maandag 9 februari 2026

Peter Barthel, Professor, bestaat God?

AUP, Amsterdam, 2e druk, 2017 (1e dr. 2017). Hardbackje, ingenaaid, 108 bladzijden, inclusief ‘Dankwoord’, ‘Illustratieverantwoording’, ‘Bronnen’ en iets ‘Over de auteur’, een in 1952 geboren, in Amsterdam opgeleide en in Leiden anno 1984 gepromoveerde, Groningse astrofysicus.

Om de viering van het 400-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Groningen publieke luister bij te zetten, konden leken anno 2014 hun prangende vragen stellen aan de Groninger geleerden (die werkten volgens een vroegere slagzin aan de grenzen van het weten). De vraag van de toen zevenjarige Anco die drie jaar later de titel van het boekje is geworden, kwam bij de astrofysicus Barthel terecht. Ik vond zowel het idee van die publieke dienstverlening als de attributie van de levering van het antwoord op Amco’s vraag naar het al dan niet bestaan van God aan een sterrenkundige, zeer sympathiek. Ik trof een en ander bij toeval aan in het al even sympathieke Arnhemse boekencafé Libertas; tweedehands, dus.

Erg leuk dat ze destijds niet een theoloog deze vraag in de maag hebben gesplitst, maar een astrofysicus, weliswaar eentje die kritisch lid van de Protestantse Kerk in Nederland is (en dat niet onvermeld laat) en wiens achternaam een sterke referentie aan protestants-theologische sferen bevat, maar toch niet voor iedereen een voor de hand liggende keuze. Wat wellicht hielp, is dat Barthel wetenschapscommunicatie van groot belang acht en gewend is om met zijn kennis de boer op te gaan. En dan haalt hij, al op pagina 19, ook nog eens Wittgenstein aan: ‘Alles was sich überhaupt sagen läßt laßt sich klar sagen, und wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen.’

Barthel is inderdaad een heldere communicator. Hij schrijft zonder ruis heel begrijpelijk en subtiel over abstracte en complexe en ook gevoelige zaken. Wat ook zeer sympathiek is: hij neemt (de vraag van) Anco serieus, zonder op de wijze van opa-legt-het-wel-even-uit tot over z’n enkels door de knieën te gaan.

Het antwoord aan Anco is echter toch nog ruim 107 bladzijden te lang. Het had kunnen luiden: ‘Ja, God bestaat, als je maar iets heel anders onder ‘‘God’’ verstaat dan wat de meesten eronder verstonden en verstaan.’ Daarbij kan Barthel het helaas niet laten om stevig terug te vallen op de Bijbel, inclusief de Tien Geboden, terwijl hij tegelijkertijd aangeeft dat die Bijbel wel heel anders geïnterpreteerd moet worden dan de reguliere theologen deden en doen en, neem ik aan, zullen blijven doen.

Dat – namelijk: het zowel op de Bijbel terugvallen als diezelfde Bijbel zoals Die is, min of meer compleet afwijzen – gaat, als je het mij vraagt (maar welk verstandig mens doet dat?), niet goed lukken zonder scheuren en brokken. Een klein blikje op de eerste vier der tien geboden, zoals opgenomen in de Statenvertaling, leert immers het volgende:

Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

[1] Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

[2] Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.

[3] Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.

[4] Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.

Dat klinkt mij in de oren als de oerknal van een extremistisch exclusieve, enkelvoudige, persoonlijke, absolutistische gods-dogmatiek. Indachtig zijn onderliggende doelstelling (zowel de christelijke kool van de religie als de gloeiende geit van de sterrenkunde te sparen), rept Barthel met geen woord hierover, maar stelt hij wel met gemak en zonder argumenten dat iedereen het er al eeuwenlang over eens is dat we elkaar niet dood moeten slaan (zesde gebod) en zo, en dat we als mensen al heel lang in die Geest proberen te leven en dat die Geest zo’n beetje in de Bijbel en die Geboden is vastgelegd. Hij heeft het, met dank aan Carel ter Linden, over een ‘geest die wij zelf gedurende duizenden jaren met vallen en opstaan hebben ontdekt en nog steeds ontdekken’.

Barthel maalt zijn materie nog verder fijn in de hoop de consumptie ervan te bevorderen, onder meer door subtiel ‘overtuiging’ en ‘vertrouwen’ te onderscheiden als de twee betekenismogelijkheden van het Engelse ‘faith’ dat een equivalent zou zijn van het Nederlandse ‘geloof’ (dat mijns inziens wel ‘overtuiging’ maar niet zo erg ‘vertrouwen’ kan betekenen), en ‘geloof’ is een woord dat Barthel ‘bij voorkeur niet’ gebruikt (mijn curs.; IdvH). Hij spreekt ‘liever van faith, vertrouwen, of religiositeit’. Al deze schriftgeleerderij staat op pagina 81.* Er past, lijkt mij, op geen enkele wijze nog een protestantse faith-, vertrouwens- of religiositeitsbelijdenis bij deze semi-postmoderne variant van een laat- of neo-spinozistisch georiënteerde angstvallige Bijbelvasthoudendheid.

Jammer. Toch niet echt helder, deze sterrennevel.

Hoe zou het met Anco gaan?

*Wie mij niet gelooft, stuur ik, na bestrijding van mijn porto- en verpakkosten, graag het boekje toe per post.

donderdag 5 februari 2026

Olga Tokarczuk, House of Day, House of Night

Oorspronkelijk in het Pools verschenen in 1998, gelezen in de Engelse vertaling van Antonia Lloyd-Jones uit 2002 in de heruitgave door Fitzcarraldo Editions uit 2025. Paperback met flappen, 332 bladzijden, met wel een aantekening van de vertaalster vooraf en een motto, maar verder geen annotaties, dankwoord, bibliografie, reclame voor ander werk of wat dan ook; gewoon schoon aan de haak.

How painful it is to be loved for nothing, just for existing.

Hoe vreemd het is om deze zin te lezen, vooral als je direct daarvoor met grote belangstelling Alice Millers Het drama van het begaafde kind hebt gelezen. Miller, een Freudiaans geschoolde, maar van de oude leer afgezwaaide psychotherapeute, was in haar praktijk gericht op het hervinden van het ware zelf, het nog niet door de invloed van opvoedende ouders en anderen vervormde zelf van de cliënt. Juist het ontbreken van het gevoel geliefd te zijn om wie iemand louter zelf is, kan een mens traumatiseren, stelt Miller. Ze streeft er in haar therapie niet zozeer naar dat de cliënt (Freudiaans rationeel) begrijpt hoe het er vroeger aan toe is gegaan, maar dat die het eertijds geleden gemis weer bewust en emotioneel ervaart, en er dan alsnog onomwonden om kan rouwen.

Olga Tokarczuk (1962), in wier roman ik de geciteerde zin las, is de laureaat van de Nobelprijs voor literatuur 2018 en een Jungiaans geschoolde psychologe, geboren in Polen, net als Miller maar een halve eeuw later. De zin staat op pagina 45 van haar roman, die niet een gewone roman is, maar meer een lappendeken van samenhangende verhalen van allerlei aard en lengte; wellicht is het een episodische of een seriële roman, of zoals het op het achterplat van het boek heet: een ‘constellation novel’, in elk geval een tekst die is geschreven in glasheldere taal en die toch bepaald niet vrij is van surreële elementen, wat, bijvoorbeeld, zeer duidelijk wordt in het verhaal over ene Marek Marek, die het gevoel heeft dat er een grote zwarte vogel met een lange snavel en gevederde poten in zijn lichaam huist.

Dat was voor mij echter niet zo heel vreemd om te lezen, in aanmerking genomen dat ik een tijdje terug ook al een roman las waarin een personage een vogel in haar borstkas met zich draagt. Ik ben benieuwd hoe ik reageer als mijn partner binnenkort melding maakt van een kraai of steltloper, opgesloten in haar ribbenkast. Ik denk dat ik het dan toch opvat als een signaal dat het niet zo goed met haar gaat, en dat ik even de huisarts moet bellen in plaats van verder te lezen, wat ik toch al te veel doe, vindt ze.

Inmiddels ben ik op bladzijde 117 van Tokarczuks boek, en las net het verhaal (over) ‘Pieter Dieter’, een melancholisch kleinood over het wisselend lot van Polen, althans over een Duitse Pool dan wel Poolse Duitser die zijn geboortegrond niet terug kan vinden, doordat men er met een slordig gebaar de grenzen steeds van verlegt.

Hoe je van rabarber komt op Archemanes, weet ik niet. Wie Archemanes was, weet ik ook niet. Een van de docenten van Pythagoras, zegt de ik-vertelster. Ik neem het maar aan, ik weet daar niets van. Ben benieuwd of het interessant wordt; kan zomaar. Of niet natuurlijk.

Maar ik denk van wel. Tussendoor las ik namelijk een bespreking op het weblog Whispering Gums, kennelijk ergens in Australië geschreven. Mrs. Gums noteert iets wat, zo zag ik toen ik het las, in grote mate overeenkomt met wat ik pre-verbaal in mijn hoofd heb rondwaren.

Weer ruim honderd pagina’s verder weet ik nog steeds niet goed zelf te formuleren wat me zo aantrekt in dit verrassingspakket vol verhalen. Misschien is dat het: je weet de ene bladzijde niet waar je op de andere verzeild zult raken. Omdat het bereik van de verhalen in aanleg nogal streekgerelateerd is, zijn de zijpaden die de vertellingen steeds nemen louter verademingen, hoewel zelfs de beschrijvingen van de licht kneuterige alledaagse gebeurtenissen door hun luchthartige stijl ook zeer aangenaam zijn. En daarbij komt nog dat er iets absurds in alle verhalen steekt, en iets dubbelhartigs doordat er personages zijn die eigenlijk hopen dat ze tijdens een nachtelijke wandeling langs de grens door hun kop worden geschoten terwijl ze overdag toch alles behalve ontevreden lijken te zijn.

Op een gegeven moment gaat een stel hoofdstukken over een landhuis, een groot landhuis waar meerdere generaties van de familie Von Goetzen wonen. Een van de leden van de Von Goetzen-familie ‘was a professor, a real professor, who spent his whole life reading books, studying and traveling, and who wasn’t interested in gardens. His name was Jonas Gustaw Wolfgang Tschischwitz von Goetzen.’ Zo’n beschrijving alleen al houdt mij stevig aan de leesstoel gekluisterd.

Die professor verdiepte zich in (onder meer) religieuze sekten die tijdens de Reformatie in Silezië actief waren, meer in het bijzonder de volgelingen van Kaspar von Schwenckfeld en de Cutlers. Von Schwenckfeld kon ik terugvinden op het internet, als zijnde een Silezische theoloog, van de Cutlers vond ik niets in die geest. Maar daarover gaat wel een volgend hoofdstuk, waarvan de eerste zin luidt: ‘They spent their days singing psalms and making knives.’ Verderop staat deze karakteristiek:

The Cutlers believed that the soul is a knife stabbed into the body, which forces it to undergo the incessant pain that we call life.

Dankzij zo een fragmentje raas ik gretig verder door de tekst, als was die er een van de zus van Tom Waits, uit het Pools vertaald.

Natuurlijk komen die Cutlers later nog even terug, maar ook andere referenties aan messen en messensmeden. In het Duits roept dat laatste woord associaties op die de vertelster laat liggen (terwijl de twee wereldoorlogen niet afwezig zijn in vertellingen over deze streek), maar de ontstaansgeschiedenis van de (ver verwijderde) nederzetting Solingen, gesticht door een messenmaker, komt wel aan de orde.

Alles draait, zoveel is toch wel duidelijk uiteindelijk om de onbegrijpelijkheid en de (veronderstelde) eindigheid en onbestendigheid van het bestaan, van alle bestaan. Met talloze vertellingen wordt gepoogd iets van de zin ervan in het oog te krijgen, of troost.

Een wonderbaarlijk mooie constellatie-roman.

maandag 12 januari 2026

Mirjam van Hengel, Dola

Over haar schrijverschap en de hele mikmak. Paperback met flappen, 304 bladzijden inclusief fotokatern, dankwoord, opmerkingen en (selectieve) bronnenlijsten. De Bezige Bij, Amsterdam 2022.

Eerder gaf ik al aan dat ik me wel kon voorstellen dat ik dit boek zou gaan lezen; het sluit aan bij mijn interesse voor veronachtzaamde vrouwelijke Nederlandstalige literaire auteurs in de twintigste eeuw, lui zoals Andreas Burnier en Aya Zikken. En ja hoor, Dola de Jong (1911-2003) lijkt tot die groep te behoren, afgaande op de biografie die Mirjam van Hengel aan haar wijdt. Werk van De Jong las ik nog niet, maar haar leven en karakter zoals geschetst door Van Hengel zijn al interessant genoeg. Komt nog bij dat De Jong uit Arnhem komt. Kat in ’t bakkie. De digitale versie van de heruitgave (Cossee 2022) van Dans om het hart (Querido 1938, volgens de heruitgave, maar 1939 volgens de catalogus der KB, Wikipedia en de bronnenlijst van deze biografie) staat al te wachten op de leesplank van m’n e-lezer.

Vooral van De Jongs leven voor de Tweede Wereldoorlog zijn maar weinig documenten overgeleverd; Van Hengel maakt dan ook meer dan in haar boek over Campert gebruik van haar eigen verbeeldingskracht om, op een grondlaag van algemene informatie, dat deel van het leven van Dola de Jong een levendige kleur te geven. Dat kan je afkeuren in een biografie, je zou er ook dankbaar voor kunnen zijn: een biografie is per definitie, onontkoombaar een persoonlijk gekleurd beeld van het leven van een ander, een soort re-enactment in een ander medium, en niet een neutrale, ongekleurde, zakelijke, louter ‘feitelijke’ weergave. Ook het ambacht van het schrijven van de biografie krijgt naar aanleiding hiervan aandacht, alsmede de persoonlijke verhouding van de biograaf in kwestie tot het biografisch onderwerp. Van Hengel durft hier aangenaam ver in te gaan, expliciet.

Het leven van Dola de Jong, die verhalen en romans voor zowel kinderen en jongeren als volwassenen schreef, in het Nederlands en het Engels, en daarnaast danseres was en tal van andere, onder meer journalistieke betrekkingen had, enkele keren trouwde, voor de Tweede Wereldoorlog meest in Nederland woonde, met name in Arnhem en Amsterdam, erna meest in de Verenigde Staten van Amerika, waarheen ze al voor het begin van de oorlog gevlucht was en als ongeveer de enige van haar familie de Holocaust overleefde, dat leven mag zonder overdrijven ‘bewogen’ worden genoemd. Toch waren drankzucht, zin voor en zin in avontuur alsmede verantwoordelijkheidsgevoel bij haar omgekeerd evenredig aan die van de eerder genoemde, achttien jaar jongere Remco Campert, terwijl haar literaire productiedrift niet voor die van hem onderdeed.

Wat, naast het leven van Dola de Jong, maakt deze biografie zo aantrekkelijk en goed? De stijl. Klein voorbeeldje daarvan:

Je zou willen dat ze daar in New York meer in een kring van gelijkgestemde vrouwen terecht was gekomen. Zoals in Greenwich Village in die jaren Hannah Arendt en Mary McCarthy elkaar opzochten en vrienden voor het leven werden. Hun emotionele afstandelijkheid was verwant aan de hare maar hun zelfvertrouwen en intellectuele moed had ze niet, ze lijkt een beweeglijk eendje naast deze strenge, reigerachtige vrouwen.

Van Hengels persoonlijke visie op en inleving in de situatie blijkt uit de intro (‘Je zou willen [...]’); de referentie aan Arendt en McCarthy getuigt van contextuele verkenning en informatiegaring; een en ander komt op een mooie wijze samen in de vergelijking aan het slot. Daarbij komt dat het hele beeld aansluit bij een waarneming of visie van Jan Greshoff, met wie De Jong in New York had samengewerkt, en die over haar in zijn dagboek noteerde:

Zij voelt sterk het gemis aan Nederlandse schrijvers. Zij is tenslotte vervreemd van Holland en nog niet geheel veramerikaniseerd.

Ik zou nog wel meer over het stevige leven van Dola de Jong weer willen geven, maar veel beter is het dat wie nu bemoedigend ‘ja’ zit te knikken, deze meeslepende biografie zelf aanschaft of leent en gaat lezen. Ze is die aandacht waard.

P.S.
Ik noteer dit terwijl ik tot pagina 142 ben gevorderd met lezen en Dola’s levensverhaal pas eindigt op pagina 280, of eigenlijk 260 (hoe dat precies zit, wil ik niet verklappen). Ik heb niet de indruk dat ik mijn waardering voor deze biografie verder hoef te onderbouwen. De vorige twee boeken van Van Hengel die ik las... daar kon schrijvend Nederland ook al met een gerust hart een voorbeeld aan nemen.

Coda
Het levensverhaal van Dola de Jong is werkelijk aangrijpend, kan ik na lectuur van alle 280 pagina’s zeggen. Van Hengel weet – om haar eigen woorden, maar dan over een ander onderwerp, te lenen – hoe ze haar vingers achter de kreukels van het complexe bestaan krijgt. Niet eerder wist iemand me het wrede en ingrijpende mechaniek van het complexe trauma van de Holocaust-overlevende zo overtuigend duidelijk te maken. Tegelijkertijd is dit ook ernstige boek nergens te zwaar. Komt misschien door Van Hengels compositorische vakmensschap dat zich mede uit in een wending als ‘– maar daarover straks.’

Slot
Ga ik toch weer verder met nabauwen, reflecteren en citeren? Neem het nu maar van me aan: dit is goed, ga dit boek zelf lezen. Nu. Het is informatief, kritisch, op een vanzelfsprekende wijze oer-feministisch (zoals Dola de Jong een fris en autonoom soort praktisch-feministe bedreef), spannend, literair, enorm goed geschreven en het zet je waarschijnlijk op het spoor van uren voortzetting van het leesplezier na dit boek, namelijk in het oeuvre van Dola de Jong.

Dit bericht kreeg een tweede leven in het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen, Neerlandistiek.nl 

zaterdag 10 januari 2026

Anne de Marcken, Its Lasts Forever and Then It’s Over

3rd Edition. Fitzcarraldo Editions, London 2025. Oorspr. 2024. Paperback met flappen, 131 blz. inclusief Notes on Epitaphs en Acknowledgements. Op haar webstek signaleert de auteur drie parallel verschenen Engelstalige uitgaven uit 2024, in de USA, in het VK en in Oostenrijk, daarnaast vertalingen in het Spaans, Duits, Turks en Nederlands, die laatste in 2025 bij Koppernik. 

Soms koop ik een boek omdat de uitgever niet alleen inhoudelijk maar ook materieel mooie boeken maakt, en omdat de titel heel erg goed is. En omdat het met prijzen is gelauwerd, waaronder de 2024 Ursula K. Le Guin Prize for Fiction; omdat de prijsjury zegt dat het ‘a work of quietly detonative imagination’ is.

Dat de hoofdfiguur van het dystopische verhaal tot de ondoden behoort, dat haar linker arm van haar lichaam is gevallen, en dat ze een kraai in haar borstkas draagt, neem ik dan voorlopig welwillend op de koop toe; dat het boek uit VII delen bestaat, die elk heel erg veel door één tot drie witregels gescheiden paragrafen bevatten, ook. Dat er al snel weinig werkelijk verhaal te onderscheiden lijkt te zijn, maakt het wel wat lastiger, dat suspenderen.

Maar omdat in het boek dat ik ervoor las, aan het eind een essay stond waarin een paradoxaal soort thematiek werd behandeld, zet ik na de eerste achtendertig bladzijden door, om ook deze multidisciplinaire kunstenares en schrijfster een plaats in m’n bibliotheek te gunnen.

Het probleem is dat een traditionele, tot gewoonte geworden automatische proza-leeshouding niet afdoende is voor een prozakunstwerk als dit. Een novelle of roman of verhalenbundel is het niet, ook al is er steeds iemand aan het woord en soms ook in gesprek met anderen, maar af en toe ook met ‘you’, hoewel die niets terugzegt, die ‘you’ is meer de aangesproken persoon, de afwezige, de verloren geliefde waarschijnlijk, want ‘het’ gaat over honger, rouw en verlies, en kou, niet-(meer-)leven zowel als on-dood.

Inmiddels, na een kerstelijke en oudejaarsige leespauze waarin ik als tussendoortje een ander, en best dik, boek bijna helemaal uit las, ben ik in dit wonderlijke boek van De Marcken gevorderd tot deel IV. De vertelling gaat verder zoals ze hiervoor al ging. De fraaie vorm van het boek verandert ook niet. Maar er is me wel iets nieuws opgevallen.

De delen van het boek hebben alle een eigen titelpagina met daarop het deelnummer en een motto; enkele van die titelpagina’s worden voorafgegaan door een tekening. Of er systeem in zit, weet ik niet. Opmerkelijk is nu dat op dit punt een typografische etiquetteregel wordt geschonden: de tekst van elk deel begint niet op een rechter- maar op een linkerpagina, anders gezegd: de tekst van elk deel begint met een hele opening (zo heet dat, dacht ik)

Via de eigenzinnigheid van de opmaak en een obsessieve kronkel in mijn brein kwam ik op de vergelijking van dit boek met Memoires van een luipaard (2001) van Peter Verhelst, een pareltje in de kroon van het literaire post-modernisme waar ik jarenlang namens mijn collega’s studenten mee heb lastiggevallen in de cursus Moderne Tijd, over de moderne Nederlandstalige letterkunde. Zij, de studenten, bedoel ik, snapten niet veel minder van die novelle of roman dan ik, maar velen raakten er toch eveneens door gefascineerd (en ik hoopte dan dat ze tijdens het tentamen in ieder geval het structurele en literair-historische verschil met een boek als Max Havelaar (1860) duidelijk konden maken).

En zo verschuift dan uiteindelijk toch mijn leeshouding nog naar een ronduit ondergaan van wat er staat, een beetje in de geest van Nijhoffs woorden in een brief aan Achterberg over diens eigen Ballade van de gasfitter: ‘het zal nu wel vanzelf hoe langer hoe helderder worden’.

Of niet, natuurlijk. Ik bedoel: je moet dat ergocentrisch gestuurde volledige duiden en doorgronden bij tijd en wijle achter je durven laten en meedeinen op de golven van de tekst. Zien wat ervan komt.

Een voortzetting van een tocht westwaarts die de hoofdfiguur onderneemt met in zich een leegte van rouw en gemis – zelfs de geïmplanteerde kraai is verdwenen. Kannibalisme is klaarblijkelijk een optie in het domein van de ondoden; het wordt zo zakelijk, afstandelijk en gortdroog verteld, dat het nauwelijks opvalt.


Over de woordafbreking in Engelstalig drukwerk verbaas ik me vaker wel dan niet (‘imagin-/ary’, ‘noth-/ing’); gelukkig weet Fitzcarraldo Editions de inzet van het afbreekstreepje echter tot een absoluut onopmerkelijk minimum te beperken. Maar opeens staat er op pagina 97 een schitterend enjambement: ‘and pause mid- / chew’. En dat gezegd over twee paarden die net paarden. Pas drie regels verder, in de laatste zin van de alinea en van de pagina, beginnend met een schijnbaar tegendraads ‘Finally’, wordt die pauze in het kauwen weer opgeheven, net voor de pagina vol is. Zo goed geschetst is dat, met een zo goede ritmiek (prosodie?) op papier gezet, en zo herkenbaar, dat je er niet eens zelf ooit ‘Huh’ voor tegen twee paarden gezegd hoeft te hebben om het onmiddellijk te begrijpen.

Dat de vertelster iets later onthoofd wordt, en daarbij al dan niet realistische gewaarwordingen heeft omtrent zijn en niet zijn, annex het zijn op twee plaatsen tegelijk, sluit aan bij eerdere dualiteiten in deze fantasierijke roman, maar is wat moeilijk te verkroppen voor iemand die ernaast nog steeds aan het lezen is in een roman die gebaseerd is op de keiharde maar wereldwijd lang genegeerde, afzichtelijke werkelijkheid van de gruwelijke burgeroorlog in Algerije aan het eind van de vorige eeuw (1991-2002), Kamel Daouds indrukwekkende roman Houris (2025). 

De werkelijkheid is absurder dan fictie, want de vertelster in Daouds roman werd op zeer jonge leeftijd daadwerkelijk onthoofd, maar die executie mislukte, waardoor zij nu een litteken in haar hals heeft dat op een grimlach lijkt, van oor tot oor, via een kunstmatige opening moet ademen en niet meer spreken kan doordat haar stembanden zijn doorgesneden; in gedachten doet ze haar geschiedenis uit de doeken voor ons, lezers, maar in eerste instantie voor haar nog ongeboren kind, waarvan zij niet weet of zij, alleenstaande vrouw, het wel geboren kan en wil laten worden in een land waar heel de gewelddadige poging tot machtsovername door moslimfundamentalisten totaal verzwegen moet worden.

Onthoofd, wordt de vertelster van It Lasts Forever and Then It’s Over ook nog een aan een kruis gehangen, ondersteboven, met elf anderen (geen idee wie) in een cirkel, als een soort zonnewijzer en de vertelster doet dan quasifilosofisch iets met tijd en ruimte. Een oude vrouw haalt haar van het kruis af en samen zetten ze de tocht naar de oceaan (want dat blijkt het nu te zijn geweest) voort, hand in (ene) hand, de oude vrouw draagt het hoofd van de vertelster, die ongestoord doorvertelt alsof er helemaal niets aan de hand is.

Of het inderdaad om een verstelster gaat of toch om een verteller, of dat het genus van de woordvoerder er niet toe doet, wordt niet duidelijk uit het vertelde (nog een kleine overeenkomst met de eerder genoemde roman van Verhelst). Ik ben onnadenkend in de fuik getrapt van identificatie van de vertellende instantie met de auteur.

Ik moet zeggen dat ik op dit vergevorderde punt  van mijn lectuur de dystopie onder mijn ogen zie verworden tot een partij slap gefantaseer, om het netjes uit te drukken. Kennelijk ben ik niet in de wieg gelegd voor dit genre. Maar het helpt een beetje als ik bedenk dat een en ander, dat het geheel zelfs metaforisch kan worden opgevat, als beeld van de verscheurdheid (ja ja) van een mens door verlies, verdriet, rouw.

Het boekje duurde me wat te lang, maar nu heb ik het uit, tikte ik tot slot opgelucht alluderend op de titel.




maandag 5 januari 2026

Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik

Portret van Remco Campert. De Bezige Bij, Amsterdam 2018. Bekroond met de Henriëtte de Beaufortprijs 2022. Bibliotheekexemplaar van de digitale uitgave.

Dit boek staat te boek als een biografie. En dat is het zeker, en zelfs een wonderbaarlijk goede biografie. Het is tegelijk toch ook een lichtelijk excentrisch exemplaar binnen de categorie van de literaire biografieën alsmede binnen de schrijversbiografieën. Dat ongewone zit erin dat Van Hengel uitgebreid heeft gesproken met Campert (en zijn toenmalige en laatste echtgenote, Deborah), ik weet niet gedurende hoeveel weken iedere vrijdag een paar uur. En ze mocht gratis en ongestoord in zijn werkkamer grasduinen.

Voor een gemiddelde biograaf lijkt me zo’n werkwijze uitzonderlijk; biografen gaan normaal gesproken immers over lijken. De weg die Van Hengel hier bewandelt,  oogt ronduit gevaarlijk. Hoe link is niet het om het leven te beschrijven van iemand die nog leeft terwijl je je onderzoek doet en terwijl je schrijft. En dat dan ook nog eens in het bijzijn van en in samenwerking met de aanstaande weduwe (Campert overleed in 2022, de biografie verscheen in 2018). Hoe groot is dan de kans dat een en ander leidt tot een misvormde hagio- in plaats van een zuivere biografie die die catalogusnaam met ere kan dragen.

Ik twijfel er evenwel geen seconde aan dat Van Hengel al de mogelijke gevaren van deze onderneming  heeft weten te omzeilen. Dat komt niet alleen doordat haar portret van deze excentrische Vijftiger bijzonder overtuigend en genuanceerd is, maar ook doordat ze zeer veel van Camperts tijd- en bentgenoten (en trouwens ook bedgenoten) heeft gesproken en hun brieven heeft gelezen, doordat ze bijzonder goed op de hoogte is van de literaire en sociale en culturele (muzikale, cinematografische etc.) contexten waarin Campert zich gedurende zijn, eigenlijk niet zo bewogen maar wel uiterst slordige, leven heeft begeven (om er zich vervolgens ook weer aan te onttrekken). Het komt verder doordat ze heel het literaire oeuvre van Campert lijkt te kennen en te hebben doorgrond, zodat ze er te pas uit kan citeren zonder in de valkuil van de biografische inlegkunde te tuimelen. Het komt ook doordat ze een chronologische structuur weet te vermengen met een thematische, daar waar het nodig is heel handig schakelend en heen en weer schietend langs de dwingende tijdlijn.

Literair-analytisch is Van Hengel ook sterk. Ze belicht het werk van Campert heel secuur en grondig, ze wijst de thematische lijnen erin overtuigend aan, ze bespreekt en belicht Camperts positie tussen de Vijftigers waar nodig (wat wil zeggen dat ze er niet nodeloos over door blijft gaan omdat Campert meer is dan alleen maar dat). Wat daarnaast aantrekkelijk is aan deze biografie, afgezien nog van de soepele, gesoigneerde, toegankelijke stijl van Van Hengel, is dat deze biograaf bijna schaamteloos enthousiast is over het literaire werk van de bebiografeerde en anderzijds er niet voor terugschrikt minder eclatant werk als zodanig te bestempelen en, niet onbelangrijk, ook ruim aandacht heeft voor de schaduwzijden van het bijzondere karakter van deze dichter, kansrijk kandidaat voor de prijs voor het auteurschap met het hoogste alcoholpromillage.

Dat Van Hengel naar aanleiding van dit boek de Henriëtte de Beaufortprijs 2022 in ontvangst mocht nemen, lijkt me dan ook een eenvoudige daad van rechtvaardigheid. Deze literaire biografie is zeer informatief en degelijk en analytisch en veelkantig, zozeer zelfs dat ik me erdoor van de plicht voel ontslagen me verder te verdiepen in het oeuvre van deze auteur. Nog voor de uitleentermijn van dit digitale biebboek verstreken was en het boek geruisloos uit mijn e-lezer zou verdwijnen, nog voor ik aan hoofdstuk 10 kon beginnen, besloot ik het erbij te laten. Camperts werk volgt getrouw zijn leven en na 64% van deze heerlijke biografie gelezen te hebben, had ik mijn buik vol van de oneindig eigengereide dronken lamzak die deze dichter als mens bij leven (en gebrek aan welzijn) toch ook geweest moet zijn.

Dit bericht kreeg, onder een andere kop, een tweede leven, en enkele reacties, op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen.


maandag 22 december 2025

Piet Gerbrandy, Het woord en de wereld

Duidingen van een dichter. Door de auteur geselecteerde en bewerkte essays. Een lekker dikke paperback met papier van paperbackkwaliteit (een beetje opdikkend), gezet uit een klassieke Bembo (-achtige, typische paperbackletter), gevat in een opmerkelijk slappe kaft, waardoor het boek goed in de hand van de geleunstoelde of treinreizende lezer ligt, en goed openvalt, en dat een goede bladspiegel heeft op alle, maar liefst 316 bladzijden, inclusief Verantwoording, Bibliografie en Register van namen. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2025.

Tot mijn schrik moet ik constateren dat ik nog niet volledig ben wat betreft het verzamelen (en lezen) van Gerbrandy’s essays. Zeker in het geval van Gerbrandy is zo’n omissie pijnlijk want deze classicus, dichter en essayist leest wél iedere tekst en ieder oeuvre waar hij over schrijft volledig en grondig. Een steeneik op de rotsen (Meulenhoff, 2003), Omroepers van oproer (Contact, 2006), De jacht op het sublieme (De Bezige Bij, 2014) staan hier op de plank, maar Grondwater (Atlas Contact, 2018) ontbreekt er nog, om maar iets en nog niet alles te noemen want Gerbrandy’s bibliografie is lang, langer dan de opsomming achterin het onderhavige boek, die alleen werk omvat dat bij Atlas Contact (en/of Contact) verscheen.

Wat een kennis, wat een wijsheid, wat een rijke wijsheid en daarop gebaseerde fraaie speculatie. Speculatieve wijsheid, wijsheid die doorborduurt, verbanden legt, verder reikt dan de vele feiten. Inzicht. Uitzicht.

Bijna halverwege dit boek met drieëntwintig, ten behoeve van deze bundeling bijeengegaarde en aangepaste essays, die oorspronkelijk tussen 2018 en 2024 verschenen in uiteenlopende periodieken en boeken, las ik dat Gerbrandy een categoraal-gymnasiale opleiding heeft genoten in Arnhem, mijn woonstee sedert enige jaren. Dat moet in het Stedelijk Gymnasium geweest zijn, dat dicht bij mijn toentertijd nog toekomstige woonst gehuisvest was; de huidige locatie is maar een ietsiepietsie verder; ik ambuleer er dagelijks langs met de hond; dat schept een band. In het betreffende stuk – ‘Waar waart gij, toen ik de aarde grondde?’ – gaat Gerbrandy vol op het orgel over de wormstekige, of moet ik zeggen: uiterst schrale kwaliteit van het middelbare en hogere gymnasiale onderwijs in Nederland. Ik zat als gepatenteerde alfa-neerlandicus al lezend meewarig instemmend te knikken, met enig recht omdat ik van dezelfde jaargang ben als Gerbrandy, al heb ik volgens sommigen betrekkelijk weinig recht van knikken omdat mijn gymnasium in Zeist er slechts een binnen een scholengemeenschap was, niet categoraal.

Opmerkelijk mag het heten dat Gerbrandy als oud-gymnasiast met een indrukwekkend vanzelfsprekend gezag deze typering van het gymnasiale onderwijs aan het papier weet toe te vertrouwen. Deze (gesettelde, witte, westerse, heteroseksuele, hoog-culturele) man heeft zijn diploma evident gebruikt als startlicentie voor een aansluitende, verdiepende, levenslange studie en professie om zoveel kennis en inzicht te vergaren dat hij de paradox die in deze debunking schuil lijkt te gaan, met verve en luister heeft opgeheven.

In een ander stuk weet hij, in een handomdraai, een van de grondslagen van het christelijk geloof om zeep te helpen, overigens zonder tegelijk de christelijke cultuur, de overgeleverde traditie met het badwater van zich te werpen. Iets dergelijks, een innemend lankmoedige houding, blijkt uit zijn essay over Herman Gorters studie De groote dichters. Nagelaten studiën over de wereldlitteratuur en haar maatschappelijke grondslagen (1935), een boek waar hij met intense aandacht over schrijft, waar hij het fundamenteel mee oneens is, maar waarover hij met geen syllabe neerbuigend of depreciërend op neerziet.

Niet alle essays zijn voor mij even interessant (mij ontbreekt in enkele gevallen het relevante referentiekader nu eenmaal, met dank aan mijn scholengemeenschap) maar het merendeel is dat wel, en dat op prikkelende wijze omdat Gerbrandy een essayist is van de soort die de lezer niet in de steek laat maar stevig mee voert langs de stadia van zijn betoog. Nooit eerder zag ik, bij wijze van voorbeeld, een overtuigende uiteenzetting met een als schier vanzelfsprekende tussentijdse conclusie als deze:

Het sonnet, kortom, is de blues van de Europese lyrische traditie.

In dat licht is het niet gek in één essay zowel Martinus Nijhoff als Robert Johnson geciteerd te zien worden; ik had nog nooit gehoord van Robert Johnson (1911 – 1938) maar hij ‘was [blijkens Wikipedia] an [invloedrijke] American blues musician and songwriter’.*

Referenties van dit type zijn extra krenten in de voedzame pap van Het woord en de wereld, net als, maar op een andere manier dan, de volgende bewering, die, in de context van het essay over de terloopse eenvoud van Martin Reints, niet uit de lucht komt vallen maar mij desalniettemin onverwacht door een grijze vrijdagochtend heen heeft geholpen:

Het heeft geen zin tegen iemand te zeggen dat hij niet moet vergeten te ijsberen. 

Tegen het eind van de bundel, kwam ik, aan het begin van de tweede alinea van een essay over H.C. ten Berge, een notitie tegen die me uit de brand hielp bij het piekeren over de vraag wat nu een goede weergave zou zijn van de onderliggende thematiek van de gehele bundel:

De vroegste filosofen waren dichters, en dichters zijn altijd denkers geweest. Poëzie onderzoekt ‘wat het is te zijn’, om een formulering van Aristoteles te lenen.

Daarmee is meteen die wereld uit de titel verklaard: de essays gaan niet over activistische poëzie of iets dergelijks, maar over taal en teksten waarmee dichters en denkers zich een inzicht banen in het zijnde en (zoals het volgens Wikipedia in een eerdere bundeling van Gerbrandy heet) literatuur en existentie. De fundamentele intertekstualiteit van al het denken en dichten is met dit citaat impliciet ook erkend. Al de lange lijnen die Gerbrandy trekt tussen oudheid en actualiteit (of moet ik zeggen: laat-postmoderniteit) doen de titel en ondertitel van deze bundel volledig recht. Of andersom.

De essays behandelen zeer uiteenlopende onderwerpen, onder heel veel andere: poëzie als symbiose, Lucebert en diens geheim, het belang van algemene vorming, de betoverende poëzie van Annemarie Estor, Luceberts ‘Romeinse elehymnen’, het oeuvre van Sasja Janssen, wat een versregel geslaagd maakt, Herman Gorter en de canon van de poëzie, de paradoxen van het sonnet, Gorters Mei, Obe Postma, Martin Reints, H.C. ten Berge en Hans Faverey. Ik had bijna geschreven: met zo’n classicus heb je geen neerlandici meer nodig.

Het laatste essay, over ‘De poëzie van Hans Faverey als ontologische allegorie’ deed me, hoe meer ik het einde naderde, de vrees om het hart slaan. Het stuk sluit af met een citaat, de laatste strofe van het slotgedicht van Faverey’s laatste dichtbundel, Het ontbrokene (1990):

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

De ondertitel van deze essaybundel van Gerbrandy luidt: Duidingen van een dichter. Dat kan beduiden dat hij deze essays heeft geschreven als dichter, meer dan als classicus of essayist. Dat mag duidelijk zijn voor de meeste van de essays die ik hierboven opsomde, maar de overige hebben toch echt meer weg van werkstukken van een classicus. Misschien stelt hij zich vooral in de traditie waar hij eerder op wees: ‘Dichters zijn altijd denkers geweest.’ En dichters onderzoeken ‘wat het is te zijn’. Dat doen ze, zeker als ze essayeren, het liefst via het werk van andere dichters en denkers en filosofen, en, zeker als ze Gerbrandy heten, ook via jazzmusici.

Een dichter als Gerbrandy weet natuurlijk donders goed dat dit van in de ondertitel ambigue is. Er kan sprake zijn van: duidingen die worden gedaan door een dichter, maar ook van: duidingen die betrekking hebben op een dichter, in casu: Piet Gerbrandy zelf. In al deze essays zegt Gerbrandy enerzijds iets over het betreffende onderwerp van de tekst (vaak in de titel of ondertitel ervan aangegeven), maar anderzijds zeggen al deze essays onontkoombaar iets over de dichter Piet Gerbrandy zelf.

Ik mag toch hopen dat het afsluitende Faverey-citaat geen referentie is aan een eigen dichterlijk en/of essayistisch stilzwijgen. Daar wil ik nog lang niet bij staan.


*Ik voel de dreiging van de gruwelijke doem der goden boven mij samentrekken als ik eraan denk dat Gerbrandy er ooit achter zou komen dat ik deze bron van node had voor nadere info en metterdaad gebruikte. Johnson stierf al op zijn 27-ste maar had postuum veel invloed. Het verderfelijke Spotify (kan er ook nog wel bij) heeft naast het origineel een lijst covers van alleen al ‘Ramblin’ On My Mind’, het  nummer waar Gerbrandy uit citeert. 

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen.

maandag 8 december 2025

Claire-Louise Bennett, Big Kiss, Bye-bye

French paperback with flaps, 168 pages, volgens de webstek van de uitgever, maar de romantekst eindigt in mijn exemplaar op pagina 158. Gezet uit de Fitzcarraldo. Fitzcarraldo Editions, London 2025.

De eerste vier (van de IX genummerde) hoofdstukken van Big Kiss, Bye-bye heb ik nu gelezen, en het is tijd voor enige reflectie want al lezende speelde steeds de gedachte door mijn hoofd: wat is het dat me zo aantrekt in het werk van deze auteur, werk dat weldegelijk enkele kenmerken heeft die me normaal gesproken in literair proza juist niet tot lezen en doorlezen aanzetten. Big Kiss, Bye-bye is Bennetts derde boek, na haar debuut Pond (2015), twintig onderling verbonden korte verhalen, en de roman Checkout 19 (2021); van elk is al een Nederlandse vertaling  verschenen, bij Koppernik. Haar werk werd ook elders en op andere wijzen goed ontvangen.

Dat het werk van Bennett me aantrekt is enigszins overdreven, want het suggereert dat ik alles heb gelezen, terwijl ik de facto nog niet de helft van haar oeuvretje gelezen heb. Ik merk nu pas, dat ik over Pond hier nog niet genoteerd heb wat ik ervan vond; in mijn analoge leeslogboek vind ik er wel iets over maar dat helpt me weinig verder, wat misschien niet vreemd is omdat ik na de oorspronkelijke versie van die roman ook nog de Nederlandse vertaling aanschafte en las. Vond ik het door het fragmentarische, reflectieve, weinig breed uitreikende, semi-stream-of-consciousness-achtige, tastende karakter toch te weinig interessant, lijkt het te zeer een late, zoveelste herhaling van het aloude en achterhaalde hoog-modernisme? Moeilijk voorstelbaar, want wat ik nu las van Big Kiss, Bye-bye, vind ik prachtig, hoewel ook dat (vergeef me de typering, sprak Opa de Boomer verontschuldigend maar welbewust) toch iets weg heeft van millennialgeneuzel dat niet al te weinig over de rand van het naveltruitjespluis de wereld in staart.

Niet uit te sluiten, in verband met mijn huidige blijde ontvangst, is de invloed van de stoffelijke uitvoering van het boek dat nu op mijn tafel ligt. De producten van Fitzcarraldo Editions zijn wat mij betreft zonneklaar boven alle kritiek verheven, zowel wat betreft de materiële uitvoering als wat betreft de intrigerende inhoud, zeker de vijf exemplaren (vier in blauwe band, een in een witte) die ik tot nu toe in huis heb gehaald; stom genoeg heb ik Pond alleen digitaal en van een andere uitgever, maar dat kan ik binnenkort een beetje goed maken door Checkout 19, op papier en in blauwe band gevat, in de wacht te slepen (ahem, dat zou kras zijn, want die titel is aldaar helaas niet verschenen).

Pond verscheen in de USA als een roman, maar in het VK als een verhalenbundel. Omdat ik mag kiezen, zie ik het als een roman, althans een episodische vertelling, zeg maar in de geest van Robert Ankers Volledig ontstemde piano, maar wel met veel minder differentiatie in het handelingsverloop. Het fragmentarische van het plot van deze derde roman van Bennet, die, als gezegd, negen hoofdstukken telt, is betrekkelijk diep verstopt in, of: wordt gecamoufleerd door de associatief geordende, meanderende, vol van herhalingen gestopte, langgerekte reflecties op alles en nog wat dat opduikt in de herinnering van de naamloze hoofdpersoon annex verteller die enigszins in staat van ontreddering verkeert door de beëindiging van een relatie met een geliefde. Misschien word ik positief beïnvloed door de parallelle lectuur van de Nederlandse vertaling van Kamel Douads Houris, die me ingeeft dat je een constructie-stijl als die van Big Kiss, Bye-bye misschien kan typeren als: arabesk. Het lijkt de constructie bij uitstek voor een schrijver die tracht in woorden te vangen waar een mens denkt niet echt bij te kunnen, terwijl die wel weet dat het er is, zoals ook in Mijn kleine oorlog (1947/1960) van Louis Paul Boon.

Normaal gesproken houd ik, denk ik, net iets meer van proza dat met grote maar overzichtelijke, gelijkmatige, goed gemarkeerde stappen wat sneller thuis raakt dan dat van Bennett, maar in haar geval ben ik geïntrigeerd door wat me voorkomt als een literair/stilistisch experiment en laat ik me heel tevreden meevoeren door een narratieve performance waarvan ik, misschien wel net als de vertelster/auteur tijdens de conceptie ervan,  richting en doel nog niet ken. En redelijk vaak krijg ik een grote glimlach op mijn lezersgelaat wanneer ik een bladzijde omsla en het uitzicht krijg op een boordenvolle boekopening, twee bladzijden naast elkaar met een goed bemeten zetspiegel zonder een enkel spoortje typografisch wit: geen witregel tussen paragrafen, geen inspringing voor een nieuwe alinea, geen kop- en geen staartwit, alleen maar letters en leestekens, louter tekst. Maar inderdaad, ja, wel marges en spaties; zo erg is het nou ook weer niet; nee, het ís geen harde-kern-experimenteel proza. Maar wel proza met de beste, de gretigste, de onmogelijkste en daverendste copulatiescène van deze eeuw.

In het voorlaatste hoofdstuk (ik sla echt heel veel over), als de vertelster terug is uit Schotland, een narratief detail waarvan ik nu niet meer weet uit welk verband het stamt, wordt ze genegeerd door een haar bekend persoon, de zoveelste oud-geliefde, en dan barst ze los in een heerlijke, ouderwetse monologue intérieur vol met ‘and’ aan elkaar gelijmde, steeds bozere bedenkingen, met aan het eind de heerlijke typering van die lamzak van een vent als zijnde een ‘lily-livered nitwitt’. Het eerste deel is al terug te vinden bij Shakespeare (zie: ‘7 Shakespearean Insults to Make Life More Interesting’ in de Merriam-Webster Dictionary) maar Bennett voegt er een ferme scheut eigen vitriool aan toe met het assonerende tweede deel. Dit staat aan het eind van de eerste paragraaf van het slothoofdstuk, een meer dan vier bladzijden lange, wit-loze paragraaf.

De witregel daarna geeft extra kracht aan de plotse paragraafwisseling: ze vertelt verder over Xavier, ‘whom she still loves but no longer desires’, zoals de achterplattekst zo scherp weet te melden. Xavier, overigens, die haar vaak witte lelies ten geschenke gaf, zoals ze een bladzijde later aangeeft.

En na weer een witregel volgt een razend intrigerende voordracht  – door de vertelster op een symposium in Montevideo – met een heldere analyse en duiding van de in Wenen (!) spelende film La Pianiste (2001) van Michael Haneke, gebaseerd op de roman Die Klavierspielerin (1983) van Elfriede Jelinek. Deze helder betogende voordracht, die formeel nogal afwijkt van de associatieve rest van het boek, lijkt als een psychoanalytische spiegeltekst de helpende hand te bieden aan de lezer van de onderhavige roman in zoverre erin wordt gerefereerd aan de complexe, verwarrende relaties tussen uiterlijk en innerlijk, tussen uiterlijke verschijning en werkelijk wezen van de mens.

Het slothoofdstuk bevat wederom schier eindeloze monologue-intérieurige, schijnbare neuzelarijen die echter weten te raken aan een Reviaans-sublieme ouwehoerderigheid en nog meer in het licht springen doordat eromheen uitermate aardse en concrete fragmenten staan zoals:

Whenever I’ve been fed up in the past, Xavier has told me not to fight it: ‘You need some downtime, angel.’ I find it comforting when he says that. He didn’t say anything like that this time. Possibly because I’d explained why I felt this way almost immediately after telling him how I was feeling. ‘My period is due on Monday,’ I said. He said he couldn’t hear me, so I said it again. ‘You were always very nice to me when I had my period,’ I said. ‘You didn’t seem to have much of a hard time with them,’ he said. Sometimes, after a really powerful orgasm, my period would come on a little early.

En deze, bijna op het eind:

And now here was this man with white hair and two beady-eyed dogs. There was not much light in that small submerged room. She could hear the fire behind her, she could feel it’s warmth through her jeans. ‘Do you always wear jeans?’ he asked her. ‘No,’ she said, ‘not always.’ Which is perhaps enough to get a man thinking about the occasions when you don’t wear jeans and what the nature of those occasions might be and what it might entail to bring them about.

Straks even de boekenmarkt op voor Checkout 19.