Eerder las ik al deel twee van het drieluik Biographie einer Frau; dat tweede deel was hier in het nieuws wegens de verschijning van de Nederlandse vertaling ervan. Dit eerste deel is, gek genoeg, nog niet vertaald; zo ga je toch niet met drieluiken om?
Inmiddels ben ik op pagina 66, en ik lees er met plezier en aandacht in, wat bepaald niet goed lijkt aan te sluiten bij mijn eerdere ervaring met het lezen van het tweede deel. Ik wist ook niet meer dat ik niet de vertaling maar een Duitse e-uitgave had gelezen, of: had proberen te lezen.
Het begin van mijn lezen van dit eerste deel viel ongeveer samen met het verschijnen van Conny Palmens laatste, althans jongste, roman, die met die domme whiskytitel; ik las alleen een interview met Palmen in de Volkskrant en wist meteen dat ik haar naar eigen zeggen door uiterst noeste denkkracht uit haar superieure hersenen geperste nieuwe roman niet zou gaan lezen: te veel en te egomaan gezever over haar enig-eigenste diepste leven en hoogpolige schrijven op haar enig-allerhoogste extremistisch, absolutistisch denkniveau.
Het werk van Schoch, voor zover ik het ken (en dat is dus nog niet ver) lijkt maar een heel klein beetje op dat van Palmen (al kan natuurlijk niemand, in welk taalgebied dan ook, daar werkelijk aan tippen) omdat het leven van de auteur zelf er nadrukkelijk in centraal staat, samen met haar schrijven over dat leven. Zo nauw hangen leven en schrijven samen dat ik tegen Palmen zou willen roepen: keer je af van je eeuwige zelf en verzin eens iets dat op een echt verhaal lijkt!
Maar Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’
Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:
Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.
(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.
De overpeinzingen van de vertelster zijn beschouwingen van, reflecties op het eigen leven en de eigen herinnering eraan; soms gaat het zelfs richting her-herinnering omdat ze erachter komt hoe vertekend haar herinneringen zijn door gebrek aan de juiste kennis ten tijde van de herinnerde ervaringen. Het gaat dus ook (weer) over de bewustwording van de on-onbedorvenheid van herinneringen. Ik had hier bijna achteraan getikt: en herinneringen zijn bestanddelen van de menselijke identiteit. Dat deed ik niet, omdat een aantrekkelijk aspect van Das Vorkommnis ook is dat Schoch, anders dan Palmen, op basis van het particuliere niet generaliseert naar het algemene; haar vertelling blijft singulier, blijft persoonlijk. Alleen doordat haar verhaal herkenbaar is, kan een lezer erdoor bevangen worden en ruimere conclusies trekken. Denk ik.
De ik-vertelster gaat, met haar moeder, onder meer proberen te achterhalen wie toch de vrouw in Amiens was die door de grootvader van de vertelster in de Tweede Wereldoorlog bezwangerd werd; dat heeft ermee te maken dat de moeder van de vertelster een soort omgekeerd leven leidt: nu alles achter de rug is, breekt voor haar pas de vrijheid van de jeugd aan; daarvoor was ze alleen maar dienstbaar, en mogelijk onbekend met het gegeven dat haar (latere) echtgenoot al een kind had verwekt bij een andere vrouw.
Nu ik hier toch een soort resumé probeer te geven, klinkt het verhaal een beetje armetierig, om niet te zeggen: larmoyant. Maar dat is deze roman juist niet; waarschijnlijk omdat het accent steeds net op tijd weer komt te liggen op het welbewuste reconstrueren van het verleden dat misschien het eigenlijke onderwerp van de roman is, maar zónder dat die daardoor een halfbakken remake lijkt van zo’n over de top geconstrueerde, Nieuwe Revisor-achtige roman uit onze jaren tachtig van de vorige eeuw. Een ander hoofdthema is de onbetrouwbaarheid van de herinnering, en ook van die van de waarneming, of: de problematiek van de (gewenste) on-vooringenomenheid van de waarneming en de herinnering.
De hoofdstukken zijn niet te lang (72 stuks op 191 pagina’s), wat het makkelijk maakt steeds korte stukken te lezen; aangenaam, want het zijn niet de grootse en meeslepende avonturen die de lezer gijzelen, wel de spitsvondige overpeinzingen naar aanleiding van (kleine) voorvallen die deze lezer boeien.
Wat in het bovenstaande niet naar voren komt, is wat in de roman evenmin sterk op de voorgrond staat maar daarachter wel een soort bestendige aanwezigheid is: het gegeven dat de jeugd van de ik-figuur zich afspeelde in het voormalige Oost-Duitsland, de DDR, en dat zij de val van de muur meegemaakt heeft, een voorval met vergaande gevolgen, verder gaande gevolgen dan op het eerste gezicht duidelijk is.
P.S.
Langs nu even niet nader te doorgronden wegen dringt zich iets van de poëzie van C.O. Jellema op in mijn aandacht:
Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.
‘Van dingen spreek ik ...’, in: Verzameld werk. Gedichten. Bezorgd door G. Wynia. Querido, Amsterdam 2005, p. 24 (oorspr. in de debuutbundel Klein gloria uit 1961).










