zondag 31 juli 2011

Vakantielectuur-I

Robert Anker, Oorlogshond; roman. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2011. 334 bladzijden.

Wat ik vreesde, is werkelijkheid geworden: korte vakantie in Italië, zelfs nog geen twee romans uit; de lectuur van de tweede pas zojuist en thuis beëindigd. En dan te bedenken dat ik ook nog een meer dan zevenhonderd pagina’s dikke Amerikaanse roman mee had. Ballast. Die moet dus ook nog mee naar Engeland, waar ik nog een weekje ga wandelen.

Ten eerste: de jongste van Robert Anker, Oorlogshond. Ongeveer alles van Anker gaat er bij mij in als een preek in een ouderling, en ik geef het Woord ook graag door: dochterlief had, nadat ze eerder Hajar en Daan gelezen had, nu Een soort Engeland van me geleend, voor aan het Gardameer, en zoonlief had voor de terugreis via Oostenrijk Oorlogshond van me geleend. Dus/En ook naar deze, wederom forse, roman had ik de hals gereikt de dagen voor de vakantie toen ik het werk voorprettelijk had aangeschaft. De cover had me misschien moeten waarschuwen. Maar dan, wat is een cover nog in letterland?

Als ik mijn oordeel in één woord moet samenballen: ‘te’. En dat dan te plaatsen voor alles wat / iedere kwalificatie die wellicht de bedoeling was van de auteur: vlot, hip, actief, getapt, lekker leesbaar, dramatisch, erg, heftig, meeslepend, episch; noem maar op. Want het is duidelijk dat Anker daarop heeft ingezet: keiharde, rücksichtlose actie en vertelgeweld. En het moet gezegd: deze schrijver verstaat zijn vak (als ik dat zo zeggen mag); de vertelkunst spat ervan af.

Maar toch: de erg onsympathieke held (wat op zich geen bezwaar hoeft te zijn voor een lekkere lectuur), die te zeer een uitvergroting van een klassieke held is (wat vervelend wordt doordat de verteller geen afstand van hem neemt, maar voluit met hem sympathiseert en zelfs met hem samenvalt), hing me al snel de keel uit. A l l e s lukt hem: studeren (twee studies), kickboksen of iets dergelijks, een professionele militaire opleiding, een doctorsgraad halen in de filosofie (maar liefst summa cum laude), hals over kop leraar worden zonder enige specifieke opleiding daartoe, het eigenhandig hervormen van een onderwijssysteem op een scholengemeenschap, het versieren, veroveren en veelstandig penetreren van allerlei hyperintelligente, voorbevochtigde, jonge, maar wel zelfstandige en juridisch volwassen leerlingen. Wapen nodig? Michiel de Ruyter regelt het. Coke? Geen probleem. Goede ideeën? In overvloed. Relativering? No way. Iemand in elkaar slaan? Hoppa, in een oogwenk en straffeloos voor elkaar. Iemand doden? Even zo gemakkelijk en meer dan eens. Zelfs voor een aartstrouwe hond hoeft hij geen moeite te doen: die volgt en gehoorzaamt hem ex nihilo. Allemaal intertekstueel verantwoord, naar ik aanneem, maar zeer vervelend, doordat de held geen seconde zelfs maar een snipper van tragiek heeft of krijgt, ook niet wanneer een geliefde door zinloos geweld sterft; en nog een. En: alles weet hij beter. Hij kankert er maar op los; niets wat niet Michiel de Ruyter zelf is, deugt; type: Youp van ’t Hek, maar dan met (spier)ballen en zonder brilletje.

Zo veel succes, zo veel geweld, zo veel geld, wapens, seks en overwinningen in zowel studie, vechtsport, wetenschap, autoracerij als duistere oorlogen in Afrika en het oosten van Nederland, daar moet wel een greintje ironie bijgeleverd zijn. Maar ik heb het niet kunnen ontdekken. Zelfs al Michiels leerlingen slagen voor hun eindexamen en de meeste studeren met succes en promoveren daarna ook nog, en blijven idolaat van hun leraar die zich van het nieuwe leren niets aantrekt maar ze even indrukwekkend en frontaal lesgeeft als hij ze lichamelijk bejegent. Doordat deze postmoderne terminator klassieke talen en filosofie heeft gestudeerd, denkt hij overal mee weg te kunnen komen door er een klassieke, met Nietzsche en Heidegger aangelengde, saus van intellectualisme over te gieten (zoals moorden in Afrika kennelijk minder erg is als hij er Homerus bij citeert).

De handelingen van de drie delen zijn gesitueerd in Nederland, een fictief Afrikaans land, respectievelijk een fictieve provincie in het oosten van Nederland die naar autonomie streeft. De drie verhalen over drie episoden uit het leven van deze zich noemende Michiel de Ruyter, spelen zich af in een vage toekomstige periode, wat mogelijk bedoeld is om de ruimte te creëren voor maatschappelijke en sociaal-culturele kritiek zonder werkelijk realistisch te hoeven worden. Dat heeft soms tot leuke vondsten geleid, zoals de naamgeving van politieke groeperingen als Wouters Verjaardag en Voorheen de Moslimpartij. Maar op mij heeft die plaatsing in de toekomst vooral het effect dat de indirecte referenties aan de huidige realiteit/actualiteit er allemaal niet toe doen; het is toch maar fictie; niets dat hier bespot wordt, bestaat echt. Dat, gevoegd bij de al te lomp opererende held, maakt dat de kritiek op het Nederlandse onderwijs in deel 1 te gemakkelijk is, om niet te zeggen gemakzuchtig. Het Afrikaanse avontuur in deel 2 is volgestopt met militair-strategische en wapenkundige beschrijvingen die van ieder actueel belang ontbloot blijven behalve het aanleiding geven tot meer beschrijvingen van geweld en het onfeilbare genie van De Ruyter. Dat geldt ook voor deel 3 waarin de streek Saumerland door een stelletje radicalo’s, bij wie De Ruyter zich om niets aansluit, naar de autonomie wordt gevochten, ten koste van bomaanslagen en vele doden (het is enigszins verwarrend dit na 22 juli te moeten noteren).

Al met al geloof ik dat Anker probeert te betogen dat de kennelijke idealen van deze De Ruyter uiteindelijk loos zijn, geen hogere doelen zijn, maar alleen de glans van zijn eigen ego dienen, of dat nu gaat via de Bildung van nieuwe aristoi in VWO-5, via een op economische belangen van een buitenlandse miljardair gefundeerde stammenstrijd in Afrika, of via het onparlementaire streven naar zelfstandigheid van een Nederlandse regio. Het zal wat.

Wat me aantrok in deze roman, was het begin. Daarin presenteert zich de naamloze ik-verteller als de biograaf van de held, wiens ware naam we niet te horen krijgen; de held laat zich, ook door de biograaf, Michiel de Ruyter noemen. Grapje, waardoor duidelijk wordt dat meneer eerder een mythisch dan werkelijk personage is; iets wat weer goed aansluit bij zijn eerste lessen in klassieke cultuur aan gym 5 of 6, monologische lessen die hoorcolleges lijken en handelen over de aristocraten, elites en het boven de moraal verheven zijn.

Bijzonder aan de verteller is dat hij zich een embedded biograaf noemt. Hij leeft dus letterlijk met de held mee; tegelijk is hij geen personage tussen de andere personages; alleen met Michiel spreekt hij af en toe, wanneer deze weer een passage uit zijn biografie gelezen heeft (waardoor deze biografie dus bepaald geen zuiver, objectief verslag meer is, want Michiel bemoeit zich er actief mee). Echt leuk wordt het als de biograaf zich soms zo inleeft in het leven van Michiel de Ruyter, dat hij de derde persoon loslaat, en het heeft over ‘wij’ en ‘ons’, maar die gezamenlijkheid weer snel loslaat wanneer het gevaar te groot of levensbedreigend wordt; dan schiet de bange biograaf toch maar weer terug in de veilige ‘zij’- en ‘hun’-vorm.

In zekere zin is deze embedded biograaf weinig meer dan de concretisering van een klassieke alwetende verteller. De vraag is evenwel wat deze concretisering toevoegt aan de roman. Het antwoord op die vraag heb ik niet gevonden. In tegendeel: ik denk dat de roman erbij gewonnen zou hebben als Anker had gekozen voor een ouderwetse neutrale vertelsituatie, gecombineerd met een wat kwetsbaarder, tragischer hoofdfiguur, of anders voor een sterker van de held afwijkende verteller, een tegenspeler, een antagonist. Het ontbreekt deze omnipotente De Ruyter aan werkelijk tegenspel en dito tegenslag. Daardoor is in mijn optiek de roman niet geworden wat er op de achterkant staat: 'een harde, verontrustende roman over iemand die alleen staat in een angstaanjagend lege wereld.'

PS (30-12-2011)

Herlezen tijdens kerstreces, wegens m'n grote waardering voor In het westen, de laatste trans. Maar dat heeft niet geholpen. De pathetiek aan het eind van het eerste deel bijvoorbeeld, als die mysterieuze, platonische geliefde, Lot zich in de baan van het schot werpt dat voor Michiel bedoeld is, ik blijf het een draak vinden die scène, ook al probeer ik me te bedenken dat Michiel niet reëel is maar een ouderwetse, een homerische Held, en die Lot een vermomde Godin die de Held bijstaat; en ook de opmerking van de verteller/biograaf 'het werd deerniswekkend' (129) trekt de boel niet in een ander licht. Licht dat alleen heel indirect schijnt wanneer bijvoorbeeld Michiel een nieuwe collega tegenkomt op school, en dat er dan staat: 'Deze was Job.' Dat moet letterlijk uit Bint komen (ik heb het niet nagezocht), die even overdreven (maar veel kortere) roman van Bordewijk.

In het begin van deel II vind ik die verteller ook weer even leuk doordat hij veel explicieter optreedt als personage en tegelijk wat onvolkomener, slordiger wordt als verteller; en het is best wel aardig dat daar in Afrika zich weer een Godin-achtige bij Michiel voegt, Sibongile, zo dat je je ervan bewust blijft dat Michiel niet realistisch bedoeld is maar als een tweede Achilles of zo; maar dat dat mens dan ook weer door lomp geweld aan haar einde moet komen aan het einde van dat deel, is me dan weer drie mijl te veel. Sowieso vind ik dat hele Afrikaanse deel net zo interessant en spannend als, noem eens iets saais: dat geknok en gedoe in de Ilias.

Wel weer aardig is dat in deel III zich, zoals eerder Lot en Sibongile, een hond, Hans gedoopt, zich onafwijsbaar aan zijn zijde voegt (zal wel refereren aan Kapitein Rob en diens Skip, maar De thuiskomst van kapitein Rob vond ik veel beter, ook en vooral dat waanzinnige titelverhaal). En nee, die hond wordt niet doodgeschoten aan het eind, want de roman eindigt een beetje flauw in een quasi voormalig-Russich staatje, waar de held, na zijn volkomen debacle in Saumerland, met zijn nieuwe lief Dakota, en oude hond mogelijk weer nieuwe avonturen tegemoet gaat.

En ook de verwisseling van Held en verteller in het hart van het boek (166-167) is aardig, te meer daar die plaatsvindt na een dialoog tussen beiden waarin de een de ander toevoegt: 'Volgens mij ben jij zo iemand die niet weet hoe hij moet leven, of erger nog: de kracht niet heeft om dat te doen. Eigenlijk leef jij gewoon via mij, weet je dat?' En daarmee is een link naar Ankers episodische gedicht Goede manieren gelegd; maar in dat gedicht is het inzetten van Van Beek als een Awater, een verkenner van het leven, veel intrigerender dan in deze roman.

Vreemd, er zijn tal van ingrediënten aan te wijzen die smaak en pit geven aan ander werk van Anker, en er is een thematische verwantschap te zien met In het westen, en toch 'doet' deze roman me weinig.

donderdag 7 juli 2011

Rilke | via Wigman

Tijdens de Dichtersmarathon, vorige week vrijdag in De Tolhuistuin te Amsterdam 1) hoorde ik, onder andere, 2) Menno Wigman zijn vertaling voordragen van Rilkes 'Der Tod der Geliebten'. Dat gedicht heb ik ooit, pathetisch hyperbolisch, mijn lijfgedicht genoemd (zie hier).

Ik kende Wigmans vertaling niet. Ze is opgenomen, zo vertelde me de vertaler, die overigens ook fraai werk van eigen pen voordroeg, in: Rainer Maria Rilke, Wie nu alleen is; twintig liefdesgedichten. Gekozen en vertaald door Menno Wigman. 2e dr. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1997 (1e dr. 1996), p. 39. De vertaling van 'Der Tod der Geliebten' is gebaseerd op het origineel in: Der neuen Gedichte anderer Teil (1908) en luidt als volgt:
De dood van de geliefde

Hij wist slechts van de dood wat allen weten:
dat hij ons neemt en ruw verstommen doet.
En toch, toen zij, niet van hem weggereten,
nee, zachtjes uit zijn ogen weggevloeid,

naar onbekende schimmen was vergleden,
en toen hij dacht hoe zij haar meisjeslach
bezaten, als een maan, en zelfs beneden
ervoer hoe zij hen daar van troost voorzag:

toen werden hem de doden zo bekend
als was hij dankzij haar met elk van hen
verbroederd; wat de anderen ook zeiden,

hij liet ze maar; lag niet aan gene zijde
het welgelegen land, het eeuwig zoete?-
Hij tastte al de weg af voor haar voeten.

Ik kende dit gedicht eerst alleen in de originele versie; toen kwam daar de vertaling van C.O. Jellema bij, en daarna die van Peter Verstegen. Wigman kende die van Jellema niet, zoals ik die van Wigman niet kende. En nu weten we allebei weer iets meer.

Ik hoop dat hij het me niet kwalijk neem dat ik de vergelijking van de vertalingen voortzet. Maar dat doe ik niet zonder dat ik aangeef dat me het vertalen van poëzie een hels en schier onmogelijk werk lijkt, zeker wanneer het niet gaat om 'De mus' van Jan Hanlo; en ook niet zonder eerst aan te geven dat het me niet eens zozeer om de vertalingen te doen is, als om de verkenning van het oorspronkelijke gedicht via de drie vertalingen (zie bijlage onderaan dit stukje).

De eerste regel heeft volgens mij Wigman in al zijn eenvoud perfect vertaald, bijna niet vertaald; daar kan Jellema niet aan tippen, want die maakt er gedeeltelijk een vraag van, zodat hij een derde personage introduceert, de spreker, naast de twee geliefden (tenzij je die eerste woorden als erlebte Rede opvat; dat zou weer een driehoeksverhouding schelen). Verstegen expliciteert met 'wij' ook een derde instantie (verderop nog een keer door de loze herhaling van 'ons') en heeft een enjambement nodig dat geen functie of betekenis heeft. Wigman wint.

Jellema's 'en in het stomme stoot' is eenvoudig en juist, behalve dat dat woord 'stomme' een vervelende connotatie heeft gekregen door de verwarring met dat homoniem; jammer, want het neemt wel die oorspronkelijke alliteratie mee ('st') die ook nog eens op stilte, zwijgen duidt. Verstegen bakt er niks van, met weer een enjambement en ook nog eens een halve tautologie. Te veel woorden. Wigman heeft het over 'verstommen', dat me to the point lijkt, maar hij heeft een expliciet 'ruw' nodig omdat hij de veronderstelde kracht van de ingreep van de dood probeert te formuleren zonder dat lompe 'stoten'. Probleem opgelost.

Net als Jellema heeft Wigman het pijnlijke 'weggereten'. Puik, onvergelijkbaar beter dan dat klinische 'weggesneden' van Verstegen (of het over een wratje gaat, zeg), die alweer een enjambement toevoegt. Wigman plaatst tegenover dat 'weggereten' in een mooi contrast het zachte 'weggevloeid' en 'vergleden'. Ook zijn Wigmans 'onbekende schimmen' in hun heldere eenvoud een veel betere vertaling dan dat clichématige 'gene zijde' van Jellema en al helemaal veel beter dan Verstegens 'een onbekende wereld / van schimmen'. Waar komt die wereld vandaan en wat moet dat toch met al die enjambementen? En dan rijmt 'onbekende' ook nog eens heel gekunsteld op 'voor hen de'. Wigmans 'weggevloeid', een deelwoord, is net als Verstegens 'weggegleden', veel beter dan Jellema's 'vlood', dat niet gelijke maat houdt met de zinsconstructie van Rilke.

En zo zou ik dit apothekerspraatje voort kunnen zetten. Bijvoorbeeld met de vraag waarom Wigman kiest voor de vreemde constructie 'hij dacht hoe zij [...] bezaten' waar een letterlijk 'voelde' beter zou zijn, dat via elisie gemakkelijk overgaat in 'hoe' zodat het ook wat lettergrepen weer uitkomt. Maar fraai is weer dat hij een eindje verder het verschil tussen die werelden expliciteert met 'en [hij] zelfs beneden / ervoer', voorwaar een functioneel enjambement, want het benadrukt de afstand ten opzichte van 'hen daar'.

De derde strofe loopt als een trein in de vertaling van Wigman (waar Jellema werkt met een on-Nederlands 'daar' en Verstegen naast 'alsof' nog een overbodig 'kon' erbij sleept). Alleen was me een ander woord dan 'verbroederd' welkom geweest; 'verbonden', of beter nog: 'verwant', bijvoorbeeld, aan te vullen met 'en' na de puntkomma om het lettergrepental weer op peil te krijgen.

Van 'hij liet ze maar' zou ik toch iets maken als: 'hij geloofde 't niet', maar ik ben ook niet erg tegen elisies, Wigman misschien wel.

Dat er driemaal 'toen' staat in Wigmans vertaling, vind ik niet echt fraai, maar het is misschien ook niet te voorkomen in een in wezen cerebraal gedicht; en Rilke gebruikt driemaal 'als'. Maar dat Wigman tweemaal 'hoe zij' schrijft met niet dezelfde referent van 'zij' vind ik echt niet fraai. In regel 6 verwijst 'zij' naar de dode geliefde, in regel 8 verwijst dat zelfde woord naar de 'onbekende schimmen' uit regel 5; dat is niet alleen niet fraai, maar ook verwarrend, al wordt het contrast wel aangegeven door de oppositie van 'zelfs beneden' en 'daar'.

Jammer vind ik dat in Wigmans vertaling aan het eind een (retorische) vraag is opgenomen: 'lag niet aan gene zijde / het welgelegen land, het eeuwig zoete?-' (waarbij 'aan gene zijde' zo niet flauw, dan toch wel erg dik erop gelegd en een cliché is), terwijl ik het fraaie aan Rilke's tekst vind dat de vertellende figuur aan dat hem persoonlijk onbekende land namen geeft: 'nannte'. Hij sticht als het ware dat land voor zijn geliefde doordat hij het via haar kan benoemen. Ook dat is onderdeel van de liefde tussen haar en hem. Ik vind het zonde dat het uit deze vertaling wegvalt.

Niet erg charmant lijkt me dat Wigman, net als Verstegen, een hele weg aan het gedicht toevoegt (naar, of: in dat welgelegen land, dat is onduidelijk). Dat is me veel te plastisch. Rilke's verteller zegt dat de geliefde het (namelijk, dat land) aftast, verkent voor de voeten van de geliefde; daarin is een eventuele weg al geïmpliceerd, of juist, ja dat is het: een ongebaand pad. Daarmee helpt de de geliefde zijn dode, of stervende geliefde, hij maakt haar dat land begaanbaar.


Noten
1) Hoe oud moet je worden om voor het eerst per pont het IJ over te steken?
2) Ik bedoel dat ik veel meer gedichten hoorde; als ik zou schrijven: 'onder anderen', zou het lijken alsof meerdere dichters deze vertaling voordroegen, en dat zou niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.

Bijlage
Blogger kan het typografisch helaas nauwelijks differentiëren, maar ik zet de drie vertalingen (Jellema, Verstegen, Wigman) hier per regel onder elkaar:

De dood van de geliefde
De dood van de geliefde
De dood van de geliefde

Wat wist hij van de dood - wat allen weten:
Zoals wij allen wist hij van de dood
Hij wist slechts van de dood wat allen weten:
dat hij ons neemt en in het stomme stoot.
alleen dat hij ons neemt en ons verstoot,
dat hij ons neemt en ruw verstommen doet.
Toen echter zij, niet van hem losgereten,
verstommen doet. Maar toen zij weggesneden
En toch, toen zij, niet van hem weggereten,
nee, haast behoedzaam uit zijn ogen vlood
was uit zijn leven - nee, zacht weggegleden
nee, zachtjes uit zijn ogen weggevloeid,

en naar gestalten gleed aan gene zijde -
uit zijn gezichtsveld, naar een onbekende
naar onbekende schimmen was vergleden,
hij voelde, hoe die onbekenden toen
wereld van schimmen, wist hij dat voor hen de
en toen hij dacht hoe zij haar meisjeslach
gelijk een maan haar meisjeslach verblijdde,
maan was gaan schijnen van haar meisjeslach,
bezaten, als een maan, en zelfs beneden
en haar manier van goed te doen:
en dat zij er vertroosting bracht:
ervoer hoe zij hen daar van troost voorzag:

daar werden hem de doden zo verwant,
toen werden hem de doden zo verwant,
toen werden hem de doden zo bekend
als kon hij zich met elk van hen inlaten
alsof juist zij hem innig kon verbinden
als was hij dankzij haar met elk van hen
door haar; hij liet de anderen maar praten,
met elk van hen; wat andere mensen zeiden,
verbroederd; wat de anderen ook zeiden,

wou niet geloven en noemde dat land
nam hij niet aan; hij noemde 't gindse land
hij liet ze maar; lag niet aan gene zijde
het welgelegene, het altijd zoete -
het welgelegene, het steeds beminde -
het welgelegen land, het eeuwig zoete?-
Tastend bevoelde hij het voor haar voeten.
Daar ging hij tastend haar de weg bereiden.
Hij tastte al de weg af voor haar voeten.

zondag 29 mei 2011

Dick Swaab, Wij zijn ons brein

Van baarmoeder tot Alzheimer. 10e dr. Uitgeverij Contact, Amsterdam - Antwerpen 2011 [1e dr. 2010]. 480 blz. incl. register.

Na The Shallows van Carr kon dit er ook nog wel even bij, dacht ik. Van alle gedoe rondom dit roemruchte boek had ik alleen een heel goed overwogen weerwoord van de auteur tegen een viertal critici gelezen, waar een krant hem alle ruimte voor had geboden. Maar het blijkt dat het populariseren van specialistische wetenschappelijke kennis bepaald een vak apart is. En Swaab beheerst die vaardigheid niet echt. Hij schrijft, denk ik, vanuit een enorm grote specialistische ervaring en kennis, maar hij doet dat met een zo grote en niet dan door vage referenties ondersteunde zelfverzekerdheid, dat ik steeds meer afgeleid werd door zijn autoriteit (ik bedoel: geïrriteerd werd door die misschien terecht en oprecht uitgedragen kwaliteit, die evenwel op mij steeds meer de indruk maakte weinig meer te zijn dan zelfingenomenheid) (een heel erg lastig proces, als je toch iets over een boek wilt zeggen).

De druppel die mij de emmer deed overstromen en het boek dicht deed slaan, staat op p. 389-390; ik heb het, vind ik, dus toch nog braaf volgehouden; en dat komt doordat de materie in principe reuze intrigerend is. Maar ik geloof dat Swaab al populariserend is getreden in de valkuil van het reductionisme. Dat blijkt wanneer hij het heeft over wat hij noemt het fenomeen van de onafhankelijke gelijktijdigheid. Dan schrijft hij:
De 'uitvinding' van de kunst werd zo'n 35 000 jaar geleden door de mens rond dezelfde tijd gedaan in de Ardêche in Frankrijk, in Australië, en in Afrika. Het oudste beeldje, een vrouwenfiguurtje gesneden uit mammoetivoor, en gevonden in Duitsland, dateert ook uit deze periode. Blijkbaar waren deze 'unieke' uitingen van menselijke creativiteit afhankelijk van het evolutionaire ontwikkelingsstadium van de hersenen.
Dat blijkbaar slaat volgens mij als een rolmops op een garagedeur. Swaab rekent alles terug tot iets evolutionairs en genetisch en hersencellerigs en baarmoederlijk aangelegds. Er hoeft maar dàt te gebeuren, en hij weet er een cel, synaps of kwab voor aan te wijzen die kennelijk op zijn scanapparatuur op het gewenste moment heeft opgelicht. Intelligentie: daar en daar. Libido: daro. Criminaliteit: iets meer naar links. Woordblindheid: iets meer naar retchs. Resultaat: alle problemen worden niet opgelost, maar doorverwezen naar dat microscopisch en aangeboren gebeuren, waarbij hij dan nog wel wat ruimte vrij laat voor Nurture, maar de meeste reserveert voor Nature. Ik bedoel niet te zeggen dat het niet klopt (dat weet ik niet). Maar Swaab is wel erg zwiepend met zijn statements over prefontale cortexen en andere hersengebieden die allemaal in de baarmoeder worden aangelegd. Als het echt zo eenvoudig zou zijn...

zaterdag 14 mei 2011

Excuses voor het ongemak (of zo)

Foto ontleend aan http://www.m-voorloop.nl/html/connxx.htmlWelnu, het is dus zo gelegen: de een die ga je uit de weg, en de ander kom je tegen. Het kan nooit kwaad om af en toe je oude moeder te citeren, zeker als het toch nergens op slaat. QED.

De laatste tijd kom ik alleen maar bezigheden tegen, en zij mij, waarvan er veel ook veel letters in de aanbieding hebben, waaronder ook wel die schoon bedoeld zijn, maar ze (die bezigheden) leiden me, naar ik mag hopen tijdelijk, zo zeer af van de luie leesstoel dat ik niet zo serieus in roman of dichtbundel of essayverzameling kan lezen dat het eerlijk zou zijn er iets over te zeggen (een zin waarvan ik niet weet of ze klopt, maar ik laat haar toch maar staan).

woensdag 6 april 2011

Gemeenschap

Het thema van het nieuwe nummer van rekto:verso, tijdschrift voor kunst en kritiek.

En daarin schrijft Marc Reugebrink - wiens nieuwe roman ik (schande) nog steeds niet gelezen heb - over zijn nieuwe visie op literatuurkritiek in het huidig tijdsgewricht onder de titel 'Schrijvers, critici, verenigt u!. Ik moest dat stuk eerst nog eens herlezen, vooraleer ik er melding van wilde maken op dit blogje, waar het gezien de strekking in ieder geval op thuis hoort. Ik wist namelijk niet meteen of ik het wel eens ben met die oproep tot het bedrijven van louter positieve kritiek, zelfs indien opgevat zoals Reugebrink het bedoelt: alleen de positieve kritiek publiceren en breed uitmeten (en het azijnzeiken achterwege laten).

Na herlezing blijf ik het een intrigerend stuk vinden, maar ik geloof niet dat ik het ermee eens ben. Afgelopen dinsdag stond ik in Spui 25 nog te toeteren: 'Het is schiften of geschift worden', en dat houdt ook in: aangeven waarom een werk niet goed genoeg is (al was het maar omdat je dan ook kunt aangeven wat er wel goed aan is). Ik snap de grond van Reugebrinks bezorgdheid, maar deel niet zijn conclusie om dan alleen maar over het goede te spreken (dat gold toch alleen met betrekking tot de doden).

Er moet geschift worden, want er verschijnt meer dan wie ook fatsoenlijk verwerken kan in litteris. Daar was iedereen het wel over eens tijdens de discussie 'De vlakte en de vrijheid' (over literatuurkritiek on line, zie Recensieweb). En prompt kregen de panelleden als bedankje een dikke struik bloemen en... een boek!

Maar ik had er net een uit (en weet nu al niet meer welk) en ik was begonnen aan een (voor mij) nieuwe roman van 705 bladzijden.

En ja hoor, daar verscheen de volgende dag ook nog eens de bostbode. Met een doos. Bevattende de eerste lichting nieuwe kandidaten voor de Academica Dubutantenprijs: tien literaire-hemelbestormende prozadebuten, waarvan de eerste twee door mij nu al van het stempel 'i' zijn voorzien, een beknotting van mijn privé- potjeslatijnse verwoording van het verdict: lecturus interruptus, vrij, maar minder aardig, te vertalen met: na vijftig bladzijden definitief vastgesteld dat er niet doorheen te komen is.

In de beslotenheid van het juryberaad hebben we het dan nog wel even over dat soort boeken, maar er openlijk over oordelen, dat doen we niet. Alle boeken komen op de kandidatenlijst, en maar enkele worden voorgedragen voor de langlijst en daarvan gaan er een stuk of vijf, misschien nog maar drie, naar de publieksjury; alleen over die laatste spreken we openbaar een oordeel uit, en dan vooral positief, want anders hadden we ze niet geselecteerd. Maar impliciet verhullen we niet dat er wel erg veel bomen in het bos geplant zijn. Te veel.

Misschien ben ik het, en zeker in die debutantenpraktijk, dus toch met Reugebrink eens.

maandag 21 maart 2011

Nicholas Carr, The Shallows


What the Internet Is Doing to Our Brains. New York-London 2010. 276 blz. inclusief noten, leesadviezen en index.

Dat boek van Baricco over De barbaren vond ik wel aardig, althans wat de erin uitgedragen gedachte betreft: dat we een nogal omvangrijke cultuurverandering doormaken die niet los te zien isvan de verinternetting en dat die verandering niet per se negatief beoordeeld behoeft te worden. Maar de irritante Ikea-stijl en de liederlijk ongefundeerde 'bewijs'voering stonden me na twee bladzijden al helemaal tegen. En dan nu dit boek.

Carr doet bijna niets anders - om het contrast op scherp te stellen - dan refereren aan meer of minder recent onderzoek, en dan vooral neurologisch onderzoek (de noten beslaan de pagina's 225-252, maar kunnen door wie op de golf van het betoog mee wil surfen, met vrucht ongelezen blijven). En op basis van al die referenties bouwt hij een pracht van een betoog op, waarbij hij niet nalaat om terug te gaan tot in de krochten van de menselijke beschaving, om van daaruit langzaam toe te werken naar het heden, langsheen allerlei uitvindingen en omwentelingen in de geschiedenis van de cultuur.

Het aardige is dat Carr van zichzelf zegt dat hij een analoge jeugd heeft gehad en als volwassene geconfronteerd werd met en deelnam aan allerlei vormen van digitaliteit, zozeer zelfs dat er wel van verslaving sprake zou kunnen zijn. En toen hij dat in de gaten kreeg, heeft hij een stap terug gedaan en een tijdje de stekker eruit getrokken en... zelfstandig nagedacht. En daar komt dan zo'n boek van als The Shallows.

Verwijzend naar allerlei onderzoek weet hij te betogen dat het menselijk brein geen statisch 'ding' is dat, eenmaal geboren, zich ontwikkelt en dan op een gegeven moment af is. Neen, er is sprake van neurologische plasticiteit. Het gebruik van de hersenen heeft invloed op de vorm ervan en de vorm heeft invloed op de functie. Ik ga dat hier niet technisch napratend uitleggen; lees liever dit intrigerende boek zelf.

Vooruit, een klein voorbeeldje dan: hersenonderdelen kunnen zich specialiseren of kunnen zelfs voor speciale doelen zijn aangelegd, genetisch bezien. Maar wanneer er bijvoorbeeld een trauma optreedt, en je, wederom bij voorbeeld, blind wordt, is het materieel vast te stellen, door die neurologen, dat andere onderdelen dat gebrek gaan compenseren en zich (verder) gaan ontwikkelen. En diezelfde plasticiteit is kennelijk ook zichtbaar wanneer de mens kennis vergaart en die kennis, die aanvankelijk in een kortetermijngeheugen wordt verwerkt, door er gebruik van te maken, gaandeweg elders en dieper opslaat in het langetermijngeheugen.

En daar, als ik mijn samenvattinkje dan maar even afmaak, komt het internet om de hoek kijken. Carr is helemaal niet tegen het internet (als dat al zou kunnen) maar hij kijkt er wel fris tegenaan, ook door naar de basis ervan te kijken en niet minder door een van de belangrijkste internetontsluiters onder de loep te nemen, Google. Internet bestaat bij de gratie van verbindingen; vanuit elk punt kan je in weinig tijd (wat heet: met de snelheid van het licht, als je zo snel zou kunnen typen, cursoren en muizen) naar ontelbaar veel andere punten, knopen, links, teksten gaan. Die hypertekstualiteit is er precies de lol van. Maar die betekent ook dat je heel snel afgeleid kunt worden: voor je één zin gelezen hebt, kan je al een woord zijn tegengekomen met een verbinding naar een andere zin in een andere tekst op een andere pagina op een andere website verbonden aan een andere databank. En daar komt nog bij dat op de computer waarmee je een internetpagina bekijkt tegelijkertijd een schermpje oppopt dat zegt dat je nieuwe mail hebt, en nog een dat zegt dat er een nieuwe post is op een blog en zo voort (ik zeg erbij: ja, dat kan, maar dat hoeft niet; je kunt ook bladeren met je postfunctie op 'uit' en zo).

Kortom: internet heeft de neiging je vooral door te sturen naar iets anders. En daardoor raak je als lezer gewend aan switchen, surfen, snelheid; en omdat er zo veel informatie op dat internet te vinden is, is er steeds minder aanleiding, schijnbaar, om zelf informatie te leren en te onthouden (zoals op scholen tegenwoordig leer- en zoekstrategieën belangrijker lijken dan kennis en vondsten; ik geloof dat Frank Furedi, De terugkeer van het gezag – Waarom kinderen niets meer leren daarover gaat).

Als we veel van het internet gebruikmaken, zullen onze hersenen zich daaraan aanpassen. En dat zou ten koste gaan van het tragere, diepere denken en lezen (heerlijk klinkt dat in het Engels: 'deep reading', als of het echt heel erg is, zoals 'deep space' en 'deep throat') (ik doel hier op All the President's Men). In het hoofdstuk 'The Church of Google' schrijft Carr bijvoorbeeld: 'The strip-mining of "relevant content" replaces the slow excavation of meaning.' Zie, hoe zorgvuldig de man formuleert, zoals hij ook zijn tekst afsluit met een mooie uitsmijter, die refereert aan de eerder opgevoerde film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick: 'That's the essence of Kubrick's dark prophecy: as we come to rely on computers to mediate our understanding of the world, it is our own intelligence that flattens into artificial intelligence.'

Meer dan anders meen ik het nu als ik zeg: lees dit boek zelf en in zijn geheel en van kaft tot kaft, want het is een doorlopend, weloverwogen gecomponeerd geheel waaruit het maar moeilijk 'sound bites' knippen is. Het is een mooi, gedegen, tot nadenken stemmend analoog betoog.

woensdag 26 januari 2011

Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen

Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Bert Bakker, Amsterdam 2010. Gebonden, met stofomslag. 440 blz. incl. Noten, Bibliografie, Illustratie-verantwoording, Namenregister en Zakenregister.

Doorwrocht, een mooi ouderwets woord dat goed aangeeft wat dit boek is. Het is het verleden deelwoord van 'doorwerken', dat volgens het WNT betekent: 'In allen deele grondig bewerken'. En wat mij betreft gaat dat 'doorwerken' pas goed met boeken als het gebeurt door een auteur die van de hoed en de rand weet, de vork en de steel, puntjes op de i; die greep heeft op de materie en die met dat alles iets wil zeggen, iets te zeggen heeft en niet alleen maar wil beschrijven; hoe meer erudiet zo'n auteur is, hoe beter dat gaat. Pet af voor Van der Woud.

Van der Woud had me al behoorlijk en op bekoorlijke wijze van mijn stoel geblazen (is dat een uitdrukking?) met Een nieuwe wereld; het ontstaan van het moderne Nederland (2006) waarin hij eveneens de negentiende eeuw beschrijft, en wel als fundament van het huidige Nederland met al zijn nationaal georganiseerde transport- en communicatiekanalen; een en al technische uitvinding, implementatie, normalisatie, modernisering. Maar dit Koninkrijk vol sloppen is zo mogelijk nog indrukwekkender. Zeker als je de boeken in volgorde van verschijnen leest. Op een gegeven moment tijdens het lezen van het tweede dacht ik: waarom heeft hij al deze informatie achtergehouden in het eerste? Het antwoord kan zijn: omdat beide boeken dan beter zijn. Wat inhoudt dat de auteur al bij het voorbereiden van het eerste boek het tweede op het oog had. Dat noem ik greep op de materie hebben, terwijl je ook weer niet kan zeggen dat het hier gaat om iets simpels als deel 1 en deel 2 van een reeks; het zijn volkomen zelfstandige boeken. Maar bij het lezen interfereren ze dat het een lieve lust is.

De twee boeken beschrijven verschillende en geheel contraire aspecten van dat oude Nederland. Het eerste schetst een historisch Nederland dat we nu eigenlijk nog steeds kennen, al is het verder doorontwikkeld en al zijn we bijvoorbeeld misschien vergeten dat pas ten gevolge van de ontwikkeling van die vervoerstechniek het noodzakelijk werd om de tijd niet meer af te meten aan de zon, maar landelijk een en dezelfde tijdmeting af te spreken, zodat het in het oosten en het westen op hetzelfde moment even laat zou zijn en de trein 'op tijd' kon rijden (dat zulks niet altijd lukt, is een ander chapiter). Een nieuwe wereld laat zien dat het nog niet zo heel erg lang gewoon is dat veel aspecten van onze werkelijkheid genormaliseerd zijn, maar dat dat pas in de negentiende eeuw op poten werd gezet. Het toont dus inderdaad de grondslagen van een 'modern' Nederland.

Dit Koninkrijk vol sloppen daarentegen beschrijft de onderkant van die zelfde historische samenleving (op strategische plaatsen refereert Van der Woud aan de Duiste socioloog Ferdinand Tönnius die een onderscheid heeft gemaakt tussen Gemeinschaft en Gesellschaft, tussen gemeenschap en maatschappij). Een onderkant die grofweg meer dan de helft van de toenmalige bevolking betrof, die eigenlijk niet meer was dan productievlees, als het al wat zinnigs om handen had; een onderlaag die getalsmatig een meerderheid was, maar niets voorstelde, niet meetelde, beestachtig leefde, in woningen die eigenlijk minder dan hokken waren. Hokken die schuil gingen, denk ik, achter veel van de gevels die we heden ten dage nog zien in alle steden en dorpen van Nederland waar wat bewaard is van die negentiende-eeuwse huizenbouw. Zie bijvoorbeeld de foto op het omslag: geef dat meisje sneakers, legging en een trainingsjack met (nep)bontkraag en je bent weer thuis.

Wat in de ondertitel 'achterbuurten' heten, zijn dus wel de buurten waar de armoe leeft, de achtergestelden, maar het zijn zeker niet de buurten die getalsmatig op de achtergrond staan. Het gaat over miljoenen mensen. En al die mensen, en ook de gegoeden, eten, verteren en scheiden afvalstoffen uit. Gigantische massa's. En over de onbeholpenheid waarmee met die stront en urine werd omgesprongen gaat dit boek in hoge mate. En de pogingen om die stinkende, ziekmakende rotzooi enigszins in toom te houden. En hoe dat vaak mislukt. Het boek heeft een indrukwekkend hoog 'gadverdamme'-gehalte. Dat dat bestond naast al die fantastische kanalen, treinen, telegrafie, telefonie en wat al niet dat in Een nieuwe wereld ter sprake komt. Onvoorstelbaar.

Nog erger is het wanneer je bedenkt - en Van der Woud kaart het aan in het voorwoord - dat deze stuitende situatie in Nederland wellicht (grotendeels) is weggewerkt, via ontwikkelingen die tegen het einde van het boek ter sprake komen, maar dat het probleem mondiaal niet is opgelost, slechts verschoven: wat zo mooi ontwikkelingslanden heten, dat zijn de achterbuurten van nu: daar wonen de niet opgeleiden, de armen, het lagelonenproductievlees dat geen stroend water heeft, geen riool, geen fatsoenlijk huis, geen rechten maar ziekten als cholera, malaria, en hoge zuigelingensterfte.

Van der Woud heeft zijn boek opgedeeldin tien hoofdstukken, en die weer in tal van paragrafen van vaak minder dan zeven bladzijden. Een scheurkalender van armoe en stank. Je kunt het boek dus makkelijk in veel sessies lezen (inderdaad ja: op het toilet), maar het zet anderzijds juist aan tot doorlezen, doordat de meaterie zo begrijpelijk wordt gepresenteerd (en dat kan natuurlijk alleen doordat de auteur die materie zo volkomen heeft doorgrond). Die aanmoediging tot doorlezen komt denk ik ook doordat Van der Woud een zeer toegankelijke, onopgesmukte stijl heeft, en doordat hij genoeg uitlegt en herhaalt, zonder een bemoeizuchtige meester te worden, en doordat hij zijn betoog lardeert met relevante citaten, terwijl hij alle verantwoording onopvallend in de noten heeft opgeborgen. En alle paragrafen worden voorafgegaan door een titelpagina met illustratie.

Het, nou, laat ik zeggen: mijn beeld van de negentiende-eeuwse, nette, burgerlijke, zich ontwikkelende Nederlandse samenleving haalt Van der Woud met dit boek als het ware onderuit. Dat blijkt een soort Potemkin-dorp geweest te zijn. Boven de negentiende-eeuwse Nederlandse maatschappij hangt voortaan een penetrante lucht van armoe en rottenis, ziekte en stront. Nee: ook. Het is niet alles kanaal en telefonie en HBS wat er blinkt. Die achterbuurten en dat vuil hebben nu een plaats naast dat 'moderne' beeld van Nederland.