vrijdag 6 november 2026

Julia Schoch, Das Liebespaar des Jahrhunderts, tweede lezing

Roman. Biographie einer Frau. eBook. dtv Verlagsgesellschaft mbH & Co. K.G., München 2023.

Ten eerste
Op 25 november 2024 schreef ik over dit boek hier het volgende:

‘Een naamloze vrouw vertelt, als ze na eenendertig jaar weggaat, over de liefde van haar leven. Vertellen heeft een bijzondere waarde voor haar. Toen ze haar geliefde leerde kennen, zei ze er tegen niemand iets over, zelfs haar moeder niet.

Das Erzählen war in meinen Augen etwas, das erst am Schluss kommt. Es kommt sehr weit hinten, dachte ich, in einer fernen Zeit, die mir vollkommen abstrakt erschien. Fing man zu früh damit an, war womöglich alles zerstört.

Als ze al zevenendertig digitale pagina’s aan het vertellen is, zegt ze dat de twee geliefden beiden in een dictatuur (DDR) zijn opgegroeid; ze hebben dus dezelfde achtergrond en context:

Wir kannten dieselben Filme, dieselbe Musik, wir hatten die gleiche Sehnsucht gehabt.

 En meteen daarna, tussen haakjes, zegt ze:

(Es ist schwer, die süße Ausweglosigkeit zu beschreiben, in der unsere Kindheit stattgefunden hat. Eine Art sanftes Mahlwerk.)

Ik vind dat, afgezien van het prachtige woord ‘Ausweglosigkeit’, een zwaktebod van een vertelster die veel waarde zegt te hechten aan vertellen. En ik vind heel deze vertelling, tot hier aan toe, niet  sterk, want te abstract, te anoniem (geen van de personages heeft een naam), te stereotiep (zij hemelt hem op, hij is een exotische, romantische, dandyeske Einzelgänger). Het is dan ook pas na vier eerdere pogingen dat ik in deze roman verder ben gekomen dan de eerste tien bladzijden. En dat heet dan een ‘Bestseller’, volgens Der Spiegel. Ik houd m’n hart vast voor het welslagen van de voortzetting van  mijn lectuur.

Tweede zitting
Romans die iets van doen hebben met het voormalige Oost-Duitsland kunnen rekenen op mijn welwillende belangstelling, op voorwaarde dat ze een beetje aandachtig geschreven zijn. Als evenwel de geliefden van de eeuw elkaar een keer treffen in een hotel in Parijs, wordt de sfeer door de vertelster als volgt getypeerd:

Nachts machten sich Kakerlaken über die Reste vom Baguette her.

Hemeltje lief, wat een ondergestoft cliché is dit. Ik zie, nu m’n elezer in de slaapstand sukkelt terwijl ik dit tik, dat ik 14% gelezen en nog zes uur te gaan heb. Het gaat erom spannen, want de vertelling strompelt in staccatozinnen voorwaarts, totdat vriendlief, die altijd wat excentrisch is, op een feestje in Montpellier om niets dan zijn provocerende uitdossing in elkaar wordt geslagen. Dan staat er, na een witregel:

Vielleicht ist der Beginn allen Schreibens die Gewalt, gepaart mit Erregung und Schönheit.

Helaas voor de vertelster was ze te dronken om die nacht al met schrijven te beginnen; het bleef toen bij losse indrukken, er kwam geen exact verhaal van, en de vriend wilde ook niet dat zij erover sprak; zij evenwel ziet dat het voorval de weg wijst naar een gezamenlijke geschiedenis.

En zo hipt het verhaal heen en weder tussen bloedeloze dagdagelijkse niksigheden en quasi-verheven poëticale abstracties. De vertelster realiseert zich: ‘Im Verschweigen, im verzweifelten Verschweigen erzählt sich das Leben.’ Met als bijzonderheid: ‘Ich war nicht verzweifelt.’ Ze gooit er maar een soort non-sequitur in om een diepzinnige glans aan haar terugblikcauserie te geven, en deze lezer de stuipen op het netvlies te jagen, niet in de laatste plaats door een opmerking als de volgende:

Bislang waren wir nur verbunden gewesen durch die Liebe, jetzt waren wir es auch auf tragische Weise.

Van echte liefde of ware tragiek getuigt evenwel helemaal niets in wat de vertelster vertelt, behalve dan het letterlijk gebruik van die woorden; maar dat noem ik niet ‘vertellen’. Haar herinneringen zijn brokkelig en ze werpt ze klinisch op de pagina. Er gebeurt dit en er gebeurt dat, en niemand laat er een traan over of iets anders. Van een ontwikkeling lijkt geen sprake, alleen is de situatie in de ene anekdote anders dan in de andere. Noch zij, noch hij, noch hun kinderen, noch hun vrienden, noch bekenden, noch andere familieleden ontpoppen zich tot ware karakters met eigen, doorleefde trekken. Alle blijven bordkartonnen figuranten.

Derde en terminale zitting
Het domme aan deze vertelling is onder meer dat voor deze lezer al lang en breed duidelijk is dat de titel van de roman letterlijk noch leuk is; de ironie is op een saaie wijze cynisch. Dat op ongeveer een kwart van het boek de vertelster nog het volgende durft te serveren, is ijzingwekkend larmoyant:

Es kam mir logisch vor, alles aufzugeben für dich[.]

Het hele verhaal is zo slecht doortimmerd dat het volkomen ongeloofwaardig is. Het maakt dan ook niet meer uit dat de vertelster verderop geen moeite met vertellen blijkt te hebben, maar alleen met spreken over haar leven of liefde.

Ich hatte tatsächlich angefangen zu schreiben. Geschichten, vielleicht sogar ein Roman. Aber das Schreiben geschah gleichsam auf der Rückseite unserer Liebe. Es fiel mir schwer, darüber zu sprechen. Schreiben war eine geheime Realität für mich.

Dat kan maar niet genoeg benadrukt worden, en dus cursiveert de vertelster in vielleicht [diesem] Roman al haar imponerend bedoelde gedachten, zoals:

Wenn man etwas ausspricht, is es auch in der Welt.

Ik zou toch denken dat een roman ook best wel in de wereld is. Maar of dit boek inderdaad een roman is, staat nog te bezien. Het is het tweede deel van de trilogie Biografie van een vrouw. Misschien zijn het autobiografische herinneringen en aantekeningen. Mij interesseren die niet, en vooralsnog denk ik dat dat komt door de manier waarop Schoch vorm heeft gegeven aan haar innerlijke roerselen betreffende een of haar eigen uiterlijk leven.

De lezing is voortijdig beëindigd; ik had nog vijf uur te gaan.’


Ten tweede

Een kleine twee jaar later las ik het eerste deel van dit drieluik over het leven van een vrouw, Das Vorkommnis, en schreef er op 11 september 2026 hier onder meer het volgende over:

‘Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’

Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:

Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.

(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.’

Ten derde
Welaan, ik heb dit boek nu ten tweeden male geprobeerd te lezen, maar na 64% van het totaal, met nog maar drie uur lezens te gaan volgens mijn digitale elezer, moet ik weer besluiten dat deze roman me niet boeit. Waarschijnlijk komt het doordat het te weinig een roman is, te veel een opsomming van gedachten, gevoelens en herinneringen die iemand grotendeels chronologisch, in de volgorde waarin ze zich aan of in haar aandienden, opdist als ware het geheel een roman.

Maar er gebeurt bijna niets. Aan het begin staat het einde al rotsvast en de bewegingen ertussen zijn minimaal of marginaal of bijzonder subtiel en zeker zeer subjectief qua (ir-)relevantie. Stilistisch is er eigenlijk geen enkele kleurrijke uitschieter in deze matgrijze zee. Het tegendeel is eerder waar: de tekst druppelt maar door, zonder deining, net zo lang tot de vertelster leeg is, niets meer te zeggen weet, niets meer te vertellen heeft, als ze het zo wil blijven noemen.

Of ik überhaupt nog aan het laatste deel van deze driebander zal beginnen, ligt in de schoot der goden, maar menselijk bezien ligt het niet voor de hand.

woensdag 14 oktober 2026

Julian Barnes, Flaubert‘s Parrot

Picador Edition, London 1985. Paperback, 190 bladzijden. (1st ed. Jonathan Cape, London 1984). Straatbibliotheekexemplaar.

Toen ik een eindje gevorderd was in dit boek, las ik pas de loftuitingen op het voorplat (een echte Barnes is immers altijd goed). Daar wordt het zowel ‘A tour de force’ genoemd als ‘A book to revel in!’ (dat dacht ik op voorhand). Ik werd verrast door: ‘The best novel published in England in 1984’ en ‘An intricate and delightfull novel’. ‘[B]est’, ‘intricate’ en ‘delightful’, ja, ja natuurlijk, maar dat het een roman wordt genoemd...

Verder lezend kwam ik erachter dat de inhoud niet anoniem wordt gepresenteerd door de schrijver zelf maar als ware het de tekst, een monoloog of vertelling, van ene Geoffrey Braithwait, weduwnaar en voormalig arts (een soort dokter Bovary). Inderdaad, het boek ontplooit zich gaandeweg als een roman; een hilarische roman, die even zo goed een biografie-in-wording lijkt te zijn als ook een verzameling opstellen over wetenswaardigheden en trivia betreffende Gustave Flaubert, benevens een een ironisch-kritische reflectie op academische literatuurstudie en nog zo wat.

Het is een boek in de geest van Nabokovs Pale Fire en willekeurig welk werk van Atte Jongstra maar dan met veel minder voet- en eindnoten. Je weet na drie bladzijden niet meer of het allemaal onzin is of toch helemaal niet. Noem het vertelbranie, of -bravoure. Hilarisch, dat zei ik al.

Het is ook een literaire flipperkast; anders gezegd: als lezer voel ik me als een kogel die rond wordt gekaatst door zo’n mechanische speelkast; geen idee wie er aan de knoppen zit. En het gekke is niet dat ik door die wisselende tekstsoorten en (ingebedde) vertellende instanties en perspectieven en focalisaties steeds de weg kwijt raak tussen waarheid en fictie, maar dat er, ondanks al de kolder en ironie die er doorheen is gehusseld, toch allerlei waarheid in te vinden is, niet noodzakelijk op biografisch niveau, maar waarheid zoals die in een roman is te vinden, uitspraken die je je als lezer aantrekt. Dat werk.

Ik neem aan dat me dit te binnen schoot doordat er opeens een hoofdstuk kwam waarin Flauberts minnares Louise Colet lang en aanhoudend in de ik-vorm aan het woord komt. Een intrigerende contra-focalisatie.

Maf en mij ontregelend is het dat na dit persoonlijke verhaal een hoofdstuk volgt met een Flaubert-pastiche van de hand van de oorspronkelijke verteller, getiteld ‘Braithwaite’s Dictionary of Accepted Ideas’. Zo weet je aan het eind van een hoofdstuk nooit wat er om de hoek op je staat te wachten. Heerlijk.

Het geheel wordt afgesloten met een hoofdstuk over de twijfelachtige echtheid van een of twee (geleende) opgezette papegaaien van Flaubert, een chapiter dat evident ook iets zegt over al de in het voorgaande opgediste feiten, weetjes en halve of hele waarheden over leven en werk van Flaubert.

Het herlezen zeker waard, denk ik. Dat wordt dan de Nederlandse vertaling van dit boek.

woensdag 16 september 2026

Susan Sontag, Illness as Metaphor & AIDS and its Metaphors

Penguin Books. Reprint in Penguin Classics, London 2002 (1st ed. 1991). Paperback, zo goed als ongelezen aangetroffen in een straatbibliotheekje, 180 bladzijden. Het eerste essay stamt uit 1978, het tweede uit 1989.

Op een dag had ik me voorgenomen eens iets te lezen van Susan Sontag (1933-2024); dat was zo’n auteur naar wie veel verwezen werd in boeken en artikelen van andere auteurs die ik wel las; daar moest toch een zekere waarde in schuilen.

Op een dag, lang na de voornoemde, wist ik mij de gelukkige bezitter van een pocketboek van perfect formaat en met een heel mooie foto op het omslag; het was een heruitgave door Penguin van Sontags On Photography (oorspr. 1977). Toen ik het ging lezen, vond ik er echter niks aan, omdat het in mijn optiek een opgeblazen stapel grondeloze generalisaties was. Bij iedere diepzinnig bedoelde opmerking over ‘de fotografie’ of ‘de fotograaf’ is ‘zus en zo en dit en dat!’, dacht ik: ‘Dat kan jij wel vinden, maar ik denk er toch een tikkie anders over.’ Met evenveel argumenten als Sontag (ingetogen veldonderzoek met N=1 waarbij 1=zij resp. ik zelf). 

Op een dag niet lang daarna had ik het boek aan een volgende lezer weten te slijten via mijn online tweedehands-boekenwinkeltje. Toen ik vervolgens op een mooie nazomerdag met de hond bij het straatbiebje stilstond waar ik wel vaker bij stilhoud, trof me weer een mooie tweedehandspocket met weer een mooi omslag en weer van Susan Sontag. Daar komt bij dat ik net zo veel houd van fotograferen als van metaforen. En nu heeft Sontag me wel bij de lezerslurven.

Het boek is al zo oud en bekend dat ik hier vast niet hoef uiteen te zetten dat het gaat over tering, syfilis, kanker, pest en AIDS. Over ziektes, niet over scheldwoorden. Ik hoef vast ook niet uit te leggen dat het een soort cultuurhistorisch-fenomenologisch essay is over het hoe en waarom van het gebruik van die ziektes als metaforen, en (dus) ook over hoe men vroeger die ziektes ‘zag’ en beoordeelde. Sontag, ervaringsdeskundige met kanker, heeft er heel veel leeswerk voor verricht en citeert veelvuldig. Het is een leerzaam boek, het eerste essay althans; aan het tweede ben ik, nu ik dit tik, nog maar net begonnen.

Pas in ‘Chapter Nine’ van Illness as Metaphor, om precies te zijn op pagina 75 van het boek, struikelde ik over weer zo’n On Photography-achtige, grondeloze generalisering of aanname of vooronderstelling, die Sontag met veel aplomb op het papier kwakt maar waar ik graag een steviger onderbouwing bij had gezien:

Throughout the nineteenth century, disease metaphors become more virulent, preposterous, demagogic. And there is an increasing tendency to call any situation one disapproves of a disease. Disease, which could be considered as much part of nature as is health, became the synonym of whatever was ‘natural’.

En daarop volgt dan een citaat uit Les misérables van Victor Hugo uit 1862, een van Gramsci uit 1916, van Mandelstam uit 1919 en Marinetti uit 1920.

Grote stappen, snel thuis. Maar hier zijn Sontags stappen zo groot dat ik haar spoor bijster raak; bij ons thuis is de negentiende eeuw eerder afgelopen. Mijn waardering voor het eerste essay blijft steken bij Sontags ideeën over de veronderstelde betekenis van de genoemde ziektes, de bron van hun metaforiciteit en de historische gegevens met betrekking tot de besproken ziektes.

Ik schrijf met opzet ‘metaforiciteit’ in een poging tot navolging van Sontags terminologische flair. Zij heeft het onder andere over ‘metaforiseren’ alsof dat een duidelijk procedé is; uitleg is kennelijk niet nodig, waar de bedoelde metaforen betrekking op hebben, zegt ze er niet bij, althans niet met precisie. Zo kan ik het ook. Plato’s Poetica aanhalen (met ‘1457b’ tussen haakjes achter de titel) als de als enige theoretisch bron voor het tamelijk complexe begrip ‘metafoor’, staat misschien een beetje stoer, maar het helpt zeker niet.

In haar voorwoord bij het eerste essay noteert Sontag:

My subject is not physical illness itself but the uses of illness as a figure or metaphor.

Gevallen daarvan noemt ze niet of nauwelijks, als ik het mij goed herinner, en centraal staan ze zeker niet. Want:

My point is dat illness is not a metaphor, and that the most truthful way of regarding illness – and the healthiest way of being ill – is one most purified of, most resistant to, metaphoric thinking.

Ik kan mij geen studie voor de geest halen waarin wordt beweerd dat ziekte een metafoor zou zijn. Het essay is evenwel geen strijd tegen windmolens maar veeleer een verkenning en analyse – men zou met enige overdrijving ook kunnen zeggen: een fenomenologie – van de historische en actuele beeldvorming van, rond of met betrekking tot ziekte, meer in het bijzonder ziekte als TBC, syfilis en kanker, en in het tweede essay AIDS. Voorbeelden van dergelijke beeldvorming zijn het veronderstelde hogere geestelijk leven van de TBC-lijder, de romantiek van de wereldlijke afgezonderdheid in het sanatorium, de felle strijd tegen kanker, het al of niet schuld hebben van de patiënt aan het lijden aan een ziekte en zo verder. Die beeldvorming was en is volgens Sontag bij uitstek mogelijk wanneer de precieze oorzaak en de feitelijke effecten van een ziekte niet grondig en eenduidig bekend zijn. Gebrek aan kennis maakt het mogelijk om een verderfelijke ziekte een pest of een plaag te noemen, een straf van de goden.

Die verdoezelende metaforen wil Sontag ontmantelen. In het begin van het eerste hoofdstuk van het tweede essay karakteriseert zij het eerste essay dan ook als haar ‘polemic against metaphors of illness’. Daarop volgt een slappe retorische antithese: ‘Of course, one cannot think without metaphors. But that does not mean that there aren’t some metaphors we might well abstain from or try to retire.’

Als tien jaar na Illness as Metaphor Sontag haar ziekte te boven is gekomen, en zich wereldwijd een nieuwe, grootschalige kwaal aandient die het verdient door haar verhelderd te worden, is de medische kennis omtrent kanker enorm gegroeid en Sontag probeert in het eerste hoofdstuk van AIDS and its Metaphors niet de kromme suggestie uit de weg te gaan dat haar essay daaraan zou hebben bijgedragen.

Dat tweede essay is minder enerverend dan het eerste. Misschien doordat er al veel sneller veel meer over die nieuwe ziekte bekend was, misschien doordat Sontag er heel veel woorden voor nodig heeft om toch nog eens uit te leggen wat die ziekte precies inhoudt en wie eraan leden en lijden, misschien ook doordat het betoog niet strak geregisseerd is; het wappert alle kanten uit. Als het dan weer over de pest gaat, laat ik het boek langzaam dichtvallen, ook omdat Sontag haar overtreffende trappen en generalisaties geen moment tempert.

Voor ik het boek definitief wegleg, zie ik nog de slotalinea en constateer dat die niet over AIDS als metafoor gaat, maar over Sontags bezwaar tegen de militaire metaforiek (met beelden als ‘strijd’, ‘strijden’, ‘vechten’, ‘gevecht’, ‘nederlaag’, ‘verliezen’) die vaak gebruikt wordt in het discours over die ziekte. Beetje jammer dat ze met ‘polemic against metaphors of illness’ uit hetzelfde metaforische vaatje tapt. Een essay, ook al beoogt het een kritische discours-analyse te zijn, is geen oorlog. Men moet zuinig zijn met sterke metaforen.

vrijdag 11 september 2026

Julia Schoch, Das Vorkommnis

Roman. 3. Auflage. dtv, München, 2024 [1. Aufl. 2022]. Biographie einer Frau. Erstes Buch. Bibliotheekboek, hardback, met leeslint (nog op de plaats waar het bij de binder erin gelegd was), 192 pagina’s inclusief één met de Quellennachweis met drie Quellen. 

Eerder las ik al deel twee van het drieluik Biographie einer Frau; dat tweede deel was hier in het nieuws wegens de verschijning van de Nederlandse vertaling ervan. Dit eerste deel is, gek genoeg, nog niet vertaald; zo ga je toch niet met drieluiken om?

Inmiddels ben ik op pagina 66, en ik lees er met plezier en aandacht in, wat bepaald niet goed lijkt aan te sluiten bij mijn eerdere ervaring met het lezen van het tweede deel. Ik wist ook niet meer dat ik niet de vertaling maar een Duitse e-uitgave had gelezen, of: had proberen te lezen.

Het begin van mijn lezen van dit eerste deel viel ongeveer samen met het verschijnen van Conny Palmens laatste, althans jongste, roman, die met die domme whiskytitel; ik las alleen een interview met Palmen in de Volkskrant en wist meteen dat ik haar naar eigen zeggen door uiterst noeste denkkracht uit haar superieure hersenen geperste nieuwe roman niet zou gaan lezen: te veel en te egomaan gezever over haar enig-eigenste diepste leven en hoogpolige schrijven op haar enig-allerhoogste extremistisch, absolutistisch denkniveau.

Het werk van Schoch, voor zover ik het ken (en dat is dus nog niet ver) lijkt maar een heel klein beetje op dat van Palmen (al kan natuurlijk niemand, in welk taalgebied dan ook, daar werkelijk aan tippen) omdat het leven van de auteur zelf er nadrukkelijk in centraal staat, samen met haar schrijven over dat leven. Zo nauw hangen leven en schrijven samen dat ik tegen Palmen zou willen roepen: keer je af van je eeuwige zelf en verzin eens iets dat op een echt verhaal lijkt!

Maar Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’

Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:

Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.

(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.

De overpeinzingen van de vertelster zijn beschouwingen van, reflecties op het eigen leven en de eigen herinnering eraan; soms gaat het zelfs richting her-herinnering omdat ze erachter komt hoe vertekend haar herinneringen zijn door gebrek aan de juiste kennis ten tijde van de herinnerde ervaringen. Het gaat dus ook (weer) over de bewustwording van de on-onbedorvenheid van herinneringen. Ik had hier bijna achteraan getikt: en herinneringen zijn bestanddelen van de menselijke identiteit. Dat deed ik niet, omdat een aantrekkelijk aspect van Das Vorkommnis ook is dat Schoch, anders dan Palmen, op basis van het particuliere niet generaliseert naar het algemene; haar vertelling blijft singulier, blijft persoonlijk. Alleen doordat haar verhaal herkenbaar is, kan een lezer erdoor bevangen worden en ruimere conclusies trekken. Denk ik.

De ik-vertelster gaat, met haar moeder, onder meer proberen te achterhalen wie toch de vrouw in Amiens was die door de grootvader van de vertelster in de Tweede Wereldoorlog bezwangerd werd; dat heeft ermee te maken dat de moeder van de vertelster een soort omgekeerd leven leidt: nu alles achter de rug is, breekt voor haar pas de vrijheid van de jeugd aan; daarvoor was ze alleen maar dienstbaar, en mogelijk onbekend met het gegeven dat haar (latere) echtgenoot al een kind had verwekt bij een andere vrouw.

Nu ik hier toch een soort resumé probeer te geven, klinkt het verhaal een beetje armetierig, om niet te zeggen: larmoyant. Maar dat is deze roman juist niet; waarschijnlijk omdat het accent steeds net op tijd weer komt te liggen op het welbewuste reconstrueren van het verleden dat misschien het eigenlijke onderwerp van de roman is, maar zónder dat die daardoor een halfbakken remake lijkt van zo’n over de top geconstrueerde, Nieuwe Revisor-achtige roman uit onze jaren tachtig van de vorige eeuw. Een ander hoofdthema is de onbetrouwbaarheid van de herinnering, en ook van die van de waarneming, of: de problematiek van de (gewenste) on-vooringenomenheid van de waarneming en de herinnering.

De hoofdstukken zijn niet te lang (72 stuks op 191 pagina’s), wat het makkelijk maakt steeds korte stukken te lezen; aangenaam, want het zijn niet de grootse en meeslepende avonturen die de lezer gijzelen, wel de spitsvondige overpeinzingen naar aanleiding van (kleine) voorvallen die deze lezer boeien.

Wat in het bovenstaande niet naar voren komt, is wat in de roman evenmin sterk op de voorgrond staat maar daarachter wel een soort bestendige aanwezigheid is: het gegeven dat de jeugd van de ik-figuur zich afspeelde in het voormalige Oost-Duitsland, de DDR, en dat zij de val van de muur meegemaakt heeft, een voorval met vergaande gevolgen, verder gaande gevolgen dan op het eerste gezicht duidelijk is.

P.S.
Langs nu even niet nader te doorgronden wegen dringt zich iets van de poëzie van C.O. Jellema op in mijn aandacht:

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

‘Van dingen spreek ik ...’, in: Verzameld werk. Gedichten. Bezorgd door G. Wynia. Querido, Amsterdam 2005, p. 24 (oorspr. in de debuutbundel Klein gloria uit 1961).

dinsdag 1 september 2026

Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder

Roman. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2026. Hardback (bibliotheekboek), 447 bladzijden, inclusief die ene met de ‘Verantwoording’ van de bron (en vertaling) van citaten en de ‘illustratie op de omslag’, een foto van ‘een hellenistisch, bronzen masker van de god Dionysus uit de periode 200-100 van onze jaartelling.’

Spoiler: van de 447 bladzijden die de roman beslaat, heb ik slechts de eerste 236 gelezen. Ik ben, met andere woorden, niet verder gekomen dan het vierde hoofdstuk van het eerste deel; het vijfde en zesde hoofdstuk van het eerste deel, de beide hoofdstukken van het tweede deel en ‘Het eerste en enige hoofdstuk’ van het derde deel heb ik dus niet gelezen. Ik weet niet wat ik mis.

Het begin van de roman, ongeveer de eerste drie hoofdstukken, heb ik met genoegen, soms met uitschieters naar groot genoegen, gelezen en dat kwam door de merkwaardige mengeling van enerzijds Schröders aanwijzerige, gortdroge stijl (gelardeerd met lyrische zijpaden in de beschrijvingen van mensen en ruimten) en anderzijds de magisch-realistische wereld waar hij mij des ondanks moeiteloos in mee wist te slepen. Het was vooral de magische realiteit die me verraste tussen al dat gort. Want zeg nou zelf, een passage als de volgende is bepaald geen uitgelezen koren op de molen van de literaire lezer:

Selder had een droom. Het was een vreemde droom, maar waren niet alle dromen vreemd, omdat mensen in hun dromende hoofden nu eenmaal vreemd waren?

De jonge, gesjeesde student Robert Selder, die niet weet wat met zijn leven aan te vangen, wordt, zoals in elke recensie staat te lezen, als hij een voor hem niet geslaagd maar toch uitbundig feest verlaat, doodgereden. Maar de roman volgt hem doodgemoedereerd verder in zijn na-bestaan als een (absoluut niet zombie-achtige) on-dode in een parallelle wereld, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat leest allemaal als een overtuigend verhaal. Ik noem dat magisch realisme van hoog niveau. De titel van de roman past er, met zijn lichte raadselachtigheid, heel goed bij.

Misschien zit het overtuigende er tevens in dat je als lezer in Nederland anno 2026 heel gemakkelijk parallellen kunt trekken met het onzekere bestaan van de vluchtelingen en asielzoekers die hier te lande vrijwel nergens een welkom lijken te vinden, nergens ontvangen worden, nergens graag gezien, laat staan geaccepteerd worden, terwijl zij, evenmin als Selder en misschien zelfs minder dan hij, verantwoordelijk zijn voor hun eigen lotgeval in wat dan heet hun ‘eigen’ land.

Selder herkent zijn omgeving steeds minder goed, en daar heeft de lezer dan ook last van omdat Selder de belangrijkste focalisator is in zijn wereld. Hij is uit zijn universiteitsstad teruggekeerd naar het ouderlijk huis in de voorstad van P***, doorgaans alleen aangeduid als de voorstad. Als hij dan ook nog eens verzeild raakt in Almannië, waar hij de mensen niet goed kan verstaan en zijn papieren niets waard blijken te zijn, net als zijn identiteit, wordt zijn situatie wel vreemder, maar nog steeds niet onmogelijk. Zelfs niet als hij zich aanmeldt voor krijgsdienst, wat onder een verzonnen naam mag en wat kan resulteren in een nieuwe identiteit. Nergens klinkt het woord vreemdelingen-legioen, maar ik moest er wel aan denken. Iets van Slauerhoff wellicht?

Het vervelende is dat in dat leger van Almannië (wie denkt dan al niet aan Allemagne) rangen zijn als die van (onder)bentleider, zonder dat er iets in de roman, althans het deel dat ik ervan las, gedaan wordt met de thematiek van Nazi-Duitsland en/of het Nederlandse oorlogsverleden; in tegendeel: er wordt een oorlog gevoerd tegen een fictionele andere macht in het zuidoosten van Almannië. Maar ook over (de parallel met) de terreuroorlog van Rusland tegen Oekraïne lijkt deze roman niets te willen zeggen.

Dat kan. Dat is een mogelijkheid. Maar het is een probleem dat de zogenoemde oorlog in de roman absoluut niet uit de verf komt als een oorlog, mede doordat die verdoolde en ook mentaal wereldvreemde Selder, die zich nu Elders laat noemen, de focalisator is. Ja, er wordt gelopen, en er wordt geschoten, en er zijn soldaten en soldatenmaten (hier velders genoemd), en er zijn geweren en kogels, branden en ruïnes, lijken en uniformen, het wordt allemaal opgelepeld maar het snijdt geen hout. Heel hoofdstuk vier van het eerste deel is eraan gewijd en deed het boek voor mij in het literaire vergeetboek verdwijnen.

Hierboven stipte ik al even Schröders stilistische zijpaden aan. Die leiden de lezer, deze lezer althans, hier en daar het bos vol onbegrip in. Ik signaleerde op pagina 146 een vergelijking van ‘hemelse muziek [...] zo ijl, alsof ze uit louter fluisterzachte flageoletten bestond.’ Zowel muzikale als culinaire humbug, als je het mij vraagt (wat, weet ik ook wel, niemand doet).

Op pagina 205 bleef mijn lezend oog hangen aan een descriptie, van een oorlogsscène, die zijn pretenties niet waar lijkt te kunnen maken:

Kapotgeschoten muren stonden hier en daar nog overeind, sommige al half overgroeid als een oud kerkhof met omvergeworpen zerken – stillevens in onverschillig landschap.

Ik vraag me er het volgende bij af.
1) Verwacht de langstrekkende patrouille van velders, afgaand op dat ‘nog’, het spoedig omvallen van de kapotgeschoten muren?
2) Is er vroeger ook al een oorlog geweest daar? De restanten van de muren zijn immers al half overgroeid; dat vergt wel een seizoen of twee, afhankelijk van het soort gewas.
3) Wat moet ik me voorstellen bij een half overgroeid kerkhof? Dat vergt zo mogelijk nog meer tijd, en pas nadat er een stel vandalen is geweest dat er zerken heeft omvergeworpen.
4) Is het ‘nog overeind’ staan van de kapotgeschoten muren niet meer een contrast met ‘omvergeworpen zerken’ dan een overeenkomst of analogie waar je een vergelijking op kunt bouwen?
5) De metafoor ‘stilleven’ als aanduiding voor grafzerken is misschien wel goed gevonden, maar zijn de ‘kapotgeschoten muren’ in deze metafoor niet de tenor bij het vehicle ‘stillevens’?

De laatste twee woorden van dit citaat doen me denken aan de thematiek van Armando, een realistische thematiek, een historische thematiek met grote zeggingskracht, een kracht die ontbreekt in het oorlogsverhaal in deze roman.

Op pagina 216 zit Elders, op wacht ‘met het geweer tussen de knieën’, naar de sterren van de Melkweg te kijken en peinst:

in een eindeloos lange guirlande stroomden ze hoog boven hem voorbij, oneindig traag zwermend aan de hemel

Twee kanttekeningen hierbij.
1) De sterren stromen niet alleen maar zwermen tegelijk, en hun guirlande is niet lang maar eindeloos lang, zoals ze ook niet traag zwermen maar oneindig traag. Te veel, veel te veel van het goede.
2) Dat de sterren boven hem te zien zijn, en zelfs hoog boven hem lijkt al onnodig om te vermelden. Maar onze held toept er nog overheen met aan de hemel. Het mocht de lezer eens ontgaan.

Ook op pagina 233 wordt er weinig zinnigs gezegd met te veel woorden:

Na een lange mars van drie uur door de middaghitte

Alsof er de volgende dag nog een korte mars van zevenendertig uur zou kunnen volgen, door de dageraad wellicht.

Jammer, het begon zo goed.

 


dinsdag 18 augustus 2026

Vakantielectuur

De vakantie bracht ons dit jaar naar de voormalige DDR, meer in het bijzonder Berlijn en Böckenberg. We gingen op reis en ik nam mee:

1. Herta Müller, Atemschaukel. Roman. Carl Hanser Verlag, München, 2009. Een afgeschreven bibliotheekboek van 300 bladzijden, inclusief Nachwort.

Ik was er thuis aan begonnen, en verder lezend op een terrasje van een Italiaan aan de Fuldastraße in Berlijn bekroop me langzamerhand de vrees dat de roman toch iets te veel begon te lijken op een, met de schijn van een verhaallijn opgekalefaterde, encyclopedie van het vlak-naoorlogse Sovjet-Russische dwangarbeiderschap in het kader van de herstelbetalingen. Dat leek me niet direct ideaal voor mijn vakantiewelzijn. Wellicht pak ik de draad thuis weer op, want eerlijk gezegd intrigeert me de materie wel.

2. Aya Zikken, Voor het vandaag werd had ik ook nog niet geheel uitgelezen van huis meegenomen en dat boek, nou ja, zie hier. Het kijkje achter de schermen van het roemruchte tv-programma ‘Houd je aan je woord’ had ik al in een ander boek van Zikken gelezen. Te veel gebabbel. Dus ben ik halverwege gestrand en afgehaakt.

Ik had een apparaatje meegenomen op vakantie en heb toen nog wel, daar diep in de DDR, de moeite genomen er een berichtje aan te wijden. Met een tikfout natuurlijk; inmiddels rechtgezet, nadat iemand me erop wees via Neerlandistiek.nl . Waarvoor dank.

3. In minder dan geen tijd heb ik daarna Regen gelezen, eine Liebeserklärung, een theatermonoloog van Ferdinand von Schirach (btb, München, 2025, oorspr. 2023). De eigenlijke tekst staat op p. 7-58. Daarna volgt nog een interview met de auteur (en acteur) op p. 61-108, wellicht omdat het paperbackje met flapjes anders wat al te dun was.

Enerzijds vind ik heel die monoloog maar een vreemd, zwenkend, uitwaaierend en weer inklapperend ding. Pas op het eind vallen alle losse stukjes samen als een geheel, dat onder veel meer handelt over ambivalentie als ‘das Schlüsselwort unserer Zeit’ en ‘der Kern unserer ständig verfeinernden Zivilisation’. Al het beschouwelijke gedwarrel is onderdeel van het uitstel van de uiteindelijke, smartelijke liefdesverklaring.

Dus pas achteraf, en in mijn geval ook: pas na tweede lezing, onmiddellijk na de eerste, is deze monoloog heel mooi, samenhangend en aandoenlijk. Ook het voortdurend aankloppende inzicht dat er geen onbevangenheid is, dat de mens bevangen is, bevangen in zichzelf en dus vooringenomen, daar lijkt me wel wat voor te zeggen; het is althans binnen deze monoloog heel overtuigend.

4. Mariana Leky, Die Herrenausstatterin. Roman. 5. Auflage. Dumont, Köln, 2018 (oorspr. 2010) was het volgende vakantieleeswerk. Licht absurdistisch, waardoor je tegelijk ziet dat het absurde hooguit een uitvergroting is van een gewoon menselijk aspect. De toon is wat sullig, simpel en ook wel sloom. Het gaat, net als de monoloog van Von Schirach uiteindelijk, over een verloren geliefde. In dit geval komt er de dreiging bij van het ‘Hinterhersterben’, ook bekend als het ‘Wittweneffekt’.

Het gewone raakt in dit boek het onverwachte, het onvoorziene of het absurde op intensieve wijze. In  het leven van hoofdpersoon Katja duikt na het sterven van haar man Jakob opeens een doctor Blank op, een gestorven docent klassieke filologie, die alleen zij kan zien, wellicht doordat zij ook in een soort tussenwerkelijkheid terecht is gekomen. Hij staat haar bij, net als Armin, de kleptomane brandweerman die niets te blussen heeft en die vriendschap aanknoopt met de door hem bewonderde Karate Kid-acteur McQuincey. Gevieren ondernemen ze een roadtrip naar Zandvoort, waar de acteur helaas achterblijft om een nieuw leven op te bouwen, als zweminstructeur.

De ontwikkelingen zijn even talrijk als onverwacht. Ik werd althans, om iets te noemen zonder alles te verspillen, verrast door het gegeven dat er gaten in dr Blank vallen en dat Katja die tijdelijk weet te repareren met pleisters. Eenieder leidt een ander door en uit zijn of haar teleurstellingen maar vooral ook weg van verkeerde vooronderstellingen. Zo lijkt het boek ook op dat punt uiteindelijk thematisch verwant te zijn aan Regen. Ook de ietwat melancholische sfeer lijkt me een overeenkomst. Maar in Die Herrenausstatterin overheerst het (ogenschijnlijk) dwaze en het komische; dat laatste ontbreekt in Regen vrijwel geheel.

5. Tot slot ben ik aan het eind van de vakantie tot halverwege Blankow oder Das Verlangen nach Heimat (2009) geraakt, van Paula de Bok. Ik begon in de Duitse vertaling (een gratis leesproef), maar ben wegens de vele descripties halverwege het eerste hoofdstuk overgestapt op de Nederlandstalige e-uitgave (Atlas Contact, Amsterdam, 2006).

Een semi-journalistieke roman over een vrouw die zich, met haar hond, uit het hectische Berlijnse leven terugtrekt op een deels vervallen, deels opgeknapte boerderij van vrienden op het verlaten Oost-Duitse platteland. Ze stuit daar voortdurend op sporen van het verleden, wat heel interessant is als je al lezend vertoeft in Plattenbau in een klein Brandenburgs Ort aan de rand van enorme landerijen vol hazen en reeën waarboven ooievaars, kraanvogels en zeearenden het zonovergoten hemelblauw doorkruisen.

Traag als zo’n statige Adler gaat de vertelling. Zonder flitsende ontwikkelingen. Heel anders dan het boek van Leky. Thuis lekker langzaam verder in lezen.

zondag 2 augustus 2026

Aya Zikken, Voor het vandaag werd

Ontmoetingen met schrijvers in de jaren zestig.
Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen 2000. Paperback, 258 bladzijden, inclusief Personenregister.

Op het achterplat wordt de eerste pagina van het boek geciteerd, en daar draait Zikken er niet omheen:

Dit boek pretendeert niet om behalve de afgedrukte portretten, ook de geschreven portretten van schrijvers uit de jaren zestig te leveren.
     In dit boek beschrijf ik (weer) voornamelijk over mijzelf en deze bladzijden bevatten waarschijnlijk meer autobiografische stof dan ik tot nu toe ooit gebruikte.

De gesprekken met de schrijvers, van Bertus Aafjes tot en met Beb Vuyk (maar niet alfabetisch geordend) vonden plaats terwijl Zikken en haar vriend Ger fotografische portretten van hen maakten, bestemd voor het Letterkundig Museum (tegenwoordig het Literatuurmuseum geheten, toen nog in Den Haag gevestigd, binnenkort te Utrecht).

Aya Zikken liep ten tijde van de gesprekken en de portretten ‘tegen de vijftig’; dat moet dus voor 21 september 1969 geweest zijn. Wie vriend Ger is, staat er niet bij, niet in de tekst wanneer hij genoemd wordt, niet in het colofon, niet in de verantwoording (want die is er niet), misschien in het Personenregister (p. 255-258), maar dat is alfabetisch geordend op achternaam.

Als ik Zikken lees, valt me geloof ik steeds het woord ‘eigenzinnig’ in. Nu ook weer. Hoewel het merendeel van de ‘besproken’ schrijvers me niet bijster boeien, trok de naam Aya Zikken me een paar dagen geleden met haar boek in de hand naar de kassa van de tweedehands-boekenwinkel. Onbewust zocht ik, denk ik, afleiding van de twee boeken waar ik nu al heel lang in aan het lezen ben, maar die betrekkelijk gruwelijk zijn: Houris (2025) van Kamel Daoud en Atemschaukel (2009) van Herta Müller. Niet dat Zikken van de wereld afgewend schrijft, maar schrijven over het thema genocide is wel een ander chapiter.

Het is een paar dagen later, ik zit gerieflijk verborgen in een minuscuul Ort in Brandenburg. Bij pagina 108 aangekomen (Jacques Bloem is net overleden, ook dat nog) hang ik mijn leesbril teleurgesteld aan de metaforische wilgen. Het boek is helaas een onnozele, literair georiënteerde, kletserige lappendeken van drankovergoten anekdoterij waar de kraanvogels hier in de buurt van de leg van raken.

De katerntjes portretfoto’s hebben, met andere middelen, een vergelijkbaar effect. Ze zijn slecht gekaderd, en keihard (over)belicht door het gebruik van een kale, directe flits die ook nog eens inktzwarte, monstrueuze schaduwen werpt op de achtergrond van de schrijvers die in de jaren zestig kennelijk allen gehavend waren door eenzelfde grijs-bruin-oranje gezichtshuidaandoening.

De aangekondigde autobiografische stof is er niet een die veel doet opwaaien in de eerste honderd bladzijden die ik las.

‘Helaas’, zou Jacques Bloem zeggen.


Dit bericht kreeg ’n tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici