zondag 2 augustus 2026

Aya Zikken, Voor het vandaag werd

Ontmoetingen met schrijvers in de jaren zestig.
Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen 2000. Paperback, 258 bladzijden, inclusief Personenregister.

Op het achterplat wordt de eerste pagina van het boek geciteerd, en daar draait Zikken er niet omheen:

Dit boek pretendeert niet om behalve de afgedrukte portretten, ook de geschreven portretten van schrijvers uit de jaren zestig te leveren.
     In dit boek beschrijf ik (weer) voornamelijk over mijzelf en deze bladzijden bevatten waarschijnlijk meer autobiografische stof dan ik tot nu toe ooit gebruikte.

De gesprekken met de schrijvers, van Bertus Aafjes tot en met Beb Vuyk (maar niet alfabetisch geordend) vonden plaats terwijl Zikken en haar vriend Ger fotografische portretten van hen maakten, bestemd voor het Letterkundig Museum (tegenwoordig het Literatuurmuseum geheten, toen nog in Den Haag gevestigd, binnenkort te Utrecht).

Aya Zikken liep ten tijde van de gesprekken en de portretten ‘tegen de vijftig’; dat moet dus voor 21 september 1969 geweest zijn. Wie vriend Ger is, staat er niet bij, niet in de tekst wanneer hij genoemd wordt, niet in het colofon, niet in de verantwoording (want die is er niet), misschien in het Personenregister (p. 255-258), maar dat is alfabetisch geordend op achternaam.

Als ik Zikken lees, valt me geloof ik steeds het woord ‘eigenzinnig’ in. Nu ook weer. Hoewel het merendeel van de ‘besproken’ schrijvers me niet bijster boeien, trok de naam Aya Zikken me een paar dagen geleden met haar boek in de hand naar de kassa van de tweedehands-boekenwinkel. Onbewust zocht ik, denk ik, afleiding van de twee boeken waar ik nu al heel lang in aan het lezen ben, maar die betrekkelijk gruwelijk zijn: Houris (2025) van Kamel Daoud en Atemschaukel (2009) van Herta Müller. Niet dat Zikken van de wereld afgewend schrijft, maar schrijven over het thema genocide is wel een ander chapiter.

Het is een paar dagen later, ik zit gerieflijk verborgen in een minuscuul Ort in Brandenburg. Bij pagina 108 aangekomen (Jacques Bloem is net overleden, ook dat nog) hang ik mijn leesbril teleurgesteld aan de metaforische wilgen. Het boek is helaas een onnozele, literair georiënteerde, kletserige lappendeken van drankovergoten anekdoterij waar de kraanvogels hier in de buurt van de leg van raken.

De katerntjes portretfoto’s hebben, met andere middelen, een vergelijkbaar effect. Ze zijn slecht gekaderd, en keihard (over)belicht door het gebruik van een kale, directe flits die ook nog eens inktzwarte, monstrueuze schaduwen werpt op de achtergrond van de schrijvers die in de jaren zestig kennelijk allen gehavend waren door eenzelfde grijs-bruin-oranje gezichtshuidaandoening.

De aangekondigde autobiografische stof is er niet een die veel doet opwaaien in de eerste honderd bladzijden die ik las.

‘Helaas’, zou Jacques Bloem zeggen.


Dit bericht kreeg ’n tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici

Geen opmerkingen: