Om de viering van het 400-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Groningen publieke luister bij te zetten, konden leken anno 2014 hun prangende vragen stellen aan de Groninger geleerden (die werkten volgens een vroegere slagzin aan de grenzen van het weten). De vraag van de toen zevenjarige Anco die drie jaar later de titel van het boekje is geworden, kwam bij de astrofysicus Barthel terecht. Ik vond zowel het idee van die publieke dienstverlening als de attributie van de levering van het antwoord op Amco’s vraag naar het al dan niet bestaan van God aan een sterrenkundige, zeer sympathiek. Ik trof een en ander bij toeval aan in het al even sympathieke Arnhemse boekencafé Libertas; tweedehands, dus.
Erg leuk dat ze destijds niet een theoloog deze vraag in de maag hebben gesplitst, maar een astrofysicus, weliswaar eentje die kritisch lid van de Protestantse Kerk in Nederland is (en dat niet onvermeld laat) en wiens achternaam een sterke referentie aan protestants-theologische sferen bevat, maar toch niet voor iedereen een voor de hand liggende keuze. Wat wellicht hielp, is dat Barthel wetenschapscommunicatie van groot belang acht en gewend is om met zijn kennis de boer op te gaan. En dan haalt hij, al op pagina 19, ook nog eens Wittgenstein aan: ‘Alles was sich überhaupt sagen läßt laßt sich klar sagen, und wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen.’
Barthel is inderdaad een heldere communicator. Hij schrijft zonder ruis heel begrijpelijk en subtiel over abstracte en complexe en ook gevoelige zaken. Wat ook zeer sympathiek is: hij neemt (de vraag van) Anco serieus, zonder op de wijze van opa-legt-het-wel-even-uit tot over z’n enkels door de knieën te gaan.
Het antwoord aan Anco is echter toch nog ruim 107 bladzijden te lang. Het had kunnen luiden: ‘Ja, God bestaat, als je maar iets heel anders onder ‘‘God’’ verstaat dan wat de meesten eronder verstonden en verstaan.’ Daarbij kan Barthel het helaas niet laten om stevig terug te vallen op de Bijbel, inclusief de Tien Geboden, terwijl hij tegelijkertijd aangeeft dat die Bijbel wel heel anders geïnterpreteerd moet worden dan de reguliere theologen deden en doen en, neem ik aan, zullen blijven doen.
Dat – namelijk: het zowel op de Bijbel terugvallen als diezelfde Bijbel zoals Die is, min of meer compleet afwijzen – gaat, als je het mij vraagt (maar welk verstandig mens doet dat?), niet goed lukken zonder scheuren en brokken. Een klein blikje op de eerste vier der tien geboden, zoals opgenomen in de Statenvertaling, leert immers het volgende:
Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
[1] Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
[2] Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
[3] Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.
[4] Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
Dat klinkt mij in de oren als de oerknal van een extremistisch exclusieve, enkelvoudige, persoonlijke, absolutistische gods-dogmatiek. Indachtig zijn onderliggende doelstelling (zowel de christelijke kool van de religie als de gloeiende geit van de sterrenkunde te sparen), rept Barthel met geen woord hierover, maar stelt hij wel met gemak en zonder argumenten dat iedereen het er al eeuwenlang over eens is dat we elkaar niet dood moeten slaan (zesde gebod) en zo, en dat we als mensen al heel lang in die Geest proberen te leven en dat die Geest zo’n beetje in de Bijbel en die Geboden is vastgelegd. Hij heeft het, met dank aan Carel ter Linden, over een ‘geest die wij zelf gedurende duizenden jaren met vallen en opstaan hebben ontdekt en nog steeds ontdekken’.
Barthel maalt zijn materie nog verder fijn in de hoop de consumptie ervan te bevorderen, onder meer door subtiel ‘overtuiging’ en ‘vertrouwen’ te onderscheiden als de twee betekenismogelijkheden van het Engelse ‘faith’ dat een equivalent zou zijn van het Nederlandse ‘geloof’ (dat mijns inziens wel ‘overtuiging’ maar niet zo erg ‘vertrouwen’ kan betekenen), en ‘geloof’ is een woord dat Barthel ‘bij voorkeur niet’ gebruikt (mijn curs.; IdvH). Hij spreekt ‘liever van faith, vertrouwen, of religiositeit’. Al deze schriftgeleerderij staat op pagina 81.* Er past, lijkt mij, op geen enkele wijze nog een protestantse faith-, vertrouwens- of religiositeitsbelijdenis bij deze semi-postmoderne variant van een laat- of neo-spinozistisch georiënteerde angstvallige Bijbelvasthoudendheid.
Jammer. Toch niet echt helder, deze sterrennevel.
Hoe zou het met Anco gaan?
*Wie mij niet gelooft, stuur ik, na bestrijding van mijn porto- en verpakkosten, graag het boekje toe per post.












