vrijdag 24 juli 2026

Robert L. Heilbroner, De filosofen van het dagelijks brood

De levens, tijden en ideeën van de grote economische denkers.
Vert. door J.E. Kuiper. [2e dr.], Paris-Manteau, Amsterdam-Brussel, 1955. (1e dr. eveneens 1955). Paperback, 383 blz. incl. verantwoording.
(Oorspronkelijk: The Worldly Philosophers, Simon and Schuster, New York, 1953). 
Ongelezen exemplaar, naar het zich liet aanzien, aangetroffen in een straatbiebkastje in de buurt; door mijn leesplezier begint er nu allerlei lichte leesschade aan te ontstaan (zie foto).

De ondertitel (van de vertaling) is goed en volledig; het boek gaat inderdaad over de levens, tijden en ideeën van grote economische denkers. De schetsen van hun levens en tijden vormen een uitstekende context voor de ideeën en ze maken het boek ook voor niet-economen interessant. De omzetting van de oorspronkelijke hoofdtitel The Worldly Philosophers naar De filosofen van het dagelijks brood in de vertaling, lijkt me een verbetering; die Nederlandse titel wordt goed verantwoord in de vertaalde, oorspronkelijke inleiding.

De opening van het boek vind ik meesterlijk:

Dit is een boek over een handje vol mensen, die er om een zeer merkwaardige reden recht op hebben, beroemd te zijn.

Het vervolg van de eerste alinea maakt die eerste zin alleen nog maar beter. Daarin legt Heilbroner uit welke misdaden deze opmerkelijke figuren niet begaan hebben en welke oorlogen ze niet begonnen zijn.

Het superieure perspectief op de materie, zonder ook maar een moment betweterig, neerbuigend, cynisch-relativerend of iets dergelijks te worden, tekent heel dit boek. Met olijke maar toch straffe hand wordt de lezer door twee eeuwen westerse economie en economische theorie geleid. Interessant, leerzaam, informatief en vermakelijk. Laat ik erbij zeggen: voor mij en wie, net als ik, bar weinig weet heeft van economie, laat staan van historische economie en economische geschiedenis. Te weinig, weet ik nu. Het is een boek waarvan ik op een gegeven moment tijdens het lezen dacht: dit had best verplicht mogen zijn op de eerstejaars leeslijst van ongeveer alle studierichtingen in de geesteswetenschap.

Was dit een boek geweest op mijn eigen vakgebied, dan had ik het (hoop ik) al heel lang gekend, maar dan had ik de toon waarschijnlijk niet kunnen verdragen. Daar komt bij dat de verantwoording achterin net één pagina beslaat en Heilbroner in heel zijn boek geen enkele uitspraak, hoe normatief ook, verantwoordt met enige referentie aan een andere bron van belang dan een boek van een van de economen die hij bespreekt. Maar als economische nitwit maal ik daar niet om. De inleiding is verbluffend boeiend, en de goed opgebouwde hoofdstukken erna niet minder. Heilbroner is niet zuinig met context, achtergronden, persoonlijke details en anekdotes van en over zijn hoofdfiguren.

Een andere ondertitel was trouwens ook mogelijk geweest. Bijvoorbeeld: historische, kritische reflecties van filosofische economen of economische filosofen op het persistent dominante kapitalisme van het noordwesten van de aardbol vanaf Adam Smith tot en met 1952. Toevallig, of noodzakelijk, gaat het middelste (zesde) hoofstuk over ‘De onverbiddelijke wereld van Karl Marx’; een titel die in het licht gezien moet worden van die van het eraan voorafgaande hoofdstuk: ‘De prachtige wereld der Utopische socialisten’, die op haar beurt niet goed werkt zonder die van het eraan voorafgaande: ‘De sombere wereld van Ds Malthus en David Ricardo’, die weer mooi volgt op hoofdstuk III over ‘De perfecte wereld van Adam Smith’.

Dat noem ik orde. En zo is er nog meer goeds in dit boek, dat oorspronkelijk het doctoraal werkstuk van Heilbroner was en (echt, ik wist van niets) we...reld...be...roemd is.

Behalve leerzaam is het boek ook zeer vermakelijk, want aan elk van de besproken economen is wel een persoonlijk(heids) steekje los dat Heilbroner onder stoel noch bank van zijn betoog steekt. Ook verheelt hij niet waar elk van hen de plank mis heeft geslagen met zijn optimistische of pessimistische vooruitzichten (er bestonden gedurende de besproken twee eeuwen kennelijk geen vrouwelijke economen van belang).

Door die gesignaleerde miskleunen verbaast me het slot van het boek waarin Heilbroner komt te spreken over ‘De moderne wereld’, meer in het bijzonder de kapitalistische USA anno begin jaren vijftig van de twintigste eeuw. Gezien tegen de door hem zelf geschetste achtergrond van wat er elders in de westerse wereld op economisch terrein te vinden is, zijn volgens hem ‘de prestaties van het Amerikaanse kapitalisme niet alleen bevredigend, maar schitterend te noemen.’ Hoewel een kwart van de bevolking in (diepe) armoe leeft ‘zijn wij dichter dan ooit enig ander volk in de geschiedenis geweest is, bij het door Keynes geschouwde lichtende doel: een samenleving zonder armen. We zijn er zelfs bijna!’ Het kan niet op, want als de toenmalige economische ontwikkeling nog twintig jaar zou aanhouden, acht hij het ‘denkbaar dat wij nog binnen een mensenleeftijd de eerste menselijke samenleving te zien zullen krijgen, waarin er genoeg is voor iedereen.’ In 1970, hij hamert erop, zou dat dus het geval zijn.

Achteraf bezien is het vreemd, haast wereldvreemd zelfs, dat Heilbroner, op de hoogte van een reeks van misvattingen en al te hoopvolle en onrealistische inschattingen van zijn gerespecteerde voorgangers, dit wonder zonder al te veel twijfel denkt te kunnen meebeleven. Hij overleed in 2005 en ik neem aan dat hij zich in de tussenliggende 35 jaar meermaals de haren uit zijn hoofd heeft getrokken als hij terugdacht aan het slot van zijn beroemde boek. Want wanneer ontwikkelt de wereld zich, zeker in economisch opzicht, ooit in de richting die, met het tempo dat, en met de intensiteit die wij toevallig meebeleven?

Van de economie anno 2026 begrijp ik ook al helemaal niets, maar wat ik er van denk te begrijpen, vind ik ranzig, vies tot en met misdadig, niet in de laatste plaats als het over de USA gaat. Daarom is het zo goed dat Heilbroner zijn overzicht bij het begin begint, diep in de achttiende eeuw. Toen was de wereld en haar economie nog enigszins te doorgronden, zelfs door een leek; zo doet hij het in ieder geval voorkomen. Dat werkt goed, want daarmee kon ik zijn betoog goed volgen, ook toen de beschreven historische wereld gaandeweg steeds ingewikkelder werd.

Inmiddels ben ik me gaan afvragen of Heilbroner onze huidige economie nu nog zou durven karakteriseren als kapitalistisch. Draait onze economie nog wel om de vraag hoe men het dagelijks brood aan de aarde ontworstelt en hoe men zijn of haar buur ter zijde stoot om er zelf een portie van te krijgen? Draait ze nog om onze dagelijkse noden en behoeften? Heilbroner was zo goedgelovig dat hij aannam dat het vroeger louter daarom draaide en had nog geen weet van de perfide handelsgeest die tegenwoordig door Europa waart en walmt. Dat kòn hij wellicht ook niet voorzien. Maar waarom waagt hij zich dan wel aan uitspraken over de staat van de economie in de aanloop naar onze tijd?

woensdag 15 juli 2026

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Vertaling Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam 2007. Hardback met stofomslag, 192 bladzijden, inclusief noten en verantwoording.

Op het omslag wordt dit boek aangeduid als een roman. Nou heb ik ooit geleerd dat je een titelbeschrijving niet op het omslag moet baseren maar op de gegevens op de titelpagina en eventueel het colofon, maar dat is lang geleden (en inderdaad, de betreffende cursus, die ‘Bibliografie’ of ‘Bibliografisch apparaat’ heette, was voor mij destijds geen pretje, al was de inhoud, net als de docent, heel goed). Tekstonderdelen als ‘Noten’ en ‘Verantwoording’ zijn inmiddels al lang geen vreemde eenden meer in de bijt van de literaire fictie. Zie Lieke Marsmans laatste boek, dat een ‘Verantwoording’ bevat, een ‘Appendix’ en ‘Noten’, maar toch gecategoriseerd kan worden als poëzie, epiek zelfs.

Ik zag De dichter en de duivel in recensies trouwens des ondanks meer dan eens een dichtbundel genoemd worden, terwijl het mijns inziens echt geen bundeling van (korte) gedichten is, maar één, betrekkelijk lang, gedicht, niet alleen omdat het refereert aan ‘Inferno’, het eerste deel van Dantes lange gedicht (leerdicht wellicht) De goddelijke komedie. Anders dan Dante heeft Marsman haar gedicht doorweven met prozaïsche teksten. Oftewel en met andere woorden: de oude genres zijn niet meer wat ze geweest zijn.

Wat staat mij als semi-argeloze lezer dan in de weg om Coetzees Dagboek van een slecht jaar als een roman te lezen, terwijl de genreaanduiding in de hoofdtitel, die precies zo op de titelpagina staat, grotendeels als een steeksleutel op een rolmops slaat, afgaande op de inhoud van het boek. Bovendien kennen we Coetzee natuurlijk als een schrijver die wel vaker langs en over de grenzen van een of meerdere genres heen schrijft en des niet tegenstaande wegens zijn gehele oeuvre, zoals uitgeverij Cossee aangeeft op een flap, in 2003 gelauwerd werd met de Nobelprijs (voor de literatuur).

Het boek, of laat ik gewoon zeggen: de roman, bestaat uit twee delen, namelijk ‘Een’ en ‘Twee’ die in de inhoudsopgave als ondertitel hebben: ‘Uitgesproken meningen’, respectievelijk ‘Tweede dagboek’. De noten en de verantwoording zijn klinkklaar formeel bijwerk bij een roman, noodzakelijke kwaden in tijden (ook anno 2007 al) van plagiaat, plagiaatbestrijding en voorkoming van plagiaatschande.

Nu ik deze aantekeningen hier vastleg, ben ik nog niet aan het einde van deel ‘Een’, dus de problematiek van de ondertitel van het tweede deel, ‘Tweede dagboek’, kan ik nog niet effectief aansnijden. Wel kan ik al aangeven dat het eerste deel niet alleen bestaat uit wat de ondertitel ervan aangeeft: de essayistische bijdragen van een oudere schrijver aan een nog te verschijnen boek onder die titel, Uitgesproken meningen, waarin de betreffende Duitse uitgever, Bruno Geistler van Mittwoch Verlag GmbH in Berlijn, in totaal ‘zes medewerkers uit diverse landen’ de vrije ruimte geeft hun zegje te doen ‘over willekeurige, door henzelf gekozen onderwerpen, hoe controversiëler hoe beter.’ (p. 25)

Behalve de essays van deze oudere, in Australië woonachtige, uit Zuid-Afrika afkomstige schrijver bevat deel ‘Een’ ook persoonlijke notities van deze auteur met betrekking tot een veel jongere, uiterst aantrekkelijke flatgenote (hier herkennen we het klakkeloze heteroseksuele seksisme van meerdere hoofdpersonages uit het werk van romanschrijver J.M. Coetzee), die hij graag zou inhuren als typiste: zij zou zijn manuscripten (audio-opnamen) kunnen uitwerken tot typoscripten en waar nodig de teksten redigeren, alsof die Duitse uitgever van het boek dat zelf niet zou kunnen (laten) doen, nadat alles vertaald is; bovendien is de betreffende jonge vrouw, Anya, zelf niet van huis uit de Engelse taal machtig; zij noemt de schrijver ‘Señor C’ of ‘El Señor’, Spaanstalige en naar het schijnt Filipijnse als zij is; de schrijver vraagt niet eens naar haar vaardigheden als secretaresse annex typiste. 

Bladeren helpt. Op de titelpagina van deel ‘Een / Uitgesproken meningen’ staat als ondertitel: ‘12 september 2005 - 31 mei 2006’. Die data kunnen duiden op de productietermijn van de essays, maar gelden dan evenzeer voor de eronder afgedrukte notities van Señor C en zelfs die van Anya. Terugdenkend aan de inhoudsopgave en aldus op mijn lectuurvoortgang vooruitlopend, zie ik dat deel ‘Twee’ als (onder)titel heeft: ‘Tweede dagboek’. Ik ben benieuwd wat de auteur heeft aangezet tot deze, laat ik zeggen: onevenwichtige titels van de onderdelen.

De notities van de schrijver, die met enige, door de context afgedwongen, goede wil wel als dagboeknotities op te vatten zijn, staan onderaan de pagina, door een horizontale lijn van een halve zetregel lengte gescheiden van de (weergave van de door Anya uitgewerkte) essays, die genummerd zijn en titels hebben als ‘Over de oorsprong van de staat’ en ‘Over het hiernamaals’. Voor de lezer van Nederlandstalige literatuur is het niet moeilijk om bij deze presentatiewijze van grafisch onderscheiden en inhoudelijk ogenschijnlijk niet direct samenhangende teksten annex verhaallijnen, te denken aan werk van Louis Paul Boon, meer in het bijzonder De Kapellekensbaan, Menuet en Mijn kleine oorlog.

Coetzee bakt ze net zo bruin als Boon in De Kapellekensbaan, wanneer hij vanaf pagina 28, oftewel bij aanvang van het zesde essay, ‘Over geleidingssystemen’, een derde tekstlaag toevoegt, namelijk een waarin Anya aan het woord komt, die heel de boel met haar blik belicht. Dat gaat door tot en met het voorlaatste essay van dit deel, ‘30. Over gezag in fictie’; het laatste essay staat alleen op de laatste twee pagina’s.

Doordat de verschillende teksten en ook de witgelaten ruimten ertussen in omvang variëren, wordt al snel duidelijk dat per essay de eronder staande teksten elk ook een afgerond geheel vormen op even zo veel pagina’s. Zoveel samenhang is er nog wel.

Althans, merkte ik, verder lezend, tot en met het zeventiende essay, ‘Over intelligent design’. Vanaf ‘18. Over Zeno’ gaan de teksten eronder uit de maat lopen terwijl de rol van Alan, de partner van Anya, in de onderste tekstlaag groeit en er zich een intrige daarin aftekent, die ook zijn effecten heeft in de middelste tekstlaag (die van Señor C). Over intelligent design gesproken...

Het grappige effect, op mij althans, was dat ik mijn leesroutine veranderde, niet meer eerst een essay las en dan een voor een de eronder meelopende andere twee tekstlagen, maar eerst de onderste, dan de middelste en daarna pas de erboven staande essays. Het zwaartepunt van de roman verschoof op de pagina’s; hoofd- werd bij- en bij- hoofdzaak; het commentaar is de primaire tekst geworden, en andersom. Zo wordt de dynamiek van het lezen onderdeel van het lezen (ik vraag me, terzijde, af of zo’n typografische presentatie ook in een e-boekuitgave te realiseren is). Maar... mijn belangstelling voor de essays, die ik pas na de andere twee tekstlagen las, werd toch groter, al kan dat ook aan de onderwerpen liggen die steeds meer betrekking hebben op actualiteiten van (vlak voor) 2007 en die ook nu nog actueel zijn. En terwijl dus het belang van de fictie steeg, nam ook mijn waardering van de essays toe, die ik steeds meer ben gaan toeschrijven aan Coetzee dan aan die (quasi-)fictieve Señor C.

Mijn nieuwsgierigheid naar het dertigste essay groeide terwijl ik er dichter bij in de buurt kwam. Het handelt ‘Over gezag in fictie’, terwijl in de onderste tekstlaag onbehoorlijk stevig de zaag wordt gezet in de stoelpoten van de fictieve schrijver ervan, die een briefje aan Anya ondertekent met ‘JC’. Het onderscheid met de auteur van de roman wordt miniem; Coetzee ondertekent zijn ‘Verantwoording’ met ‘JMC’.

Het essay viel echter tegen, was mij te vaag, pardon: theoretisch.

Deel ‘Twee’ gaat duchtig verder met de drie tekstlagen. De eerste laag bevat nu meer dagboekachtige notities van de oude schrijver, althans persoonlijke overwegingen, maar vanaf de vijfde notitie hebben deze items, een beetje verraderlijk, weer een vertrouwde essay-titel, zoals ‘Over massa-emotie’. ’n Beetje cerebraal is het dagboek dus wel; maar ja, wat verwacht je van een oude schrijver? De emotie en de actie zit in de andere tekstlagen. Het gedoe tussen C, Anya en haar partner Alan gaat daar gewoon verder, in zoverre dat die (derde) verhaallijn nog doorloopt nadat ze gedrieën de afronding van het typoscript van Uitgesproken meningen gevierd’ hebben, wat onder meer resulteerde in een breuk tussen Anya en Alan en Anya’s vertrek naar elders (zij bepaalt zelf wel in hoeverre men met haar kan sollen). In de tweede tekstlaag blijft zij, via de vertellende schrijver, met de schrijver corresponderen. De bejaarde maar vermaarde schrijver, die door Alan ‘Juan’ wordt genoemd, blijkt nu, net als de auteur van deze roman, hoogleraar in literatuur geweest te zijn. Het literaire spelletje gaat voort. Hij blijkt nu (weer) wel in staat zelf zijn teksten (de eerste tekstlaag) te kunnen typen...

Hoorndol kan een mens van een dergelijke essayrijke roman worden. Ik althans word er afwisselend door aangetrokken en dan weer afgestoten, verbijsterd, verveeld en toch geïntrigeerd.


zondag 12 juli 2026

Ali Smith, Glyph

Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Prometheus, Amsterdam 2026 (oorspr. Glyph, 2026). Paperback met flappen, 272 bladzijden. Mooi uitgevoerd, lekker in de hand liggend boek, 20 bij 12,5 bij 2 cm, 310 gram.

Die Smith levert steeds weer werk van een aparte klasse. Elke roman is zowel typisch Smiths als afwijkend van alle voorgaande. Zo is Glyph minder dystopisch dan Gliff, dat in 2024 verscheen. Daar staat weer tegenover dat er zowel tussen deze twee boeken als tussen de onderdelen van elk boek apart allerlei associatieve verbanden lijken te bestaan. Klinkklare narratieve lijnen trekt Smith zelden. Ze is onbekommerd gul met het vertellen van verhalen, het retraceren van fragmenten van het verleden, het spelen met woorden en betekenissen en de frictie of juist de speel- of spelruimte tussen taal en werkelijkheid.

Opeens dacht ik, al lezend, dat een roman van Smith te vergelijken is met grafisch werk van Escher, zowel die onopgemerkt van vorm veranderende dieren (het associatieve) als ook, misschien vooral, die trappen die niet uitkomen waar je denkt dat ze zouden moeten (het onnavolgbare). Bij al dat spel verdwijnt nooit de actualiteit van onze werkelijkheid uit beeld; die duikt steeds onverwacht weer ergens op. En dan gaat het nooit over de leuke aspecten van onze actualiteit maar over oorlog, bedrog, pandemieën, politieke waanzin en zo meer, maar zonder dat het verhaal er chagrijnig door klinkt, wel verontrustend, maar niet grauw en grimmig. Kan dat? Ja, Smith kan dat.

donderdag 9 juli 2026

Lieke Marsman, De dichter en de duivel

3e dr. Uitgeverij Pluim, Amsterdam-Antwerpen 2026 (1e dr. 2026). Hardback met stofomslag. 119 bladzijden.

Wat een uitzonderlijk goed boek is dit. Zo eigenzinnig, zo gedreven, zo boordevol cultuur- en andere kritiek maar nergens chagrijnig, juist overal daverend en spits, machtig en enthousiast, geestig en geestrijk. Op losse wijze geschoeid op de leest van Dantes Goddelijke komedie, met een wrange, matte glansrol voor de grootste flapdrol uit de recente Nederlandse politiek.

Wrang is de eerste referentie aan Dantes meesterstuk in de context van Marsmans levensverhaal, haar veel te vroege dood:

Mijn leven was pas half voorbij toen ik verdwaalde
in een donker woud van managers- en makelaarstaal,
waar een reeks veerkeerde keuzes me mijn pad deed missen.

Maar meteen al de tweede strofe brengt licht, lucht, cynische humor, ironie, zelfspot:

Ik had een chatbot hypotheekadvies gevraagd
en waar ik beren zag, had hij gezegd: geen hindernissen.
Er was een tijd dat ik een woonwens had

Pas achteraf zag ik dat die chatbot daar niet alleen maar staat als leuk dingetje uit de actualiteit; in de ‘Appendix’ levert Marsman op een speelse maar vernuftige manier kritiek op de werkwijze van de ontwikkelaars van AI, exponenten van onze tijd, onze wereld. Honderd pagina’s eerder staat, in het colofon: ‘Geen enkel deel van dit boek mag worden gebruikt voor het trainen van kunstmatige intelligentie.’

Die verbodsbepaling ging in mijn hoofd drie kanten uit. Enerzijds is het een letterlijke waarschuwing voor en verweer tegen de schaamteloze macht van de techbro’s. Daarnaast is het een serieuze verdedigingslinie voor alle referenties aan andermens’ teksten uit kranten en andere media die Marsman door de hare heeft geweven en waarvan ze in de ‘Noten’ secuur de bronnen weergeeft, zo netjes dat het, zeker in een dichtwerk, haast absurd wordt, want in de ‘Verantwoording’ staan de bronnen van de gewone literaire citaten en referenties. Ten derde laat zich de opmerking lezen als een opdracht aan de lezer: gebruik je eigen, natuurlijke verstand. Die opdracht krijgt extra kracht doordat op het achterplat van het boek en achterop het stofomslag niet de gebruikelijke commerciële uitgeversbabbels staan (die zijn te vinden op de flappen van het omslag), maar alleen: 

DE WERELD IS HELEMAAL GEK GEWORDEN

Heel geruststellend is de opsomming, in het colofon, van de drukken die het boek al beleefd heeft; in het exemplaar dat ik las:

Eerste druk, juni 2026
Tweede druk, juni 2026
Derde druk, juni 2026

Autobiografische noties zitten er zeker in het boek (ik noemde al de eerste strofe), maar wat een verademing is het dat de muffe meur van navelpluis hier absoluut afwezig is, dat Lieke Marsman, en ik gooi er maar een vergelijking in, tegen beter weten in, dat Lieke Marsman als een Ali Smith haar persoonlijk lotgeval met een weids gebaar en handen vol fantasie en associatieve kracht openlegt en heel de actuele Nederlandse en Europese en globale crisissituatie er breed in uitmeet en op de korrel neemt, of, om een cliché-referentie aan wapentuig te omzeilen, kritisch op de hak neemt.

Dit is een boek dat nog veel herdrukken meer verdient, en, wat mij betreft, ook herlezingen. Ik heb het nog lang niet uit.

vrijdag 3 juli 2026

Nina Polak, Buitenleven

Prometheus, Amsterdam 2022. Paperback met flappen, 238 bladzijden. Kromgelezen en van buiten bezoedeld exemplaar, gevonden in een buitenbieb in de buurt.

Om eens met de deur in huis te vallen: een goed geschreven, onderhoudend boek over een stel van in de dertig dat het randstadse leven wel gezien denkt te hebben en een vluchtheuvel zoekt in een dorp in het platte, verre, barre noorden van het land. Een millennialroman, dus.

Leek me wel leuk, maar vroeg ik me al snel af: wat ís het toch waardoor ook dit Nederlandse boek niet dát heeft wat een vergelijkbare anderstalige roman sterk maakt? In dit geval komt natuurlijk Über Menschen (2021) van Juli Zeh als het betere buitenlandse werk naar voren. Daarmee vergeleken lijkt Buitenleven van Polak minder een roman en meer een script voor een lange aflevering van de tv-serie Dertigers, maar dan gericht op een nét wat gissere doelgroep en met veel minder personages dan er op de buis in de centrale verhaallijn rondfietsen.

De problematiek waar het jonge stel mee worstelt, is wel veelkantig (stad-land, greedy-woke, jong-oud, exclusief-inclusief, cups-haverlattemacchiato et cetera) maar blijft toch erg klein, mini-ikkerig, navelpluizend, terwijl een Zeh de hele Duitse maatschappij haar roman in trekt plus zelfs een groot deel van de moderne geo-politieke situatie, en dat met humor, en dat zonder de in Nederland kennelijk niet te vermijden, eeuwig ploeterende schrijfster/-ver als hoofdfiguur. Wat is het dat inheemse schrijvers steeds doet denken dat de rest van Nederland een niet te stelpen, grote belangstelling heeft voor de wederwaardigheden (of eigenlijk vooral de blokkades) van het (hoofdzakelijk Amsterdamse) schrijverlijk bestaan, waarvan dan ook nog de autobiografische achtergrond overal door de kieren naar binnen sijpelt?

Typisch-Dertigers lijkt me een passage als de volgende:

Van het bericht van Eva wist Rivka niets en het was inmiddels al te laat om het nog met haar te delen; ze zou zich misschien afvragen waarom Esse het niet meteen verteld had. Er vormde zich nu al een wirwar van ongerijmdheden rond dat onbeantwoorde bericht.

Al dat halve en hele gelieg waarmee je seizoenen lang nieuwe afleveringen aan elkaar kan breien, en al het gedoe met sociale media op bliepende telefoons, die moderne vorm van de klucht vol verwarringen... Pfff, zo saai. Maar, het moet gezegd: het vervolg van deze korte scène is veel beter dan wat er op tv aan dertigers-koek wordt gebakken:

Ze bemerkte zowel behoefte als weerzin om verder te praten met Eva Alta. Ze hoopte, als ze eerlijk was, vooral dat ze eens op een van de haflingers mocht rijden, verlangde naar de geur van hun lijven, die in haar iets had aangeraakt wat ze verwaarloosd had. Ze wilde die moestuin nog eens zien. Ze voelde zich schuldig tegenover Rivka om redenen die nog geen naam hadden.

De (literaire) kracht (die de tv-serie voortdurend mist) zit, denk ik, in die laatste bijzin en ook in de behoefte om op een van de (oorspronkelijk Oostenrijkse) paarden te rijden.

De schrijfster onder de personages van deze roman, Rivka, reflecteert natuurlijk op haar eigen schrijven  van een fictionele roman (of pogingen daartoe) en zegt soms verstandige dingen, die de lezer zou kunnen projecteren op deze werkelijke roman van Polak:

De krampachtige zinnen op het scherm deden aan als ongelukken, ontspoorde pogingen om een idee te voorzien van vorm, gewicht, klank, iets onuitsprekelijks dat onder de huid zou kruipen.

dinsdag 16 juni 2026

Daan Heerma van Voss, Geen vaarwel vandaag

Roman. Digitale uitgave naar de eerste druk. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2023. Geleend bij de digitale bibliotheek. Heerma van Voss sleepte met deze roman de BNG Literatuurprijs 2023 in de wacht.

Van Daan Heerma van Voss had ik nog niets gelezen. Toen ik, bladerend op zoek naar iets nieuws, zag dat hij wegens deze roman gelauwerd is met de BNG Literatuurprijs 2023 dacht ik dat het een goede zet zou zijn me hierdoor maar eens te laten verleiden; door de titel en het omslag werd ik namelijk niet aangetrokken. Een beetje voorzichtig werd ik qua verwachtingen toen ik de opdracht voorin het boek las: ‘Voor mijn vader, die ik zo lang mogelijk wil blijven missen’. De opdracht zelf vind ik heel mooi; mijn bedremmeling werd veroorzaakt doordat ik een tijd terug al een autobioroman van Daans broer Thomas had gelezen, ook over een overleden vader, maar met een suffe en matte figuur als hoofdpersoon en ik-verteller.

Grosso modo is Geen vaarwel vandaag mijns inziens echter nauwelijks te zien als een autobiografische of sleutelroman. Daar zat ik trouwens ook niet op te wachten. Deze roman is veeleer, zoals de uitgever voorin noteert

een grootse familieroman over uitzwaaien en verwelkomen, over een gezin dat aan de vooravond staat van ingrijpende beslissingen die veel te lang uit de weg zijn gegaan.

Ik ben er niet scheutig mee, maar ‘groots’ zou ik deze roman wel durven noemen, al was het maar omdat het over een brokkelig gezin gaat en dus over twee generaties en op zijn minst over vader, moeder, dochter, zoon en dochter-twee, plus nog wat al dan niet stabiele aanhang (de referentie aan de film van Jim Jarmusch uit 2025 is bewust en gewenst). De grote lijn van het geheel is chronologisch geordend, maar er wordt wel veel teruggesprongen bij de tekening van steeeds een ander personage. Het vertellen is goed en welbewust geordend door de alwetende, auctoriale verteller die al op de eerste pagina meldt:

Bij dezen beloof ik dat ik me niet zal opdringen. Hier en daar laat ik me horen.

Van zo’n paradox word ik heel blij, al komt die vertelproblematiek ook terug in het leven van een van de dochters, wier schrijverscarrière maar niet echt een hoge vlucht wil nemen, zodat ze maar lezingen geeft over de alwetende verteller. Ik kan het in deze vorm, in deze frequentie wel goed verdragen; Heerma van Voss jaagt me niet tegen zich in het harnas met gemakzuchtige romantrucjes, hoewel hij er wel zeker gebruik van maakt (ik ga er geen voorbeelden van geven, want niets is zo smaakonderhevig als een oordeel over humor en vermaak). Er is dus iets waardoor deze roman, die ik bij vlagen met een goede tv-serie zou willen vergelijken (maar ik weet niet welke, dus daar schieten we weinig mee op), goed bij mij in de smaak valt. Het komt onder andere door die voortdurende verschuivingen van focus, en ook door de luchtige wijze van vertellen, zonder dat het loos geklets wordt doordat steeds duidelijker naar een samenkomst van de familieleden en dus naar een climax wordt gewerkt.

De personages zijn alle in zekere zin niet helemaal geslaagd in het leven, zelfs niet volgens hun eigen maatstaven. Dat geeft ze een aantrekkelijke toets van tragiek terwijl ze heel realistisch blijven. Tel erbij op dat een fraaie, oude song van Leonard Cohen die ik nog niet kende, een belangrijk motief vormt in het leven van minstens twee van de personages, en je kunt me uittekenen met een e-lezer in de leesstoel naast de muziekinstallatie (geprezen zij de streamingdienst). Zelden voelde ik zo stevig de harmonie van wat ik las en wat er verteld werd over wat er te horen was. En ik was al een fan van literatuur die me iets aanreikt qua andere cultuuruitingen die ik nog niet kende.

Eigenlijk is het verhaal, en is ook de vertelwijze, nogal onopmerkelijk. Dat is ook wel een keertje fijn. Een uiteengevallen gezin komt langzaamaan weer bijeen naar aanleiding van het plotselinge overlijden van de pater familias, weliswaar een familia die, als gezegd, al een tijd gebroken, verbrokkeld is. Weinig nieuws onder de zon. Maar op een zo innemende manier verteld, met zo veel aandacht voor de betrokken personages, dat er een heel grondig waas van melancholie over komt te liggen, doordat het leven toch best moeilijker is dan iedereen denkt of wil toegeven, en doordat wat stuk gegaan is, niet verloren is, niet verdwenen blijkt.

Achterin staat dat deze roman zowel een klassieke familiesaga is als een moderne autobiografische roman. Knap werk. Dat autobiografische kan ik niet beoordelen, tenzij het alleen een gestorven vader betreft. In de roman zit ook de suggestie dat deze geschreven is door een van de personages, Tessel, de schrijfster die een beetje is vastgelopen in haar carrière en daarom maar lezingen houdt over de alwetende verteller, het soort verteller dat ook in deze roman duidelijk rondwaart, maar op de achtergrond.

Mooi boek. Mooi verhaal. Mooi rond. Maar met rond bedoel ik niet dat alles klopt en sluit, want dat doet het niet, zo min als dat in het echte leven het geval is. Een van de personages zegt, terecht, ik bén niet mijn levensverhaal. En in het geval van de pater familias in deze roman: die zeult wel een groot geheim met zich mee, maar geeft tegelijk te kennen, in een nagelaten brief, dat daarmee niet alles van hem, van zijn verdere leven verklaard kan worden. Toonbeeld van deze fraaie opzettelijke on-volledigheid is het opvallend afwijken van het voorschrift van Tsjechov (‘Als je in het eerste hoofdstuk zegt dat er een geweer aan de muur hangt, dan moet dat in het tweede of derde hoofdstuk beslist afgaan’), in deze roman gedemonstreerd met een niet opgeruimde glasscherf waar iemand met blote voeten tweemaal niet op stapt.

Een van de betere romans die ik de laatste tijd las.

vrijdag 29 mei 2026

Joost de Vries, Hogere machten

Digitale editie naar de eerste druk. Prometheus, Amsterdam, 2024. Geleend uit de digitale bibliotheek.

Vijf genummerde en van titels voorziene onderdelen, waarvan de tweede uit negen hoofdstukken bestaat, de derde uit vijf en de vijfde uit acht; het eerste en vierde deel zijn niet verder onderverdeeld, ervan afgezien dat het vierde bestaat uit talloze korte stukken met allerlei verschillende figuren in de hoofdrol.

Als ik een bericht met zo’n inventarisatie begin, is er vaak iets mis met de hechting tussen de roman en mij. Dat klopt ook nu weer. Ik noteer dit op met moment dat ik 78% van het boek gelezen heb, en mijn waardering wappert alle kanten op. Net zoals het verhaal in deze roman, zou ik erbij kunnen zetten; terwijl precies daaruit, volgens de meeste recensies die ik later las, het tomeloze vertel- of schrijfplezier van de auter blijkt. Het contrast met mijn leesplezier kan betekenen dat Joost de Vries een auteur is die niet schrijft binnen de begrenzingen van wat ik graag lees.

In eerste instantie struikelde ik over de eerste zin van het eerste deel:

Lang geleden.

Niet een openingszet die de lezer mij onverbiddelijk bij de kladden grijpt. Daar is wel wat meer narratieve kracht voor nodig. Of is het de bedoeling dat ik er een frons door in mijn voorhoofd trek, de bril iets omhoog over de neus schuif, dezelde e-lezervrije hand daarna ergens interessant onder of tegen het hoofd aan plaats en langzaam knikkend mijmer: ‘Kijk nou toch eens aan: een zinspeling op de klassieke opening van het sprookjesgenre; en dat in een boek van een evident in de werkelijkheid geïnteresseerde auteur-voor-volwassenen als Joost de Vries. Tut tut tut.’

Een tweede zin moet mij in dit geval dus over de streep van weerspannigheid en ongeloof trekken. Maar: 

Het eerste decennium van de vorige eeuw.

Lekker gaat dat, maar niet heus: twee zinnen, en nog niet één volledig; waar gaat dat eindigen? Mag dat nog schrijven heten? Of is het noteren, een kladje van de auteur? En is dit dan een tweede stap in de autofictionele postmoderniteit waarvan ik dacht dat we die inmiddels achter de rug hadden? Daarbij: ik maak als lezer zelf wel uit wanneer iets lang geleden is. Jurassic Park ligt hier bij mij direct om de hoek. Ik struikel hier dagelijks over de stuwwallen en eindmorene rotsen. Nou jij weer, De Vries.

Laat ik meteen bekennen dat mij, nu ik dit noteer (er is wat tijd verstreken na het vorige ‘nu’), niet meer voor de geest staat waar het eerste deel precies over gaat. Ik geloof dat er veel uiteenlopends aan de orde komt bij het beschrijven van de jeugd van Willem James Welmoed. Locaties en sfeer worden vooral geschetst met enumeraties van couleur locale-elementen maar niet als onderdelen van de locatie die betrokken zijn bij de handelingen van de hoofdfiguur. De vertelling van het gebeuren valt daardoor vaak stil, terwijl vertelvaart en verhaal-Schwung gesuggereerd worden door onder andere de van het verhaal zelf losgezongen positie van de hyper-auctoriale vertelinstantie die niet terugschrikt voor een anachronisme meer of minder en begaafd omgaat met personale sprongen in de vertelling vol intellectuele, welbespraakte ironie zonder aanzien des personages. Een en ander geldt niet alleen voor het eerste deel (ik lees stilletjes verder). 

Het begin van het tweede deel raakte me ook niet midscheeps. De eerste zin is tevens de eerste alinea :

Als je de volwassen Welmoed zou moeten beschrijven is ‘solitair’ een woord dat zich aandient.

Opnieuw word ik, tegen mijn zin, neergeduwd in een op een wat knutselig nagemaakte postmoderne leesstoel. Ik zou hier liever zien dat er een (schrijvende, of op het schrijven reflecterende) ik-figuur het woord voerde. Die zou immers in staat zijn een zinnige uitspraak te doen over wat er zich bij hem of haar zelf aandient bij het vernemen van de genoemde schrijfopdracht. Een ander kan dat niet met betrekking tot de geestelijke opwellingen van een aangesproken derde. Los daarvan: waarom zou ik, lezer, de volwassen Welmoed moeten beschrijven? Ik zit aan de andere kant van het literaire spectrum. Welmoed is, ter informatie, de hoofdpersoon van het eerste deel; daar is hij vijf tot tien jaar oud.

De tweede alinea van het eerste hoofdstuk van het tweede deel (behalve door alle welbespraaktheid van zijn personages wordt de stijl van De Vries ook gekenmerkt door een grote voorkeur voor niet noodzakelijk spreektalige ellipsen en oprispingen van korte adem) luidt:

‘Autonoom’ is mooier.

Deze ingewikkelde zelfreflectie van een niet-ik-verteller maakt op mij een gratuite indruk. Dikdoenerij, zou ik het ook kunnen noemen, maar dat doe ik niet.

Dan maar verder naar het begin van de derde alinea van hoofdstuk 1 van deel 2:

En: helder maar ingetogen. Als het volkslied. Kalm op een manier waarvan jij ook kalm zou worden.

Sorry, maar wat is de bedoeling? Is ‘helder maar ingetogen’ een synoniem voor ‘autonoom’, of is het een woordgroep (het is in ieder geval geen woord) die zich aandient als je de volwassen Welmoed zou moeten beschrijven? En waarom staat er ‘maar’ tussen ‘helder’ en ‘ingetogen’? Alsof ingetogenheid eigenlijk strijdig zou zijn met helderheid.

De volwassen Welmoed (een persoonsnaam die in mij herinneringen wakkerroept aan Abraham Blankaart, ergo een roman uit 1782) is dus solitair (net als trouwens in wezen alle andere personages), maar mooier autonoom en helder maar ingetogen. En dat dan is weer zoals het volkslied. Welk volkslied, is de vraag, want Welmoeds moeder is Nederlandse, zijn vader Brit.

Deel twee doet nogal denken aan een koloniale roman van enig Couperus-allooi, maar dan een die in de 21-ste eeuw is refurbished, wat vooral wil zeggen: vol sensuele en onburgerlijke lust, gedoe met stangen en randen en society-gebabbel, doorspekt met anachronismen. Daarna wordt de roman een college novel en daar weer na een oorlogsroman en dan nog iets anders. De lossepolsachtige verteltrant doet me in de verte denken aan werk van Robert Anker, maar is zeker drie tandjes minder interessant. Een kwestie van smaak.

Ik krijg maar geen idee van de lijn die door dit werk loopt, waar de verteller heen wil, wat hij of zij vindt dat het belang is dat schuilen zou in de entourage-enumeraties, name dropping en citeerdrift, en hoe ik dat belang eruit naarboven zou kunnen halen. Tenzij het een liefdesroman is, over twee geliefden op afstand waar steeds het leven tussen gaat staan, en dat leven is wat in de titel de ‘hogere machten’ heten. Denk ik, want over wereldlijke macht en machtsstructuren die individuen belemmeren gaat de roman niet.

De vaart die er in de vertelling lijkt te zitten, verstopt zich niet zelden in nietszeggendheden als:

Die vriendin was gek genoeg zowel te mager als te vol. Ze gaf een slap handje.

Dan lees ik liever net wat sterker spul: ‘Hijzelf kreeg een bazig handje van deze Hanka, alsof ze een deurklink omlaagdrukte’ (Buwalda). Een krasse vergelijking doet wonderen.

Zonder dat ik behoefte gevoel een stokpaardje te berijden:

Op de een of andere manier beviel het huis aan Queen’s Gate Connie Welmoed niks.

Een heel lelijke zin, waarvan het suffige stoplapje van vijf woorden aan het begin geheel ontdaan wordt van betekenis door wat erop volgt, namelijk een enumeratie (De Vries’ hobby horse, in dit geval gelukkig niet afgesloten met ‘et cetera’) van expliciete elementen die ertoe bijdragen dat Connie haar huis evident en begrijpelijk maar niks vindt:

Alle kamers die licht moesten zijn waren donker, en die donker licht. Ramen zaten op de verkeerde plekken, de keuken was te groot, de woonkamer te klein. Alle meubels in mosgroen. Ze kon haar grootouders zich hier voorstellen [...].

De tijdsprongen zijn groot; er wordt ongeveer een decennium per deel verteld. Dat vereist kennelijk dat elk personage opnieuw in de verf moet worden gezet, omdat de omstandigheden veranderd zijn en het personage sadder, wiser is geworden. Dat schetsen doet De Vries heel vaardig, maar het lijkt, met al die enumeraties, onvolledige zinnen, zinnen met vooral standaard hoofdzinvolgorde en nauwelijks ingebedde zinnen, een maniertje. Door een en ander steekt de roman nergens diep. Het verhaal, nee: het vertellen gaat maar verder, alsof het er allemaal niet toe doet: jeugd hier, scholing daar, weer elders studie, dan volwassenheid, oorlog, emigratie, overheidsdienst, ouderdom pom de pom de pom.

Nee, niet mijn kopje thee.