Vijf genummerde en van titels voorziene onderdelen, waarvan de tweede uit negen hoofdstukken bestaat, de derde uit vijf en de vijfde uit acht; het eerste en vierde deel zijn niet verder onderverdeeld, ervan afgezien dat het vierde bestaat uit talloze korte stukken met allerlei verschillende figuren in de hoofdrol.
Als ik een bericht met zo’n inventarisatie begin, is er vaak iets mis met de hechting tussen de roman en mij. Dat klopt ook nu weer. Ik noteer dit op met moment dat ik 78% van het boek gelezen heb, en mijn waardering wappert alle kanten op. Net zoals het verhaal in deze roman, zou ik erbij kunnen zetten; terwijl precies daaruit, volgens de meeste recensies die ik later las, het tomeloze vertel- of schrijfplezier van de auter blijkt. Het contrast met mijn leesplezier kan betekenen dat Joost de Vries een auteur is die niet schrijft binnen de begrenzingen van wat ik graag lees.
In eerste instantie struikelde ik over de eerste zin van het eerste deel:
Lang geleden.
Niet een openingszet die de lezer mij onverbiddellijk bij de kladden grijpt. Daar is wel wat meer narratieve kracht voor nodig. Of is het de bedoeling dat ik er een frons door in mijn voorhoofd trek, de bril iets omhoog over de neus schuif, dezelde e-lezervrije hand daarna ergens interessant onder of tegen het hoofd aan plaats en langzaam knikkend mijmer: ‘Kijk nou toch eens aan: een zinspeling op de klassieke opening van het sprookjesgenre; en dat in een boek van een evident in de werkelijkheid geïnteresseerde auteur-voor-volwassenen als Joost de Vries. Tut tut tut.’
Een tweede zin moet mij in dit geval dus over de streep van weerspannigheid en ongeloof trekken. Maar:
Het eerste decennium van de vorige eeuw.
Lekker gaat dat, maar niet heus: twee zinnen, en nog niet één volledig; waar gaat dat eindigen? Mag dat nog schrijven heten? Of is het noteren, een kladje van de auteur? En is dit dan een tweede stap in de autofictionele postmoderniteit waarvan ik dacht dat we die inmiddels achter de rug hadden? Daarbij: ik maak als lezer zelf wel uit wanneer iets lang geleden is. Jurasic Park ligt hier bij mij direct om de hoek. Ik struikel hier dagelijks over de stuwwallen en eindmorene rotsen. Nou jij weer, De Vries.
Laat ik meteen bekennen dat mij, nu ik dit noteer (er is wat tijd verstreken na het vorige ‘nu’), niet meer voor de geest staat waar het eerste deel precies over gaat. Ik geloof dat er veel uiteenlopends aan de orde komt bij het beschrijven van de jeugd van Willem James Welmoed. Locaties en sfeer worden vooral geschetst met enumeraties van couleur locale-elementen maar niet als onderdelen van de locatie die betrokken zijn bij de handelingen van de hoofdfiguur. De vertelling van het gebeuren valt daardoor vaak stil, terwijl vertelvaart en verhaal-Schwung gesuggereerd worden door onder andere de van het verhaal zelf losgezongen positie van de hyper-auctoriale vertelinstantie die niet terugschrikt voor een anachronisme meer of minder en begaafd omgaat met personale sprongen in de vertelling vol intellectuele, welbespraakte ironie zonder aanzien des personages. Een en ander geldt niet alleen voor het eerste deel (ik lees stilletjes verder).
Het begin van het tweede deel raakte me ook niet midscheeps. De eerste zin is tevens de eerste alinea :
Als je de volwassen Welmoed zou moeten beschrijven is ‘solitair’ een woord dat zich aandient.
Opnieuw word ik, tegen mijn zin, neergeduwd in een op een wat knutselig nagemaakte postmoderne leesstoel. Ik zou hier liever zien dat er een (schrijvende, of op het schrijven reflecterende) ik-figuur het woord voerde. Die zou immers in staat zijn een zinnige uitspraak te doen over wat er zich bij hem of haar zelf aandient bij het vernemen van de genoemde schrijfopdracht. Een ander kan dat niet met betrekking tot de geestelijke opwellingen van een aangesproken derde. Los daarvan: waarom zou ik, lezer, de volwassen Welmoed moeten beschrijven? Ik zit aan de andere kant van het literaire spectrum. Welmoed is, ter onformatie, de hoofdpersoon van het eerste deel; daar is hij vijf tot tien jaar oud.
De tweede alinea van het eerste hoofdstuk van het tweede deel (behalve door alle welbespraaktheid van zijn personages wordt de stijl van De Vries ook gekenmerkt door een grote voorkeur voor niet noodzakelijk spreektalige ellipsen en oprispingen van korte adem) luidt:
‘Autonoom’ is mooier.
Deze ingewikkelde zelfreflectie van een niet-ik-verteller maakt op mij een gratuïte indruk. Dikdoenerij, zou ik het ook kunnen noemen, maar dat doe ik niet.
Dan maar verder naar het begin van de derde alinea van hoofdstuk 1 van deel 2:
En: helder maar ingetogen. Als het volkslied. Kalm op een manier waarvan jij ook kalm zou worden.
Sorry, maar wat is de bedoeling? Is ‘helder maar ingetogen’ een synoniem voor ‘autonoom’, of is het een woordgroep (het is in ieder geval geen woord) die zich aandient als je de volwassen Welmoed zou moeten beschrijven? En waarom staat er ‘maar’ tussen ‘helder’ en ‘ingetogen’? Alsof ingetogenheid eigenlijk strijdig zou zijn met helderheid.
De volwassen Welmoed (een persoonsnaam die in mij herinneringen wakkerroept aan Abraham Blankaart, ergo een roman uit 1782) is dus solitair (net als trouwens in wezen alle andere personages), maar mooier autonoom en helder maar ingetogen. En dat dan is weer zoals het volkslied. Welk volkslied, is de vraag, want Welmoeds moeder is Nederlandse, zijn vader Brit.
Deel twee doet nogal denken aan een koloniale roman van enig Couperus-allooi, maar dan een die in de 21-ste eeuw is refurbished, wat vooral wil zeggen: vol sensuele en onburgerlijke lust, gedoe met stangen en randen en society-gebabbel, doorspekt met anachronismen. Daarna wordt de roman een college novel en daar weer na een oorlogsroman en dan nog iets anders. De lossepolsachtige verteltrant doet me in de verte denken aan werk van Robert Anker, maar is zeker drie tantjes minder interessant. Een kwestie van smaak.
Ik krijg maar geen idee van de lijn die door dit werk loopt, waar de verteller heen wil, wat hij of zij vindt dat het belang is dat schuilen zou in de entourage-enumeraties, name dropping en citeerdrift, en hoe ik dat belang eruit naarboven zou kunnen halen. Tenzij het een liefdesroman is, over twee geliefden op afstand waar steeds het leven tussen gaat staan, en dat leven is wat in de titel de ‘hogere machten’ heten. Denk ik, want over wereldlijke macht en machtsstructuren die individuen belemmeren gaat de roman niet.
De vaart die er in de vertelling lijkt te zitten, verstopt zich niet zelden in nietszeggendheden als:
Die vriendin was gek genoeg zowel te mager als te vol. Ze gaf een slap handje.
Dan lees ik liever net wat sterker spul: ‘Hijzelf kreeg een bazig handje van deze Hanka, alsof ze een deurklink omlaagdrukte’ (Buwalda). Een krasse vergelijking doet wonderen.
Zonder dat ik behoefte gevoel een stokpaardje te berijden:
Op de een of andere manier beviel het huis aan Queen’s Gate Connie Welmoed niks.
Een heel lelijke zin, waarvan het suffige stoplapje van vijf woorden aan het begin geheel ontdaan wordt van betekenis door wat erop volgt, namelijk een enumeratie (De Vries’ hobby horse, in dit geval gelukkig niet afgesloten met ‘et cetera’) van expliciete elementen die ertoe bijdragen dat Connie haar huis evident en begrijpelijk maar niks vindt:
Alle kamers die licht moesten zijn waren donker, en die donker licht. Ramen zaten op de verkeerde plekken, de keuken was te groot, de woonkamer te klein. Alle meubels in mosgroen. Ze kon haar grootouders zich hier voorstellen [...].
De tijdsprongen zijn groot; er wordt ongeveer een decennium per deel verteld. Dat vereist kennelijk dat elk personage opnieuw in de verf moet worden gezet, omdat de omstandigheden veranderd zijn en het personage sader, wiser is geworden. Dat schetsen doet De Vries heel vaardig, maar het lijkt, met al die enumaraties, onvolledige zinnen, zinnen met vooral standaard hoofdzinvolgorde en nauwelijks ingebedde zinnen, een maniertje. Door een en ander steekt de roman nergens diep. Het verhaal, nee: het vertellen gaat maar verder, alsof het er allemaal niet toe doet: jeugd hier, scholing daar, weer elders studie, dan volwassenheid, oorlog, emigratie, overheidsdienst, ouderdom pom de pom de pom.
Nee, niet mijn kopje thee.






.jpg)

