dinsdag 24 maart 2026

Bert Natter, Aan het einde van de oorlog (deel II)

Op de dag dat ik met mijn lectuur in de buurt van pagina 380 was gekomen, dat wil zeggen op ongeveer twee derden van de roman, raakte ik betrokken bij een verkeersongeval met, om kort te gaan, veel pijn tot gevolg; verder lezen ging daarna heel erg moeizaam. Omdat ik de papieren roman al had gekocht, in een gewone, echte, stenen boekwinkel met personeel van vlees en bloed en met hart en ziel voor het boekenvak, voelde ik me niet bezwaard om te proberen verder te ‘lezen’ door middel van de app Fluister.

Ik weet inmiddels wat er vervelend is aan audioboeken: je kunt er ontaard moeilijk in zoeken, zelfs bladeren is uitgesloten. 2/3 omzetten in 66,66 % lukte me nog wel na het ongeval en langs die weg kwam ik in de buurt van de voorleesminuut waar ik moest zijn in de luisterversie. Maar doordat de roman niet verdeeld is in hoofdstukken of andere makkelijk herkenbare onderdelen en niet opgebouwd is uit lange stukken van verhaallijnen, is het moeilijk om passages echt terug te vinden. Alle personages lopen los rond in dit boek, nou ja, op een beperkte ruimte verschijnen en verdwijnen ze nogal willekeurig en in wisselende frequenties. Wat ook niet helpt, in dit geval, is dat veel van de individuele verhaallijntjes los van elkaar, en sommige waarschijnlijk zelfs als je ze zou reconstrueren en achter elkaar door zou lezen, niet bijster interessant zijn als romanstof, als narratieve eenheden, als scènes. Ook als je het fysieke boek willekeurig openslaat, zijn er bar weinig indicaties op welk punt je de verhaalwereld binnenvalt.

Helder is vooral de lijn van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf die op zoek is naar zijn zoontje dat verdwenen is maar van wie de lezer al heel lang weet dat hij door een gevangene in het kamp is meegenomen naar de gaskamer en zelfs tegelijk met haar in de oven is gegooid; in en na haar doodsstrijd had ze het kind, welbewust, stevig omklemd. Het is de bizarre en lugubere, gruwelijke prelude van die verhaallijn.

De dood van dat op zich onschuldige joch staat waarschijnlijk ook voor wat anders, kan fungeren als spiegel van de totale ellende van de mens. Het lot van de jongen is zo erg dat je bereid bent tot het tijdelijk dempen van je haatgevoelens jegens zijn muziekminnende en voortdurend met nekschoten dreigende vader. Maar toch: ‘Goed dat de kleine Ernst mee de hel in wordt gesleept,’ dat mag je eigenlijk niet denken. De gevangene die hem meenam, deed dat ook niet zonder te twijfelen. Zo komen er ook andere onaangename gedachtes letterlijk voor in het boek. Het is niet vreemd dat de lezer die mede kan ontwikkelen. Je bent als lezer voortdurend bezig morele afwegingen te maken, ook doordat je er soms per ongeluk niet aan ontkomt geraakt te worden door de gevoelens van verdriet of ellende die zelfs deze ongehoord schofterige moffen blijken te hebben. Je gaat anderzijds ook begrijpen dat de Joodse gevangene Szymon, die als lid van het Sonderkommando van Zehlendorf de lijken uit de gaskamer de oven in moet sleuren, hoopt dat de oorlog niet ten einde komt, omdat zijn afschuwelijke taak in het kamp de enige zekerheid is die hij nog heeft, de zekerheid dat, als hij dit goed doet, anders dan die duizenden anderen in leven blijft; dat hoopt en denkt hij althans.

Het luisteren naar de roman ging weliswaar beter dan het schriftelijk lezen ervan maar ik begreep nog steeds niet hoe de resterende 200 of 250 bladzijden nog met vertelsel gevuld zouden kunnen worden. Nou ja, aan ieder voorval kan een geverseerde schrijver wel een wending geven, elk van de 31 personages kan hij tot inkeer laten komen of op andere gedachten laten brengen, enzovoorts en zo voorts en verder maar weer. Ieder voorval wordt hier op een heel letterlijk, realistisch niveau beschreven en alle gevoelens worden benoemd en expliciet gemaakt. Het lijkt bij vlagen een kasteel- of een streekroman of iets anders van lowbrowgarnituur. Van grote kneuterigheid vind ik het geneuzel van Herbert, de chauffeur van Karl, die bijvoorbeeld de motor van de DKW uitzet om benzine te sparen want er is al niet zoveel benzine meer maar dan gaan ook de lichten uit terwijl zijn baas in het donker zijn kind aan het zoeken is waarom Herbert dan dus de motor toch maar weer start zodat dan de lichten weer aan gaan want zo gaat dat bij een DKW die niet een echt chique Mercedes-nazi-wagen is omdat Karl maar een plaatsvervangend kampleider is en niet zoals...u.s.w.

Ik snap niet dat mensen dit deels larmoyante verhaal meeslepend kunnen vinden. Ik moet er inmiddels aan toevoegen dat ik niet meer in optima forma verkeer, al kan ik op mijn gemak naar de roman luisteren; er zit me wel een gezinsdoos paracetamol dwars of in ieder geval dat waarom ik die gezinsdoos verorberd heb, pijn. Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort, zelfs als het de bedoeling was dat de lengte van de roman, de duur van de vertelling, een afbeelding zou zijn van dat wat die roman wil betekenen, een afbeelding van waar het in de roman in wezen om gaat. De avonden telt toch ook maar 222 pagina’s.

Ik beëindig het luisteren voortijdig, op 20:45’34 van de totale duur van 23:41’22.
(zie toch: de verteltijd dekt de vertelde tijd)

Bert Natter, Aan het einde van de oorlog (deel I)

Roman. Thomas Rap, 6e druk. Amsterdam 2026 (1e dr. 2025). Paperback, 634 bladzijden.

Het inmiddels zesdelige oeuvre van Bert Natter volg ik sinds zijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt (2008) dat ik meer dan eens verslond. Daarna heb ik als daadwerkelijke Natter-lezer elk volgend werk van hem in de boekhandel wel ingezien en doorbladerd maar niet aangeschaft. Om allerlei uiteenlopende, niet makkelijk nader te omschrijven redenen bleef het daarbij.

Hoe gaat dat: aankondiging titel in de pers; naar de winkel om uitvoering, lezerloktekst op achterflap, eerste pagina en wat fragmenten te proeven; impressies + stemming van het moment, mede gevoed door reeds voorhanden lectuur > oordeel aanschaf ja/nee.

Sinds januari vorig jaar was ik wat betreft Aan het einde van de oorlog blijven hangen in een negatief aanschafadvies aan mezelf, al las ik er lovende recensies over. De roman bleef zo veertien maanden op de achtergrond van mijn literaire aandacht hangen totdat ik uit woede en verbijstering over de grondeloze stupiditeit van het zogeheten boekenweekgeschenk van dit jaar en om mijn geliefde Arnhemse leverancier Hijman Ongerijmd die daar ongevraagd mee opgezadeld werd, niet in de steek te laten, en ik tegelijkertijd in de peiling kreeg dat het boek van Natter tot de kortlijst van de Libris-prijs was doorgedrongen – een zoveelste blijk van (semi-)professioneel-kritische waardering – Aan het eind van de oorlog aan mezelf cadeau deed.

Toen de verkoopster bij het inpakken vroeg of ze het CPNB-geschenkje erbij zou steken, kon ik mijn bittere gevoelens jegens die bagger gelukkig bij een kenner en liefhebber van de Nederlandse literatuur goed gekanaliseerd kwijt met een hartgrondig: ‘Nee, dank je, liever niet!’, wat ook nog eens een goed gesprek aan de kassa opleverde. Ik hoop dat ze haar geschenkoverschot per CB-koerier mag retourneren en dat het de CPNB vergaat als de firma Lauwereyssen.

In de winkel was ik wederom geschrokken van de omvang van Natters jongste roman. Er staan thuis meerdere vuistdikke romans op een volledige lezing te wachten, vooral al dan niet vertaalde niet-Nederlandstalige, trouwens. Maar zelfs Otmars zonen van Peter Buwalda, een andere Libris-prijs-2026-genomineerde, ging er aanvankelijk niet moeiteloos bij mij in. Ik ben kennelijk een lezer zonder de juiste eigenschappen om literaire turven te verteren. Maar de kwalificaties achterop het boek werkten prikkelend: hypnotiserend, doordenderend, meeslepend, aangrijpende stijl. Die deden me denken aan Natters debuut (271 bladzijden).

Behalve de omvang, trok ook de brokkelige tekstopbouw van Aan het einde van de oorlog me al in de winkel, ook de tweede keer, niet sterk aan. Steeds staat in een soort kopje in vetgezette kleinkapitalen de naam van een personage vermeld, erachter een locatie, in gewone kleinkapitalen, eronder met een wijdere linkermarge een brok reguliere romantekst van enkele regels tot hooguit een bladzijde of twee, drie.*

Ondanks de geringe lengte van de onderdelen is het dikke boek er een van een lange adem want het kent geen geleding in hoofdstukken of delen. Daarbij komt dat het begint in medias res, wat betekent dat de lezer geen gelegenheid krijgt om eerst een forse teug leesadem te nemen bij aanvang van de lectuur. Deze roman is een grote quilt van fragmenten, een lappendeken met overduidelijk naaigaren die in de verte een beetje aan een toneeltekst doet denken, het scenario van een drama met maar liefst 31 (zegge: eenendertig) verschillende personages en perspectieven. En ik lees nooit toneelteksten.

De titel van de roman is op z’n minst prachtig, zowel naar de vorm als wat betreft de inhoud. Tweemaal de combi van voorzetsel, lidwoord, zelfstandig naamwoord; tweemaal een anapest met een naslag.** De aanduiding van een traag proces, niet het eind van de oorlog zelf, niet een moment, maar iets, een gebeurtenis of een drama aan of in de buurt van of tegen het einde van de langdurige oorlog; welke oorlog, dat behoeft geen uitleg (het is anno 2026 wel de vraag hoe lang deze vanzelfsprekendheid nog houdbaar zal zijn).

Inmiddels ben ik tot bladzijde 94 gevorderd, bijna 15% van het totaal. Tot mijn tevredenheid begint er zich iets af te tekenen wat mijn aandacht hoogst waarschijnlijk wel vast zal kunnen houden. Het had ook niet veel langer op zich moeten laten wachten, want de wirwar, het ratjetoe van elkaar afwisselende focalisatoren vind ik vooralsnog meer irritant dan boeiend; steeds weer moet je een ander verhaaldraadje terugzoeken, opnemen, vervolgen en weer loslaten. Daar komt bij dat de verschillen tussen de personages niet door enige stijldifferentiatie tot uitdrukking worden gebracht; alle signaleren ze gortdroog wat er om hen heen gebeurt, terwijl het voor de alles en iedereen overkoepelende vertelinstantie, net zo goed (grosso modo) als voor de achterflaplezer, evident is wat er aan de hand is, welke crisis er dreigt, hoe afschuwelijk het allemaal nog kan worden.

Dat Natter ervoor gekozen heeft om al de zeshonderdvierendertig bladzijden te gebruiken om één enkel etmaal te beschrijven mag een waagstuk heten, met alle gevaar van dien. Ik hoop dat ik het kantelpunt bereikt heb. Wil je het positief zien, kan je rekening houden met het aantal focaliserende personages, dan zou de vertelde tijd van deze oorlogstragedie een maand beslaan. Zo bezien maakt deze roman bij mij althans meer kans op een voltooide leesgang dan Ulysses, zelfs al is Joyce stilistisch vele malen exuberanter dan Natter.

Op pagina 125 of daaromtrent begint de barre ellende, het onmenselijke geweld, de nazi-terreur meer door te dringen in de vertelling, die evenwel in stilistisch opzicht volkomen vlak en veldgrijs blijft. In een goedmoedige bui bedacht ik dat daar misschien een bedoeling achter steekt: doordat groot en klein, hoog en laag, slachter en slachtoffer met uniforme middelen plat worden geslagen in de tekst, brengt de vertelinstantie naar voren dat excessief gewelddadig gedrag, blinde dominantiedrift en waanwijze eigendunk net zo menselijk zijn, in potentie, als edeler gevoelens, gedachten en gedragingen. Standpunt van Hannah Arendt, lijkt dat, geloof ik, met betrekking tot de banaliteit van het kwaad.

Dat wisten we al, en dus moet Natter mijns inziens nog wel met iets nieuws, iets anders op de proppen komen om zijn keuze te verantwoorden om een aan deze roman gebonden éígen verhaallijn uit de weg te gaan en te blijven steken in een nauwgezette, secure, niets overslaande kopieerlust des dagelijkschen gevangenenkamplevens, hoe bijzonder de dag in kwestie ook mag zijn geweest. Het schiet maar niet op, nu dit, dan weer dat en die niet vergeten en hij en zij en die weer en dan ook et cetera.

De gekozen presentatie kan als effect beogen duidelijk te maken dat iedereen alleen maar handelt uit een welbewust met oogkleppen dichtgetimmerd eigenbelang of uit domme, passieve trouw aan gezag annex machteloze onderhorigheid aan geweldenaars. Maar hoe interessant is het voor een roman om dit zo oeverloos en détail eenendertig maal opnieuw te presenteren en het niet uit te drukken door middel van een enkel welgevormd, algemeen geldend narratief beeld, liefst een waaruit een eigen visie van de auteur blijkt?

Natter blijft, vrees ik nu ik op pagina 131 ben, steken in een gefragmenteerde en schier eindeloos uitgewalste herhaling van het bekende. Tachtig jaar na het einde van WO II heeft iedereen al tientallen romans over deze of vergelijkbare materie kunnen lezen en minstens zoveel films kunnen zien. Het af en toe noemen van het geluid dat personages horen op de achtergrond van het naamloze kamp, dat volgens hen op de komst van de Russen zou kunnen duiden, is een zwakke narratologische nabootsing van de in Dolby Surround daadwerkelijk door de bioscoop donderende geluidsterreur die The Zone of Interest (2023/4) zo imponerend maakte.

En ja, vertraging kan een middel zijn om een inhoudelijk effect sterker te doen uitkomen. Vertraging genereert evenwel niet alleen aandacht en spanning, maar ook verveling, afdwalende gedachten, vergeefse verzuchtingen van de lezer richting de vertelinstantie: ‘Schiet nou eens eventjes op, joh! Kom op met je verhaal!!’ 

Op pagina 141 gebeurt het voor het eerst even dat de handelingen in twee opeenvolgende tekstonderdelen rechtstreeks met elkaar te maken hebben. Tot nu toe ging het vooral om co-incidenten die zich weliswaar op hetzelfde terrein afspelen binnen eenzelfde tijdsbestek, maar die geen interactie kennen. Nu pas komt er, met andere woorden, wat lijn in het vertelde, ontstaat er een samenhangend verhaal, is er sprake van handelingsoverdracht, continuïteit van scènes. De opkomst van deze dynamiek valt samen met de stijgende crisissituatie, de toenemende noodlotsverbondenheid van de personages, de uitbouw van het drama, kortom: met het ontplooien van wat een waar verhaal kan heten. Maar helaas blijft de vertrouwde brokkelige structuur goeddeels behouden. Alles loopt door elkaar, zonder betrekking, en na twintig pagina’s is het mini-plotje met een gruwelijk eind alweer afgerond. 

Ik merk dat ik meer Ausdauer dan gebruikelijk moet verzamelen om verder te kunnen lezen; anachronistische interjecties in personagetekst gaan me irriteren, net als het universele, stugge, grijze lexicon waaruit de personages blijken te kunnen putten, ongeacht leeftijd, rang, stand, ontwikkeling, opvoeding, ideologie, overtuiging en overlevingskansen. Onbenullige handelingen worden steevast uitvoerig door de vertelinstantie weergegeven: ‘Reinhart plaatst zijn hengel tegen de muur van de schuur. De emmer met de pieren zet hij erbij, naast de deur. Hij overweegt de diertjes vrij te laten, maar hij doet het niet.’ En morgen komt tante Pollewop op bezoek. Dat die emmer met pieren een paarhonderd pagina’s verder boven iemands hoofd wordt omgekeerd, doet niets af aan de nietszeggendheid van de eerste vermelding ervan.

Tot op pagina 230 krijg ik vooralsnog niet de indruk dat de versnippering van de verhaallijnen enig literair effect heeft; ook een misschien beoogde suggestie van de synchroniciteit van die 31 lijnen komt niet uit de verf, en wordt al helemaal niet duidelijk in de steigers gezet, mijns inziens. Ik lees door, maar ondanks de vertelstructuur; erger nog: ik ben me er voortdurend van bewust dat ik die constructie aan het negeren ben. Ik lees door omdat ik Natters debuut erg goed vond en omdat ik heb gelezen dat anderen deze nieuwste roman ook heel erg goed vonden.

Zo’n leeshouding is niet bevorderlijk voor literair genoegen. De zich zelf ten onrechte muzikaal talent toedichtende kleinburger met een gefrustreerde sociale ambitie die zijn heil (ja, bewuste woordkeus) vindt bij de SS en in de bewindvoering over een Lager, is nu ook weer niet een spannende romancreatie. Deze Obersturmführer Karl Zehlendorf zat me meteen al dwars; ik had die gevoelens voor hem toch voor de lieve leesvrede gesuspendeerd, maar nu hij ook nog eens zijn secretaresse verkracht, speelt hij de waardering voor deze vertelling weer stevig parten, net als zijn verwende en verveelde cliché-echtgenote met misplaatste sterallures dat doet. Te platte, te kartonnen personages.

En ja: de gruwelijke, excessieve misdadigheid van een totalitair regime komt wel uit de verf van dit narratologisch-pointilistische maar vooral grijze groepsportret. Natter gaat de gewelddadige, genocidale details niet uit de weg, noch de morele dilemma’s waarmee slachtoffers kampen die zich tegen een dergelijk regime willen en proberen te verzetten.

Tegen pagina 305 begint het me te dagen dat sommige personages misschien toch wat meer diepte krijgen; ze worden althans wat minder standvastig in hun opinies en lijken daardoor wat menselijker; iedereen denkt te weten hoe het zit met vork en steel, hoed en rand, iedereen bedriegt op z’n minst zichzelf. Zie, de mens. Het laveloze slotakkoord van de viering van de geboortedag van de grote Leider heeft wat opzettelijk komieke kantjes, maar haalt het helaas in geen velden of wegen bij de bizar hilarische spruitiging in Natters debuut.

De grootse zoektocht naar de verloren zoon van Karl die volgt – het plotje waarmee de uitgever achterop het boek de aandacht van de lezer probeert te trekken – is totaal niet spannend; de lezer kent het gruwelijk lot van het jochie al. Die dramatische ironie zuigt alle emotie en spanning uit wat er voorvalt en alle nieuwsgierigheid uit deze lezer. Het verhaaltje duurt wat mij betreft veel en veel te lang en ziet eruit, ook al wordt het doorweven met talloze andere fragmentarische verhaallijnen, als een amateuristische nabootsing van een met slapstick verknipte feuilleton-Krimi waarin iedereen hypotheses op mag werpen die geen steek houden en recherches kan opzetten die kant noch wal raken.

Inmiddels groeit de gedachte dat de versnippering van de verhaallijnen van de 31 personages bedoeld kan zijn om zowel ’s mensen eenzaamheid als diens leugenachtigheid tot uitdrukking te brengen: iedereen, niemand uitgezonderd, leeft ongeveer langs alle anderen heen en draait, verdraait, verzwijgt en/of liegt dat het een aard heeft om z’n, d’r of h’n eigen hachje egoïstisch veilig te stellen, en niet alleen de nationaal-socialistische machtsstructuur is daar debet aan. Alleen de anonieme duizenden, tienduizenden gevangen zijn niet aan deze duiding onderhevig; maar zij komen bijna niet ter sprake en krijgen al helemaal nauwelijks tekst of focalisatie; zij zijn een anonieme massa.

Mijn lectuur van de roman werd hier ongeveer onverwacht en onvrijwillig onderbroken.
Wordt vervolgd


* Weinig fraai vind ik het dat er regelmatig na een tussenkop in de eerste regel van het eronder staande tekstdeel opnieuw de naam van het betreffende focaliserende personage wordt gebruikt, zoals, driemaal achtereen, op pagina 131:

GISELLE IN DE KLEEDRUIMTE
             De jongen kijkt Giselle aan en [...]

YOLANTA VOOR BARAK 19
             Yolante staat in de rij voor het eten bij haar barak. [...]

REINHART AAN DE OEVER VAN HET MEER
             Reinhart heeft geen zin meer om te vissen, maar [...]

Daar had toch beter ‘haar’, ‘Ze’, respectievelijk ‘Hij’ kunnen staan?
Niet fraaier is deze: 

KARL IN DE VESTIBULE VAN DE KOMMANDATUR 
            Terwijl hij in de vestibule staat, hoort Karl hoe het orkest wordt afgemarcheerd.

** Let wel, een zuiver anapestisch tweevoetig titelalternatief zou zijn: Aan het eind van de krijg, maar dat zou de hele roman misschien in een ongewenst bruin licht zetten, hoewel het dreigende omslag, begrijpelijk, niet veel fleuriger is dan dat.


donderdag 26 februari 2026

Peter Mendelsund, What We See When We Read

A  Phenomenology. With Illustrations. Vintage Books, New York, 2014. Paperback (136 x 203 x 24 mm, 462 gram) met flappen, xix + 419 bladzijden. De auteur is ‘the associated art director of Alfred A. Knopf, the art director of Pantheon Books, and a recovering classical pianist.’

De titel van dit prachtig vormgegeven, zwaarwegende maar luchthartige boek klinkt voor mijn (mentale) gehoor als een klok. Hoor de prachtige verdeling van de zes monosyllabische woorden over twee regels, bemerk ook de verdeling van de woordsoorten met hun (klank)herhalingen van allerlei aard.

De titel lijkt me inhoudelijk nochtans niet helemaal in orde. De vormdwang bedriegt. Beter gezegd: wellicht gedwongen door de strakke schoonheid van de vorm van de titel bedriegt de schrijver zijn lezer. Het boek gaat niet exact over wat we zien wanneer we lezen (in mijn ad hoc-vertaling ervan gaat veel verloren) maar over wat hij, de schrijver, Peter Mendelsund denkt te ‘zien’ (die aanhalingstekens zijn onmisbaar) bij het lezen van (klassieke) literaire romans (deze reductie blijkt na lezing noodzakelijk in het belang van de waarheid); bovendien hoopt Mendelsund, zo leid ik af uit het tweemaal gebruikte we, dat de lezer, of waarschijnlijk: wij allemaal als de lezers, het actieve publiek van zijn boek, zijn hier geboekstaafde ervaringen op basis van (onze) eigen ervaringen willen en kunnen beamen.

De ondertitel, die niet op  het omslag staat maar pas op pagina [xv], de titelpagina, verschijnt, geeft veel gewicht aan het boek: ‘A Phenomenology’. Mendelsund neemt zijn lezers (inderdaad, wat mij betreft althans) flink bij de lurven, multifocaal of polyperspectivisch observerend en secuur analyserend in de talrijke (om precies te zijn: negentien), hoofdstukken met korte sub-secties van zijn evenwichtig opgebouwde en uiterst rijk geïllustreerde verhandeling, die goed zou kunnen worden gekarakteriseerd als een graphic fenomenologisch essay.

Ik laat me, ondanks de kwaliteiten van het boek, ook niet meeslepen door het derde element van de titelpagina, de annotatie ‘With Illustrations’. Het boek bevat zeker ook illustraties, maar het geheel is van kop tot kont door-geïllustreerd met een bijzonder hoog gekwalificeerde inzet van uiteenlopende grafische en typografische middelen. Het is een bomvol boek, zonder dat die rijkdom stoort doordat alle inkt (en waar mogelijk ook het ontbreken ervan) ingezet is als integraal onderdeel van het essay.

Ik merk evenwel op dat ik tussen neus en lippen door ook de ondertitel van het boek niet helemaal ongeschonden door de vertaalmachine krijg. Eigenlijk weet ik niet wat ‘A Phenomenology’ of ‘Een fenomenologie’ is. Ik ken de ‘fenomenologie’ niet als ding of tekstsoort (waar de ondertitel op lijkt te doelen) maar wel als een filosofische stroming, methode en/of benaderingswijze.

Daar komt dan bij dat Mendelsund mijns inziens niet goed beschrijft wat precies het fenomeen is waarop zijn studie of verkenning of analyse is gericht. Is het (zich) maken van voorstellingen tijdens het lezen van literaire fictie een fenomeen te noemen? Ik twijfel, ook al is het al bijna een halve eeuw geleden dat ik mijn bijvak moderne filosofie afsloot (met een voldoende, voeg ik eraan toe, om CV-achtige misverstanden te voorkomen).

Gelukkig wist mijn computer me naar deze betekenisbeschrijving van ‘fenomenologie’ te leiden in de digitale ENSIE:

Letterlijk de beschrijving of studie van de verschijnselen. Elke beschrijving, vooral als zij uitgebreid en diepgaand is, van hoe de dingen zich voordoen kan ‘een fenomenologie’ worden genoemd.

Dat laatste lijkt me hier wel het geval te zijn. En bij gevolg moet ik maar aannemen dat ‘wat we zien wanneer we lezen’ een fenomeen genoemd kan worden, ook al wordt hier met ‘zien’ niet het resultaat van gewoon kijken bedoeld, maar een imaginair of mentaal beeld, of een reeks van imaginaire of mentale beelden, opgeroepen door taaltekens in teksten van de hiervoor grofweg afgebakende soort.

Opmerkelijk is dat Mendelsund op een gegeven moment (pagina 265) het bestaan van een innerlijk oog postuleert, of beter: een ‘innerlijk oog’ (letterlijk: ‘an ‘‘inward eye.’’’), maar alleen in een tastende vergelijking: ‘Imagination, you could say, is like an ‘‘inward eye.’’’ Vervolgens heeft hij het meerdere malen over ‘our reading imagination’ (wat ik maar vertaal als: onze leesverbeelding) alsof dat een bestaand menselijk vermogen zou zijn, iets uit een medisch handboek haast.

Vervolgens, na de nodige verkenningen, schrijft hij daarover: ‘Maybe the reading imagination is a fundamentally mystical experience – irreducible by logic.’ (p. 350) Pal daarop volgt een dubbele pagina met een vergelijkend overzicht van de droom, het werkelijke zien, de hallucinatie en de leesverbeelding, elk voorzien van bipolaire tienpunts-schuifmaten voor hun respectieve waarden van Agency, Vividness, Transparency, Self-Awareness, en Effect on Mind-Independent Objects. Mendelsunds illustratie in het boek is vele malen duidelijker dan mijn onhandige beschrijving hier. 

Een dergelijk pontificaal gepresenteerde speculatieve quasi-wetenschappelijkheid doet me denken dat dit essay misschien meer een graphic novel is dan wat anders dan ook. Maar wel een heel bijzondere en bijzonder mooie graphic novel. En een intrigerende ook nog.

Dat intrigerende zit, denk ik, in het essayistische: wil je het betoog volgen kunnen, moet je aan een stuk door meedenken met de schrijver. Al de denkstappen die hij maakt, maak je als lezer met hem, doe je hem na, en dus loop je het gevaar om met hem sommige dingen over het hoofd te zien, dan wel om die welwillend te suspenderen zo lang als het betoog duurt.

Tegen het einde van het essay noteert Mendelsund: ‘The world, as we read it, is made of fragments.’ Daarmee draait hij me een loer, dacht ik toen ik een bladzijde of twee verder dit las: ‘When we apprehend the world (the parts of it that are legible to us), we do so one piece at the time.’ Opeens is hij bezig allerlei ver- of vooronderstellingen uit te serveren over ’s mensen gewone waarneming van de werkelijkheid. Waarom zou ik deze boekenbakker moeten geloven op dit terrein? Moeten we daarvoor niet eerst te rade gaan bij een groepje oftalmo- en neurologen? Niet omdat ik denk dat het onzin is wat Mendelsund beweert, maar domweg omdat ik er geen objectieve grond onder kan ontwaren. En onderwijl zit hij wel te doen alsof wat hij beweert over het lezen van literaire fictie probleemloos te vergelijken is met wat er gebeurt tijdens ons gewone kijken in de werkelijkheid.

Heeft-i me toch mooi te pakken met z’n fenomenologie van de literaire leesverbeelding. Want al trekt hij aan het eind van het essay het bestaan van het lees-zien als een werkelijk zien in twijfel, daarvóór heeft hij wel allerlei interessante suggesties gedaan over hoe dat specifieke aspect van het lezen zou kunnen zijn of zou kunnen functioneren.

Heerlijk, dit boek vraagt om herlezing en -bezichtiging.


Twee weken later
Bij de tweede lezing zie ik dat op pagina 7 de titel van het boek enigszins wordt aangevuld en verduidelijkt, aangescherpt door een parafrase:

What do we see when we read?

(Other than words on a page)

What do we picture in our minds?

Hieruit blijkt dat het niet om het lezen gaat, het verwerken van woorden, maar om wat we met die woorden doen in ons hoofd, welke beelden of voorstellingen we er ons bij voor de geest roepen.

Maar als we daarover nadenken, is dat volgens Mendelsund altijd een achteraf-nadenken over het lezen, een soort herinneren, want doordat we tijdens het lezen ondergedompeld zijn in het gelezene, kunnen we er niet tegelijkertijd op reflecteren.

Mendelsund spreekt daarna van het mentaal schetsen en van het visualiseren (van een personage bijvoorbeeld); dat gebeurt op basis van fundamenteel onvolledig materiaal, namelijk de beschrijvingen in een roman die nooit echt alles bevatten, niet werkelijk iedere onderdeel en detail en expliciet weergeven (een roman die dat wel zou doen zou zeer langdradig zijn).

En dan: ‘It is precisely what the text does not elucidate that becomes an invitation to our imaginations.’ Mendelsund stelt voor dat vooral de (functionele) bewegingen van een personage (tussen andere personages en in de fictionele wereld) de betekenis van een personage uitmaken.

Op pagina 125 schrijft hij iets wat me te simpel, te oppervlakkig lijkt, iets waardoor ik me realiseer dat eigenlijk al zijn observaties stuk voor stuk wel interessant (kunnen) zijn, maar geen van alle een generaliseerbare potentie hebben waardoor ze iets (diepergravends) zouden kunnen zeggen over het fenomeen ‘lezen’ in zijn met de titel van het boek aangekondigde algemeenheid. Hij blijft steken in observaties van de losse details van zijn persoonlijke leeservaring van willekeurig welke tekst of welk fragment. Als hij des niet tegenstaande toch eens generaliseert, zoals in het bedoelde fragment, dat ik hierna citeer, denk ik: het zal wel, gooi maar in mijn hoed, maar geef me liever eerst de bewijsstukken.

Writers of fiction tell us stories, and they also tell us how to read these stories. From a novel I assemble a series of rules – not only a methodology for reading (a suggested hermeneutics) but a manner of cognition, all of which carries me through the text (and sometimes lingers after a book ends). The author teaches me how to imnagine, as well as when to imagine, and how much.

Alleen de eerste deelzin lijkt me (betrekkelijk) algemeen geldig, de rest is pure speculatie. In de tweede zin gaat het over Mendelsunds privé-leeservaringen, en die observaties moeten we wel voor waar aannemen, maar de reikwijdte en het belang ervan zijn navenant. Dito geldt voor de derde zin. Ik heet dat jammer. 

Vervolgens raak ik weer verzeild in de sectie waar hij verder uitweidt over de reading imagination, die niet meer slechts een veronderstelling is maar Mendelsund als een gegeven, als een bestaand, intersubjectief fenomeen behandelt. Misschien is die leesverbeelding het centrale fenomeen van heel het boek. Daarover poneert hij, zonder enige bewijsvoering: ‘The reading imagination is loosely associative – but it is not random.’ In zijn eigen hoofd, denk ik daar dan bij, inmiddels enigszins meewarig geworden. Heel gemakkelijk, te gemakkelijk stapt hij steeds van de eerste persoon enkelvoud over naar de dito meervoud, generaliserend zonder grond.

Om de moed erin te houden stel ik voor dat de ondertitel van dit boek moeten luiden: A first draft of a grafic phenomenological black box theory of reading imagination. Te lang, maar wel beter.

zondag 22 februari 2026

Laurent Binet, De zevende functie van taal

Roman. Vertaald door Liesbeth van Nes. Meulenhoff, Amsterdam 2016 (oorspr. La septième fonction du language. Éditions Grasset & Fasquelle 2015). Hardback met stofomslag, 439 bladzijden, inclusief ‘Bronvermelding’.

Van Binet las ik in augustus 2018, met veel genoegen, HhhH (2010, Ned. vert. 2011), een boek dat ik, zonder stofomslag, voor niets of weinig op de kop had getikt. Gisteren, zeven jaar en en zes maanden later, lag er voor mij in een boekenkastje in de buurt een gratis exemplaar van De zevende functie van taal voor me klaar, mèt stofomslag, eveneens zo goed als ongelezen. Mijn lezershouding ten opzichte van de auteur Binet wordt kennelijk minder door gretige actualiteit dan door uiterst goedkope vertraging gekarakteriseerd.

Fijn, zo’n geschenk uit de hemel, want hoe epaterend de romans van Claire-Louise Bennett ook zijn, na een dagenlange obsessie met Checkout 19 was ik wel toe aan iets met wat meer verhaallijn, en deze tweede roman van Binet belooft volgens de achterflaptekst een pageturner te zijn, spelend in het Parijs van de jaren tachtig der twintigste eeuw in een milieu van universitaire filosofen, semiotici en post-structuralisten (als dat al verschillende groepen zouden zijn). Na nauwelijks vijftig bladzijden lezen heb ik reeds het gevoel dat dit inderdaad het literaire geschenk is waarop ik zat te wachten, waarbij meespeelt dat ik erg kan genieten van lichtelijk betweterig boven de gebeurtenissen zwevende auctoriale vertellers. Alles met mate, dat moge duidelijk zijn. En, iets heel anders, na dat van Van Hengel, De Marcken, Van Hengel, Tokarczuk en Bennett, mocht er wel weer eens werk van een man op de leesplank (dit was geen overweging, maar domweg de uitkomst van het toeval; trouwens, op de e-lezer ben ik al eventjes bezig met de laatste Barnes, maar die schiet niet lekker op).

De roman ontplooit zich al snel als een tekstuele slapstick, met in de hoofdrol van het gooi- en smijtwerk politiecommissaris Jacques Bayard die de omstandigheden onderzoekt waaronder Roland Barthes is aangereden, een aanrijding die deze een maand later niet blijkt te overleven. Bayard heeft niet in de gaten dat hij in zijn professie niet onderdoet voor wat de universitaire semiotici en andere filosofen op tekstueel terrein presteren, wier werk hij evenwel afdoet als ‘vaag gelul’; met andere woorden op dezelfde pagina: ‘Epistemologie, m’n reet.’ Niet onverstandig dat hij een promovendus in de linguïstiek, Simon Herzog, in de arm neemt als secondant, assistent, geef deze Sancho Panza maar een naam.

Gaande het onderzoek heeft Bayard, die zelf in een 504 rijdt, niet door dat er steeds, waar hij ook gaat, een zwarte DS in de buurt is (de auctoriale verteller signaleert deze wel steeds, net als een blauwe Fuego met twee Japanners), maar voor de rest is de wijze waarop de politiecommissaris de werkelijkheid benadert, oftewel analyseert, weinig anders dan die van Barthes in bijvoorbeeld diens Mythologies. Ja, dit boek, ik bedoel: dit boek van Binet (dat van Barthes vond ik minder interessant), zou verplichte literatuur kunnen zijn op iedere opleiding in de humaniora. De theorieën van Barthes, Eco, Jakobson, Searle onder anderen komen goed aan bod.

Ook tien jaar na het verschijnen van deze roman (en 46 jaar na de tijd waarin de roman zich afspeelt) is ze nog actueel; het (al dan niet) bestaan van geheime genootschappen annex samenzweringen, machtswellust, fascisme en taalge- en -misbruik halen immers nog dagelijks de krant en een verondersteld linkse hobby als de semiotiek is op de academie gelukkig nog lang niet verdwenen.

De roman, waarin ik inmiddels gevorderd ben tot pagina 253, bestaat uit de volgende onderdelen (ik noteer dat nu omdat hoofdstuk Twee er echt heel anders uitziet dan Een):

Een / Parijs, p. 9-185, hst. 1-46
Twee / Bologna, p. 189-232,  hst. 47, onderverdeeld in 6 delen met elk een tijdsaanduiding waarvan de laatste ‘10.25 uur’ is; dat het dan 2 augustus 1980 is, hoeft niemand te verbazen.
Drie / Ithaca [USA], p. 235-335, hst. 48-79
Vier / Venetië, p. 339-394, hst. 80-93
Vijf / Parijs, p. 397- 423, hst. 94-96
Epiloog / Parijs, p. 427-438, ongeleed.

Wat je met deze informatie moet, weet ik niet. Dit zou een citaat uit de roman kunnen zijn, indicatief voor de voortgang van het verhaal, inclusief metatekst. Er sterven mensen die in 1980 nog lang niet dood waren, zoals John Searle (onder meer bekend van Speech Acts (1969) en alleen al daarom onmisbaar is in deze roman) die in het echt pas op 17 september 2025 overleed, maar in de roman na het linguïstisch/filosofisch congres ‘Shift into overdrive in the linguistic turn’ aan de Cornell University te Ithaca in de herfst van 1980, zelfmoord pleegt. Dat heeft allemaal te maken met de kolderieke satire die Binet hier bedrijft, zoals ook door het opvoeren van een geheime, naar het maçonieke neigende debatgenootschap  de Logos Club, waar de verliezer van een dispuut een vinger in moet leveren.

Zo ver gekomen (hoofdstuk 85, om precies te zijn, aan de vooravond van een Logos Club-bijeenkomst te Venetië), duizelt het me al geruime tijd van alle personages die overal opduiken en verdwijnen rondom het gedoe over de tekst betreffende de zevende functie van taal die niet bekend mag worden, maar wel bestaat en garant zou staan voor wereldmacht, weinig minder dan dat. Ik doorgrond de plot van deze roman net zo goed als die van een gemiddelde James Bond-film: gooi maar in mijn pet en zoek het uit, ik zie wel hoe het afloopt, als er maar actie is. Helaas bestaat de actie in deze roman vooral uit woorden, woorden, woorden, daarnaast lol en kolder en erbovenop gepieker van personages over wat het is om deel uit te maken van een roman die, in dit geval, nota bene, begint met de stelling ‘Het leven is geen roman’ maar die in de tweede zin al in twijfel wordt getrokken.

Ik kom terug op mijn woorden; dit boek is bij nader inzien niet geschikt als verplichte lectuur aan welke opleiding dan ook; het is alleen in het begin en dan nog slechts bij vlagen leuk en/of interessant. Goed geschreven, dat wel, op zinsniveau en zo, maar qua narratief en actie raakt het kant noch wal; het dobbert er maar op los in de oeverloze semiotische zee. Jammer.

Ik teken bij dezen voor het goede begrip expliciet aan dat ik dit boek niet uit heb gelezen; bij pagina 347, dus na een goede 79,2 % van het totaal, ging het definitief dicht; niemand hoeft zich ook maar een mini-iota aan te trekken van wat hierboven staat (maar dat zou ook zo zijn, als ik het wel uit had gelezen). 



dinsdag 17 februari 2026

Claire-Louise Bennett, Checkout 19

2e uitgave, Vintage, 2022 (1ste, hardback-uitgave, Johnatan Cape, 2021). Paperback, 228 pagina’s (de twaalf pagina’s voorin, met blurb, iets over de auteur, een opsomming van ander werk, in dit geval alleen Pond, de titelpagina van dit boek, het colofon en motto’s, zijn niet meegeteld; de eerste pagina van hoofdstuk I, ‘A Silly Business’ heeft paginanummer 1. En nu ik toch bezig ben: pagina 5 eindigt met ‘Turning the page. Turning the page.’ en daarmee is de onderste zetregel perfect vol; pagina 6 begint met ‘Turning the page and holding the book a little higher.’ Wanneer kom je een dergelijke typografische kunstgreep nog tegen in een roman?)

Wonderlijk begin van een roman:

Later on we often had a book with us.

Meer in medias res kan je het haast niet krijgen. Wie de verborgen vertelster is, is me op pagina 6 nog steeds niet duidelijk; dat het een vertelster is, is maar mijn aanname en onder voorbehoud. Wie er met ‘we’ bedoeld worden, is ook nog niet duidelijk. De optie dat het zou gaan om de vertelster die samenzwerend met, althans tegen de lezer spreekt, raakt een beetje uit zicht wanneer ik lees: ‘When we open a book our eyes nearly always go over to the left page.’ Quod non, mompel ik dan op mijn beurt stil voor me uit. Maar het samenzwerende of instemming zoekende karakter blijft behouden, ook door de vele herhalingen (‘No. No. No.’) en bevestigingen (‘No, of course it didn’t.’) Een vleug onzekerheid klinkt voortdurend mee in de stelligheid waarmee allerlei observaties verwoord worden omtrent het lezen of juist het nog niet lezen.

Voorlopig, want er is nog geen kassa in zicht, houd ik het op een soliloquium, als ik de tekst zou moeten typeren. Maar het wordt al weldra duidelijk dat de vertelster met ‘we’ refereert aan haar jongere zelf plus broertjes en/of zusjes. Vervolgens, in het tweede hoofdstuk, schuift het perspectief door naar middelbare scholieren, en een van die scholieren is (in het vertel-nu) de 27-jarige vertelster (‘one of the girls was me’), maar wat weet zij eigenlijk nog van hoe zij toen was, vraagt ze zich nu af.

Het verhaal, als het dat is, knalt alle kanten op met soms klaterende kolderwendingen, zoals: ‘It made me think of the First World War, though many things then made me think of the First World War.’ Stream of consciousness is ook wel een goede typering van deze roman, maar dan een zonder de old school puntje-puntje-puntjes. 

Het ontroerende eind van het tweede hoofdstuk, de passage waarin een docent een verhaal blijkt te hebben gezien dat de vertelster achterin een schrift heeft bewaard en waarin die docent vraagt of ze er meer heeft waarop zij hem er meer geeft die hij in het weekend leest en van commentaar voorziet waardoor zij zich voor het eerst eindelijk gezien voelt waardoor zij zich de kracht van het vertellen realiseert wat resulteert in een basale apologie van haar schrijverschap èn van haar existentie, maakt duidelijk dat deze roman ook te categoriseren is als een (poëticaal) coming of age verhaal, door de bank genomen een genre dat me de schrale haren te berge doet rijzen maar me in dit uitzonderlijke geval als gezegd ontroert.

Over haar ‘schrijven’ noteert de vertelster:

Here was a way of reaching someone, of being with them, when you were not and never could be. Here was where we met. Here was where the distinction between us blurred.

Vlak daarvoor zegt ze over haar eerste, dat door de docent gevonden verhaal:

something that I created, that I had, that I was – I couldnt tell these things apart – it is the attention of a desired man or woman that will blurr the lines that distinguish them.

Het begin van de roman met de aanvankelijk onduidelijke referent van ‘we’ wordt hierdoor na zo’n vijftig pagina’s krachtig verhelderd. Inmiddels was je als categoriserende lezer al zo vertrouwd geraakt met de innemende, onzeker zoekende, vertellende hoofdpersoon dat je gewillig iedere neiging om aan een sullige middelbareschoolidylle te denken met gemak onder het tapijt suspendeert, ondanks de plaats van handeling. Zo althans vergaat het deze lezer. Een poëticale, althans proza-genetische, dus wellicht ook auto-fictionele laag schuift daar nu nog eens overheen.

Hoofdstuk III begint met uitgebreide maar niet erg zekere herinneringen aan het verhaal dat de ik-vertelster als begin-twintiger aan het schrijven was over een zekere (of beter: onzekere) Tarquin Superbus, van wie ze maar weinig feiten naar boven kan halen. Maar eraan denkend schrijft ze, terwijl ze over dat her-denken vertelt, eigenlijk alsnog het verhaal, nou ja, een soort Bennet-verhaal qua structuur over Tarquin Superbus, dus met alle zijpaden van dien. 

Die Tarquin Superbus beschikt over een immense bibliotheek vol lege boeken, maar, zo weet een bevriende dokter, er staat wel ergens een enkele zin, dé zin, de zin die alles zegt maar niet gedeeld kan worden, een zin die het uiteindelijke licht is maar verdwijnt zodra ze is gelezen en elders weer verschijnt. Maar deze kennis over die zin, die staat niet in het verhaal waaraan de vertelster ooit was begonnen. ‘It seems in the retelling I have got carried away.’ Hallo, Bennett :))

Wat Bennett niet kon voorzien, was dat ik een tweedehands exemplaar lees van de pocket-editie van Checkout 19, een exemplaar waarin een vorige eigenaar, iemand in Utrecht, zo te zien een linkshandige, in december 2022 tal van sterren en strepen, opmerkingen, commentaren, notities, pijlen, vraagtekens, en andere marginalia, die ik niet of nauwelijks ontcijferen kan, heeft genoteerd, niet met potlood maar met een vette balpen met zwarte inkt. En dan lees ik op pagina 76, als de vertelster net tijdens haar werk als caissière aan kassa 19 een exemplaar van Nietzsches Beyond Good and Evil cadeau heeft gekregen van een rijzige Russische man met lang wit haar: ‘I was already holding a biro and then I was holding a book in one hand and a biro in the other since it seemed I should keep them apart’.

Een terugkerende notie is die van de dissonantie van iemands innerlijke wereld en de buitenwereld. Die notie is te verbinden met de opmerking dat ‘my mother’s mother and my mother’s mother’s mother had both spent time in psychiatric units and I knew my grandmother had had electroconvulsive therapy’, die op zijn beurt weer leidt tot dit standpunt:

It seems to me entirely indefensible that anyone ever thought it necessary and correct to sent an electric current blazing through the furrows of anyone else’s mind in order to dazzle the intimate blackness at its core into rapid extinction. 

 De verbinding lijkt me te schuilen in deze gedachte:

the blackness within you is stilled, is transfixed perhaps, when it has in its gaze the blackness without.

Maar ja, op deze manier pin ik een fluïde en associatief georganiseerde tekst veel te eenduidig vast op een samenhangende en eenduidige betekenis. Moet ik niet doen; t lijkt me beter om de eigen associatie toe te laten met Angel at My Table, de autobiografie van Janet Frame, want die speelde, merk ik, ook door mijn hoofd, met alle (sociale) onaangepastheid, psychiatrie en schrijflust.

Het wordt steeds gekker, deze leesgang. Zelden zoek ik informatie op over een referentie, maar als ik het een keer wel doe, krijg ik deze informatie via Wikipedia:

Like much of Bowles’s writing, Let It Come Down [1952] seems to be concerned with the danger and chaos which can result in being immersed into an unfamiliar society.

Hoe toepasselijk. 

Maar goed: de vertelster leent dat boek uit aan een jongen wiens boeket bloemen van zijn fiets is gevallen en daarna geplet door een passerende SUV. Ze wil het boek wel terug, want heeft er met violette inkt zinnen in onderstreept. De vent blijkt er helemaal niet in geïnteresseerd, geobsedeerd als hij is door het voorval met zijn verpletterde bloemen. Maar hij neemt het aan en heeft het nooit teruggegeven. Zonde, want het lukt haar natuurlijk nooit meer om, na aanschaf van een nieuw exemplaar, er dezelfde zinnen in te onderstrepen: ‘you don’t ever step into the same book twice after all.’

Het vreemde is nu dat de vorige eigenaar van mijn exemplaar van Checkout 19 op de betreffende pagina (93) in zwarte inkt weer van alles heeft genoteerd, waarvan veel onleesbaar is behalve in de rechtermarge, als een Engelstalige Willem Kloos in Jacques Perks eerste manuscript van de Mathilde-cyclus: ‘This! I love this so much!’, en bovenaan de pagina dit ene woord: mijn voornaam. Serieus. Waar komt die vandaan? Hoe kom ik daar verzeild? Ik voel me onvrijwillig maar toch aangenaam opgezogen in een vreemde, tweede werkelijkheid, de meerdimensionale tekstuele realiteit waar ook ruimte is voor Ship of Theseus van V.M. Straka c.q. S. van J.J. Abrams & Dough Dorst.

Inmiddels is de vertelster naar Ierland verhuisd, na in London literatuurwetenschap, drama en psychologie te hebben gestudeerd (al worden deze stadia niet zo simplistisch beschreven). Inmiddels zijn er ook talloze opsommingen van boektitels en auteurs gepasseerd en is het tijd voor een welbewuste eenzijdige, exclusieve focus op literatuur van vrouwen. Dit volgt op een vakantie in Florence, omdat ze A Room With a View had gelezen waar een reflectie op de positie van de vrouw bij past, die eerder ook al aan bod kwam naar aanleiding van een negentiende-eeuws schilderij van een arts die vrouwen in een gesticht ‘geneest’ en dat de vertelster razend maakt om dat de maatschappij, ingericht door mannen, vrouwen gek maakt, ze zijn dat niet zomaar vanuit zichzelf; het komt door de (masculiene) sociale druk, conventies, dwang.

Zo gaat het met dit boek: achteraf pas blijken zich lijnen af te hebben getekend; je ziet ze niet aankomen; ik niet, althans. Maar dat is niet erg. Dit doet me eraan denken dat er ergens (nee, echt, ik weet niet meer waar) een reflectie staat door de vertelster op haar manier van tekenen, wanneer ze achterin een schrift tijdens een saaie les van een invaldocent een tekening maakt van zijn hoofd: het gaat er haar niet om dat ze een goed gelijkend beeld van die man creëert, maar dat ze door middel van het tekenen relevante aspecten van (misschien ook uit) die man naar zich toe haalt (dat deed mij denken aan het werk van Alberto Giacometti; als de schrijfster gaat dwarrelen, mag de lezer het ook).

Dat doordringende, het door de realiteit heen dringen, geldt misschien ook voor haar vertellen: het is haar niet te doen om een realistisch beeld te geven maar om een beeld te krijgen van haar ervaringen en gedachten zoals die er in haar zijn, zoals die zich voordoen in haar.

Ze heeft een vriend gehad, die dacht dat ze beschadigd was en die daarom het werk van sommige schrijfsters, zoals Virginia Woolf, Anne Sexton en Sylvia Plath, van haar weg probeerde te houden. Maar zij reageert heel eigenzinnig op zijn vreemde gedrag:

I am not interested in reading books written by women who killed themselves. I think it is very likely that I will one day kill myself and if I do I want it to be all my own idea.

Wat inmiddels een vrij moeilijke opgave lijkt.

Nadat er, als ik onvolledig mag zijn, nog ergens een jongeman aan een boomtak bleek te hangen, is het plotloze verhaal uit, alhoewel er nog een interview van Jennifer Hodgson met Claire-Louise Bennett achteraan komt... nadat in het laatste hoofdstuk de vertelster een boek van Nell Dunn uit 1964 ter sprake bracht: Talking to Women.

 

maandag 9 februari 2026

Peter Barthel, Professor, bestaat God?

AUP, Amsterdam, 2e druk, 2017 (1e dr. 2017). Hardbackje, ingenaaid, 108 bladzijden, inclusief ‘Dankwoord’, ‘Illustratieverantwoording’, ‘Bronnen’ en iets ‘Over de auteur’, een in 1952 geboren, in Amsterdam opgeleide en in Leiden anno 1984 gepromoveerde, Groningse astrofysicus.

Om de viering van het 400-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Groningen publieke luister bij te zetten, konden leken anno 2014 hun prangende vragen stellen aan de Groninger geleerden (die werkten volgens een vroegere slagzin aan de grenzen van het weten). De vraag van de toen zevenjarige Anco die drie jaar later de titel van het boekje is geworden, kwam bij de astrofysicus Barthel terecht. Ik vond zowel het idee van die publieke dienstverlening als de attributie van de levering van het antwoord op Anco’s vraag naar het al dan niet bestaan van God aan een sterrenkundige, zeer sympathiek. Ik trof een en ander bij toeval aan in het al even sympathieke Arnhemse boekencafé Libertas; tweedehands, dus.

Erg leuk dat ze destijds niet een theoloog deze vraag in de maag hebben gesplitst, maar een astrofysicus, weliswaar eentje die kritisch lid van de Protestantse Kerk in Nederland is (en dat niet onvermeld laat) en wiens achternaam een sterke referentie aan protestants-theologische sferen bevat, maar toch niet voor iedereen een voor de hand liggende keuze. Wat wellicht hielp, is dat Barthel wetenschapscommunicatie van groot belang acht en gewend is om met zijn kennis de boer op te gaan. En dan haalt hij, al op pagina 19, ook nog eens Wittgenstein aan: ‘Alles was sich überhaupt sagen läßt läßt sich klar sagen, und wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen.’ [sic]

Barthel is inderdaad een heldere communicator. Hij schrijft zonder ruis heel begrijpelijk en subtiel over abstracte en complexe en ook gevoelige zaken. Wat ook zeer sympathiek is: hij neemt (de vraag van) Anco serieus, zonder op de wijze van opa-legt-het-wel-even-uit tot over z’n enkels door de knieën te gaan.

Het antwoord aan Anco is echter toch nog ruim 107 bladzijden te lang. Het had kunnen luiden: ‘Ja, God bestaat, als je maar iets heel anders onder ‘‘God’’ verstaat dan wat de meesten eronder verstonden en verstaan.’ Daarbij kan Barthel het helaas niet laten om stevig terug te vallen op de Bijbel, inclusief de Tien Geboden, terwijl hij tegelijkertijd aangeeft dat die Bijbel wel heel anders geïnterpreteerd moet worden dan de reguliere theologen deden en doen en, neem ik aan, zullen blijven doen.

Dat – namelijk: het zowel op de Bijbel terugvallen als diezelfde Bijbel zoals Die is, min of meer compleet afwijzen – gaat, als je het mij vraagt (maar welk verstandig mens doet dat?), niet goed lukken zonder scheuren en brokken. Een klein blikje op de eerste vier der tien geboden, zoals opgenomen in de Statenvertaling, leert immers het volgende:

Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

[1] Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

[2] Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.

[3] Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.

[4] Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.

Dat klinkt mij in de oren als de oerknal van een extremistisch exclusieve, enkelvoudige, persoonlijke, absolutistische gods-dogmatiek. Indachtig zijn onderliggende doelstelling (zowel de christelijke kool van de religie als de gloeiende geit van de sterrenkunde te sparen), rept Barthel met geen woord hierover, maar stelt hij wel met gemak en zonder argumenten dat iedereen het er al eeuwenlang over eens is dat we elkaar niet dood moeten slaan (zesde gebod) en zo, en dat we als mensen al heel lang in die Geest proberen te leven en dat die Geest zo’n beetje in de Bijbel en die Geboden is vastgelegd. Hij heeft het, met dank aan Carel ter Linden, over een ‘geest die wij zelf gedurende duizenden jaren met vallen en opstaan hebben ontdekt en nog steeds ontdekken’.

Barthel maalt zijn materie nog verder fijn in de hoop de consumptie ervan te bevorderen, onder meer door subtiel ‘overtuiging’ en ‘vertrouwen’ te onderscheiden als de twee betekenismogelijkheden van het Engelse ‘faith’ dat een equivalent zou zijn van het Nederlandse ‘geloof’ (dat mijns inziens wel ‘overtuiging’ maar niet zo erg ‘vertrouwen’ kan betekenen), en ‘geloof’ is een woord dat Barthel ‘bij voorkeur niet’ gebruikt (mijn curs.; IdvH). Hij spreekt ‘liever van faith, vertrouwen, of religiositeit’. Al deze schriftgeleerderij staat op pagina 81.* Er past, lijkt mij, op geen enkele wijze nog een protestantse faith-, vertrouwens- of religiositeitsbelijdenis bij deze semi-postmoderne variant van een laat- of neo-spinozistisch georiënteerde angstvallige Bijbelvasthoudendheid.

Jammer. Toch niet echt helder, deze sterrennevel.

Hoe zou het met Anco gaan?

*Wie mij niet gelooft, stuur ik, na bestrijding van mijn porto- en verpakkosten, graag het boekje toe per post.

donderdag 5 februari 2026

Olga Tokarczuk, House of Day, House of Night

Oorspronkelijk in het Pools verschenen in 1998, gelezen in de Engelse vertaling van Antonia Lloyd-Jones uit 2002 in de heruitgave door Fitzcarraldo Editions uit 2025. Paperback met flappen, 332 bladzijden, met wel een aantekening van de vertaalster vooraf en een motto, maar verder geen annotaties, dankwoord, bibliografie, reclame voor ander werk of wat dan ook; gewoon schoon aan de haak.

How painful it is to be loved for nothing, just for existing.

Hoe vreemd het is om deze zin te lezen, vooral als je direct daarvoor met grote belangstelling Alice Millers Het drama van het begaafde kind hebt gelezen. Miller, een Freudiaans geschoolde, maar van de oude leer afgezwaaide psychotherapeute, was in haar praktijk gericht op het hervinden van het ware zelf, het nog niet door de invloed van opvoedende ouders en anderen vervormde zelf van de cliënt. Juist het ontbreken van het gevoel geliefd te zijn om wie iemand louter zelf is, kan een mens traumatiseren, stelt Miller. Ze streeft er in haar therapie niet zozeer naar dat de cliënt (Freudiaans rationeel) begrijpt hoe het er vroeger aan toe is gegaan, maar dat die het eertijds geleden gemis weer bewust en emotioneel ervaart, en er dan alsnog onomwonden om kan rouwen.

Olga Tokarczuk (1962), in wier roman ik de geciteerde zin las, is de laureaat van de Nobelprijs voor literatuur 2018 en een Jungiaans geschoolde psychologe, geboren in Polen, net als Miller maar een halve eeuw later. De zin staat op pagina 45 van haar roman, die niet een gewone roman is, maar meer een lappendeken van samenhangende verhalen van allerlei aard en lengte; wellicht is het een episodische of een seriële roman, of zoals het op het achterplat van het boek heet: een ‘constellation novel’, in elk geval een tekst die is geschreven in glasheldere taal en die toch bepaald niet vrij is van surreële elementen, wat, bijvoorbeeld, zeer duidelijk wordt in het verhaal over ene Marek Marek, die het gevoel heeft dat er een grote zwarte vogel met een lange snavel en gevederde poten in zijn lichaam huist.

Dat was voor mij echter niet zo heel vreemd om te lezen, in aanmerking genomen dat ik een tijdje terug ook al een roman las waarin een personage een vogel in haar borstkas met zich draagt. Ik ben benieuwd hoe ik reageer als mijn partner binnenkort melding maakt van een kraai of steltloper, opgesloten in haar ribbenkast. Ik denk dat ik het dan toch opvat als een signaal dat het niet zo goed met haar gaat, en dat ik even de huisarts moet bellen in plaats van verder te lezen, wat ik toch al te veel doe, vindt ze.

Inmiddels ben ik op bladzijde 117 van Tokarczuks boek, en las net het verhaal (over) ‘Pieter Dieter’, een melancholisch kleinood over het wisselend lot van Polen, althans over een Duitse Pool dan wel Poolse Duitser die zijn geboortegrond niet terug kan vinden, doordat men er met een slordig gebaar de grenzen steeds van verlegt.

Hoe je van rabarber komt op Archemanes, weet ik niet. Wie Archemanes was, weet ik ook niet. Een van de docenten van Pythagoras, zegt de ik-vertelster. Ik neem het maar aan, ik weet daar niets van. Ben benieuwd of het interessant wordt; kan zomaar. Of niet natuurlijk.

Maar ik denk van wel. Tussendoor las ik namelijk een bespreking op het weblog Whispering Gums, kennelijk ergens in Australië geschreven. Mrs. Gums noteert iets wat, zo zag ik toen ik het las, in grote mate overeenkomt met wat ik pre-verbaal in mijn hoofd heb rondwaren.

Weer ruim honderd pagina’s verder weet ik nog steeds niet goed zelf te formuleren wat me zo aantrekt in dit verrassingspakket vol verhalen. Misschien is dat het: je weet de ene bladzijde niet waar je op de andere verzeild zult raken. Omdat het bereik van de verhalen in aanleg nogal streekgerelateerd is, zijn de zijpaden die de vertellingen steeds nemen louter verademingen, hoewel zelfs de beschrijvingen van de licht kneuterige alledaagse gebeurtenissen door hun luchthartige stijl ook zeer aangenaam zijn. En daarbij komt nog dat er iets absurds in alle verhalen steekt, en iets dubbelhartigs doordat er personages zijn die eigenlijk hopen dat ze tijdens een nachtelijke wandeling langs de grens door hun kop worden geschoten terwijl ze overdag toch alles behalve ontevreden lijken te zijn.

Op een gegeven moment gaat een stel hoofdstukken over een landhuis, een groot landhuis waar meerdere generaties van de familie Von Goetzen wonen. Een van de leden van de Von Goetzen-familie ‘was a professor, a real professor, who spent his whole life reading books, studying and traveling, and who wasn’t interested in gardens. His name was Jonas Gustaw Wolfgang Tschischwitz von Goetzen.’ Zo’n beschrijving alleen al houdt mij stevig aan de leesstoel gekluisterd.

Die professor verdiepte zich in (onder meer) religieuze sekten die tijdens de Reformatie in Silezië actief waren, meer in het bijzonder de volgelingen van Kaspar von Schwenckfeld en de Cutlers. Von Schwenckfeld kon ik terugvinden op het internet, als zijnde een Silezische theoloog, van de Cutlers vond ik niets in die geest. Maar daarover gaat wel een volgend hoofdstuk, waarvan de eerste zin luidt: ‘They spent their days singing psalms and making knives.’ Verderop staat deze karakteristiek:

The Cutlers believed that the soul is a knife stabbed into the body, which forces it to undergo the incessant pain that we call life.

Dankzij zo een fragmentje raas ik gretig verder door de tekst, als was die er een van de zus van Tom Waits, uit het Pools vertaald.

Natuurlijk komen die Cutlers later nog even terug, maar ook andere referenties aan messen en messensmeden. In het Duits roept dat laatste woord associaties op die de vertelster laat liggen (terwijl de twee wereldoorlogen niet afwezig zijn in vertellingen over deze streek), maar de ontstaansgeschiedenis van de (ver verwijderde) nederzetting Solingen, gesticht door een messenmaker, komt wel aan de orde.

Alles draait, zoveel is toch wel duidelijk uiteindelijk om de onbegrijpelijkheid en de (veronderstelde) eindigheid en onbestendigheid van het bestaan, van alle bestaan. Met talloze vertellingen wordt gepoogd iets van de zin ervan in het oog te krijgen, of troost.

Een wonderbaarlijk mooie constellatie-roman.