woensdag 20 oktober 2021

Juli Zeh, Über Menschen

Roman. E-Buch. Luchterhand Literaturverlag, München, 2021.

Een nadeel van het lezen per e-lezer is dat het aantal bladzijden in/op zo'n apparaat volkomen nietszeggend is. Dat verstoort de leeservaring van een van origine  papieren lezer zoals ik nogal danig, om maar eens voorzichtig te alluderen op een cliché van Oehoeboeroe, de wijze vriend van Paulus de Boskabouter. Ik wist dat dit boek niet dun was (ik had het al gesignaleerd in de boekhandel) maar keek toch wel op van de 999 bladzijden die ik voor de boeg bleek te hebben toen ik begon te lezen. Gelukkig was er de verrassing dat het verhaal na 905 bladzijden al af was. De rest was reclame voor ander werk van Zeh, inclusief de nodige Leseproben.

De verrassing van het einde was er niet helemaal een van de prettige soort. Dat het boek domweg eindigt met de begrafenis van de ene hoofdpersoon, bijgewoond door de andere, vergezeld door al haar medepersonages, bracht een zegswijze met een koude kermis in mijn gedachten. Tegelijkertijd had ik het tegen die tijd wel gehad met deze roman.

Niet dat het onderwerp, de thematiek oninteressant is, niet dat Zeh niet geweldig goed schrijft (qua stijl, taalbeheersing, afwisseling van zinstructuren, variatie van luchtigheid en ernst), niet dat de relatie van deze roman met zowel Unterleuten als Corpus delicti niet heel prikkelend is, maar de verhaalstructuur en de grote verhaaldraad zijn toch wel een beetje van de flauwe, om dan ook Klukkluk maar te parafraseren. 

In verschillende Duitse recensies zag ik vergelijkingen met de structuur van een televisieserie. Het toeval wil dat ik al een hele tijd naar Downton Abbey kijk, terwijl het verhaal me al lang niet meer boeit, als dat er al is: het rammelt maar door van voorval naar voorval, personages kunnen dood als dat beter uitkomt, of langer leven als dat handiger is. Inderdaad, precies, of laat ik voorzichtig zijn: zo'n beetje de makke van deze roman, met vijftig chronologisch geordende hoofdstukken, ook. Ze is meer vermaak, maar wel goed vermaak, dan echt boeiend, intrigerend, tot nadenken stemmend.

Kortom: een goede roman (de samenvatting staat ergens in de krant, achterop het boek, op internet), maar niet de beste van Zeh. Maar ze kan natuurlijk ook niet steeds opnieuw de beste schrijven. Ik koop de volgende zodra die er is.

Om toch iets over de inhoud te zeggen: hoofdpersoon is Dora, werkzaam bij een verantwoord reclamebureau samenwonend in Berlijn met iemand die verslingerd raakt aan gezondheidskolder zodra de pandemische pleuris anno 2020 uitbreekt, kapt met haar stadse leven en trekt naar een dorpje op het platteland en valt daar niet met haar neus in de idyllische boter die ze er stiekem toch verwacht had, maar struikelt er over het rechtse- tot extreemrechtse en viruswaanzinnige denkwerk van haar dorpsgenoten, niet in de laatste plaats van buurman Gote, die zich aan haar voorstelt als de dorps-nazi.

Hoewel de man voor een fors geweldsmisdrijf heeft gezeten, blijkt hij toch ook zo verrot weer niet als een stereotype zou vereisen; zijn dochtertje Franzi is al helemaal een verbinding tussen Dora en Gote, zodat zich gaandeweg een soort gezinsstructuur ontwikkelt. Dan blijkt Gote een tumor in zijn kop te hebben.

Een beetje al te melodramatisch is het verhaal misschien toch wel, ook al gaat het over individualiteit en gemeenschap.


dinsdag 24 augustus 2021

Robert Seethaler, Der Trafikant

Roman. E-Buch. Kein & Aber, Zürich 2012. 

De titel is meteen al een dingetje. Liesbeth van Nes heeft uitgelegd waarom: er is niet iets vergelijkbaars in Nederland, laat staan een vergelijkbaar woord in het Nederlands. Een Trafikant en een Trafik zijn typisch Oostenrijkse verschijnselen (enigszins vergelijkbaar met le tabac in het Frans en Frankrijk). De Nederlandse vertaling van de titel is De Weense sigarenboer geworden, maar het verhaal gaat eigenlijk over een 17-jarige jongen, Franz Huchel, die van het Oostenrijkse platteland komt en in Wenen in de leer gaat bij een Eerste Wereldoorlog-invalide, Otto Trsnjek, die een tabak- en krantenkiosk uitbaat aan de Währingerstraße.

Wenen is wat mij betreft ook een dingetje. Toen ik las waar Franz uit de trein stapte en hoe hij naar de kiosk liep, spiekte ik even op Google Maps omdat ook het neunten Wiener Gemeindebezirk genoemd wordt (die Seethaler is een zeer uitbundig beschrijver van plaatsen, mensen, en gedachten); en het klopte, natuurlijk. Wie er meer van weet, had onmiddellijk opgemerkt dat de Berggasse maar een kwartiertje lopen verderop ligt, en dat daar, op nr. 19, Sigmund Freud woonde (dat wist ik dan weer wel) en dat die sigaren rookte (idem). Voor Seethaler is 1 plus 1 gelijk aan 2, dus Franz, wanneer hij hopeloos verliefd is geworden op een variétédanseres, gaat bij Freud te rade en neemt een sigaar van diens favoriete merk voor hem mee, een sigaar uit Trsnjeks doos; de jonge en de oude man kunnen het goed met elkaar vinden; beiden begrijpen niets van 'de' vrouw, geven ze elkaar toe (behalve de moeder en de geliefde van Franz treden er trouwens nauwelijks vrouwen van belang naar voren in dit verhaal, afgezien van Freuds dochter dan, Anna).

De geschiedenis van Oostenrijk is een derde dingetje, wat mij betreft. Ik weet daar echt weinig van. Nog nooit had ik van Schuschnigg gehoord. En wanneer die Anschluss ook alweer was, wist ik niet, of: niet  precies genoeg; anders was me de verdeling van deze roman in twee delen meteen duidelijk geweest, alsmede de omslag in de gebeurtenissen in de wereld buiten de Trafik.

Want dat is prettig merkwaardig aan deze roman: die Franz is een onbeschreven blad qua wereldkennis (woonde tot zijn zeventiende onder de vleugels van mama in een dorpje), en Trsnjek doet alsof het hem allemaal weinig interesseert, en met Freud over de wereld buiten de ziel praten, ligt kennelijk ook niet voor de hand; Franz' moeder vertelt hem via haar ansichtkaarten en brieven ook al niet veel. En dat terwijl Trsnjek als eerste opdracht aan Franz geeft: lees de kranten. Lees ze allemaal, en grondig, maar na een tijdje zie je dat je kunt volstaan met één, want ze verschillen niet. Er wordt veel gelezen, maar er wordt weinig over medegedeeld. Toch is deze roman ook een soort Oostenrijkse geschiedenis (juist over een periode die nadien als niet officieel, hors concours is bestempeld).

Het geeft een bijzondere sfeer aan de roman: de beschreven gebeurtenissen betreffen vooral de persoonlijke lotgevallen van individuele mensen, landschappen en liefdes. Maar als wat van de buitenwereld doordringt, is het meteen hommeles. En nog opmerkelijker: wanneer Franz zich uiteindelijk daadwerkelijk actief bemoeit met de buitenwereld <spoiler>gemotiveerd door de arrestatie van en moord op Trsnjek, de emigratie van Freud en de affaire van zijn liefje met een nazi</spoiler> wordt dat door de almachtige, maar zich heel vaak ook nadrukkelijk op de achtergrond en van den domme houdende alwetende verteller heel afstandelijk verteld, als ware het een geciteerd relaas van een anonymus. Anderzijds weet diezelfde verteller over iedereen alles te vertellen, als dat zo uitkomt. En dat in een fantastische stijl met zowel zeer korte als ook zeer uitgebreide, langwerpige maar bijzonder toegankelijke, zwierige zinnen, bij vlagen doorspekt van een specifiek Oostenrijks vocabulaire waar het woordenboek in m'n e-lezer niet altijd raad mee weet.

Tot slot een stijlstaaltje:

Gestern hatte sich Schuschnigg mit einer großen Rede an sein Volk gewandt. In seiner Heimatstadt Innsbruck präsentierte er sich im zünftigen Tiroler Anzug und fragte seine Zuhörer, ob sie sich in der für den 13. März angekündigten Volksabstimmung für ein 'freies, deutsches, unabhängiges, soziales, christliches und vereintes Österreich' entscheiden wollten. Und während über zwanzigtausend Anhänger ihre Zustimmung in die klare Tiroler Bergluft hinausbrüllten, saß Adolf Hitler wahrscheinlich gerade irgendwo in Berlin vor dem Radio und leckte sich die Lippen. Österreich lag vor ihm wie ein dampfendes Schnitzel auf dem Teller.

Geen onvertogen woord, maar een scherp, ironisch beeld van twee onbetrouwbare figuren. Met een mooie vergelijking tot slot. Hoewel: Hitler at toch vegetarisch?

maandag 16 augustus 2021

Rachel Cusk, Contouren

Vertaald door Caroline Meijer en Lette Vos. E-boek naar de 1e druk, De Bezige Bij, Amsterdam-Antwerpen 2016 (oorspr. Outline, Faber & Faber, London 2014).

Tien romeins genummerde hoofdstukken telt dit boek, dat net zo goed een verhalenbundel genoemd zou kunnen worden als een roman, afgaand op de Nederlandse titel: in ieder hoofdstuk trekt de (bijna volledig) anonieme vertelster (Faye) met woorden de omtrek, de contour, het silhouet van steeds een ander personage, maar steeds komt ze niet tot een volledig portret. Van Dale (E-N) geeft ook een andere vertaling van outline: schets, samenvatting, synopsis, en ook die is van toepassing op deze vertelling of reeks van vertellingen. Het enkelvoud van de Engelse titel biedt een belangrijke interpretatiemogelijkheid, die minder voor de hand ligt bij het meervoud van de Nederlandse: door al de verhalen over al die anderen schetst Faye indirect een onvolledig portret van zichzelf.

Je kunt ook zeggen dat die Nederlandse titel de schroomvallige vertelster nog beter in de anonimiteit houdt. Bij verder zoeken bleek me dat de Dikke Van Dale (N-N) 'contour' wel als lemma heeft en de betekenis 'omtrek, omtreklijn' geeft, maar geen gebruiksvoorbeeld ervan; wel een met 'de contouren'. Dus wellicht is de Nederlandse titel in de omgangstaal net zo rijk als de oorspronkelijke.

De rol van de vertelster is dubbelzinnig. Ze is narratologisch bezien de hoogste vertelinstantie, ze is in de verhaalwereld een schrijfster, en vertelt over haar reis – zonder ex en zonder kinderen – naar Athene, waar ze een schrijfcursus geeft en in aanraking komt met tal van mensen, ook in het vliegtuig al. Het is niet zo dat ze als een late Hildebrand in een nieuwe Camera Obscura vertelt wat haar overkwam; ze geeft slechts weer wat al die anderen aan haar vertellen over hun wederwaardigheden. Als ze indirect weergeeft wat een ander haar vertelt, dus zonder letterlijk te citeren, wekt dat op mij vaak de indruk of het niet in de indirecte rede is, maar in de zo geheten erlebte Rede. Dat zorgt ervoor dat Faye zelf nauwelijks in de kijker lijkt te komen. Dit eens te meer wanneer de ander op zijn of haar beurt weer vertelt wat haar of hem door weer een andere ander werd verteld. En dan is er, als een soort tegenbeweging, de overeenkomst die er te zien lijkt tussen de vertelster Faye met de schrijfster Cusk.

Het is precies deze structurele gelaagdheid van de vertelling, het steeds maar weer vertellen en weergeven van wat verteld is of zelfs van wat er verteld is dat er verteld is, en de onvolledigheid van al de portretten, plus de grote hoeveelheid van ingebedde vertellers en vertellingen waardoor het boek – klaarblijkelijk niet opgezet als vakantielectuur – me al snel behoorlijk begon te vervelen, mede doordat de personages niet uit de verf komen, schimmig en tijdelijk blijven, van geen belang lijken te zijn, geen van alle tot leven komen, laat staan interessant worden, ogenschijnlijk ook niet voor de vertelster.

Dat was een forse teleurstelling na de recente leeservaring van Second Place. Ook de hyperbolerige stijl droeg niet bij aan m'n vakantieleesvreugde. Het boek bevat genoeg materiaal voor dertien dozijn eindwerkstukken over het hele skala van intensiveerders die er sinds de jaren dertig van de vorige eeuw zijn onderscheiden door internationale taalbeheersers uit diverse stromingen.

Men raakt in dit boek niet ontroerd door herinneringen maar werd overmand door emotie; iets duurt niet een jaar, maar een jaar lang; men vergat niet iets, maar men wist niet meer precies; iets gebeurt niet 's avonds, maar het was tegen de avond geweest; en de vlammen kon je niet in Athene zien, maar in heel Athene; beelden gaan niet de wereld over, maar worden over de hele wereld herhaald; iets is niet een middel, maar zelfs een noodzakelijk middel; ruïnes zijn verlaten ruïnes; iemand voelt geen schaamte, maar niets dan schaamte, en dat niet zomaar, maar zo erg dat hij zowaar [...]; en tot slot van deze bloemlezing uit slechts twee kleine e-boekbladzijtjes is iemand niet verlegen, maar zo extreem verlegen en teruggetrokken dat zijn moeder besloot hem op dansles te doen, zodat hij wat meer zelfvertrouwen zou krijgen. Ik vergeet bijna nog te zeggen dat diezelfde jongen op de volgende bladzijde [n]iet alleen [...] te dik en onzeker [blijkt te zijn], hij was ook zo mensenschuw dat hij om onverklaarbare reden altijd onderuitging; nog een paginaatje verder staat er: En dus ging hij regelmatig onderuit, en hard ook, en spartelde dan vernederd tussen de wervelende voeten van de andere kinderen, als een aangespoelde walvis.

Daar komt bij dat de formulering zoals ik/ze/hij al zei maar liefst elf maal voorkomt en het bloedeloze een of andere 21 maal.

Gek genoeg heb ik het boek wel volledig ten einde toe uitgelezen.

woensdag 4 augustus 2021

Rachel Cusk, Second Place

Faber & Faber 2021. Paperback, gebrocheerd, 207 blz.

Nooit nog had ik een roman van Cusk gelezen. Maar nu wel. En het is een goede. Interessant en aangenaam. Wat niet voor de hand ligt, want dit boek is een monoloog, en je moet van goeden huize komen wil je mij aan een monoloog geboeid houden. QED.

Dat onderhoudende heeft vast te maken met de afwisseling tussen het relaas van de gebeurtenissen en de reflectie op diezelfde (en andere) gebeurtenissen, en met het gegeven dat de roman in medias res begint en de vertelster wel de moeite neemt om tussendoor de voorgeschiedenis uit de doeken te doen. En dat heeft misschien wel te maken met weer een ander, een eigenlijk heel vreemd structuuraspect: heel de roman is een monoloog die wordt afgestoken tegen een bij voortduring aangesproken persoon, Jeffers geheten.

De eerste zin van de roman begint zo: 'I once told you, Jeffers, about the time I met the devil on a train leaving Paris [...].' Dat de vertelster zich ervan bewust is dat ze zich tot Jeffers richt met haar relaas, is misschien in het voordeel van de lezer: ze is ter wille van Jeffers bereid tot uitleg, tot duidelijk formuleren.

Wie Jeffers is, hoe Jeffers en de vertelster zich tot elkaar verhouden, en of Jeffers überhaupt iets terugzegt, doet er kennelijk in genen dele toe. De monoloog eindigt met deze twee zinnen: 'True art means seeking to capture the unreal. Do you think so, Jeffers?' Ook dan komt er geen reactie. Er volgt alleen nog een brief van L aan M. En M is de vertelster, L is de kunstenaar die zij uitgenodigd heeft om tijdelijk zijn intrek te nemen in het gastenverblijf op haar erf, of beter: op het afgelegen erf, ergens aan een kust, van haar en haar man Tony. Dat is natuurlijk vragen om problemen, want M was nogal onder de indruk van het werk van L, ooit. Da's mooie stof voor een verhaal, eens te meer wanneer L uiteindelijk, na wat ge-ja en ge-nee, toch komt, en/maar dan een jonge vrouw meeneemt, Brett. Daar had M niet mee gerekend.

'One of the difficulties, Jeffers,' zo begint het derde (niet genummerde of betitelde) hoofdstuk, 'in telling what happened is that the telling comes after the fact.' Jeffers is als een spiegel voor de vertellende M, en is  mogelijk tevens de verpersoonlijking van de lezer. Daarmee stijgt de graad van complexiteit van deze roman, die toch al niet gering is, afgaande op een notie achterin het boek. Daar verklapt Cusk dat de roman is gebaseerd op Lorenzo in Taos, 'Mabel Dodge Luhan's 1932 memoir of the time D.H. Lawrence came to stay with her in Taos, New Mexico.'

Leve de digitalisering (Archives.org, in dit geval): het voorwoord van Lorenzo in Taos is een brief van Mabel Dodge Luhan aan de dichter Robinson Jeffers; en het eerste onderdeel van het boek begint aldus: 'You know, Jeffers, after I met you, I felt that you and Lawrence ought to know each other [...].' Daarmee blijken de aanduidingen M en L niet geheel willekeurig te zijn. Lorenzo in Taos is opgedragen aan onder anderen Tony, de echtgenoot van Luhan; en zo heet ook de (tweede) echtgenoot van M.

Dit klinkt een beetje als opzichtige, academische roman-dikdoenerij, iets in de orde van 'hoe gelaagder, hoe geslaagder'. En het gegeven dat dat M, net als Cusk, schrijfster is, doet daar nog eens een schepje bovenop, net zoals het gegeven dat veel van de gesprekken in de roman gaan over kunst en de waarde of betekenis van kunst, terwijl de roman zelf daar evident ook over gaat. Daarnaast gaat die over liefde, autonomie, er-zijn en zelf-zijn. Maar er zit ook zo veel 'omgeving' in de roman en zo veel ontvouwing van persoonlijke geschiedenissen dat het geheel een grote indruk van concreetheid en authenticiteit wekt. Maar het is geen plat realisme. In tegendeel: de roman handelt (mede) over de eigenschap van kunst om dat wat (er) niet is, naar voren te halen, te presenteren; de titel is niet voor niet voor meer dan een uitleg vatbaar. Het is een onderwerp dat C.O. Jellema in zijn werk ook probeerde te vangen en waarvoor hij het begrip 'tweede werkelijkheid' gemunt heeft, bijvoorbeeld in zijn debuut Klein gloria (1961): 'Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid, / dat is de buigzame herinnering; / beleven is te snel zelfs voor verwondering: / een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort...'

Ach, laat ik ter aanvulling eens een flaptekst citeren: 'Second Place is a fable of female fate and male privilege, and a story of unfathomable attractions. Modern and timeless, it reminds us of art's seduction and elemental power – to both save and destroy.'

Het boek staat inmiddels op de longlist van de Booker Prize.

Julie Zeh, Corpus Delicti

Ein Prozess. (2009) 24. Auflage btb 2010. Taschenbuch, 264 blz. 

Het is wel raar om een dystopische, futuristische, politieke ideeënroman te lezen die al meer dan tien jaar geleden is geschreven en een verhaal vertelt over een toekomst die inmiddels nog maar ongeveer dertig jaar van ons verwijderd is (in plaats van veertig) terwijl we al in een situatie zitten die volgens sommigen angstaanjagend veel gelijkenis vertoont met dat onzalige fictionele uitzicht.

Deze roman speelt zich af in een totalitaire staat die gebaseerd is op het boek Gesundheit als Prinzip staatlicher Legitimation van de journalist Heinrich Kramer. Iedereen, zo is de staatsrechtelijke link, wil van nature gezond zijn, dus is het niet gek een staat zo in te richten dat ieders gezondheid er zo wel mogelijk bij vaart. Wel vervelend dat die gezondheid geheel fysisch wordt gedefinieerd, maar dit ter zijde.

Het niet met name genoemde land waar het verhaal zich afspeelt en dat in het begin kort maar krachtig als irreëel maar mogelijk wordt neergezet, kent een rigoreus doordacht en spijkerhard gehandhaafd totalitair regime, dat aangeduid wordt als de METHODE. Het is, door de taal waarin het boek is geschreven en op basis van een beetje historisch besef niet moeilijk om aan Duitsland te denken, zij het heel Duitsland in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw, zij het vooral Oost-Duitsland dat daarna ontstond. Het is ook niet moeilijk om te denken aan George Orwells 1984 en z'n Big Brother. Er zijn veel meer associaties mogelijk, maar die betreffen dan romans die ik niet gelezen heb. Bint van Bordewijk ligt iets minder voor de hand omdat at alleen maar over het schoolsysteem gaat, niet over de gehele maatschappij; maar afgezien daarvan zijn ook daaarvan de overeenkomsten met het genre in z'n algemeenheid treffend.

Anders dan in het geval van Bint en 1984 is zowel de auteur als ook de hoofdpersoon van Corpus Delicti een vrouw. De heldin, biologe Mia Holl, aanvankelijke onderhorige aan en volgelinge van de METHODE, brengt het hele stelsel ogenschijnlijk aan het wankelen. Opmerkelijk is dat al haar tegenspelers mannen zijn, afgezien van een van de rechters die zij tegenover zich vindt, maar deze Sophie kan Mia uiteindelijk niet aan en wordt vervangen (door een zestigjarige mannelijke collega). Opmerkelijk is ook dat deze Sophie alleen bij haar voornaam genoemd wordt, anders dan de andere gerechtsdienaren. Niet alleen heeft Mia alleen mannen tegenover zich, ook haar voorbeeld en motivatie om zich af uiteindelijk volledig te wenden van de METHODE, is een man, haar jongere, romantisch geïnspireerde broer Moritz, een eigenzinnige vrijdenker, zozeer dat hij zich ook niet wil verbinden met de in principe congeniale revolutionair-activistische beweging R.a.K. (Recht auf Krankheit).

De roman begint (en eindigt) met de rechtszaak die is aangespannen tegen Mia, dus nadat alles al gebeurd is. Mia's misdrijf heet 'Vernachlässigung der Meldepflichten' en bestaat uit de volgende misdragingen:

Schlafbericht und Ernährungsbericht wurden im laufenden Monat nicht eingereicht. Plötzlicher Einbruch im sportlichen Leistungsprofil. Häusliche Blutdruckmessung und Urintest nicht durchgeführt.

In gewoon Nederlands: ze was totaal van slag doordat haar valselijk van verkrachting en moord beschuldigde broer in de gevangenis zelfmoord heeft gepleegd. Dit persoonlijke lotgeval maakt deze ideeënroman uiterst warmbloedig, nog afgezien van het ferme karakter van Mia, de ondoorgrondelijke menselijkheid van staatsideoloog Kramer, met wie Mia op bijzondere wijze in verbinding raakt en met wie ze interessante discussies voert. En ook de schaamteloos auctoriale vertelinstantie en de messcherpe stijl van Zeh dragen de hoge kwaliteit van deze roman.

Het is een zeer rijke geschiedenis met vele verwikkelingen en ook veel humor en drama, maar het ernstigste punt is wel dat alles enerzijds evident fictioneel is en anderzijds ongekend veel raakpunten heeft met de of zelfs onze, huidige samenleving en de conflicten die daarin spelen. De coronamaatregelen lijken wel uitgevonden voor de maatschappelijke toetsing van deze roman. Meer in het bijzonder het probleem van de vaccinatie die net nog niet verplicht is, sluit aan bij wat in de roman is uitvergroot tot een staatsideologie. Kortom: het probleem van individuele vrijheid en algemeen belang, daar komt het op neer. Maar deze casus is veel interessanter dan alleen maar dat probleem. Dat heeft alles te maken met de vaardigheid en creativiteit waarmee Zeh deze roman heeft opgezet en uitgewerkt.

dinsdag 8 juni 2021

Eringestonken?

Nou denk ik toch echt dat ik per ongeluk een keer een middlebrow-boek gelezen heb. De Nederlandse vertaling van deze Duitse roman uit 2019, geschreven door een mij onbekende auteur, is in 2020 uitgegeven door Uitgeverij Nieuw Amsterdam, misschien niet een top-literaire uitgeverij, maar toch ook weer niet een underbrow veldspeler, dacht ik. Dacht ik. Had ik gedacht. Ook de Nederlandse vertaling van Shuggie Bain, winnaar van de Booker Prize 2020, geeft ze immers uit.*

Voor de zoveelste keer een gevalletje: ergens in een krant, een tijdschrift, of een website struikelde ik over deze roman, en dacht: 'Lijkt me aardig...', oh nee: het was analoog, namelijk een aanrader op een karton in de etalage van de Utrechtse boekhandel waar ik besloten had mijn boekenweekbudget te besteden, om dan tevens het geschenk van Bervoets te incasseren. Ik vertrouw die boekhandel, in alle opzichten, en nog steeds, en daardoor was misschien mijn natuurlijke oplettendheid iets te zeer in de watten gelegd.

Zeker in het begin beviel me het boek zeer goed: ingetogen van verhaal, gesitueerd in een niet met name genoemde, landelijke omgeving, een frisse opening in medias res, een ferm personaal perspectief – onder redactie van een niet te opdringerige auctoriale vertelinstantie –, twee elkaar afwisselende, zich steeds verder ontplooiende personages, helder van taal, afgaand op de naar alle waarschijnlijkheid goede vertaling.**

Maar gaandeweg ging de explicietheid van veel verklaringen me tegenstaan, en ook het  moedwillige verborgen blijven van de heftige traumatische levenservaring van beide heldinnen, net als de al te evidente verknochtheid van de interactie tussen beiden aan een stel natuurlijke, biologische, aardse processen, om nog te zwijgen van de overdadigheid van de landelijke situering, die een en ander steeds meer naar een streekroman leek te doen tenderen, de roestige tractor inbegrepen, en het oogsten en het stoken. Een waas van een altmodische vlaschaard kroop erover, maar dan met een onvermijdelijk blij einde, ondanks alle 'moderne' tragische, maar gretig uitgevente ellende van geweld binnen het huwelijk, poging tot moord, gevangenisstraf, zelfmoorddreiging, voortijdige schoolverlating, anorexia en automutilatie.

Toen ik het boek uit had en vervolgens de auteur in een videoclip een stukje had horen en zien voorlezen in de weelderige achtertuin van zijn woonst, was de boot met mijn eindoordeel aan. Dat clipje bekeek ik omdat er simplistisch googlend geen (echte) recensies te vinden waren; je moet wat.

De auteur refereerde in het filmpje, dat kennelijk speciaal voor de Nederlandse markt opgenomen was, aan zowel de oorspronkelijke als de vertaalde titel van de roman: Alte Sorten respectievelijk De smaak van wilde peren. Ik geloof niet dat ik naast de talloze perensoorten die in de roman de revue passeren ook maar een enkele wilde peer ben tegengekomen; het gaat in die ene perentuin van de Esperens heerenpeer naar de Alexander Lucas via Boscs flessenperen naar de Maguerite Marillat, om maar wat te noemen, allemaal bijzondere, zeer oude, gekweekte peren. Geen wilde peer te bekennen. Tenzij het de twee heldinnen zouden zijn, die zich – niet zonder veel leed – uiteindelijk weten te onttrekken aan de jarenlange dwingende en vrijheidsbeperkende dominantie van echtgenoot, ouders, gevangenis en psychiatrische kliniek. Ze kunnen er maar moeilijk iets aan doen dat zij zelf ook tot de Alte Sorten behoren. Maar nee, daarmee zijn ze nog geen wilde peren.***


*Stik, nu deed ik het zelf: overstappen van een enkelvoudig onderwerp (uitgeverij) naar een meervoudsvorm ('geven ze uit') terwijl het onderwerp hetzelfde blijft. Volgens Van Dale is 'uitgeverij' vrouwelijk, dus kan ik er gerust naar verwijzen met 'ze', maar dan moet de persoonsvorm wel in het enkelvoud.

** Sallys jeugdige grofgebektheid, bijvoorbeeld, wordt overal olijk weergegeven met smeuïge, oer-Nederlandse krachttermen als 'lulverhaal', veel ge-'kut' en 'godsamme', achter welk laatste woord een origineel Scheisse schuilgaat. Op slechts een moment kreeg ik door dat ik een vertaling aan het lezen was. Ergens staat dat  Sally een bakkerij verlaat met wat verse krakelingen in een broodzak; en als ze er een opeet, is de korst knapperig en de binnenkant nog lekker warm. Dat correleerde niet met mijn krakeling-beeld... ik denk dat er in de geno-tekst sprake is van Brezel. Volgens Van Dale is een Nederlandse krakeling een 'bros koek­je, in de vorm van een 8, dat on­der het eten kraakt' (en dus niet iets wat je in een broodzak vervoert), terwijl de tweede betekenis ('ron­de koek of koek­brood in de vorm van een 8') nu 'niet algemeen' is. Gek genoeg is het uit het Engels afkomstige woord pretzel in dit Nederlandse woordenboek opgenomen, met de betekenis: 'zoute krakeling'.

*** Vreemd soort perenlied (blijkt pas op het eind)

zaterdag 5 juni 2021

Robbert Welagen, Raam, sleutel

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2021. Gelijmde hardcover met stofomslag, 208 bladzijden.

In deze roman vertelt Karlijn Spichter, schrijfster van de roman Jaarringen, over haar leven vanaf het moment dat er iets ingrijpends plaatsvond, op de dag dat ze haar eerste interview heeft naar aanleiding van het verschijnen van die roman. Wanneer ze er, maanden later, voor de tweede maal over geïnterviewd wordt, krijgt ze de vraag voorgelegd waar de roman over handelt. Als ze haar onvoorbereide antwoord begint te formuleren, merkt ze dat ze de flaptekst navertelt en, zo vertelt ze aan de lezer, 'dat was natuurlijk niet waar het verhaal in essentie over ging.' (p. 202)

De achterflaptekst van Raam, sleutel is deze:

Uit hoeveel levens bestaat een mensenleven? Het leven van schrijfster Karlijn komt plotseling tot stilstand wanneer ze op één dag Hanna ontmoet, een vrouw voor wie ze direct gevoelens krijgt, maar ook haar vriend verliest bij een ongeluk. Wie vind je terug als je de dag erna wakker wordt, jezelf of een ander? 

Karlijns omgeving verwacht dat ze rouwt, maar dat lukt haar niet. Haar uitgever hoopt dat ze haar verhaal vertelt, maar ze zwijgt. Wanneer ze Hanna steeds meer gaat zien als een medeplichtige, wordt het tijd om hun verhaal te herschrijven. 

Raam, sleutel is een intrigerend literair spel, over aantrekkingskracht en schuldgevoel, over rouw, leven en literatuur.

De kunst van zo'n opwarmertje is natuurlijk dat het de lezer prikkelt, maar dat daarmee niet meteen de sjeu van het hele verhaal wordt opgedist. En hier wordt inderdaad niet de essentie van Welagens roman weergegeven. De laatste zin en alinea lijkt sowieso meer promopraat dan ware boekinformatie.

Onder de flaptekst staat nog een ander standaard-onderdeel van de romanachterkant, de blurb.  Allereerst is het volgende citaat uit de Knack getild:

Robbert Welagen is een van de grootste Nederlandse stilisten.

Ik gun Welagen van alles op het gebied van lof, maar ik schoot hierbij in twijfel over wat eigenlijk een stilist is, groot of klein. Niet: een stylist, dat is een vormgever of modeontwerper, maar: een stilist, waar Van Dale meer dan een betekenis van noemt, waarvan de derde en de vierde in deze context afvallen (namelijk 'iem. die in een de­tail­han­del ad­vie­zen geeft over de sa­men­stel­ling van het as­sor­ti­ment, de vorm­ge­ving van de ar­ti­ke­len, de wij­ze van eta­le­ren e.d.', respectievelijk: 'ont­wer­per, vorm­ge­ver, bv. van huis­raad, kle­ding e.d.', wat me meer een aanduiding lijkt van: een stylist). Blijven over: 1. 'schrij­ver be­schouwd naar zijn stijl' (vrouw sti­lis­te) en 2. 'preg­nant iem., m.n. kun­ste­naar of spor­ter, met een mooie stijl' (vrouw – ook in dit geval – sti­lis­te).

Nou vind ik het moeilijk om de generalisering te accepteren die de tweede betekenis impliceert, want het antwoord op de vraag of Welagen een van de Nederlandse schrijvers is met de mooiste stijl, lijkt me een zaak van individuele smaak en voor discussie vatbaar, terwijl men over smaak juist beter niet kan twisten. Maar de eerste betekenis is ook moeilijk te verwerken: Welagen zou dan, naar zijn stijl beschouwd, een van de grootste Nederlandse schrijvers zijn. Een groot schrijver heeft, denk ik, doorgaans een groter, omvangrijker en gevarieerder oeuvre op zijn naam staan, dat bovendien door een groter publiek wordt gelezen en hoger gewaardeerd wordt. Hier ligt evenwel nog wat materie op een onderzoekje te wachten.*

Dat het niet makkelijk is om Welagens stijl anders te typeren dan met behulp van grootspraak op basis van weinig fundament, blijkt ook uit de tweede quote die op het achterplat is gekwakt, een citaat uit de Volkstrant: 'Een verteller die schrijft als een schilder.' Zeker zo zonder verdere context is dit citaat een wonderschoon en loepzuiver voorbeeld van wat Graig Pool in haar gelijknamige boek noemt: Faint Praise. Het zou je maar gezegd worden. Wat een goede schrijver, hij schrijft als een schilder! Vergelijk: mijn bakker is de beste, hij bakt als een slager. Voorts: mijn kapper knipt als een tuinman.

Maar we moeten proberen te begrijpen wat er bedoeld wordt. Dat geschilder is een klassieke metafoor voor het schrijven, vreemd genoeg, als je er eens lekker bij stil gaat staan. Van Dale geeft s.v. 'schilderachtig' betekenissen en voorbeelden die deze constatering ondersteunen: dat woord betekent namelijk: een le­ven­dig of bont beeld ge­vend / = beel­dend (2)sug­ges­tief / • een schil­der­ach­ti­ge be­schrij­ving [!] /• schil­der­ach­ti­ge taal, ter­men [!]'. Mogelijk een linguïstisch en lexicografisch naijlen van het klassieke Ut pictura poesis. Ik ben nieuwsgierig of het omgekeerde ook voorkomt, in de kunstgeschiedenis bijvoorbeeld: Rembrandt schilderde zijn Nachtwacht als een romanschrijver. 

Ik zou zelf de stijl van Welagen in deze roman (en ook in zijn andere werken waar ik er enkele van las) niet snel als groot of mooi typeren, laat staan als schilderachtig (waarbij ik me iets suggestief-gedetailleerds voorstel, kleurrijk, ogenschijnlijk uit de losse pols genoteerd, pasteus en toch fel-realistisch lijkend; van het type Rembrandt, Hals, Kees Verwey; maar dat is allemaal ver verwijderd van Mondriaan, Toorop, Appel, Dumas, toch ook allen schilders van naam en faam). De stijl van Welagen lijkt me eerder droog, uitgebeend, strak, van versierselen vrij, kortom: onopvallend.

Treffend is dat op het voorplat van Raam, sleutel een detail is afgebeeld van Night Windows, een schilderij uit 1928 van Edward Hopper. Wel realistisch, maar niet fel, vrij van detaillistisch gefrunnik, droog, en geheel zonder drama (het drama zit erachter, ligt eronder, maar niet in de daadwerkelijk afgebeelde situatie zelf). Wat Welagen doet, is aandachtig aanduiden. Zoals Hopper. Wat dat betreft is zijn stijl dus toch schilderachtig te noemen, beter, specifieker: Hopperachtig.

Onderdeel van het verhaalde is dat genoemde Karlijn – zoals dat wel omzwachteld wordt genoemd – gevoelens opvat voor de journaliste die haar interviewt. En die gevoelens zijn of lijken wederzijds. Opmerkelijk is dat, voor zover ik na kan gaan, Robbert Welagen niet het verwijt heeft gekregen zich als mannelijke schrijver uit te laten over de liefde tussen twee vrouwen, zoals de grote schilderachtige A.F. Th. naar aanleiding van diens Stemvorken. Of, opmerkelijk is het eigenlijk niet: Welagen heeft zich niet hilarisch onsterfelijk gemaakt met absurde, hoogst eigendunkelijke uitspraken over zijn zelfbenoemde fenomenale inzicht in het wezen en zijn van de vrouw en haar liefde.** Ook in dat opzicht is Welagens stijl weinig opvallend, veel minder opvallend in ieder geval dan die van de bomberende Geldropse breedlever. Welagen zit meer op het spoor van de mij tot voor een paar dagen geheel onbekende Ewald Arenz en diens De smaak van wilde peren (2020, vert. door Marcel Misset van Alte Sorten uit 2019).

* Van Welagen las ik niet erg veel; en ik volgde zijn oeuvre en reputatie niet tot voor kort. Van Het verdwijnen van Robbert (2013) was ik niet diep onder de indruk; het boek is nochtans best uitbundig gelauwerd. Ook Antoinette (2019) kon me niet meeslepen. Te veel gepeuter op de vierkante millimeter, te weinig handeling, te intra-literair, te vlak van stijl, om het bondig aan te duiden. Op aanraden van een Utrechtse, onafhankelijke boekverkoopster, die ik als een scholier om advies vroeg na een paar teleurstellende leespogingen op rij, kocht ik toch Raam, sleutel. Gelukkig maar. Ik zie het als een betere uitvoering van de thematiek die ook in dat andere werk zichtbaar is. Het verschil zit 'm denk ik in de aanwezigheid van niet slechts een enkel, maar van drie personages, die met elkaar in interactie gaan. Daardoor verdwijnt het navelstaarderige aspect op de achtergrond en wint de wens van Karlijn om te verdwijnen, of om in ieder geval de sporen van haar verleden te wissen, ook in het leven van anderen, aan overtuigingskracht. Haar gedoe met de gum in eigen en andermens' boeken is een heel intrigerend verhaal van negatie van de essentie van de whodunit.

** Ik las, na een formidabele stapel van zijn eerdere werken, Stemvorken nog niet, alleen een interview met de schrijver ervan en wat golven van commotie, en kan dus niks over deze roman zeggen; het interview heeft ervoor gezorgd dat het daar waarschijnlijk niet meer van gaat komen. Een goede bespreking van de roman van A.F..Th., met Welagen alleen als vergelijkingsmateriaal, biedt Weijts in De groene; een interessante dubbelbespreking van beide romans door Van Houwelingen staat in de Volkskrant. Ook dit is fijn materiaal voor een paar leuke werkstukken.