Roman. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2026. Hardback (bibliotheekboek), 447 bladzijden, inclusief die ene met de ‘Verantwoording’ van de bron (en vertaling) van citaten en de ‘illustratie op de omslag’, een foto van ‘een hellenistisch, bronzen masker van de god Dionysus uit de periode 200-100 van onze jaartelling.’
Spoiler: van de 447 bladzijden die de roman beslaat, heb ik slechts de eerste 236 gelezen. Ik ben, met andere woorden, niet verder gekomen dan het vierde hoofdstuk van het eerste deel; het vijfde en zesde hoofdstuk van het eerste deel, de beide hoofdstukken van het tweede deel en ‘Het eerste en enige hoofdstuk’ van het derde deel heb ik dus niet gelezen. Ik weet niet wat ik mis.
Het begin van de roman, ongeveer de eerste drie hoofdstukken, heb ik met genoegen, soms met uitschieters naar groot genoegen, gelezen en dat kwam door de merkwaardige mengeling van enerzijds Schröders aanwijzerige, gortdroge stijl (gelardeerd met lyrische zijpaden in de beschrijvingen van mensen en ruimten) en anderzijds de magisch-realistische wereld waar hij mij des ondanks moeiteloos in mee wist te slepen. Het was vooral de magische realiteit die me verraste tussen al dat gort. Want zeg nou zelf, een passage als de volgende is bepaald geen uitgelezen koren op de molen van de literaire lezer:
Selder had een droom. Het was een vreemde droom, maar waren niet alle dromen vreemd, omdat mensen in hun dromende hoofden nu eenmaal vreemd waren?
De jonge, gesjeesde student Robert Selder, die niet weet wat met zijn leven aan te vangen, wordt, zoals in elke recensie staat te lezen, als hij een voor hem niet geslaagd maar toch uitbundig feest verlaat, doodgereden. Maar de roman volgt hem doodgemoedereerd verder in zijn na-bestaan als een (absoluut niet zombie-achtige) on-dode in een parallelle wereld, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat leest allemaal als een overtuigend verhaal. Ik noem dat magisch realisme van hoog niveau. De titel van de roman past er, met zijn lichte raadselachtigheid, heel goed bij.
Misschien zit het overtuigende er tevens in dat je als lezer in Nederland anno 2026 heel gemakkelijk parallellen kunt trekken met het onzekere bestaan van de vluchtelingen en asielzoekers die hier te lande vrijwel nergens een welkom lijken te vinden, nergens ontvangen worden, nergens graag gezien, laat staan geaccepteerd worden, terwijl zij, evenmin als Selder en misschien zelfs minder dan hij, verantwoordelijk zijn voor hun eigen lotgeval in wat dan heet hun ‘eigen’ land.
Selder herkent zijn omgeving steeds minder goed, en daar heeft de lezer dan ook last van omdat Selder de belangrijkste focalisator is in zijn wereld. Hij is uit zijn universiteitsstad teruggekeerd naar het ouderlijk huis in de voorstad van P***, doorgaans alleen aangeduid als de voorstad. Als hij dan ook nog eens verzeild raakt in Almannië, waar hij de mensen niet goed kan verstaan en zijn papieren niets waard blijken te zijn, net als zijn identiteit, wordt zijn situatie wel vreemder, maar nog steeds niet onmogelijk. Zelfs niet als hij zich aanmeldt voor krijgsdienst, wat onder een verzonnen naam mag en wat kan resulteren in een nieuwe identiteit. Nergens klinkt het woord vreemdelingen-legioen, maar ik moest er wel aan denken. Iets van Slauerhoff wellicht?
Het vervelende is dat in dat leger van Almannië (wie denkt dan al niet aan Allemagne) rangen zijn als die van (onder)bentleider, zonder dat er iets in de roman, althans het deel dat ik ervan las, gedaan wordt met de thematiek van Nazi-Duitsland en/of het Nederlandse oorlogsverleden; in tegendeel: er wordt een oorlog gevoerd tegen een fictionele andere macht in het zuidoosten van Almannië. Maar ook over (de parallel met) de terreuroorlog van Rusland tegen Oekraïne lijkt deze roman niets te willen zeggen.
Dat kan. Dat is een mogelijkheid. Maar het is een probleem dat de zogenoemde oorlog in de roman absoluut niet uit de verf komt als een oorlog, mede doordat die verdoolde en ook mentaal wereldvreemde Selder, die zich nu Elders laat noemen, de focalisator is. Ja, er wordt gelopen, en er wordt geschoten, en er zijn soldaten en soldatenmaten (hier velders genoemd), en er zijn geweren en kogels, branden en ruïnes, lijken en uniformen, het wordt allemaal opgelepeld maar het snijdt geen hout. Heel hoofdstuk vier van het eerste deel is eraan gewijd en deed het boek voor mij in het literaire vergeetboek verdwijnen.
Hierboven stipte ik al even Schröders stilistische zijpaden aan. Die leiden de lezer, deze lezer althans, hier en daar het bos vol onbegrip in. Ik signaleerde op pagina 146 een vergelijking van ‘hemelse muziek [...] zo ijl, alsof ze uit louter fluisterzachte flageoletten bestond.’ Zowel muzikale als culinaire humbug, als je het mij vraagt (wat, weet ik ook wel, niemand doet).
Op pagina 205 bleef mijn lezend oog hangen aan een descriptie, van een oorlogsscène, die zijn pretenties niet waar lijkt te kunnen maken:
Kapotgeschoten muren stonden hier en daar nog overeind, sommige al half overgroeid als een oud kerkhof met omvergeworpen zerken – stillevens in onverschillig landschap.
Ik vraag me er het volgende bij af.
1) Verwacht de langstrekkende patrouille van velders, afgaand op dat ‘nog’, het spoedig omvallen van de kapotgeschoten muren?
2) Is er vroeger ook al een oorlog geweest daar? De restanten van de muren zijn immers al half overgroeid; dat vergt wel een seizoen of twee, afhankelijk van het soort gewas.
3) Wat moet ik me voorstellen bij een half overgroeid kerkhof? Dat vergt zo mogelijk nog meer tijd, en pas nadat er een stel vandalen is geweest dat er zerken heeft omvergeworpen.
4) Is het ‘nog overeind’ staan van de kapotgeschoten muren niet meer een contrast met ‘omvergeworpen zerken’ dan een overeenkomst of analogie waar je een vergelijking op kunt bouwen?
5) De metafoor ‘stilleven’ als aanduiding voor grafzerken is misschien wel goed gevonden, maar zijn de ‘kapotgeschoten muren’ in deze metafoor niet de tenor bij het vehicle ‘stillevens’?
De laatste twee woorden van dit citaat doen me denken aan de thematiek van Armando, een realistische thematiek, een historische thematiek met grote zeggingskracht, een kracht die ontbreekt in het oorlogsverhaal in deze roman.
Op pagina 216 zit Elders, op wacht ‘met het geweer tussen de knieën’, naar de sterren van de Melkweg te kijken en peinst:
in een eindeloos lange guirlande stroomden ze hoog boven hem voorbij, oneindig traag zwermend aan de hemel
Twee kanttekeningen hierbij.
1) De sterren stromen niet alleen maar zwermen tegelijk, en hun guirlande is niet lang maar eindeloos lang, zoals ze ook niet traag zwermen maar oneindig traag. Te veel, veel te veel van het goede.
2) Dat de sterren boven hem te zien zijn, en zelfs hoog boven hem lijkt al onnodig om te vermelden. Maar onze held toept er nog overheen met aan de hemel. Het mocht de lezer eens ontgaan.
Ook op pagina 233 wordt er weinig zinnigs gezegd met te veel woorden:
Na een lange mars van drie uur door de middaghitte
Alsof er de volgende dag nog een korte mars van zevenendertig uur zou kunnen volgen, door de dageraad wellicht.
Jammer, het begon zo goed.

