zie hier).

Ik kende Wigmans vertaling niet. Ze is opgenomen, zo vertelde me de vertaler, die overigens ook fraai werk van eigen pen voordroeg, in: Rainer Maria Rilke, Wie nu alleen is; twintig liefdesgedichten. Gekozen en vertaald door Menno Wigman. 2e dr. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1997 (1e dr. 1996), p. 39. De vertaling van 'Der Tod der Geliebten' is gebaseerd op het origineel in: Der neuen Gedichte anderer Teil (1908) en luidt als volgt:
De dood van de geliefde

Hij wist slechts van de dood wat allen weten:
dat hij ons neemt en ruw verstommen doet.
En toch, toen zij, niet van hem weggereten,
nee, zachtjes uit zijn ogen weggevloeid,

naar onbekende schimmen was vergleden,
en toen hij dacht hoe zij haar meisjeslach
bezaten, als een maan, en zelfs beneden
ervoer hoe zij hen daar van troost voorzag:

toen werden hem de doden zo bekend
als was hij dankzij haar met elk van hen
verbroederd; wat de anderen ook zeiden,

hij liet ze maar; lag niet aan gene zijde
het welgelegen land, het eeuwig zoete?-
Hij tastte al de weg af voor haar voeten.

Ik kende dit gedicht eerst alleen in de originele versie; toen kwam daar de vertaling van C.O. Jellema bij, en daarna die van Peter Verstegen. Wigman kende die van Jellema niet, zoals ik die van Wigman niet kende. En nu weten we allebei weer iets meer.

Ik hoop dat hij het me niet kwalijk neem dat ik de vergelijking van de vertalingen voortzet. Maar dat doe ik niet zonder dat ik aangeef dat me het vertalen van poëzie een hels en schier onmogelijk werk lijkt, zeker wanneer het niet gaat om 'De mus' van Jan Hanlo; en ook niet zonder eerst aan te geven dat het me niet eens zozeer om de vertalingen te doen is, als om de verkenning van het oorspronkelijke gedicht via de drie vertalingen (zie bijlage onderaan dit stukje).

De eerste regel heeft volgens mij Wigman in al zijn eenvoud perfect vertaald, bijna niet vertaald; daar kan Jellema niet aan tippen, want die maakt er gedeeltelijk een vraag van, zodat hij een derde personage introduceert, de spreker, naast de twee geliefden (tenzij je die eerste woorden als erlebte Rede opvat; dat zou weer een driehoeksverhouding schelen). Verstegen expliciteert met 'wij' ook een derde instantie (verderop nog een keer door de loze herhaling van 'ons') en heeft een enjambement nodig dat geen functie of betekenis heeft. Wigman wint.

Jellema's 'en in het stomme stoot' is eenvoudig en juist, behalve dat dat woord 'stomme' een vervelende connotatie heeft gekregen door de verwarring met dat homoniem; jammer, want het neemt wel die oorspronkelijke alliteratie mee ('st') die ook nog eens op stilte, zwijgen duidt. Verstegen bakt er niks van, met weer een enjambement en ook nog eens een halve tautologie. Te veel woorden. Wigman heeft het over 'verstommen', dat me to the point lijkt, maar hij heeft een expliciet 'ruw' nodig omdat hij de veronderstelde kracht van de ingreep van de dood probeert te formuleren zonder dat lompe 'stoten'. Probleem opgelost.

Net als Jellema heeft Wigman het pijnlijke 'weggereten'. Puik, onvergelijkbaar beter dan dat klinische 'weggesneden' van Verstegen (of het over een wratje gaat, zeg), die alweer een enjambement toevoegt. Wigman plaatst tegenover dat 'weggereten' in een mooi contrast het zachte 'weggevloeid' en 'vergleden'. Ook zijn Wigmans 'onbekende schimmen' in hun heldere eenvoud een veel betere vertaling dan dat clichématige 'gene zijde' van Jellema en al helemaal veel beter dan Verstegens 'een onbekende wereld / van schimmen'. Waar komt die wereld vandaan en wat moet dat toch met al die enjambementen? En dan rijmt 'onbekende' ook nog eens heel gekunsteld op 'voor hen de'. Wigmans 'weggevloeid', een deelwoord, is net als Verstegens 'weggegleden', veel beter dan Jellema's 'vlood', dat niet gelijke maat houdt met de zinsconstructie van Rilke.

En zo zou ik dit apothekerspraatje voort kunnen zetten. Bijvoorbeeld met de vraag waarom Wigman kiest voor de vreemde constructie 'hij dacht hoe zij [...] bezaten' waar een letterlijk 'voelde' beter zou zijn, dat via elisie gemakkelijk overgaat in 'hoe' zodat het ook wat lettergrepen weer uitkomt. Maar fraai is weer dat hij een eindje verder het verschil tussen die werelden expliciteert met 'en [hij] zelfs beneden / ervoer', voorwaar een functioneel enjambement, want het benadrukt de afstand ten opzichte van 'hen daar'.

De derde strofe loopt als een trein in de vertaling van Wigman (waar Jellema werkt met een on-Nederlands 'daar' en Verstegen naast 'alsof' nog een overbodig 'kon' erbij sleept). Alleen was me een ander woord dan 'verbroederd' welkom geweest; 'verbonden', of beter nog: 'verwant', bijvoorbeeld, aan te vullen met 'en' na de puntkomma om het lettergrepental weer op peil te krijgen.

Van 'hij liet ze maar' zou ik toch iets maken als: 'hij geloofde 't niet', maar ik ben ook niet erg tegen elisies, Wigman misschien wel.

Dat er driemaal 'toen' staat in Wigmans vertaling, vind ik niet echt fraai, maar het is misschien ook niet te voorkomen in een in wezen cerebraal gedicht; en Rilke gebruikt driemaal 'als'. Maar dat Wigman tweemaal 'hoe zij' schrijft met niet dezelfde referent van 'zij' vind ik echt niet fraai. In regel 6 verwijst 'zij' naar de dode geliefde, in regel 8 verwijst dat zelfde woord naar de 'onbekende schimmen' uit regel 5; dat is niet alleen niet fraai, maar ook verwarrend, al wordt het contrast wel aangegeven door de oppositie van 'zelfs beneden' en 'daar'.

Jammer vind ik dat in Wigmans vertaling aan het eind een (retorische) vraag is opgenomen: 'lag niet aan gene zijde / het welgelegen land, het eeuwig zoete?-' (waarbij 'aan gene zijde' zo niet flauw, dan toch wel erg dik erop gelegd en een cliché is), terwijl ik het fraaie aan Rilke's tekst vind dat de vertellende figuur aan dat hem persoonlijk onbekende land namen geeft: 'nannte'. Hij sticht als het ware dat land voor zijn geliefde doordat hij het via haar kan benoemen. Ook dat is onderdeel van de liefde tussen haar en hem. Ik vind het zonde dat het uit deze vertaling wegvalt.

Niet erg charmant lijkt me dat Wigman, net als Verstegen, een hele weg aan het gedicht toevoegt (naar, of: in dat welgelegen land, dat is onduidelijk). Dat is me veel te plastisch. Rilke's verteller zegt dat de geliefde het (namelijk, dat land) aftast, verkent voor de voeten van de geliefde; daarin is een eventuele weg al geïmpliceerd, of juist, ja dat is het: een ongebaand pad. Daarmee helpt de de geliefde zijn dode, of stervende geliefde, hij maakt haar dat land begaanbaar.


Noten
1) Hoe oud moet je worden om voor het eerst per pont het IJ over te steken?
2) Ik bedoel dat ik veel meer gedichten hoorde; als ik zou schrijven: 'onder anderen', zou het lijken alsof meerdere dichters deze vertaling voordroegen, en dat zou niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.

Bijlage
Blogger kan het typografisch helaas nauwelijks differentiëren, maar ik zet de drie vertalingen (Jellema, Verstegen, Wigman) hier per regel onder elkaar:

De dood van de geliefde
De dood van de geliefde
De dood van de geliefde

Wat wist hij van de dood - wat allen weten:
Zoals wij allen wist hij van de dood
Hij wist slechts van de dood wat allen weten:
dat hij ons neemt en in het stomme stoot.
alleen dat hij ons neemt en ons verstoot,
dat hij ons neemt en ruw verstommen doet.
Toen echter zij, niet van hem losgereten,
verstommen doet. Maar toen zij weggesneden
En toch, toen zij, niet van hem weggereten,
nee, haast behoedzaam uit zijn ogen vlood
was uit zijn leven - nee, zacht weggegleden
nee, zachtjes uit zijn ogen weggevloeid,

en naar gestalten gleed aan gene zijde -
uit zijn gezichtsveld, naar een onbekende
naar onbekende schimmen was vergleden,
hij voelde, hoe die onbekenden toen
wereld van schimmen, wist hij dat voor hen de
en toen hij dacht hoe zij haar meisjeslach
gelijk een maan haar meisjeslach verblijdde,
maan was gaan schijnen van haar meisjeslach,
bezaten, als een maan, en zelfs beneden
en haar manier van goed te doen:
en dat zij er vertroosting bracht:
ervoer hoe zij hen daar van troost voorzag:

daar werden hem de doden zo verwant,
toen werden hem de doden zo verwant,
toen werden hem de doden zo bekend
als kon hij zich met elk van hen inlaten
alsof juist zij hem innig kon verbinden
als was hij dankzij haar met elk van hen
door haar; hij liet de anderen maar praten,
met elk van hen; wat andere mensen zeiden,
verbroederd; wat de anderen ook zeiden,

wou niet geloven en noemde dat land
nam hij niet aan; hij noemde 't gindse land
hij liet ze maar; lag niet aan gene zijde
het welgelegene, het altijd zoete -
het welgelegene, het steeds beminde -
het welgelegen land, het eeuwig zoete?-
Tastend bevoelde hij het voor haar voeten.
Daar ging hij tastend haar de weg bereiden.
Hij tastte al de weg af voor haar voeten.

zondag 29 mei 2011

Dick Swaab, Wij zijn ons brein

Van baarmoeder tot Alzheimer. 10e dr. Uitgeverij Contact, Amsterdam - Antwerpen 2011 [1e dr. 2010]. 480 blz. incl. register.

Na The Shallows van Carr kon dit er ook nog wel even bij, dacht ik. Van alle gedoe rondom dit roemruchte boek had ik alleen een heel goed overwogen weerwoord van de auteur tegen een viertal critici gelezen, waar een krant hem alle ruimte voor had geboden. Maar het blijkt dat het populariseren van specialistische wetenschappelijke kennis bepaald een vak apart is. En Swaab beheerst die vaardigheid niet echt. Hij schrijft, denk ik, vanuit een enorm grote specialistische ervaring en kennis, maar hij doet dat met een zo grote en niet dan door vage referenties ondersteunde zelfverzekerdheid, dat ik steeds meer afgeleid werd door zijn autoriteit (ik bedoel: geïrriteerd werd door die misschien terecht en oprecht uitgedragen kwaliteit, die evenwel op mij steeds meer de indruk maakte weinig meer te zijn dan zelfingenomenheid) (een heel erg lastig proces, als je toch iets over een boek wilt zeggen).

De druppel die mij de emmer deed overstromen en het boek dicht deed slaan, staat op p. 389-390; ik heb het, vind ik, dus toch nog braaf volgehouden; en dat komt doordat de materie in principe reuze intrigerend is. Maar ik geloof dat Swaab al populariserend is getreden in de valkuil van het reductionisme. Dat blijkt wanneer hij het heeft over wat hij noemt het fenomeen van de onafhankelijke gelijktijdigheid. Dan schrijft hij:
De 'uitvinding' van de kunst werd zo'n 35 000 jaar geleden door de mens rond dezelfde tijd gedaan in de Ardêche in Frankrijk, in Australië, en in Afrika. Het oudste beeldje, een vrouwenfiguurtje gesneden uit mammoetivoor, en gevonden in Duitsland, dateert ook uit deze periode. Blijkbaar waren deze 'unieke' uitingen van menselijke creativiteit afhankelijk van het evolutionaire ontwikkelingsstadium van de hersenen.
Dat blijkbaar slaat volgens mij als een rolmops op een garagedeur. Swaab rekent alles terug tot iets evolutionairs en genetisch en hersencellerigs en baarmoederlijk aangelegds. Er hoeft maar dàt te gebeuren, en hij weet er een cel, synaps of kwab voor aan te wijzen die kennelijk op zijn scanapparatuur op het gewenste moment heeft opgelicht. Intelligentie: daar en daar. Libido: daro. Criminaliteit: iets meer naar links. Woordblindheid: iets meer naar retchs. Resultaat: alle problemen worden niet opgelost, maar doorverwezen naar dat microscopisch en aangeboren gebeuren, waarbij hij dan nog wel wat ruimte vrij laat voor Nurture, maar de meeste reserveert voor Nature. Ik bedoel niet te zeggen dat het niet klopt (dat weet ik niet). Maar Swaab is wel erg zwiepend met zijn statements over prefontale cortexen en andere hersengebieden die allemaal in de baarmoeder worden aangelegd. Als het echt zo eenvoudig zou zijn...

zaterdag 14 mei 2011

Excuses voor het ongemak (of zo)

Foto ontleend aan http://www.m-voorloop.nl/html/connxx.htmlWelnu, het is dus zo gelegen: de een die ga je uit de weg, en de ander kom je tegen. Het kan nooit kwaad om af en toe je oude moeder te citeren, zeker als het toch nergens op slaat. QED.

De laatste tijd kom ik alleen maar bezigheden tegen, en zij mij, waarvan er veel ook veel letters in de aanbieding hebben, waaronder ook wel die schoon bedoeld zijn, maar ze (die bezigheden) leiden me, naar ik mag hopen tijdelijk, zo zeer af van de luie leesstoel dat ik niet zo serieus in roman of dichtbundel of essayverzameling kan lezen dat het eerlijk zou zijn er iets over te zeggen (een zin waarvan ik niet weet of ze klopt, maar ik laat haar toch maar staan).

woensdag 6 april 2011

Gemeenschap

Het thema van het nieuwe nummer van rekto:verso, tijdschrift voor kunst en kritiek.

En daarin schrijft Marc Reugebrink - wiens nieuwe roman ik (schande) nog steeds niet gelezen heb - over zijn nieuwe visie op literatuurkritiek in het huidig tijdsgewricht onder de titel 'Schrijvers, critici, verenigt u!. Ik moest dat stuk eerst nog eens herlezen, vooraleer ik er melding van wilde maken op dit blogje, waar het gezien de strekking in ieder geval op thuis hoort. Ik wist namelijk niet meteen of ik het wel eens ben met die oproep tot het bedrijven van louter positieve kritiek, zelfs indien opgevat zoals Reugebrink het bedoelt: alleen de positieve kritiek publiceren en breed uitmeten (en het azijnzeiken achterwege laten).

Na herlezing blijf ik het een intrigerend stuk vinden, maar ik geloof niet dat ik het ermee eens ben. Afgelopen dinsdag stond ik in Spui 25 nog te toeteren: 'Het is schiften of geschift worden', en dat houdt ook in: aangeven waarom een werk niet goed genoeg is (al was het maar omdat je dan ook kunt aangeven wat er wel goed aan is). Ik snap de grond van Reugebrinks bezorgdheid, maar deel niet zijn conclusie om dan alleen maar over het goede te spreken (dat gold toch alleen met betrekking tot de doden).

Er moet geschift worden, want er verschijnt meer dan wie ook fatsoenlijk verwerken kan in litteris. Daar was iedereen het wel over eens tijdens de discussie 'De vlakte en de vrijheid' (over literatuurkritiek on line, zie Recensieweb). En prompt kregen de panelleden als bedankje een dikke struik bloemen en... een boek!

Maar ik had er net een uit (en weet nu al niet meer welk) en ik was begonnen aan een (voor mij) nieuwe roman van 705 bladzijden.

En ja hoor, daar verscheen de volgende dag ook nog eens de bostbode. Met een doos. Bevattende de eerste lichting nieuwe kandidaten voor de Academica Dubutantenprijs: tien literaire-hemelbestormende prozadebuten, waarvan de eerste twee door mij nu al van het stempel 'i' zijn voorzien, een beknotting van mijn privé- potjeslatijnse verwoording van het verdict: lecturus interruptus, vrij, maar minder aardig, te vertalen met: na vijftig bladzijden definitief vastgesteld dat er niet doorheen te komen is.

In de beslotenheid van het juryberaad hebben we het dan nog wel even over dat soort boeken, maar er openlijk over oordelen, dat doen we niet. Alle boeken komen op de kandidatenlijst, en maar enkele worden voorgedragen voor de langlijst en daarvan gaan er een stuk of vijf, misschien nog maar drie, naar de publieksjury; alleen over die laatste spreken we openbaar een oordeel uit, en dan vooral positief, want anders hadden we ze niet geselecteerd. Maar impliciet verhullen we niet dat er wel erg veel bomen in het bos geplant zijn. Te veel.

Misschien ben ik het, en zeker in die debutantenpraktijk, dus toch met Reugebrink eens.