dinsdag 6 februari 2024

Gilles van der Loo, Café Dorian

Digitale editie naar de eerste druk, Van Oorschot, Amsterdam 2023.

Laat ik weer eens een roman lezen die genomineerd is voor de komende Libris-literatuurprijs, dacht ik. Sommige werken van de langlijst zijn van auteurs die me maximaal nog maar matig interesseren, andere had ik al gelezen en herlezen voor de langlijst er was, sommige andere zijn onbekend genoeg om interessant te kunnen zijn.

Van Gilles van der Lee moet ik ooit wel eens gehoord hebben, namelijk toen zijn debuut Hier sneeuwt het nooit (2011) op de juryleeslijst van de Academica-literatuurprijs stond; aantekeningen erover vond ik niet terug; misschien heeft een ander jurylid de bundel destijds nominabel gevonden; de titel vind ik nu in ieder geval weinig aanlokkelijk.

Op een subliminaal niveau, realiseer ik me nu pas, heeft mogelijk de titel van zijn jongste werk me  geïntrigeerd; in een grijs verleden was ik namelijk lid van de jury van de schavuitelijke Gouden Doerian. Maar voor die prijs zou deze roman niet in aanmerking zijn gekomen: ze steekt stevig in elkaar en is betrekkelijk correct van taalgebruik, en als je van raadseltjes houdt, is er vast wel wat plezier aan te beleven.

Maar voor de rest was het straf werk [intentionele spatie en intentionele ontlening aan het Vlaamse vocabulaire; red.] om het ten einde toe te lezen. Maar het is me gelukt. De constructie van de roman is spitsvondig te noemen, maar je zou ook kunnen zeggen: ver gezocht. Het hele boek is een lang volgehouden verteltrucje: een vrouwelijke vertelster ontwerpt al vertellend een (fictionele) nieuwe wereld voor de hoofdpersoon, iemand die voortdurend 'Hollander' wordt genoemd door de andere personages, maar een enkele keer 'Guillaume' door de vertelster, die met deze vertelling een mislukte gezamenlijke toekomst voor hem probeert te compenseren. Dat klinkt erg liefderijk, maar in mijn leeservaring is die uiterst auctoriële vertelster een bloedirritante, opdringerige, betweterige troela. Ik snap wel dat het niets is geworden met die twee. Als zij dit verhaal niet had verteld, was Guillaume vast op eigen gelegenheid, uit verzet, een kroeg of iets anders in een nog veel verder gelegen buitenland begonnen dan in het door alle vertelkieren heen schemerende, maar nadrukkelijk niet met naam genoemde België.

Die vertelster heeft trouwens nog wel een stevige cursus nodig aan de Schrijversvakschool of iets dergelijks. Het boek staat boordevol geklets:

Je drukt je sigaret uit tegen de muur en mikt hem in de afvalcontainer; houdt de klep open voor die van Abu en volgt hem door de brandschone keuken, waar Sylve een emmer laat vollopen met sop.

Boeiend, maar niet heus. En die puntkomma, zou een komma moeten zijn; 'die' verwijst, naar ik hoop, naar [de] 'sigaret' [van Abu]; terwijl 'hem' niet naar 'de klep' of de 'sigaret' verwijst en ook niet naar 'de afvalcontainer' maar naar 'Abu'. Opmerkelijk trouwens dat Sylve een emmer kan laten vollopen met sop (in plaats van alleen met water), en nog opmerkelijker dat ze dat doet terwijl haar keuken kennelijk al brandschoon is.

Inhoudelijk net zo triviaal en onnozel is:

Met het kaartje in je hand loop je naar de halte van de strandbus. Lang wachten is het niet, al binnen een paar minuten remt er een groen gevaarte voor je neus. De deuren sissen open.

Hoeveel clichés passen er in zesendertig woorden?

Als dan de vertelster ook nog eens gaat uitleggen wat ze precies aan het doen is ('Een schrijver opent de deur, stapt terug, wacht totdat haar hoofdpersoon zich aandient. Zo gauw hij ademt, begint te zien en horen, ontvouwt ze hem een wereld, de plek die ze hem heeft toegedacht.') blijkt de schrijfkunsttrucendoos een maatje te groot voor haar te zijn, wat ook al blijkt uit de hoeveelheid plotwendingen die in deze roman uit de lucht komen vallen.

Een recensent sprak in de NRC van 'de toverachtig krachtige stijl van Van der Loo', een andere sprak in Het parool van een '[s]tralende stijl'. De ene noch de andere heb ik in deze roman kunnen ontdekken.

De stijlmaat was wat mij betreft al vol toen een onderdeel van een hoofdstuk werd afgesloten met de als cliffhanger bedoelde uitsmijter:

En toen moest die ene vraag nog komen.

En daar weer bovenop kwam, na een klinische opsomming van drie reeds vertelde, zogenaamd levensbedreigende situaties waarin Guillaume verzeild dreigde te raken, deze pathetische uitbarsting van narratieve wanhoop:

Je lot is onmiskenbaar en het is mijn taak te volgen, zuiver op te tekenen, maar ik kan het niet. Ik wil het niet. Ik wil dat je leeft.


woensdag 31 januari 2024

Thijs Lijster, Frankfurter Schule

Elementaire deeltjes 82. AthenaeumPolak & Van Gennep, Amsterdam, 2023. Tweede druk (e-boek), 2023.

Hoewel ik eigenlijk bezig ben digitaal Ian McEwans Atonement te lezen (en nu al weet dat kijken naar de verfilming sneller gaat) en daarnaast van papier Arjen Fortuins biografie van Gerrit Kouwenaar (met een titel die wat mij betreft een terecht een leesadvies inhoudt: men moet), ben ik toch begonnen in de e-boek-versie van Thijs Lijsters zeer informatieve Elementaire Deeltje over de Frankfurter Schule; men moet immers niet alleen weleens ergens bij stilstaan, zelfs ook terugblikken, bijvoorbeeld op de stof van een lang geleden gevolgd bijvak, om beter te kunnen zien hoe het er met het heden aan toe gaat, hoe de vlag erbij hangt en waar het allemaal naartoe gaat. En daar is dit boekje bijzonder geschikt voor, zowel qua omvang (het is volgens mijn e-lezer in vier uur tijds te verschalken) als qua gedegen inhoud.

Lijster levert eerst een historische en intellectuele plaatsbepaling van de groep (of stroming, zo vraag ik me af, want het blijkt een groep van meerdere generaties) en presenteert daarna zes thematische hoofdstukken: over de 'dialectiek van de verlichting', over massacultuur en kunst, over fascisme en de 'autoritaire persoonlijkheid', over de 'geavanceerd industriële samenleving en over de 'communicatieve wending'; hij rondt het geheel af met een 'reflectie op de intellectuele nalatenschap van de Frankfurter Schule'.

Dat laatste klinkt een beetje gek, want uit niets in het boekje blijkt dat de Frankfurter Schule ten einde, afgelopen of opgedoekt is. In tegendeel: in zijn inleiding geeft hij in snelle trekken een schets van de actualiteitswaarde van deze denkers en hun teksten en tegen het einde denken er steeds namen op van toch weer nieuwe Frankfurter Schüler en (eindelijk) ook Schülerinnendat het begrip 'nalatenschap' maar betrekkelijk is, maakt ook de titel van het laatste hoofdstuk duidelijk: 'De actualiteit van de Frankfurter Schule'.

Deze denkers stonden (en staan dus nog), zoals Lijster het zegt, 'in het centrum van de filosofische en (sociaal) wetenschappelijke debatten van hun tijd, waren pioniers in het bestuderen van popcultuur, en hebben een enorme invloed gehad op het ontstaan van latere onderzoeksterreinen als cultural, gender en postcolonial studies  zelfs al kregen ze vanuit die hoek veel kritiek te verduren.' Nou goed, het zwaartepunt ligt wel bij de oudste garde: Horkheimer, Adorno, Marcuse, Fromm, Pollock en Löwenthal, maar de tweede, de derde en zelfs een vierde generatie slaat Lijster niet over.

Dit boekje is in zoverre eigenlijk onthutsend (merkte ik bij het lezen) doordat het gaat over een groep kritische denkers (en hun opvolgers) die zich vanaf plusminus 1923 manifesteerden maar die anno nu, honderd jaar later, nog steeds niet aan denkkracht en denkwaarde voor de actualiteit hebben ingeboet. Of moet ik het anders stellen: het is onthutsend dat onze wereld er na honderd jaar nog steeds belabberd aan toe is. Liet Geert Buelens in zijn studie van twee jaar geleden al zien Wat we toen [dat wil zeggen: in 1972] al wisten, Thijs Lijster verlengt met zijn fraaie overzicht van de Frankfirter Schule de periode van min of meer algemene doof- en blind- en onachtzaamheid voor de ideeën en inzichten van weldenkende filosofen en wetenschappers, die waarschuwen voor het destructieve ongerief van het menselijke doen en laten, met gemak met nóg een halve eeuw tot honderd lange jaren. Als we niet opletten, lopen we alsnog in polonaise regelrecht richting Grand Hotel Abgrund.


Een andere versie van de eerste zin van dit bericht verscheen eerder op het Instagram-account @de_ vrolijke_hermeneut

woensdag 3 januari 2024

Robert Seethaler, Der letzte Satz

Roman. 5. Auflage (1. Aufl. 2020). Hanser Berlin, München 2020. Hardback met stofomslag. 126 blz.

Mooi uitgevoerde, kleine roman, die toch bijna gans een leven omspant, en wel dat van Gustav Mahler. Als de eerste pagina precies één alinea bevat en dus met een zins- en alineaeinde eindigt, wordt mijn leesplezier aangewakkerd, nog meer wanneer de tweede pagina ook weer met een volledige zin eindigt (en de vierde, vijfde, achtste en negende ook, trouwens), en nog weer meer als de paginanummers alleen onderaan volledig of voor meer dan de helft met tekst gevulde pagina's staan. Als dan die eerste pagina nummer 7 heeft en inhoudelijk eindigt met een fraaie gedachtengang, staat niets een geneugtenvolle leesgang in de weg.

Het enige wat er in deze roman gebeurt, bij benadering, is dat Mahler, '[d] en Kopf gesenkt, den Körper in eine warme Wolldecke gewickelt', aan boord van een zeeschip op een voor hem afgezonderd deel van het zonnedek in de kou staat en zit en ligt, op weg van New York naar Europa, naar huis. Een scheepsjongen bekommert zich om en zorgt goed voor de, onder fysieke aftakeling zuchtende, wereldberoemde dirigent/componist, wiens gedachten naar alle uithoeken van zijn ten einde lopende leven waaien.

Echt een opgewekt humeur schuilt er niet meer in deze musicus. Zo eindigt de eerste pagina:

Jemand hatte ihm vom Duft des Meeres erzählt, aber es roch nach nichts. Hier draußen gab es nur den Geruch von Stahl und Machinenöl und den Wind, der von Norden kam und sich nie zu drehen schien. Mahler mochte den Wind. Er hatte den Eindruck, er wehe ihm dumme Gedanken aus dem Kopf.

Het leven was hem toen geen lolletje meer met een jong gestorven dochtertje en een flamboyante eega die, mede doordat hij wat al te veel met zijn eigen werk bezig is, iets met een architect begint te knutselen, bijvoorbeeld, en niet te vergeten het Weense antisemitisme dat het genot van de roem verzuurde die hij verwierf met zijn verfrissing van de Hofoper aldaar.

In het laatste van de zes (niet van titel of nummer voorziene) hoofdstukken ligt de focalisatie opeens bij de scheepsjongen en zijn we een paar maanden verder; Mahler is al dood. Hij, de scheepsjongen, die inmiddels in de haven van New York werkt en niet meer met thee en warme dekens voor Mahler aan komt draven maar nu zeult met olievaten en pallets met katoen, vindt het tijd om te gaan.

Gek, opeens krijgt de roman een vliesdun randje van een coming of age-verhaal. De scheepsjongen lijkt belangrijker dan hij in de vijf hoofdstukken ervoor ooit was. Alsof Seethaler terugvalt op de verhaalgegevens van zijn eigen Der Trafikant (ook Freud duikt in Der Letzte Satz weer op, nu in Leiden) of zelfs van Thomas Manns Der Tod in Venedig (geschreven in het jaar waarin Mahler stierf).

Om kort te gaan: die Seethaler kan er wat van, van helder, scherp, secuur schrijven en vertellen. Maar toen ik dit boek dichtsloeg (iets wat met een digitaal boek helaas onmogelijk is) wist ik toch niet zeker of het een vlot weglezende roman is, een fijn brokje literatuur, of toch maar een onsje Edelkitsch.


'Wer eine Neunte geschrieben hat, der steht dem Jenseits nahe', schreef Mahler in een brief, 'in welcher Tonart sterbe ich?'
(bron foto en citaat: Spiegel Geschichte)


vrijdag 8 december 2023

Paul Murray, The Bee Sting (tweewerf aangevulde post)

Hamish Hamilton, z.p., 2023. Paperback, 643 blz. Genomineerd voor The Booker Prize 2023.

Nu maar eens een jonge Ierse schrijver (geb. 1975). 'k Las iets over deze roman wat me haar aan deed schaffen; weet niet meer wat; de nominatie voor de Booker Prize hielp wel mee. Maar na Austers door het leven gerijpte Baumgartner, dat maar liefst drie keer zo dun is, lijkt deze dikke pil een beetje te veel geneuzel te bevatten, wat kan komen doordat de focalisatie in het eerste deel ('Sylvias') ligt bij de ongeveer achttienjarige Cass en in het tweede bij haar iets jongere broer PJ.

De jeugd in haar algemeenheid niets te na gezegd, ben ik vaak niet erg geïnteresseerd in romans waarin haar vertegenwoordigers een grote rol krijgen toebedeeld. In dit geval speelt het hoge gehalte van realiteitsnabootsing mee; al dat platpsychologische gedub en getwijfel van die lieden dat de lezer niet wordt onthouden maar juist breed en als het ware in letterlijke citaten wordt voorgeschoteld, is niet bijster boeiend, eens te meer omdat het niet of nauwelijks over zaken van enig algemeen belang gaat. Zwijg ik nog over de vreemde neiging van sommige schrijvers om de appjes van jongeren integraal, dus met alle, in een roman sneller dan op een smartphone vervelende, stylistische eigenaardigheden van dien, in een (oh, kijk nou eens: net echt!) afwijkend font in hun romantekst op te nemen.

Des te opmerkelijker is het wanneer de vertelinstantie soms wel de ruimte neemt om een fraaie gedachte of observatie te formuleren. Bijvoorbeeld deze in het tweede deel ('Wolf's Lair'), op pagina 159, wanneer hij vertelt over de gefortuneerde Granddad Maurice, van wie PJ hooggespannen financiële verwachtingen heeft:

He [= Granddad] twinkles down at him like God, infinitely able to do everything except understand what you need from him.

In mijn paperback pakt deze levensechte ironie prachtig uit door een wonderbaarlijk toevallig en fraai enjambement: de zetregel eindigt met everything! Maar deze wijsheid valt geheel uit de toon van het ervoor geschetste intellectuele portret van PJ, die nauwelijks in staat is het gehele Ave Maria te reciteren en helemaal niet weet wat het te beduiden heeft.

Het derde deel ('The Widow Bride') heeft Imelda als focalisatrice, de moeder van Cass en PJ. Maarrr... het is Imelda als jonge meid; we geraken dus van de jongensregen in de meidendrup. Plus dat het haar vooral te doen is om de aandacht van haar eerste grote liefde, Frank, een op lokaal niveau legendarisch football-talent dat moreel geen maat weet te houden en ontspoort. Daarbij komen er heel wat wedstrijdverslagen langs in dit deel; niet helemaal mijn kopje thee.

Opeens kent de tekst geen interpunctie meer. Wel hoofdletters aan het begin van iedere zin en ook verder zijn de zinnen nog steeds gewoon gestructureerd. Het is me een raadsel wat de auteur hiertoe bezield heeft. En dat wordt nog onduidelijker als er een vraagteken opduikt, al na een pagina, en verderop staan er nog meer; na zestien bladzijden verschijnen er ook uitroeptekens. Bizarre inconsequentie, lijkt me bij een onbegrijpelijke typografische stilering van de zinnen.

Ik heb nog steeds een kleine vierhonderd bladzijden te gaan (het lezen schiet niet op); er is nog ruimte voor de ver- of opwekking van mijn fascinatie. Daarna zou ik alsnog de winnaar van The Booker Prize 2023 kunnen lezen; maar ik vond inmiddels ook Douglas Stewarts Mungo in de Nederlandse vertaling (2022) gratis in een boekenkastje hier in de stad.

Inmiddels is het 19 december geworden en ik ben op pagina 288; nog zo'n 350 te gaan, dus. Het duurt nog 44 bladzijden voor het vierde deel ('The Clearing') begint. Ik vind het erg sneu dat Frank door een blind toeval is verongelukt en opmerkelijk dat zijn oudere broer dan maar trouwt met Imelda die inmiddels nog zwanger is ook. Maar het schiet niet op; het duurt en het duurt maar; en dan met die gekke zinnen. Had de vertelinstantie de regie maar duidelijker in handen en zelf het woord genomen, niet namens die anderen, en veel meer mooie zinnen genoteerd, en het mes in het burgerlijk gedelibereer gezet en even met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis gewandeld tot een punt waar die interessant wordt; als die dat nog wordt. Ik zal het je niet gaan kunnen vertellen.

[werd al een beetje, en toen nog een ietsje verder, maar wordt nu niet meer vervolgd]

woensdag 15 november 2023

Paul Auster, Baumgartner

 

A Novel. Faber & Faber, London, 2023. Gelijmde hardback met stofomslag. 202 blz. op de kop af: de eerste pagina heeft nummer 1, de laatste 202.

Niet eerder las ik een roman van Auster. Het is niet irreëel dat het zijn laatste zal zijn; niet de laatste die ik van hem zal lezen, maar helaas waarschijnlijk wel de laatste die hij geschreven zal hebben. De kennismaking kon evenwel niet beter zijn, want dit is me toch een goed geschreven boek. Wat een opbouw, wat een denderende zinnen; wat een mooi onderscheid in stijl tussen hoofdpersoon Baumgartner annex de vertelinstantie en bijvoorbeeld Anna Blume, de echtgenote van Sy Baumgartner, sommige van wier teksten geciteerd worden door Sy (kort voor Seymour). De zinnen kunnen lang en zelfs heel lang zijn, maar ze zijn altijd heel helder en begrijpelijk. Ik heb geen fijnmazig stilistisch schepnetje door de tekst gehaald, maar ik denk voor de vuist weg dat er mooie voorbeelden in zitten van de Senecaanse kuiergang.

Wat een absurde (in de Camusiaanse zin) en ontroerende tragiek in hun levensverhaal, of in deze verhalen, ook waar het over nog weer andere personages gaat. Deze roman gaat over minimaal vijf ontwikkelingsfasen in het leven van Baumgartner vanaf tien jaar na de plotse en volkomen onverwachte dood van zijn vrouw, met wie hij zo'n veertig jaar getrouwd was; zij was toen 58 toen ze stierf, hij 60; zij redacteur, vertaler en dichter, hij universitair fenomenoloog. Daarnaast, daarbij en daaromheen zijn er allerlei achtergrondverhalen, ingelaste teksten van zowel Anna als Sy, en ook nog zijpaden, waarvan sommige naar Baumgartners land van herkomst en de wereld van zijn voorouders voeren.

In zijn recensie suggereert Daan Stoffelsen terecht dat deze roman stof bevat voor meerdere volwaardige romans die Auster in Baumgartner als het ware alleen maar aanraakt en aanreikt, er de aanzetten van geeft. Toch is de roman als geheel niet onvoltooid of onvolledig, ook niet kunstmatig episodisch. Het web van alle erin vervatte verhalen raakt aan de centrale tragedie, namelijk dat Baumgartner zich na de dood van Anne hooguit nog maar de romp van een mens voelt, dat hij als het ware geamputeerd is, en dat hij zijn fantoomledematen nog voelt en de fantoompijn dagelijks als reëel ervaart. '[W]at Auster voor elkaar krijgt, [is] een phantom literature syndrome te noemen [...]: je hebt [als lezer] het gevoel dat er iets afgesneden is, en je bent gedwongen te leven met dat gemis.'

Stoffelsens kwalificatie 'geniaal' neem ik graag over. Zelden las ik een zo korte roman die tegelijk inhoudelijk zo intens en vol en volledig is. Na elk van de eerste vier hoofdstukken begint er schijnbaar een volgende roman, en daarbinnen zijn weer verschillende sub-plots te onderscheiden, alle even 'rudimentair' als de hele roman zelf, en even rijk. Het slot van de roman, is er eigenlijk geen; dat kon ook niet anders, in dit geval. Het suggereert het eind van Baumgartner, maar het staat er niet. 

Ik laat me niet foppen. Herlezen staat de lezer vrij.




zaterdag 11 november 2023

Kate Briggs, The Long Form

Fitzcarraldo Editions, London 2023. Paperback met flappen, gebrocheerd, 457 blz, exclusief Sources,  Acknowledgements en een samenvatting van de afbeeldingen.

Op 24 november 2022, lees ik in mijn papieren leeslogboek, ben ik voor de tweede maal in mijn leven, vol goede moed, en met groeiende bewondering nu ook, begonnen aan De man zonder eigenschappen van Robert Musil; 1344 dunne bladzijden vol feilloze zinnen. Ongeveer een maand later was ik nog maar gevorderd tot bladzijde 181, wat onder andere verklaard kan worden door het gegeven dat ik in de tussentijd ook 'Het veer' van Nijhoff grondig herlas plus vijf andere gedichten uit het interbellum, het eerste hoofdstuk van Van Bruggens Eva en heel Bordewijks Knorrende beesten (in de gedigitaliseerde tijdschriftuitgave van De gemeenschap) en verder Fabias' Habitat, De geruchten van Claus, Geen gewoon Indisch meisje van Bloem en nog meer werken van de leeslijst Moderne Tijd, omdat ik toen nog het door de Sol Iustitiae aangejaagde zweet mijns aanschijns zwoegde voor het dagelijks brood op de plank, en Vroege werken van Postma, louter voor mijn eigen plezier.

Onderwijl las ik dus in Musil verder, tot pagina 208, maar daarnaast nog Is dit alles? van Postma, Vertel het iemand van Lamrabet en Stargate van Rishoi (met een streepje door de o, maar dat ben ik kwijtgeraakt tussen de toetsen van m'n nieuwe laptop) (oh, wacht... toch, hier: ø), De beesten van Wilbrink, De Mitsukoshi troostbaby Company van Hulst, Lessons van McEwan (waar ik echt geen splinter plezier aan heb beleefd en dat ik dus niet uit las) en de Nieuwe Gids-bloemlezing Een pic-nic in proza, die er debet aan waren dat ik op 9 maart 2023 slechts tot pagina 226 van die loodzware Musil was gekomen.

Sindsdien, toen ik een Bronwasser las, en een Jones, en werk van Fallada, Spit, nog een Bronwasser, Zeh und Urban, Adichi, Smith, Longinus, Gerbrandy, Sarr, Adilow, Gerbrandy (herlezing), Anker (herlezing), Tergit, Wynia, Tergit (weer, maar dan in vertaling), een kleintje Zeh, Norbury, nog een Gerbrandy (en die meerdere keren), weer een Zehtje, een Seethaler, Travnicek, Helle (onvolledig), Koopman (herlezing), Camus, Bennet, Schinkel, Loveling (heel erg onvolledig), ruim 1000 gedichten van evenzoveel dichters, Bennet (dezelfde maar dan in vertaling), Wieringa (twee maal achtereen), Heaney (twee kleine bloemlezingen met vertalingen) en een artikel van Joosten, dacht ik nog wel aan de voortzetting van de lectuur van Musil, maar die moest het toch afleggen tegen al deze andere werken van anderen. En ook Briggs kwam ertussendoor (als ik nog mag geloven dat ik Musil weer opneem), en zij won het aanvankelijk niet van Wieringa en Heaney maar daarna pakte ik The Long Form weer op om het niet meer weg te leggen tot het uit was (alleen dat artikel van Joosten kon ertussendoor), ervan afgezien dat ik in geval van weinig licht op de e-lezer parallel de vertaling van Julia (2023) van Newman lees).

Ik kocht de roman op het eerste gezicht. Vanwege de mooie uitvoering en het forse maar toch handzame gewicht en dito formaat (het is een kloeke blauwe klinker). En de opmerkelijke aanprijzing achterop: 'A beautifully written book about the art of reading, of criticism, and surviving through the strangest yet most normal of times.' En de wonderschone typografie. Het boek is gezet uit de op zich niet spectaculaire, eerder klassieke, Bembo-achtige Fitzcarraldo en heeft een mooie blad- en zetspiegel. Ter illustratie een niet-representatieve foto, in zoverre dat het boek vooral bestaat uit korte(re) hoofdstukken en andere passages, afgegrensd met witregels; ook de lengte der hoofdstukken is weinig regelmatig, wat het lezen van deze roman-met-essayistische inlassen of uitweidingen tot een fysieke of bewuste ervaring maakt:

Alleen zijn de paginanummers wat mij betreft nèt iets te groot. Dat het boek daarnaast het ergste hoerenjong bevat dat ik in jaren zag, 


neem ik graag op de koop toe. Sterker: ook dit werkt er volgens mij aan mee dat het boek zich voortdurend opdringt aan je bewustheid als lezer, aan je bewustzijn van je lezersrol. Dat mag ook wel, want het beschrijft de ervaringen en gedachtenkronkels van Helen, een jonge moeder, gedurende een dag  dan kunnen 457 bladzijden er wel eens veel zijn. Ik denk trouwens dat het niet al te ver gezocht is heel de roman een complexe stream of consciousness te noemen, maar dan wel een met ook een stevige auctoriale vertelinstantie aan het stuur. En nee, Ulysses noch Ulyxes las ik, hoe lang dat ook is (of: juist daarom, in combinatie met nog een paar je ne sais quoi's).

Ik kocht The Long Form trouwens ook omdat de titel me aansprak: lang geleden hield ik me gedurende enige tijd onledig met de reflectie op lange, epische, min of meer verhalende, neerlandofone gedichten. Misschien mislas ik zelfs twee letters van het laatste woord en dacht ik even dat het boek handelde over The Long Poem. De lengte, de duur van een verhaal of vertelling, de spatio-temporele grandeur ervan met andere woorden, doet iets met (een auteur en) een tekst, net als met de, of in ieder geval met deze als lezer, al weet ik nog niet precies wat; en ook 'ongeveer' weet ik het niet. Natuurlijk zegt lengte c.q. omvang alleen niet alles. Je hoeft Het bureau van Voskuil maar op te slaan, en je weet wat ik bedoel, tenminste, als we een gedeelde literatuuropvatting hebben; zie ook het proza van wijlen Te Gussinklo; of het ongeremde geëmmer van de latere Van der Heijden. Maar Minke Douwes, van haar zou ik de nieuwe roman wel eens binnenkort kunnen gaan lezen; ik heb mooie herinneringen aan Weg (2009).

Briggs' met essayistische stukken en non-figuratieve afbeeldingen doorspekte roman vertelt op een tastende, naar de juiste verwoording zoekende, welhaast mindfulness-achtig te noemen wijze niet alleen over de eenvoudige, alledaagse (om precies te zijn: eendaagse) bezigheden en gedachtenspinsels van Helen met haar pasgeboren baby Rose, maar reflecteert ook op de roman (in het algemeen), mede aan de hand van wat Helen kan lezen in de, naar ik nu heb geleerd, eveneens deels literair-essayistische roman die ze eerder had besteld en waarvan de bezorging nu de huiselijke rust van de jonge moeder en het kind komt verstoren, Henry Fieldings The History of Tom Jones, a Foundling (1749), een van de eerste Engelse literaire werken die 'romans' worden genoemd. Bovendien is Helen (of toch de vertelinstantie?) zo goed geïnformeerd over wat E.M. Forster in Aspects of the Novel (1927) over de roman en de tijd te melden had, dat ze zich voor kan stellen met baby en al een lezing van deze romancier, essayist en criticus bij te wonen; ook wat veel andere literatuurtheoretici daarover te berde brachten, is haar niet ontgaan  en niet voor niets bevat het boek een lijst van 'Sources' die maar liefst zestien bladzijden beslaat. Helens gedachten hierover dragen (wederom) bij aan des lezers dubbele ervaring van enerzijds het lezen over de op het oog triviale gebeurtenissen in deze roman en anderzijds het lezen en denken over de roman als roman, als literaire vorm.

Briggs weet het een stevig te vervlechten en te verrijken met het ander. Sterker: doordat je het boek soms weg moet leggen (een mens moet boodschappen doen, eten en slapen, minstens) wordt je eigen dagelijkse c.q. alledaagse gedrag betrokken bij, want gelijkend op, de overwegingen van Helen met betrekking tot haar leven met Rosa en Tom Jones. De lectuur van deze roman wordt zo tot een bijzondere gebeurtenis, een evenement.

donderdag 12 oktober 2023

Tommy Wieringa, Nirwana

 

Roman. E-boek. De Bezige Bij, Amsterdam 2023.

Mijn experiment om twee boeken tegelijkertijd, nou ja: in afwisseling, te lezen leek te slagen toen ik bezig was aan twee niet-doorsnee-romans met een uitermate trage verteltrant; de Nederlandse vertaling van een e-book waarvan ik de Engelse versie al gelezen had voor in bed (als het aan de andere kant van het ledikant nog duister moet zijn) en een Engelse paperback voor overdag. Maar toen ik dat e-book uit had, drong zich toch echt onafwendbaar Nirwana aan mijn belangstelling op, en na lezing van een digitale preview (pluspunt van het e-boek) wist ik het zeker: kopen, opslaan en lezen. Ik had wel weer zin in een stevige vertelling met vaart en Schwung, potige zinnen, een brede blik en een grote thematische greep, tot ver buiten de pluizige grens van het naveltje van (het narratologische alter ego van) een auteur. Kortom: ik heb die paperback geparkeerd op de stapel nog te lezen boeken want Nirwana wilde me niet loslaten. En ik wilde Nirwana niet wegleggen.

Nirwana is groot en Nirwana is groots, en ik noem er hier maar een enkel aspect van. Het verhaal beslaat het leven van (vooral de mannelijke lijn in) drie generaties Adema's en daarmee ongeveer anderhalve eeuw van Noordwest-Europese wereldgeschiedenis, al was het maar doordat de grootvader van de hoofdpersoon een donkerbruin tot inktzwart verleden in de twintigste eeuw heeft en verder doordat onder alles wat er gebeurt in deze roman de zucht naar verbranding onafwendbaar voortwoedt, verbranding die 'nodig' is om te kunnen produceren wat de mensen denken te willen bezitten. Even een citaat ter verduidelijking:

Door de vuurmachine, zoals de door Watt verbeterde stoommachine aanvankelijk wordt genoemd, wordt verbranding het centrale gegeven van alles wat de mens onderneemt en produceert, op een schaal die niemand ooit voor mogelijk heeft gehouden.

Dat denkt Hugo Adema, de hoofdpersoon, kleinzoon van een gigant in de naoorlogse offshore met een nazi-verleden, gevierd kunstschilder maar aan het begin van de roman in de verf vastgelopen door het plotse vertrek van zijn muze en geliefde.

Hugo wordt op het spoor van het onderzoek naar het duistere verleden van zijn grootvader gezet via een toevallige ontmoeting met een schrijver die zich in het NIOD voorbereidt op het schrijven van een roman door de gangen van de oude Adema na te gaan. Die schrijver heet Tommy Wieringa en het grappige is dat Hugo hem uiteindelijk voor is met zijn eigen onderzoek en doordat hij de oorlogsdagboeken van zijn grootvader in bezit krijgt, waarvan hij Wieringa, met wie hij een pleegmoeder gemeen blijkt te hebben, niet op de hoogte brengt. Deze cameo is een luchtigheidje in de overigens serieuze en –ondanks alle racing green Jaguars, lichtgrijze Range Rovers, tweede huizen op Ibiza en in champagne gedrenkte vernissages  – zwaarwichtige roman die een scherp mes steekt in de oeroude wortels van de actuele problematiek van grenzeloze wil tot materiële en economische groei en de daaraan verbonden al even zinloze uitputting van de natuurlijke en menselijke bronnen.

Wieringa heeft zich blijkens de toegevoegde bronnenlijst grondig gedocumenteerd (net zoals zijn fictieve alter ego) en heeft al met al een zeer leerzame, zowel historische als actuele roman weten te schrijven, een onthutsend boek ook, door alle gegevens die zijn onderzoek opleverde samen te voegen in een fictioneel verhaal waar visie en overtuiging uit spreken. De niet-fictionele geschiedenis van schaamteloze kapitalistische uitbuiting strekt zich natuurlijk nog verder uit dan over drie generaties; te vrezen valt dat ook Nirwana hier geen einde aan weet te maken. Misschien de doem die hangt boven alle kunst, als je uit het oog verliest dat ook kunst tot inzicht en bewustwording kan leiden. Hugo Adema weet in ieder geval zijn persoonlijke geschiedenis te purgeren door met zijn nieuwe schilderwerken op imposante wijze wraak te nemen op zijn huichelachtige familie en zich vervolgens in strenge ascese weg te cijferen zonder nog iemand of de aarde tot last te zijn. Dat ging niet zonder slag of stoot; in het motto staat: 'als de vuren van hebzucht, haat en waan zijn geblust, is de geest vrij om op volle kracht te werken.'

De ironie van de geschiedenis wil dat Hugo zelf eerst slachtoffer moest worden van een kunstzinnige 'zuivering', zo niet wraakneming. Ik bedoel maar: deze roman is boordevol.