vrijdag 11 september 2026

Julia Schoch, Das Vorkommnis

Roman. 3. Auflage. dtv, München, 2024 [1. Aufl. 2022]. Biographie einer Frau. Erstes Buch. Bibliotheekboek, hardback, met leeslint (nog op de plaats waar het bij de binder erin gelegd was), 192 pagina’s inclusief één met de Quellennachweis met drie Quellen. 

Eerder las ik al deel twee van het drieluik Biographie einer Frau; dat tweede deel was hier in het nieuws wegens de verschijning van de Nederlandse vertaling ervan. Dit eerste deel is, gek genoeg, nog niet vertaald; zo ga je toch niet met drieluiken om?

Inmiddels ben ik op pagina 66, en ik lees er met plezier en aandacht in, wat bepaald niet goed lijkt aan te sluiten bij mijn eerdere ervaring met het lezen van het tweede deel. Ik wist ook niet meer dat ik niet de vertaling maar een Duitse e-uitgave had gelezen, of: had proberen te lezen.

Het begin van mijn lezen van dit eerste deel viel ongeveer samen met het verschijnen van Conny Palmens laatste, althans jongste, roman, die met die domme whiskytitel; ik las alleen een interview met Palmen in de Volkskrant en wist meteen dat ik haar naar eigen zeggen door uiterst noeste denkkracht uit haar superieure hersenen geperste nieuwe roman niet zou gaan lezen: te veel en te egomaan gezever over haar enig-eigenste diepste leven en hoogpolige schrijven op haar enig-allerhoogste extremistisch, absolutistisch denkniveau.

Het werk van Schoch, voor zover ik het ken (en dat is dus nog niet ver) lijkt maar een heel klein beetje op dat van Palmen (al kan natuurlijk niemand, in welk taalgebied dan ook, daar werkelijk aan tippen) omdat het leven van de auteur zelf er nadrukkelijk in centraal staat, samen met haar schrijven over dat leven. Zo nauw hangen leven en schrijven samen dat ik tegen Palmen zou willen roepen: keer je af van je eeuwige zelf en verzin eens iets dat op een echt verhaal lijkt!

Maar Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’

Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:

Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.

(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.

De overpeinzingen van de vertelster zijn beschouwingen van, reflecties op het eigen leven en de eigen herinnering eraan; soms gaat het zelfs richting her-herinnering omdat ze erachter komt hoe vertekend haar herinneringen zijn door gebrek aan de juiste kennis ten tijde van de herinnerde ervaringen. Het gaat dus ook (weer) over de bewustwording van de on-onbedorvenheid van herinneringen. Ik had hier bijna achteraan getikt: en herinneringen zijn bestanddelen van de menselijke identiteit. Dat deed ik niet, omdat een aantrekkelijk aspect van Das Vorkommnis ook is dat Schoch, anders dan Palmen, op basis van het particuliere niet generaliseert naar het algemene; haar vertelling blijft singulier, blijft persoonlijk. Alleen doordat haar verhaal herkenbaar is, kan een lezer erdoor bevangen worden en ruimere conclusies trekken. Denk ik.

De ik-vertelster gaat, met haar moeder, onder meer proberen te achterhalen wie toch de vrouw in Amiens was die door de grootvader van de vertelster in de Tweede Wereldoorlog bezwangerd werd; dat heeft ermee te maken dat de moeder van de vertelster een soort omgekeerd leven leidt: nu alles achter de rug is, breekt voor haar pas de vrijheid van de jeugd aan; daarvoor was ze alleen maar dienstbaar, en mogelijk onbekend met het gegeven dat haar (latere) echtgenoot al een kind had verwekt bij een andere vrouw.

Nu ik hier toch een soort resumé probeer te geven, klinkt het verhaal een beetje armetierig, om niet te zeggen: larmoyant. Maar dat is deze roman juist niet; waarschijnlijk omdat het accent steeds net op tijd weer komt te liggen op het welbewuste reconstrueren van het verleden dat misschien het eigenlijke onderwerp van de roman is, maar zónder dat die daardoor een halfbakken remake lijkt van zo’n over de top geconstrueerde, Nieuwe Revisor-achtige roman uit onze jaren tachtig van de vorige eeuw. Een ander hoofdthema is de onbetrouwbaarheid van de herinnering, en ook van die van de waarneming, of: de problematiek van de (gewenste) on-vooringenomenheid van de waarneming en de herinnering.

De hoofdstukken zijn niet te lang (72 stuks op 191 pagina’s), wat het makkelijk maakt steeds korte stukken te lezen; aangenaam, want het zijn niet de grootse en meeslepende avonturen die de lezer gijzelen, wel de spitsvondige overpeinzingen naar aanleiding van (kleine) voorvallen die deze lezer boeien.

Wat in het bovenstaande niet naar voren komt, is wat in de roman evenmin sterk op de voorgrond staat maar daarachter wel een soort bestendige aanwezigheid is: het gegeven dat de jeugd van de ik-figuur zich afspeelde in het voormalige Oost-Duitsland, de DDR, en dat zij de val van de muur meegemaakt heeft, een voorval met vergaande gevolgen, verder gaande gevolgen dan op het eerste gezicht duidelijk is.

P.S.
Langs nu even niet nader te doorgronden wegen dringt zich iets van de poëzie van C.O. Jellema op in mijn aandacht:

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

‘Van dingen spreek ik ...’, in: Verzameld werk. Gedichten. Bezorgd door G. Wynia. Querido, Amsterdam 2005, p. 24 (oorspr. in de debuutbundel Klein gloria uit 1961).

dinsdag 1 september 2026

Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder

Roman. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2026. Hardback (bibliotheekboek), 447 bladzijden, inclusief die ene met de ‘Verantwoording’ van de bron (en vertaling) van citaten en de ‘illustratie op de omslag’, een foto van ‘een hellenistisch, bronzen masker van de god Dionysus uit de periode 200-100 van onze jaartelling.’

Spoiler: van de 447 bladzijden die de roman beslaat, heb ik slechts de eerste 236 gelezen. Ik ben, met andere woorden, niet verder gekomen dan het vierde hoofdstuk van het eerste deel; het vijfde en zesde hoofdstuk van het eerste deel, de beide hoofdstukken van het tweede deel en ‘Het eerste en enige hoofdstuk’ van het derde deel heb ik dus niet gelezen. Ik weet niet wat ik mis.

Het begin van de roman, ongeveer de eerste drie hoofdstukken, heb ik met genoegen, soms met uitschieters naar groot genoegen, gelezen en dat kwam door de merkwaardige mengeling van enerzijds Schröders aanwijzerige, gortdroge stijl (gelardeerd met lyrische zijpaden in de beschrijvingen van mensen en ruimten) en anderzijds de magisch-realistische wereld waar hij mij des ondanks moeiteloos in mee wist te slepen. Het was vooral de magische realiteit die me verraste tussen al dat gort. Want zeg nou zelf, een passage als de volgende is bepaald geen uitgelezen koren op de molen van de literaire lezer:

Selder had een droom. Het was een vreemde droom, maar waren niet alle dromen vreemd, omdat mensen in hun dromende hoofden nu eenmaal vreemd waren?

De jonge, gesjeesde student Robert Selder, die niet weet wat met zijn leven aan te vangen, wordt, zoals in elke recensie staat te lezen, als hij een voor hem niet geslaagd maar toch uitbundig feest verlaat, doodgereden. Maar de roman volgt hem doodgemoedereerd verder in zijn na-bestaan als een (absoluut niet zombie-achtige) on-dode in een parallelle wereld, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat leest allemaal als een overtuigend verhaal. Ik noem dat magisch realisme van hoog niveau. De titel van de roman past er, met zijn lichte raadselachtigheid, heel goed bij.

Misschien zit het overtuigende er tevens in dat je als lezer in Nederland anno 2026 heel gemakkelijk parallellen kunt trekken met het onzekere bestaan van de vluchtelingen en asielzoekers die hier te lande vrijwel nergens een welkom lijken te vinden, nergens ontvangen worden, nergens graag gezien, laat staan geaccepteerd worden, terwijl zij, evenmin als Selder en misschien zelfs minder dan hij, verantwoordelijk zijn voor hun eigen lotgeval in wat dan heet hun ‘eigen’ land.

Selder herkent zijn omgeving steeds minder goed, en daar heeft de lezer dan ook last van omdat Selder de belangrijkste focalisator is in zijn wereld. Hij is uit zijn universiteitsstad teruggekeerd naar het ouderlijk huis in de voorstad van P***, doorgaans alleen aangeduid als de voorstad. Als hij dan ook nog eens verzeild raakt in Almannië, waar hij de mensen niet goed kan verstaan en zijn papieren niets waard blijken te zijn, net als zijn identiteit, wordt zijn situatie wel vreemder, maar nog steeds niet onmogelijk. Zelfs niet als hij zich aanmeldt voor krijgsdienst, wat onder een verzonnen naam mag en wat kan resulteren in een nieuwe identiteit. Nergens klinkt het woord vreemdelingen-legioen, maar ik moest er wel aan denken. Iets van Slauerhoff wellicht?

Het vervelende is dat in dat leger van Almannië (wie denkt dan al niet aan Allemagne) rangen zijn als die van (onder)bentleider, zonder dat er iets in de roman, althans het deel dat ik ervan las, gedaan wordt met de thematiek van Nazi-Duitsland en/of het Nederlandse oorlogsverleden; in tegendeel: er wordt een oorlog gevoerd tegen een fictionele andere macht in het zuidoosten van Almannië. Maar ook over (de parallel met) de terreuroorlog van Rusland tegen Oekraïne lijkt deze roman niets te willen zeggen.

Dat kan. Dat is een mogelijkheid. Maar het is een probleem dat de zogenoemde oorlog in de roman absoluut niet uit de verf komt als een oorlog, mede doordat die verdoolde en ook mentaal wereldvreemde Selder, die zich nu Elders laat noemen, de focalisator is. Ja, er wordt gelopen, en er wordt geschoten, en er zijn soldaten en soldatenmaten (hier velders genoemd), en er zijn geweren en kogels, branden en ruïnes, lijken en uniformen, het wordt allemaal opgelepeld maar het snijdt geen hout. Heel hoofdstuk vier van het eerste deel is eraan gewijd en deed het boek voor mij in het literaire vergeetboek verdwijnen.

Hierboven stipte ik al even Schröders stilistische zijpaden aan. Die leiden de lezer, deze lezer althans, hier en daar het bos vol onbegrip in. Ik signaleerde op pagina 146 een vergelijking van ‘hemelse muziek [...] zo ijl, alsof ze uit louter fluisterzachte flageoletten bestond.’ Zowel muzikale als culinaire humbug, als je het mij vraagt (wat, weet ik ook wel, niemand doet).

Op pagina 205 bleef mijn lezend oog hangen aan een descriptie, van een oorlogsscène, die zijn pretenties niet waar lijkt te kunnen maken:

Kapotgeschoten muren stonden hier en daar nog overeind, sommige al half overgroeid als een oud kerkhof met omvergeworpen zerken – stillevens in onverschillig landschap.

Ik vraag me er het volgende bij af.
1) Verwacht de langstrekkende patrouille van velders, afgaand op dat ‘nog’, het spoedig omvallen van de kapotgeschoten muren?
2) Is er vroeger ook al een oorlog geweest daar? De restanten van de muren zijn immers al half overgroeid; dat vergt wel een seizoen of twee, afhankelijk van het soort gewas.
3) Wat moet ik me voorstellen bij een half overgroeid kerkhof? Dat vergt zo mogelijk nog meer tijd, en pas nadat er een stel vandalen is geweest dat er zerken heeft omvergeworpen.
4) Is het ‘nog overeind’ staan van de kapotgeschoten muren niet meer een contrast met ‘omvergeworpen zerken’ dan een overeenkomst of analogie waar je een vergelijking op kunt bouwen?
5) De metafoor ‘stilleven’ als aanduiding voor grafzerken is misschien wel goed gevonden, maar zijn de ‘kapotgeschoten muren’ in deze metafoor niet de tenor bij het vehicle stillevens’?

De laatste twee woorden van dit citaat doen me denken aan de thematiek van Armando, een realistische thematiek, een historische thematiek met grote zeggingskracht, een kracht die ontbreekt in het oorlogsverhaal in deze roman.

Op pagina 216 zit Elders, op wacht ‘met het geweer tussen de knieën’, naar de sterren van de Melkweg te kijken en peinst:

in een eindeloos lange guirlande stroomden ze hoog boven hem voorbij, oneindig traag zwermend aan de hemel

Twee kanttekeningen hierbij.
1) De sterren stromen niet alleen maar zwermen tegelijk, en hun guirlande is niet lang maar eindeloos lang, zoals ze ook niet traag zwermen maar oneindig traag. Te veel, veel te veel van het goede.
2) Dat de sterren boven hem te zien zijn, en zelfs hoog boven hem lijkt al onnodig om te vermelden. Maar onze held toept er nog overheen met aan de hemel. Het mocht de lezer eens ontgaan.

Ook op pagina 233 wordt er weinig zinnigs gezegd met te veel woorden:

Na een lange mars van drie uur door de middaghitte

Alsof er de volgende dag nog een korte mars van zevenendertig uur zou kunnen volgen, door de dageraad wellicht.

Jammer, het begon zo goed.

 


dinsdag 18 augustus 2026

Vakantielectuur

De vakantie bracht ons dit jaar naar de voormalige DDR, meer in het bijzonder Berlijn en Böckenberg. We gingen op reis en ik nam mee:

1. Herta Müller, Atemschaukel. Roman. Carl Hanser Verlag, München, 2009. Een afgeschreven bibliotheekboek van 300 bladzijden, inclusief Nachwort.

Ik was er thuis aan begonnen, en verder lezend op een terrasje van een Italiaan aan de Fuldastraße in Berlijn bekroop me langzamerhand de vrees dat de roman toch iets te veel begon te lijken op een, met de schijn van een verhaallijn opgekalefaterde, encyclopedie van het vlak-naoorlogse Sovjet-Russische dwangarbeiderschap in het kader van de herstelbetalingen. Dat leek me niet direct ideaal voor mijn vakantiewelzijn. Wellicht pak ik de draad thuis weer op, want eerlijk gezegd intrigeert me de materie wel.

2. Aya Zikken, Voor het vandaag werd had ik ook nog niet geheel uitgelezen van huis meegenomen en dat boek, nou ja, zie hier. Het kijkje achter de schermen van het roemruchte tv-programma ‘Houd je aan je woord’ had ik al in een ander boek van Zikken gelezen. Te veel gebabbel. Dus ben ik halverwege gestrand en afgehaakt.

Ik had een apparaatje meegenomen op vakantie en heb toen nog wel, daar diep in de DDR, de moeite genomen er een berichtje aan te wijden. Met een tikfout natuurlijk; inmiddels rechtgezet, nadat iemand me erop wees via Neerlandistiek.nl . Waarvoor dank.

3. In minder dan geen tijd heb ik daarna Regen gelezen, eine Liebeserklärung, een theatermonoloog van Ferdinand von Schirach (btb, München, 2025, oorspr. 2023). De eigenlijke tekst staat op p. 7-58. Daarna volgt nog een interview met de auteur (en acteur) op p. 61-108, wellicht omdat het paperbackje met flapjes anders wat al te dun was.

Enerzijds vind ik heel die monoloog maar een vreemd, zwenkend, uitwaaierend en weer inklapperend ding. Pas op het eind vallen alle losse stukjes samen als een geheel, dat onder veel meer handelt over ambivalentie als ‘das Schlüsselwort unserer Zeit’ en ‘der Kern unserer ständig verfeinernden Zivilisation’. Al het beschouwelijke gedwarrel is onderdeel van het uitstel van de uiteindelijke, smartelijke liefdesverklaring.

Dus pas achteraf, en in mijn geval ook: pas na tweede lezing, onmiddellijk na de eerste, is deze monoloog heel mooi, samenhangend en aandoenlijk. Ook het voortdurend aankloppende inzicht dat er geen onbevangenheid is, dat de mens bevangen is, bevangen in zichzelf en dus vooringenomen, daar lijkt me wel wat voor te zeggen; het is althans binnen deze monoloog heel overtuigend.

4. Mariana Leky, Die Herrenausstatterin. Roman. 5. Auflage. Dumont, Köln, 2018 (oorspr. 2010) was het volgende vakantieleeswerk. Licht absurdistisch, waardoor je tegelijk ziet dat het absurde hooguit een uitvergroting is van een gewoon menselijk aspect. De toon is wat sullig, simpel en ook wel sloom. Het gaat, net als de monoloog van Von Schirach uiteindelijk, over een verloren geliefde. In dit geval komt er de dreiging bij van het ‘Hinterhersterben’, ook bekend als het ‘Wittweneffekt’.

Het gewone raakt in dit boek het onverwachte, het onvoorziene of het absurde op intensieve wijze. In  het leven van hoofdpersoon Katja duikt na het sterven van haar man Jakob opeens een doctor Blank op, een gestorven docent klassieke filologie, die alleen zij kan zien, wellicht doordat zij ook in een soort tussenwerkelijkheid terecht is gekomen. Hij staat haar bij, net als Armin, de kleptomane brandweerman die niets te blussen heeft en die vriendschap aanknoopt met de door hem bewonderde Karate Kid-acteur McQuincey. Gevieren ondernemen ze een roadtrip naar Zandvoort, waar de acteur helaas achterblijft om een nieuw leven op te bouwen, als zweminstructeur.

De ontwikkelingen zijn even talrijk als onverwacht. Ik werd althans, om iets te noemen zonder alles te verspillen, verrast door het gegeven dat er gaten in dr Blank vallen en dat Katja die tijdelijk weet te repareren met pleisters. Eenieder leidt een ander door en uit zijn of haar teleurstellingen maar vooral ook weg van verkeerde vooronderstellingen. Zo lijkt het boek ook op dat punt uiteindelijk thematisch verwant te zijn aan Regen. Ook de ietwat melancholische sfeer lijkt me een overeenkomst. Maar in Die Herrenausstatterin overheerst het (ogenschijnlijk) dwaze en het komische; dat laatste ontbreekt in Regen vrijwel geheel.

5. Tot slot ben ik aan het eind van de vakantie tot halverwege Blankow oder Das Verlangen nach Heimat (2009) geraakt, van Paula de Bok. Ik begon in de Duitse vertaling (een gratis leesproef), maar ben wegens de vele descripties halverwege het eerste hoofdstuk overgestapt op de Nederlandstalige e-uitgave (Atlas Contact, Amsterdam, 2006).

Een semi-journalistieke roman over een vrouw die zich, met haar hond, uit het hectische Berlijnse leven terugtrekt op een deels vervallen, deels opgeknapte boerderij van vrienden op het verlaten Oost-Duitse platteland. Ze stuit daar voortdurend op sporen van het verleden, wat heel interessant is als je al lezend vertoeft in Plattenbau in een klein Brandenburgs Ort aan de rand van enorme landerijen vol hazen en reeën waarboven ooievaars, kraanvogels en zeearenden het zonovergoten hemelblauw doorkruisen.

Traag als zo’n statige Adler gaat de vertelling. Zonder flitsende ontwikkelingen. Heel anders dan het boek van Leky. Thuis lekker langzaam verder in lezen.

zondag 2 augustus 2026

Aya Zikken, Voor het vandaag werd

Ontmoetingen met schrijvers in de jaren zestig.
Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen 2000. Paperback, 258 bladzijden, inclusief Personenregister.

Op het achterplat wordt de eerste pagina van het boek geciteerd, en daar draait Zikken er niet omheen:

Dit boek pretendeert niet om behalve de afgedrukte portretten, ook de geschreven portretten van schrijvers uit de jaren zestig te leveren.
     In dit boek beschrijf ik (weer) voornamelijk over mijzelf en deze bladzijden bevatten waarschijnlijk meer autobiografische stof dan ik tot nu toe ooit gebruikte.

De gesprekken met de schrijvers, van Bertus Aafjes tot en met Beb Vuyk (maar niet alfabetisch geordend) vonden plaats terwijl Zikken en haar vriend Ger fotografische portretten van hen maakten, bestemd voor het Letterkundig Museum (tegenwoordig het Literatuurmuseum geheten, toen nog in Den Haag gevestigd, binnenkort te Utrecht).

Aya Zikken liep ten tijde van de gesprekken en de portretten ‘tegen de vijftig’; dat moet dus voor 21 september 1969 geweest zijn. Wie vriend Ger is, staat er niet bij, niet in de tekst wanneer hij genoemd wordt, niet in het colofon, niet in de verantwoording (want die is er niet), misschien in het Personenregister (p. 255-258), maar dat is alfabetisch geordend op achternaam.

Als ik Zikken lees, valt me geloof ik steeds het woord ‘eigenzinnig’ in. Nu ook weer. Hoewel het merendeel van de ‘besproken’ schrijvers me niet bijster boeien, trok de naam Aya Zikken me een paar dagen geleden met haar boek in de hand naar de kassa van de tweedehands-boekenwinkel. Onbewust zocht ik, denk ik, afleiding van de twee boeken waar ik nu al heel lang in aan het lezen ben, maar die betrekkelijk gruwelijk zijn: Houris (2025) van Kamel Daoud en Atemschaukel (2009) van Herta Müller. Niet dat Zikken van de wereld afgewend schrijft, maar schrijven over het thema genocide is wel een ander chapiter.

Het is een paar dagen later, ik zit gerieflijk verborgen in een minuscuul Ort in Brandenburg. Bij pagina 108 aangekomen (Jacques Bloem is net overleden, ook dat nog) hang ik mijn leesbril teleurgesteld aan de metaforische wilgen. Het boek is helaas een onnozele, literair georiënteerde, kletserige lappendeken van drankovergoten anekdoterij waar de kraanvogels hier in de buurt van de leg van raken.

De katerntjes portretfoto’s hebben, met andere middelen, een vergelijkbaar effect. Ze zijn slecht gekaderd, en keihard (over)belicht door het gebruik van een kale, directe flits die ook nog eens inktzwarte, monstrueuze schaduwen werpt op de achtergrond van de schrijvers die in de jaren zestig kennelijk allen gehavend waren door eenzelfde grijs-bruin-oranje gezichtshuidaandoening.

De aangekondigde autobiografische stof is er niet een die veel doet opwaaien in de eerste honderd bladzijden die ik las.

‘Helaas’, zou Jacques Bloem zeggen.


Dit bericht kreeg ’n tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici

vrijdag 24 juli 2026

Robert L. Heilbroner, De filosofen van het dagelijks brood

De levens, tijden en ideeën van de grote economische denkers.
Vert. door J.E. Kuiper. [2e dr.], Paris-Manteau, Amsterdam-Brussel, 1955. (1e dr. eveneens 1955). Paperback, 383 blz. incl. verantwoording.
(Oorspronkelijk: The Worldly Philosophers, Simon and Schuster, New York, 1953). 
Ongelezen exemplaar, naar het zich liet aanzien, aangetroffen in een straatbiebkastje in de buurt; door mijn leesplezier begint er nu allerlei lichte leesschade aan te ontstaan (zie foto).

De ondertitel (van de vertaling) is goed en volledig; het boek gaat inderdaad over de levens, tijden en ideeën van grote economische denkers. De schetsen van hun levens en tijden vormen een uitstekende context voor de ideeën en ze maken het boek ook voor niet-economen interessant. De omzetting van de oorspronkelijke hoofdtitel The Worldly Philosophers naar De filosofen van het dagelijks brood in de vertaling, lijkt me een verbetering; die Nederlandse titel wordt goed verantwoord in de vertaalde, oorspronkelijke inleiding.

De opening van het boek vind ik meesterlijk:

Dit is een boek over een handje vol mensen, die er om een zeer merkwaardige reden recht op hebben, beroemd te zijn.

Het vervolg van de eerste alinea maakt die eerste zin alleen nog maar beter. Daarin legt Heilbroner uit welke misdaden deze opmerkelijke figuren niet begaan hebben en welke oorlogen ze niet begonnen zijn.

Het superieure perspectief op de materie, zonder ook maar een moment betweterig, neerbuigend, cynisch-relativerend of iets dergelijks te worden, tekent heel dit boek. Met olijke maar toch straffe hand wordt de lezer door twee eeuwen westerse economie en economische theorie geleid. Interessant, leerzaam, informatief en vermakelijk. Laat ik erbij zeggen: voor mij en wie, net als ik, bar weinig weet heeft van economie, laat staan van historische economie en economische geschiedenis. Te weinig, weet ik nu. Het is een boek waarvan ik op een gegeven moment tijdens het lezen dacht: dit had best verplicht mogen zijn op de eerstejaars leeslijst van ongeveer alle studierichtingen in de geesteswetenschap.

Was dit een boek geweest op mijn eigen vakgebied, dan had ik het (hoop ik) al heel lang gekend, maar dan had ik de toon waarschijnlijk niet kunnen verdragen. Daar komt bij dat de verantwoording achterin net één pagina beslaat en Heilbroner in heel zijn boek geen enkele uitspraak, hoe normatief ook, verantwoordt met enige referentie aan een andere bron van belang dan een boek van een van de economen die hij bespreekt. Maar als economische nitwit maal ik daar niet om. De inleiding is verbluffend boeiend, en de goed opgebouwde hoofdstukken erna niet minder. Heilbroner is niet zuinig met context, achtergronden, persoonlijke details en anekdotes van en over zijn hoofdfiguren.

Een andere ondertitel was trouwens ook mogelijk geweest. Bijvoorbeeld: historische, kritische reflecties van filosofische economen of economische filosofen op het persistent dominante kapitalisme van het noordwesten van de aardbol vanaf Adam Smith tot en met 1952. Toevallig, of noodzakelijk, gaat het middelste (zesde) hoofstuk over ‘De onverbiddelijke wereld van Karl Marx’; een titel die in het licht gezien moet worden van die van het eraan voorafgaande hoofdstuk: ‘De prachtige wereld der Utopische socialisten’, die op haar beurt niet goed werkt zonder die van het eraan voorafgaande: ‘De sombere wereld van Ds Malthus en David Ricardo’, die weer mooi volgt op hoofdstuk III over ‘De perfecte wereld van Adam Smith’.

Dat noem ik orde. En zo is er nog meer goeds in dit boek, dat oorspronkelijk het doctoraal werkstuk van Heilbroner was en (echt, ik wist van niets) we...reld...be...roemd is.

Behalve leerzaam is het boek ook zeer vermakelijk, want aan elk van de besproken economen is wel een persoonlijk(heids) steekje los dat Heilbroner onder stoel noch bank van zijn betoog steekt. Ook verheelt hij niet waar elk van hen de plank mis heeft geslagen met zijn optimistische of pessimistische vooruitzichten (er bestonden gedurende de besproken twee eeuwen kennelijk geen vrouwelijke economen van belang).

Door die gesignaleerde miskleunen verbaast me het slot van het boek waarin Heilbroner komt te spreken over ‘De moderne wereld’, meer in het bijzonder de kapitalistische USA anno begin jaren vijftig van de twintigste eeuw. Gezien tegen de door hem zelf geschetste achtergrond van wat er elders in de westerse wereld op economisch terrein te vinden is, zijn volgens hem ‘de prestaties van het Amerikaanse kapitalisme niet alleen bevredigend, maar schitterend te noemen.’ Hoewel een kwart van de bevolking in (diepe) armoe leeft ‘zijn wij dichter dan ooit enig ander volk in de geschiedenis geweest is, bij het door Keynes geschouwde lichtende doel: een samenleving zonder armen. We zijn er zelfs bijna!’ Het kan niet op, want als de toenmalige economische ontwikkeling nog twintig jaar zou aanhouden, acht hij het ‘denkbaar dat wij nog binnen een mensenleeftijd de eerste menselijke samenleving te zien zullen krijgen, waarin er genoeg is voor iedereen.’ In 1970, hij hamert erop, zou dat dus het geval zijn.

Achteraf bezien is het vreemd, haast wereldvreemd zelfs, dat Heilbroner, op de hoogte van een reeks van misvattingen en al te hoopvolle en onrealistische inschattingen van zijn gerespecteerde voorgangers, dit wonder zonder al te veel twijfel denkt te kunnen meebeleven. Hij overleed in 2005 en ik neem aan dat hij zich in de tussenliggende 35 jaar meermaals de haren uit zijn hoofd heeft getrokken als hij terugdacht aan het slot van zijn beroemde boek. Want wanneer ontwikkelt de wereld zich, zeker in economisch opzicht, ooit in de richting die, met het tempo dat, en met de intensiteit die wij toevallig meebeleven?

Van de economie anno 2026 begrijp ik ook al helemaal niets, maar wat ik er van denk te begrijpen, vind ik ranzig, vies tot en met misdadig, niet in de laatste plaats als het over de USA gaat. Daarom is het zo goed dat Heilbroner zijn overzicht bij het begin begint, diep in de achttiende eeuw. Toen was de wereld en haar economie nog enigszins te doorgronden, zelfs door een leek; zo doet hij het in ieder geval voorkomen. Dat werkt goed, want daarmee kon ik zijn betoog goed volgen, ook toen de beschreven historische wereld gaandeweg steeds ingewikkelder werd.

Inmiddels ben ik me gaan afvragen of Heilbroner onze huidige economie nu nog zou durven karakteriseren als kapitalistisch. Draait onze economie nog wel om de vraag hoe men het dagelijks brood aan de aarde ontworstelt en hoe men zijn of haar buur ter zijde stoot om er zelf een portie van te krijgen? Draait ze nog om onze dagelijkse noden en behoeften? Is er nog wel sprake van een vrije prijsstelling en gezonde concurrentie?

Heilbroner was zo goedgelovig dat hij aannam dat het vroeger louter daarom draaide en had nog geen weet van de perfide handelsgeest die tegenwoordig over de aarde waart en walmt. Dat kòn hij wellicht ook niet voorzien. Maar waarom waagt hij zich dan wel aan uitspraken over de toen toekomstige staat van de economie in de aanloop naar onze huidige tijd? Nou ja, helemaal zeker is hij niet van zijn woorden. Het kapitalisme is niet statisch en Heilbroner ziet er gezonde tendenzen in maar ook ongezonde. Die laatste lijken te hebben gewonnen.

woensdag 15 juli 2026

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Vertaling Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam 2007. Hardback met stofomslag, 192 bladzijden, inclusief noten en verantwoording.

Op het omslag wordt dit boek aangeduid als een roman. Nou heb ik ooit geleerd dat je een titelbeschrijving niet op het omslag moet baseren maar op de gegevens op de titelpagina en eventueel het colofon, maar dat is lang geleden (en inderdaad, de betreffende cursus, die ‘Bibliografie’ of ‘Bibliografisch apparaat’ heette, was voor mij destijds geen pretje, al was de inhoud, net als de docent, heel goed). Tekstonderdelen als ‘Noten’ en ‘Verantwoording’ zijn inmiddels al lang geen vreemde eenden meer in de bijt van de literaire fictie. Zie Lieke Marsmans laatste boek, dat een ‘Verantwoording’ bevat, een ‘Appendix’ en ‘Noten’, maar toch gecategoriseerd kan worden als poëzie, epiek zelfs.

Ik zag De dichter en de duivel in recensies trouwens des ondanks meer dan eens een dichtbundel genoemd worden, terwijl het mijns inziens echt geen bundeling van (korte) gedichten is, maar één, betrekkelijk lang, gedicht, niet alleen omdat het refereert aan ‘Inferno’, het eerste deel van Dantes lange gedicht (leerdicht wellicht) De goddelijke komedie. Anders dan Dante heeft Marsman haar gedicht doorweven met prozaïsche teksten. Oftewel en met andere woorden: de oude genres zijn niet meer wat ze geweest zijn.

Wat staat mij als semi-argeloze lezer dan in de weg om Coetzees Dagboek van een slecht jaar als een roman te lezen, terwijl de genreaanduiding in de hoofdtitel, die precies zo op de titelpagina staat, grotendeels als een steeksleutel op een rolmops slaat, afgaande op de inhoud van het boek. Bovendien kennen we Coetzee natuurlijk als een schrijver die wel vaker langs en over de grenzen van een of meerdere genres heen schrijft en des niet tegenstaande wegens zijn gehele oeuvre, zoals uitgeverij Cossee aangeeft op een flap, in 2003 gelauwerd werd met de Nobelprijs (voor de literatuur).

Het boek, of laat ik gewoon zeggen: de roman, bestaat uit twee delen, namelijk ‘Een’ en ‘Twee’ die in de inhoudsopgave als ondertitel hebben: ‘Uitgesproken meningen’, respectievelijk ‘Tweede dagboek’. De noten en de verantwoording zijn klinkklaar formeel bijwerk bij een roman, noodzakelijke kwaden in tijden (ook anno 2007 al) van plagiaat, plagiaatbestrijding en voorkoming van plagiaatschande.

Nu ik deze aantekeningen hier vastleg, ben ik nog niet aan het einde van deel ‘Een’, dus de problematiek van de ondertitel van het tweede deel, ‘Tweede dagboek’, kan ik nog niet effectief aansnijden. Wel kan ik al aangeven dat het eerste deel niet alleen bestaat uit wat de ondertitel ervan aangeeft: de essayistische bijdragen van een oudere schrijver aan een nog te verschijnen boek onder die titel, Uitgesproken meningen, waarin de betreffende Duitse uitgever, Bruno Geistler van Mittwoch Verlag GmbH in Berlijn, in totaal ‘zes medewerkers uit diverse landen’ de vrije ruimte geeft hun zegje te doen ‘over willekeurige, door henzelf gekozen onderwerpen, hoe controversiëler hoe beter.’ (p. 25)

Behalve de essays van deze oudere, in Australië woonachtige, uit Zuid-Afrika afkomstige schrijver bevat deel ‘Een’ ook persoonlijke notities van deze auteur met betrekking tot een veel jongere, uiterst aantrekkelijke flatgenote (hier herkennen we het klakkeloze heteroseksuele seksisme van meerdere hoofdpersonages uit het werk van romanschrijver J.M. Coetzee), die hij graag zou inhuren als typiste: zij zou zijn manuscripten (audio-opnamen) kunnen uitwerken tot typoscripten en waar nodig de teksten redigeren, alsof die Duitse uitgever van het boek dat zelf niet zou kunnen (laten) doen, nadat alles vertaald is; bovendien is de betreffende jonge vrouw, Anya, zelf niet van huis uit de Engelse taal machtig; zij noemt de schrijver ‘Señor C’ of ‘El Señor’, Spaanstalige en naar het schijnt Filipijnse als zij is; de schrijver vraagt niet eens naar haar vaardigheden als secretaresse annex typiste. 

Bladeren helpt. Op de titelpagina van deel ‘Een / Uitgesproken meningen’ staat als ondertitel: ‘12 september 2005 - 31 mei 2006’. Die data kunnen duiden op de productietermijn van de essays, maar gelden dan evenzeer voor de eronder afgedrukte notities van Señor C en zelfs die van Anya. Terugdenkend aan de inhoudsopgave en aldus op mijn lectuurvoortgang vooruitlopend, zie ik dat deel ‘Twee’ als (onder)titel heeft: ‘Tweede dagboek’. Ik ben benieuwd wat de auteur heeft aangezet tot deze, laat ik zeggen: onevenwichtige titels van de onderdelen.

De notities van de schrijver, die met enige, door de context afgedwongen, goede wil wel als dagboeknotities op te vatten zijn, staan onderaan de pagina, door een horizontale lijn van een halve zetregel lengte gescheiden van de (weergave van de door Anya uitgewerkte) essays, die genummerd zijn en titels hebben als ‘Over de oorsprong van de staat’ en ‘Over het hiernamaals’. Voor de lezer van Nederlandstalige literatuur is het niet moeilijk om bij deze presentatiewijze van grafisch onderscheiden en inhoudelijk ogenschijnlijk niet direct samenhangende teksten annex verhaallijnen, te denken aan werk van Louis Paul Boon, meer in het bijzonder De Kapellekensbaan, Menuet en Mijn kleine oorlog.

Coetzee bakt ze net zo bruin als Boon in De Kapellekensbaan, wanneer hij vanaf pagina 28, oftewel bij aanvang van het zesde essay, ‘Over geleidingssystemen’, een derde tekstlaag toevoegt, namelijk een waarin Anya aan het woord komt, die heel de boel met haar blik belicht. Dat gaat door tot en met het voorlaatste essay van dit deel, ‘30. Over gezag in fictie’; het laatste essay staat alleen op de laatste twee pagina’s.

Doordat de verschillende teksten en ook de witgelaten ruimten ertussen in omvang variëren, wordt al snel duidelijk dat per essay de eronder staande teksten elk ook een afgerond geheel vormen op even zo veel pagina’s. Zoveel samenhang is er nog wel.

Althans, merkte ik, verder lezend, tot en met het zeventiende essay, ‘Over intelligent design’. Vanaf ‘18. Over Zeno’ gaan de teksten eronder uit de maat lopen terwijl de rol van Alan, de partner van Anya, in de onderste tekstlaag groeit en er zich een intrige daarin aftekent, die ook zijn effecten heeft in de middelste tekstlaag (die van Señor C). Over intelligent design gesproken...

Het grappige effect, op mij althans, was dat ik mijn leesroutine veranderde, niet meer eerst een essay las en dan een voor een de eronder meelopende andere twee tekstlagen, maar eerst de onderste, dan de middelste en daarna pas de erboven staande essays. Het zwaartepunt van de roman verschoof op de pagina’s; hoofd- werd bij- en bij- hoofdzaak; het commentaar is de primaire tekst geworden, en andersom. Zo wordt de dynamiek van het lezen onderdeel van het lezen (ik vraag me, terzijde, af of zo’n typografische presentatie ook in een e-boekuitgave te realiseren is). Maar... mijn belangstelling voor de essays, die ik pas na de andere twee tekstlagen las, werd toch groter, al kan dat ook aan de onderwerpen liggen die steeds meer betrekking hebben op actualiteiten van (vlak voor) 2007 en die ook nu nog actueel zijn. En terwijl dus het belang van de fictie steeg, nam ook mijn waardering van de essays toe, die ik steeds meer ben gaan toeschrijven aan Coetzee dan aan die (quasi-)fictieve Señor C.

Mijn nieuwsgierigheid naar het dertigste essay groeide terwijl ik er dichter bij in de buurt kwam. Het handelt ‘Over gezag in fictie’, terwijl in de onderste tekstlaag onbehoorlijk stevig de zaag wordt gezet in de stoelpoten van de fictieve schrijver ervan, die een briefje aan Anya ondertekent met ‘JC’. Het onderscheid met de auteur van de roman wordt miniem; Coetzee ondertekent zijn ‘Verantwoording’ met ‘JMC’.

Het essay viel echter tegen, was mij te vaag, pardon: theoretisch.

Deel ‘Twee’ gaat duchtig verder met de drie tekstlagen. De eerste laag bevat nu meer dagboekachtige notities van de oude schrijver, althans persoonlijke overwegingen, maar vanaf de vijfde notitie hebben deze items, een beetje verraderlijk, weer een vertrouwde essay-titel, zoals ‘Over massa-emotie’. ’n Beetje cerebraal is het dagboek dus wel; maar ja, wat verwacht je van een oude schrijver? De emotie en de actie zit in de andere tekstlagen. Het gedoe tussen C, Anya en haar partner Alan gaat daar gewoon verder, in zoverre dat die (derde) verhaallijn nog doorloopt nadat ze gedrieën de afronding van het typoscript van Uitgesproken meningen gevierd’ hebben, wat onder meer resulteerde in een breuk tussen Anya en Alan en Anya’s vertrek naar elders (zij bepaalt zelf wel in hoeverre men met haar kan sollen). In de tweede tekstlaag blijft zij, via de vertellende schrijver, met de schrijver corresponderen. De bejaarde maar vermaarde schrijver, die door Alan ‘Juan’ wordt genoemd, blijkt nu, net als de auteur van deze roman, hoogleraar in literatuur geweest te zijn. Het literaire spelletje gaat voort. Hij blijkt nu (weer) wel in staat zelf zijn teksten (de eerste tekstlaag) te kunnen typen...

Hoorndol kan een mens van een dergelijke essayrijke roman worden. Ik althans word er afwisselend door aangetrokken en dan weer afgestoten, verbijsterd, verveeld en toch geïntrigeerd.


zondag 12 juli 2026

Ali Smith, Glyph

Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Prometheus, Amsterdam 2026 (oorspr. Glyph, 2026). Paperback met flappen, 272 bladzijden. Mooi uitgevoerd, lekker in de hand liggend boek, 20 bij 12,5 bij 2 cm, 310 gram.

Die Smith levert steeds weer werk van een aparte klasse. Elke roman is zowel typisch Smiths als afwijkend van alle voorgaande. Zo is Glyph minder dystopisch dan Gliff, dat in 2024 verscheen. Daar staat weer tegenover dat er zowel tussen deze twee boeken als tussen de onderdelen van elk boek apart allerlei associatieve verbanden lijken te bestaan. Klinkklare narratieve lijnen trekt Smith zelden. Ze is onbekommerd gul met het vertellen van verhalen, het retraceren van fragmenten van het verleden, het spelen met woorden en betekenissen en de frictie of juist de speel- of spelruimte tussen taal en werkelijkheid.

Opeens dacht ik, al lezend, dat een roman van Smith te vergelijken is met grafisch werk van Escher, zowel die onopgemerkt van vorm veranderende dieren (het associatieve) als ook, misschien vooral, die trappen die niet uitkomen waar je denkt dat ze zouden moeten (het onnavolgbare). Bij al dat spel verdwijnt nooit de actualiteit van onze werkelijkheid uit beeld; die duikt steeds onverwacht weer ergens op. En dan gaat het nooit over de leuke aspecten van onze actualiteit maar over oorlog, bedrog, pandemieën, politieke waanzin en zo meer, maar zonder dat het verhaal er chagrijnig door klinkt, wel verontrustend, maar niet grauw en grimmig. Kan dat? Ja, Smith kan dat.