Op een dag had ik me voorgenomen eens iets te lezen van Susan Sontag (1933-2024); dat was zo’n auteur naar wie veel verwezen werd in boeken en artikelen van andere auteurs die ik wel las; daar moest toch een zekere waarde in schuilen.
Op een dag, lang na de voornoemde, wist ik mij de gelukkige bezitter van een pocketboek van perfect formaat en met een heel mooie foto op het omslag; het was een heruitgave door Penguin van Sontags On Photography (oorspr. 1977). Toen ik het ging lezen, vond ik er echter niks aan, omdat het in mijn optiek een opgeblazen stapel grondeloze generalisaties was. Bij iedere diepzinnig bedoelde opmerking over ‘de fotografie’ of ‘de fotograaf’ is ‘zus en zo en dit en dat!’, dacht ik: ‘Dat kan jij wel vinden, maar ik denk er toch een tikkie anders over.’ Met evenveel argumenten als Sontag (ingetogen veldonderzoek met N=1 waarbij 1=zij resp. ik zelf).
Op een dag niet lang daarna had ik het boek aan een volgende lezer weten te slijten via mijn online tweedehands-boekenwinkeltje. Toen ik vervolgens op een mooie nazomerdag met de hond bij het straatbiebje stilstond waar ik wel vaker bij stilhoud, trof me weer een mooie tweedehandspocket met weer een mooi omslag en weer van Susan Sontag. Daar komt bij dat ik net zo veel houd van fotograferen als van metaforen. En nu heeft Sontag me wel bij de lezerslurven.
Het boek is al zo oud en bekend, dat ik hier vast niet hoef uiteen te zetten dat het over de tering, syfilis, kanker, de pest en AIDS gaat. Over ziektes, niet over scheldwoorden. Ik hoef vast ook niet uit te leggen dat het een soort cultuurhistorisch-fenomenologisch essay is over het hoe en waarom van het gebruik van die ziektes als metaforen, en (dus) ook over hoe men vroeger die ziektes ‘zag’ en beoordeelde. Sontag, ervaringsdeskundige met kanker, heeft er heel veel leeswerk voor verricht en citeert veelvuldig. Het is een leerzaam boek, het eerste essay althans; aan het tweede ben ik, nu ik dit tik, nog maar net begonnen.
Pas in ‘Chapter Nine’ van Illness as Metaphor, om precies te zijn op pagina 75 van het boek, struikelde ik over weer zo’n On Photography-achtige, grondeloze generalisering of aanname of vooronderstelling, die Sontag met veel aplomb op het papier kwakt maar waar ik graag een steviger onderbouwing bij had gezien:
Throughout the nineteenth century, disease metaphors become more virulent, preposterous, demagogic. And there is an increasing tendency to call any situation one disapproves of a disease. Disease, which could be considered as much part of nature as is health, became the synonym of whatever was ‘natural’.
En daarop volgt dan een citaat uit Les misérables van Victor Hugo uit 1862, een van Gramsci uit 1916, van Mandelstam uit 1919 en Marinetti uit 1920.
Grote stappen, snel thuis. Maar hier zijn Sontags stappen zo groot dat ik haar spoor bijster raak; bij ons thuis is de negentiende eeuw eerder afgelopen. Mijn waardering voor het eerste essay blijft steken bij Sontags ideeën over de veronderstelde betekenis van de genoemde ziekten, de bron van hun metaforiciteit en de historische gegevens met betrekking tot de besproken ziekten.
Ik schrijf met opzet ‘metaforiciteit’ in een poging tot navolging van Sontags terminologische flair. Zij heeft het onder andere over ‘metaforiseren’ alsof dat een duidelijk procedé is; uitleg is kennelijk niet nodig, waar de bedoelde metaforen betrekking op hebben, zegt ze er niet bij, althans niet met precisie. Zo kan ik het ook. Plato’s Poetica aanhalen (met ‘1457b’ tussen haakjes achter de titel) als de als enige theoretisch bron voor het tamelijk complexe begrip ‘metafoor’, staat misschien een beetje stoer, maar het helpt zeker niet.
In haar voorwoord bij het eerste essay noteert Sontag:
My subject is not physical illness itself but the uses of illness as a figure or metaphor.
Gevallen daarvan noemt ze niet of nauwelijks, als ik het mij goed herinner, en centraal staan ze zeker niet. Want:
My point is dat illness is not a metaphor, and that the most truthful way of regarding illness – and the healthiest way of being ill – is one most purified of, most resistant to, metaphoric thinking.
Ik kan mij geen studie voor de geest halen waarin wordt beweerd dat ziekte een metafoor zou zijn. Het essay is evenwel geen strijd tegen windmolens maar veeleer een verkenning en analyse – men zou met enige overdrijving ook kunnen zeggen: een fenomenologie – van de historische en actuele beeldvorming van, rond of met betrekking tot ziekte, meer in het bijzonder ziektes als TBC, syfilis en kanker, en in het tweede essay AIDS. Voorbeelden van dergelijke beeldvorming zijn het veronderstelde hogere geestelijk leven van de TBC-lijder, de romantiek van de wereldlijke afgezonderdheid in het sanatorium, de felle strijd tegen kanker, het al of niet schuld hebben van de patiënt aan het lijden aan een ziekte en zo verder. Die beeldvorming was en is volgens Sontag bij uitstek mogelijk wanneer de precieze oorzaak en de feitelijke effecten van een ziekte niet grondig en eenduidig bekend zijn. Gebrek aan kennis maakt het mogelijk om een verderfelijke ziekte een pest of een plaag te noemen, een straf van de goden.
Die verdoezelende metaforen wil Sontag ontmantelen. In het begin van het eerste hoofdstuk van het tweede essay karakteriseert zij het eerste essay dan ook als haar ‘polemic against metaphors of illness’. Daarop volgt een slappe retorische antithese: ‘Of course, one cannot think without metaphors. But that does not mean that there aren’t some metaphors we might well abstain from or try to retire.’
Als tien jaar na Illness as Metaphor Sontag haar ziekte te boven is gekomen, en zich wereldwijd een nieuwe, grootschalige kwaal aandient die het verdient door haar verhelderd te worden, is de medische kennis omtrent kanker enorm gegroeid en Sontag probeert in het eerste hoofdstuk van AIDS and its Metaphors niet de kromme suggestie uit de weg te gaan dat haar essay daaraan zou hebben bijgedragen.
Dat tweede essay is minder enerverend dan het eerste. Misschien doordat er al veel sneller veel meer over die nieuwe ziekte bekend was, misschien doordat Sontag er heel veel woorden voor nodig heeft om toch nog eens uit te leggen wat die ziekte precies inhoudt en wie eraan leden en lijden, misschien ook doordat het betoog niet strak geregisseerd is; het wappert alle kanten uit. Als het dan weer over de pest gaat, laat ik het boek langzaam dichtvallen, ook omdat Sontag haar overtreffende trappen en generalisaties geen moment tempert.
Voor ik het boek definitief wegleg, zie ik nog de slotalinea en constateer dat die niet over AIDS als metafoor gaat, maar over Sontags bezwaar tegen de militaire metaforiek (met beelden als ‘strijd’, ‘strijden’, ‘vechten’, ‘gevecht’, ‘nederlaag’, ‘verliezen’) die vaak gebruikt wordt in het discours over die ziekte. Beetje jammer dat ze met ‘polemic against metaphors of illness’ uit hetzelfde metaforische vaatje tapt. Een essay, ook al beoogt het een kritische discours-analyse te zijn, is geen oorlog. Men moet zuinig zijn met sterke metaforen.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten