Posts tonen met het label Fitzcarraldo Editions. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Fitzcarraldo Editions. Alle posts tonen

donderdag 5 februari 2026

Olga Tokarczuk, House of Day, House of Night

Oorspronkelijk in het Pools verschenen in 1998, gelezen in de Engelse vertaling van Antonia Lloyd-Jones uit 2002 in de heruitgave door Fitzcarraldo Editions uit 2025. Paperback met flappen, 332 bladzijden, met wel een aantekening van de vertaalster vooraf en een motto, maar verder geen annotaties, dankwoord, bibliografie, reclame voor ander werk of wat dan ook; gewoon schoon aan de haak.

How painful it is to be loved for nothing, just for existing.

Hoe vreemd het is om deze zin te lezen, vooral als je direct daarvoor met grote belangstelling Alice Millers Het drama van het begaafde kind hebt gelezen. Miller, een Freudiaans geschoolde, maar van de oude leer afgezwaaide psychotherapeute, was in haar praktijk gericht op het hervinden van het ware zelf, het nog niet door de invloed van opvoedende ouders en anderen vervormde zelf van de cliënt. Juist het ontbreken van het gevoel geliefd te zijn om wie iemand louter zelf is, kan een mens traumatiseren, stelt Miller. Ze streeft er in haar therapie niet zozeer naar dat de cliënt (Freudiaans rationeel) begrijpt hoe het er vroeger aan toe is gegaan, maar dat die het eertijds geleden gemis weer bewust en emotioneel ervaart, en er dan alsnog onomwonden om kan rouwen.

Olga Tokarczuk (1962), in wier roman ik de geciteerde zin las, is de laureaat van de Nobelprijs voor literatuur 2018 en een Jungiaans geschoolde psychologe, geboren in Polen, net als Miller maar een halve eeuw later. De zin staat op pagina 45 van haar roman, die niet een gewone roman is, maar meer een lappendeken van samenhangende verhalen van allerlei aard en lengte; wellicht is het een episodische of een seriële roman, of zoals het op het achterplat van het boek heet: een ‘constellation novel’, in elk geval een tekst die is geschreven in glasheldere taal en die toch bepaald niet vrij is van surreële elementen, wat, bijvoorbeeld, zeer duidelijk wordt in het verhaal over ene Marek Marek, die het gevoel heeft dat er een grote zwarte vogel met een lange snavel en gevederde poten in zijn lichaam huist.

Dat was voor mij echter niet zo heel vreemd om te lezen, in aanmerking genomen dat ik een tijdje terug ook al een roman las waarin een personage een vogel in haar borstkas met zich draagt. Ik ben benieuwd hoe ik reageer als mijn partner binnenkort melding maakt van een kraai of steltloper, opgesloten in haar ribbenkast. Ik denk dat ik het dan toch opvat als een signaal dat het niet zo goed met haar gaat, en dat ik even de huisarts moet bellen in plaats van verder te lezen, wat ik toch al te veel doe, vindt ze.

Inmiddels ben ik op bladzijde 117 van Tokarczuks boek, en las net het verhaal (over) ‘Pieter Dieter’, een melancholisch kleinood over het wisselend lot van Polen, althans over een Duitse Pool dan wel Poolse Duitser die zijn geboortegrond niet terug kan vinden, doordat men er met een slordig gebaar de grenzen steeds van verlegt.

Hoe je van rabarber komt op Archemanes, weet ik niet. Wie Archemanes was, weet ik ook niet. Een van de docenten van Pythagoras, zegt de ik-vertelster. Ik neem het maar aan, ik weet daar niets van. Ben benieuwd of het interessant wordt; kan zomaar. Of niet natuurlijk.

Maar ik denk van wel. Tussendoor las ik namelijk een bespreking op het weblog Whispering Gums, kennelijk ergens in Australië geschreven. Mrs. Gums noteert iets wat, zo zag ik toen ik het las, in grote mate overeenkomt met wat ik pre-verbaal in mijn hoofd heb rondwaren.

Weer ruim honderd pagina’s verder weet ik nog steeds niet goed zelf te formuleren wat me zo aantrekt in dit verrassingspakket vol verhalen. Misschien is dat het: je weet de ene bladzijde niet waar je op de andere verzeild zult raken. Omdat het bereik van de verhalen in aanleg nogal streekgerelateerd is, zijn de zijpaden die de vertellingen steeds nemen louter verademingen, hoewel zelfs de beschrijvingen van de licht kneuterige alledaagse gebeurtenissen door hun luchthartige stijl ook zeer aangenaam zijn. En daarbij komt nog dat er iets absurds in alle verhalen steekt, en iets dubbelhartigs doordat er personages zijn die eigenlijk hopen dat ze tijdens een nachtelijke wandeling langs de grens door hun kop worden geschoten terwijl ze overdag toch alles behalve ontevreden lijken te zijn.

Op een gegeven moment gaat een stel hoofdstukken over een landhuis, een groot landhuis waar meerdere generaties van de familie Von Goetzen wonen. Een van de leden van de Von Goetzen-familie ‘was a professor, a real professor, who spent his whole life reading books, studying and traveling, and who wasn’t interested in gardens. His name was Jonas Gustaw Wolfgang Tschischwitz von Goetzen.’ Zo’n beschrijving alleen al houdt mij stevig aan de leesstoel gekluisterd.

Die professor verdiepte zich in (onder meer) religieuze sekten die tijdens de Reformatie in Silezië actief waren, meer in het bijzonder de volgelingen van Kaspar von Schwenckfeld en de Cutlers. Von Schwenckfeld kon ik terugvinden op het internet, als zijnde een Silezische theoloog, van de Cutlers vond ik niets in die geest. Maar daarover gaat wel een volgend hoofdstuk, waarvan de eerste zin luidt: ‘They spent their days singing psalms and making knives.’ Verderop staat deze karakteristiek:

The Cutlers believed that the soul is a knife stabbed into the body, which forces it to undergo the incessant pain that we call life.

Dankzij zo een fragmentje raas ik gretig verder door de tekst, als was die er een van de zus van Tom Waits, uit het Pools vertaald.

Natuurlijk komen die Cutlers later nog even terug, maar ook andere referenties aan messen en messensmeden. In het Duits roept dat laatste woord associaties op die de vertelster laat liggen (terwijl de twee wereldoorlogen niet afwezig zijn in vertellingen over deze streek), maar de ontstaansgeschiedenis van de (ver verwijderde) nederzetting Solingen, gesticht door een messenmaker, komt wel aan de orde.

Alles draait, zoveel is toch wel duidelijk uiteindelijk om de onbegrijpelijkheid en de (veronderstelde) eindigheid en onbestendigheid van het bestaan, van alle bestaan. Met talloze vertellingen wordt gepoogd iets van de zin ervan in het oog te krijgen, of troost.

Een wonderbaarlijk mooie constellatie-roman.

zaterdag 10 januari 2026

Anne de Marcken, Its Lasts Forever and Then It’s Over

3rd Edition. Fitzcarraldo Editions, London 2025. Oorspr. 2024. Paperback met flappen, 131 blz. inclusief Notes on Epitaphs en Acknowledgements. Op haar webstek signaleert de auteur drie parallel verschenen Engelstalige uitgaven uit 2024, in de USA, in het VK en in Oostenrijk, daarnaast vertalingen in het Spaans, Duits, Turks en Nederlands, die laatste in 2025 bij Koppernik. 

Soms koop ik een boek omdat de uitgever niet alleen inhoudelijk maar ook materieel mooie boeken maakt, en omdat de titel heel erg goed is. En omdat het met prijzen is gelauwerd, waaronder de 2024 Ursula K. Le Guin Prize for Fiction; omdat de prijsjury zegt dat het ‘a work of quietly detonative imagination’ is.

Dat de hoofdfiguur van het dystopische verhaal tot de ondoden behoort, dat haar linker arm van haar lichaam is gevallen, en dat ze een kraai in haar borstkas draagt, neem ik dan voorlopig welwillend op de koop toe; dat het boek uit VII delen bestaat, die elk heel erg veel door één tot drie witregels gescheiden paragrafen bevatten, ook. Dat er al snel weinig werkelijk verhaal te onderscheiden lijkt te zijn, maakt het wel wat lastiger, dat suspenderen.

Maar omdat in het boek dat ik ervoor las, aan het eind een essay stond waarin een paradoxaal soort thematiek werd behandeld, zet ik na de eerste achtendertig bladzijden door, om ook deze multidisciplinaire kunstenares en schrijfster een plaats in m’n bibliotheek te gunnen.

Het probleem is dat een traditionele, tot gewoonte geworden automatische proza-leeshouding niet afdoende is voor een prozakunstwerk als dit. Een novelle of roman of verhalenbundel is het niet, ook al is er steeds iemand aan het woord en soms ook in gesprek met anderen, maar af en toe ook met ‘you’, hoewel die niets terugzegt, die ‘you’ is meer de aangesproken persoon, de afwezige, de verloren geliefde waarschijnlijk, want ‘het’ gaat over honger, rouw en verlies, en kou, niet-(meer-)leven zowel als on-dood.

Inmiddels, na een kerstelijke en oudejaarsige leespauze waarin ik als tussendoortje een ander, en best dik, boek bijna helemaal uit las, ben ik in dit wonderlijke boek van De Marcken gevorderd tot deel IV. De vertelling gaat verder zoals ze hiervoor al ging. De fraaie vorm van het boek verandert ook niet. Maar er is me wel iets nieuws opgevallen.

De delen van het boek hebben alle een eigen titelpagina met daarop het deelnummer en een motto; enkele van die titelpagina’s worden voorafgegaan door een tekening. Of er systeem in zit, weet ik niet. Opmerkelijk is nu dat op dit punt een typografische etiquetteregel wordt geschonden: de tekst van elk deel begint niet op een rechter- maar op een linkerpagina, anders gezegd: de tekst van elk deel begint met een hele opening (zo heet dat, dacht ik)

Via de eigenzinnigheid van de opmaak en een obsessieve kronkel in mijn brein kwam ik op de vergelijking van dit boek met Memoires van een luipaard (2001) van Peter Verhelst, een pareltje in de kroon van het literaire post-modernisme waar ik jarenlang namens mijn collega’s studenten mee heb lastiggevallen in de cursus Moderne Tijd, over de moderne Nederlandstalige letterkunde. Zij, de studenten, bedoel ik, snapten niet veel minder van die novelle of roman dan ik, maar velen raakten er toch eveneens door gefascineerd (en ik hoopte dan dat ze tijdens het tentamen in ieder geval het structurele en literair-historische verschil met een boek als Max Havelaar (1860) duidelijk konden maken).

En zo verschuift dan uiteindelijk toch mijn leeshouding nog naar een ronduit ondergaan van wat er staat, een beetje in de geest van Nijhoffs woorden in een brief aan Achterberg over diens eigen Ballade van de gasfitter: ‘het zal nu wel vanzelf hoe langer hoe helderder worden’.

Of niet, natuurlijk. Ik bedoel: je moet dat ergocentrisch gestuurde volledige duiden en doorgronden bij tijd en wijle achter je durven laten en meedeinen op de golven van de tekst. Zien wat ervan komt.

Een voortzetting van een tocht westwaarts die de hoofdfiguur onderneemt met in zich een leegte van rouw en gemis – zelfs de geïmplanteerde kraai is verdwenen. Kannibalisme is klaarblijkelijk een optie in het domein van de ondoden; het wordt zo zakelijk, afstandelijk en gortdroog verteld, dat het nauwelijks opvalt.


Over de woordafbreking in Engelstalig drukwerk verbaas ik me vaker wel dan niet (‘imagin-/ary’, ‘noth-/ing’); gelukkig weet Fitzcarraldo Editions de inzet van het afbreekstreepje echter tot een absoluut onopmerkelijk minimum te beperken. Maar opeens staat er op pagina 97 een schitterend enjambement: ‘and pause mid- / chew’. En dat gezegd over twee paarden die net paarden. Pas drie regels verder, in de laatste zin van de alinea en van de pagina, beginnend met een schijnbaar tegendraads ‘Finally’, wordt die pauze in het kauwen weer opgeheven, net voor de pagina vol is. Zo goed geschetst is dat, met een zo goede ritmiek (prosodie?) op papier gezet, en zo herkenbaar, dat je er niet eens zelf ooit ‘Huh’ voor tegen twee paarden gezegd hoeft te hebben om het onmiddellijk te begrijpen.

Dat de vertelster iets later onthoofd wordt, en daarbij al dan niet realistische gewaarwordingen heeft omtrent zijn en niet zijn, annex het zijn op twee plaatsen tegelijk, sluit aan bij eerdere dualiteiten in deze fantasierijke roman, maar is wat moeilijk te verkroppen voor iemand die ernaast nog steeds aan het lezen is in een roman die gebaseerd is op de keiharde maar wereldwijd lang genegeerde, afzichtelijke werkelijkheid van de gruwelijke burgeroorlog in Algerije aan het eind van de vorige eeuw (1991-2002), Kamel Daouds indrukwekkende roman Houris (2025). 

De werkelijkheid is absurder dan fictie, want de vertelster in Daouds roman werd op zeer jonge leeftijd daadwerkelijk onthoofd, maar die executie mislukte, waardoor zij nu een litteken in haar hals heeft dat op een grimlach lijkt, van oor tot oor, via een kunstmatige opening moet ademen en niet meer spreken kan doordat haar stembanden zijn doorgesneden; in gedachten doet ze haar geschiedenis uit de doeken voor ons, lezers, maar in eerste instantie voor haar nog ongeboren kind, waarvan zij niet weet of zij, alleenstaande vrouw, het wel geboren kan en wil laten worden in een land waar heel de gewelddadige poging tot machtsovername door moslimfundamentalisten totaal verzwegen moet worden.

Onthoofd, wordt de vertelster van It Lasts Forever and Then It’s Over ook nog een aan een kruis gehangen, ondersteboven, met elf anderen (geen idee wie) in een cirkel, als een soort zonnewijzer en de vertelster doet dan quasifilosofisch iets met tijd en ruimte. Een oude vrouw haalt haar van het kruis af en samen zetten ze de tocht naar de oceaan (want dat blijkt het nu te zijn geweest) voort, hand in (ene) hand, de oude vrouw draagt het hoofd van de vertelster, die ongestoord doorvertelt alsof er helemaal niets aan de hand is.

Of het inderdaad om een verstelster gaat of toch om een verteller, of dat het genus van de woordvoerder er niet toe doet, wordt niet duidelijk uit het vertelde (nog een kleine overeenkomst met de eerder genoemde roman van Verhelst). Ik ben onnadenkend in de fuik getrapt van identificatie van de vertellende instantie met de auteur.

Ik moet zeggen dat ik op dit vergevorderde punt  van mijn lectuur de dystopie onder mijn ogen zie verworden tot een partij slap gefantaseer, om het netjes uit te drukken. Kennelijk ben ik niet in de wieg gelegd voor dit genre. Maar het helpt een beetje als ik bedenk dat een en ander, dat het geheel zelfs metaforisch kan worden opgevat, als beeld van de verscheurdheid (ja ja) van een mens door verlies, verdriet, rouw.

Het boekje duurde me wat te lang, maar nu heb ik het uit, tikte ik tot slot opgelucht alluderend op de titel.




vrijdag 3 januari 2025

Janet Frame, The Edge of the Alphabet

With an introduction by Catherine Lacey. Fitzcarraldo Editions, London 2024. Fitzcarraldo Editions Classics no. 6. Paperback met flappen, 289 blz., gezet uit de Fitzcarraldo. Oorspr. uitgave 1962.

In de boekhandel plots en volledig gevallen voor de titel; van de auteur eerder niet gehoord, maar de uitgaven van Fitzcarraldo Editions hebben in het spectrum van mijn boekenlust minstens zeven streepjes voor op alle andere. Weer een fraai vormgegeven leesavontuur.

Hoewel ik niet houd van literaire werken met een inleiding (want dan zijn het van die geleerde edities, en die maken ze alleen van werken waar je je niet zomaar in verliezen kunt en dan moet je voetnoten lezen en verantwoordingen) werd ik meteen over die potentiële drempel heen gesleurd door de kern van de openingszin van Catherine Laceys ‘Introduction’ bij deze uitgave, een mooi boekwerk, uitgegeven ter gelegenheid van de honderdste herdenking van de geboortedag van de auteur:

The first Janet Frame story I ever read was titled ‘My Last Story’, a brief and humorously irate few paragraphs railing against the self-inflicted indignity of writing fiction [...].

Alsof deze kwadratuur van de verrassende opening niet afdoende zou zijn om mijn aandacht langer gevangen te houden, bleek de rest van de inleiding niet minder intrigerend, zowel wat betreft de informatie over deze roman als aangaande het bizarre lot dat Frame in haar leven heeft getroffen.

Voor zover ik kan nagaan is dit het eerste werk uit de Nieuw-Zeelandse literatuur dat ik ooit onder ogen kreeg. De schrijfster wordt door Lacey gerekend tot de

writers who constantly question the purpose of their writing  writers who intend their sentences to rattle like wind-up toys across the page – writers who want to transfer their exhaustive, existential curiosity to the reader[.]

Dit soort schrijvers wordt er, nog steeds volgens Lacey, vaak van beschuldigd plotloze boeken te schrijven. Dat mag zo zijn, maar de inleidster had er wat mij betreft aan toe kunnen voegen dat Frame het eventueel gebrek aan plot heel sterk, ruimschoots voldoende weet te compenseren door een enorm rijk gevarieerde stijl en dito vocabulaire, waarmee ze althans deze lezer van meet af aan tot en met het einde stevig geboeid wist te houden.

De kwadratuur van de opening van het boek wordt met nog een factor vergroot doordat de roman de editie blijkt te zijn van een manuscript dat werd aangetroffen in de nalatenschap van ene Thora Pattern en dat door Peter Heron, een ‘Hire-Purchase Salesman’, bij de uitgever werd bezorgd. Deze Thora Pattern breekt af en toe nog met auctoriaal commentaar in in haar eigen roman, die handelt over het vreemde leven van drie (andere) vrijgezellen: Toby, een 35-jarige, epileptische Nieuw-Zeelander, die al personage was in Frames romandebuut Owls Do Cry (1957); Pat, een Ier die wat betreft pochen op zijn vrienden vergeleken wordt met ‘a big-game hunter, proud of the carcasses, but doomed to have no relationship with the living animal’; Zoe, een zeezieke Britse lerares uit de Engelse Midlands die weldra voor het eerst van haar leven gekust wordt.

Helemaal zonder plot gaat het vertellen natuurlijk niet, dus deze drie, in sociaal-psychologisch opzicht wat singuliere figuren aan de rand van het normale leven, reizen vanaf het zuidelijke eiland van Nieuw Zeeland naar het Verenigd Koninkrijk en verblijven aldaar in London zonder erg veel vorderingen te maken met het opwaarderen van hun levens. Opmerkelijk genoeg noemt Thora Pattern (het schrijven van) de roman ‘a journey of discovery through the lives of three people’. En Lacey ziet weer verbanden tussen Pattern en Frame.

De titel van de roman staat als een huis, denk ik, ook al weet ik niet wat deze complexe metafoor precies beduidt. Ervan uitgaande dat ‘Alphabet’ (mede) een metoniem is voor taal en communicatie, is ‘Edge’ een krachtige ruimtelijke metafoor waardoor het alfabet als een onoverzichtelijk terrein wordt gepresenteerd, met alle mogelijke complicaties van dien, waaronder het gevaarlijk langs het randje ervan lopen alsmede het erin verdwalen en wellicht zelfs verdwijnen, zeker wanneer je over de rand heen gaat. Daarnaast is er in mijn Nederlandstalige hoofd de associatie mogelijk met het spreekwoordelijke ‘scherp van de snede’ dat (net als ‘the razor’s edge’) juist refereert aan precisie en doeltreffendheid. Hoewel Lacey niet expliciet ingaat op de titel, wijst zij wel op de tweeledigheid die Frames thematiek kenmerkt, die van taal en fictie enerzijds, werkelijkheid en waarheid anderzijds, en daarnaast nog abstractie en figuratie of concreetheid, en enkeling en gemeenschap.

Op allerlei momenten schiet Frame heen en weer tussen twee polen, of laat zij dat haar personages doen. Als lezer moet je daarin, denk ik, meegaan en de hele boel maar op je in laten werken, zonder meteen te veel te gaan piekeren en proberen te evalueren. Zie een prettig in de climax ontsporende enumeratie als die in het citaat hieronder:

Toby gave his Aunt Norma a feeling of untidiness in herself and the world about her, a sense of gaps and holes and torn threadbare linings that made her want to take her needle and thread (she had worked as a tailoress and still took in sewing) and sew day and night to make pockets safe once more, clothes warm and buttoned, and even to secure the sky tightly to the edge of the world, with no draughts and flapping fringes.

Het gevaar van het alfabet wordt soms in de vertelling gethematiseerd:

The used words have their peril. The rust on them (they say) brings tetanus to the wounded life.

En als de inhoud van een zin(sdeel) niet prikkelend is, dan wel de gekozen vorm:

And apple tart in a deluge of pus-coloured liquid called custard.

Vaak is het de onverwachte omslag die deze lezer vreugde schenkt, zoals aan het slot van het (beknopte) citaat hieronder in de repetitie van deelzinnen met infinitieven plus lijdend voorwerp, waarvan alleen de laatste uitgebreid wordt met een bijvoeglijke bijzin die een beeldspraak bevat die lang nadreunt:

She is a prostitute, Zoe thought. I, Zoe Bryce, who have had no further experience of men than a kiss from a stranger, am sitting, drinking coffee, talking, smoking, on a late summer afternoon, with a prostitute who is also a stranger. I could be writing letters – to whom? Doing crossword puzzles. Eating sixpence worth of peanuts and raisins. Knitting. Reading books which beat gongs up and down the tiled bareness of my heart.

Hoewel de levens van de drie personages nogal leeg zijn en op weinig verheffends gericht (laat staan dat er doelen daadwerkelijk bereikt worden), zijn de descripties waarmee ze worden gepresenteerd vaak bijzonder opmerkelijk. Bijvoorbeeld het volgende aspect van een typering van Toby:

His walk is a clamber as if in each step he surmounted obstacles of which other people have no knowledge.

Daardoor is dit een mooi boek, een vreemde roman, maar een heel mooie roman.

  

woensdag 2 oktober 2024

Jonathan Buckley, Tell

Fitzcarraldo Editions, London 2024. Paperback met flappen, gelijmd maar met een goede kneep, als dat de juiste term is; 199 bladzijden (klik op de foto voor een vergroting en je ziet ook het logo van de uitgeverij, in blinddruk; zo mooi). 

Van de schrijver had ik nog nooit gehoord; een recensie van de roman had ik niet gelezen; maar de uitgever kende ik al wel dankzij mijn lokale boekhandel bij uitstek, Hijman Ongerijmd. Fitzcarraldo Editions zet bij mijn weten alleen maar blauwe pockets met flappen in de markt die allemaal bijzonder fraai zijn vormgegeven, zowel wat betreft het papier, het omslag, als de inkt en niet in de laatste plaats de eigen drukletter, de Fitzcarraldo.

Deze roman gaat, volgens het achterplat, over ‘Curtis Doyle, a self-made businessman and art collector’ die opeens verdwijnt van ‘his palatial home in the Scottish Highlands.’ Na zijn verdwijning wordt de ‘gardner’ van zijn landgoed geïnterviewd in verband met een voorgenomen film over haar werkgever. Gedurende vijf ‘sessies’ loopt die tuinierster, om het cru te zeggen, helemaal leeg over Curtis en zijn familie en vrienden et cetera. De eerste zin is: ‘I can talk for as long as you like, no problem.’ Geregeld dwaalt ze een weinig af van haar verhaal en komt er weer op terug met een eenvoudig ‘Anyway’.

De tuinierster krijgt geen naam, de interviewer evenmin. Die laatste is tot bladzijde 164 alleen zichtbaar in onmiskenbaar gemarkeerd, evident editie-commentaar als ‘[Pause]’, ‘[Indistinct]’ en ’[Inaudible]’, kleine ingrepen die er ook voor zorgen dat er een soort hoofdstukindeling ontstaat in deze enorme, vijfdelige monoloog. Op pagina 164 refereert de tuinierster voor het eerst aan ‘you’ en ze noemt vijf bladzijden later pas ‘your film’.

De tuinierster lijkt zeer gevleid door de uitnodiging, om niet te zeggen: uitdaging, en draagt er zorg voor dat iedereen die tot de Curtis-clan behoort, gerepresenteerd wordt; aldus ontstaan er contrastbelichtingen van verschillende personages, ook al staat alles wat ze zegt natuurlijk vooral in haar licht; maar ja, zij werkte voortdurend in de tuin en kon dus niet overal bij zijn; haar verslag is betrekkelijk indirect en misschien mede daardoor redelijk betrouwbaar. Toch? Of juist niet, want ze geeft vooral door wat ze van anderen heeft gehoord, die het ook weer van weer anderen vernomen kunnen hebben. De flaptekst zegt: ‘Tell is a probing and complex examination of the ways in which we make stories of our own lives and of other people’s.’

Al op de zevende pagina van de roman, wist ik dat ik weer een goede keuze had gemaakt uit het brede Fitzcarraldo-fonds. Daar gaat het even over Curtis’ persoonlijke assistente:

Josephine the Danish goddess. So gorgeous you actually couldn’t look at her for more than two seconds at a time. That’s what Lara said. When you saw that face it was like you’d walked smack into a glass door. Anyway [...].

De tuinierster, of anders Lara, die ze aanhaalt, is niet op haar mond gevallen. Gelukkig niet, want het is haar stijl die ervoor zorgt dat ik geen last heb van het vooroordeel dat de inhoud van het interview wel erg veel weg heeft van een bijdrage aan de kleurenbijlage van de weekendeditie van een volkskrant (soms ook van de Volkskrant): veel geblaat over cultuurminnende lui met geld in overvloed voor mooie spullen en zo, maar weinig wol. 

De wereld is er inmiddels niet leuker op geworden en leidt me af; de soliditeit van mijn leeshouding lijkt op die van een hoop houtkrullen in het open veld bij windkracht tien; ik weet nog steeds niet waar het hele verhaal heen gaat; de tuinierster ratelt maar door over steeds weer nieuwe personen/personages die zorgen voor nieuw licht op Curtis en diens omgeving; Tell lezen is als het bingen van een romcom, kritiekloos tijdverdrijf, want ik kan niet zeggen dat ik er echt diep door wordt geraakt; maar wegleggen kan ik het boek dus ook niet.

Toch komt echt het eind in zicht en nog ben ik niet uitgekeken op dit boek met soms heerlijke beschouwingen over een weids skala aan menselijke eigenaardigheden. Zoals deze beschouwing over de biologische moeder van Curtis:

He didn’t dislike her. Disliking her would have made no sense. She seemed to be missing some bit of brainwiring that comes fitted as standard with most people. An empathy chip. That’s how Curtis put it. Feelings that we take for granted were simply unavailable to her. She was an amazingly cold woman, but it was impossible to take it personally. She was what she was. He couldn’t resent her for it. It’d be like resenting someone for being short-sighted. And Curtis wasn’t going to resent being born, was he?

Dat de monoloog niet verveelt, komt mede doordat de tuinierster haar relaas doorspekt met kleine zelfcorrecties die ik ken uit Max Havelaar of  Camera obscura: ze licht soms toe wie of wat ze precies bedoelt met bijvoorbeeld een persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord (‘[xxx], I mean’) en pas daardoor valt je op dat de oorspronkelijke formulering dubbelzinnig kon zijn (hoewel de context de foutieve lezing eigenlijk wel uitsluit. Voorbeeld, maar van een afwijkende categorie:

His wife was the main issue. She walked out on him, for reasons unknown. Unknown to us, I mean.

Het eind is magnifiek. Curtis verdwijnt domweg van het toneel en is en blijft onvindbaar. De tuinierster heeft nog een laatste ingebed verhaal, dat iemand ooit aan Curtis verteld heeft, bewaard, om haar vijfdelige monoloog met een ‘up-beat’ te kunnen afsluiten. En als ze dat verhaal over twee nieuwe personages verteld heeft, zegt ze, na een pauze: ‘I’m done. The end.’ En na nog een pauze: ‘Sorry.’

Absurder, in de Camusaanse zin van het woord, denk ik, heb ik het de afgelopen jaren niet gelezen. Adembenemend.

zaterdag 11 november 2023

Kate Briggs, The Long Form

Fitzcarraldo Editions, London 2023. Paperback met flappen, gebrocheerd, 457 blz, exclusief Sources,  Acknowledgements en een samenvatting van de afbeeldingen.

Op 24 november 2022, lees ik in mijn papieren leeslogboek, ben ik voor de tweede maal in mijn leven, vol goede moed, en met groeiende bewondering nu ook, begonnen aan De man zonder eigenschappen van Robert Musil; 1344 dunne bladzijden vol feilloze zinnen. Ongeveer een maand later was ik nog maar gevorderd tot bladzijde 181, wat onder andere verklaard kan worden door het gegeven dat ik in de tussentijd ook 'Het veer' van Nijhoff grondig herlas plus vijf andere gedichten uit het interbellum, het eerste hoofdstuk van Van Bruggens Eva en heel Bordewijks Knorrende beesten (in de gedigitaliseerde tijdschriftuitgave van De gemeenschap) en verder Fabias' Habitat, De geruchten van Claus, Geen gewoon Indisch meisje van Bloem en nog meer werken van de leeslijst Moderne Tijd, omdat ik toen nog het door de Sol Iustitiae aangejaagde zweet mijns aanschijns zwoegde voor het dagelijks brood op de plank, en Vroege werken van Postma, louter voor mijn eigen plezier.

Onderwijl las ik dus in Musil verder, tot pagina 208, maar daarnaast nog Is dit alles? van Postma, Vertel het iemand van Lamrabet en Stargate van Rishoi (met een streepje door de o, maar dat ben ik kwijtgeraakt tussen de toetsen van m'n nieuwe laptop) (oh, wacht... toch, hier: ø), De beesten van Wilbrink, De Mitsukoshi troostbaby Company van Hulst, Lessons van McEwan (waar ik echt geen splinter plezier aan heb beleefd en dat ik dus niet uit las) en de Nieuwe Gids-bloemlezing Een pic-nic in proza, die er debet aan waren dat ik op 9 maart 2023 slechts tot pagina 226 van die loodzware Musil was gekomen.

Sindsdien, toen ik een Bronwasser las, en een Jones, en werk van Fallada, Spit, nog een Bronwasser, Zeh und Urban, Adichi, Smith, Longinus, Gerbrandy, Sarr, Adilow, Gerbrandy (herlezing), Anker (herlezing), Tergit, Wynia, Tergit (weer, maar dan in vertaling), een kleintje Zeh, Norbury, nog een Gerbrandy (en die meerdere keren), weer een Zehtje, een Seethaler, Travnicek, Helle (onvolledig), Koopman (herlezing), Camus, Bennet, Schinkel, Loveling (heel erg onvolledig), ruim 1000 gedichten van evenzoveel dichters, Bennet (dezelfde maar dan in vertaling), Wieringa (twee maal achtereen), Heaney (twee kleine bloemlezingen met vertalingen) en een artikel van Joosten, dacht ik nog wel aan de voortzetting van de lectuur van Musil, maar die moest het toch afleggen tegen al deze andere werken van anderen. En ook Briggs kwam ertussendoor (als ik nog mag geloven dat ik Musil weer opneem), en zij won het aanvankelijk niet van Wieringa en Heaney maar daarna pakte ik The Long Form weer op om het niet meer weg te leggen tot het uit was (alleen dat artikel van Joosten kon ertussendoor), ervan afgezien dat ik in geval van weinig licht op de e-lezer parallel de vertaling van Julia (2023) van Newman lees).

Ik kocht de roman op het eerste gezicht. Vanwege de mooie uitvoering en het forse maar toch handzame gewicht en dito formaat (het is een kloeke blauwe klinker). En de opmerkelijke aanprijzing achterop: 'A beautifully written book about the art of reading, of criticism, and surviving through the strangest yet most normal of times.' En de wonderschone typografie. Het boek is gezet uit de op zich niet spectaculaire, eerder klassieke, Bembo-achtige Fitzcarraldo en heeft een mooie blad- en zetspiegel. Ter illustratie een niet-representatieve foto, in zoverre dat het boek vooral bestaat uit korte(re) hoofdstukken en andere passages, afgegrensd met witregels; ook de lengte der hoofdstukken is weinig regelmatig, wat het lezen van deze roman-met-essayistische inlassen of uitweidingen tot een fysieke of bewuste ervaring maakt:

Alleen zijn de paginanummers wat mij betreft nèt iets te groot. Dat het boek daarnaast het ergste hoerenjong bevat dat ik in jaren zag, 


neem ik graag op de koop toe. Sterker: ook dit werkt er volgens mij aan mee dat het boek zich voortdurend opdringt aan je bewustheid als lezer, aan je bewustzijn van je lezersrol. Dat mag ook wel, want het beschrijft de ervaringen en gedachtenkronkels van Helen, een jonge moeder, gedurende een dag  dan kunnen 457 bladzijden er wel eens veel zijn. Ik denk trouwens dat het niet al te ver gezocht is heel de roman een complexe stream of consciousness te noemen, maar dan wel een met ook een stevige auctoriale vertelinstantie aan het stuur. En nee, Ulysses noch Ulyxes las ik, hoe lang dat ook is (of: juist daarom, in combinatie met nog een paar je ne sais quoi's).

Ik kocht The Long Form trouwens ook omdat de titel me aansprak: lang geleden hield ik me gedurende enige tijd onledig met de reflectie op lange, epische, min of meer verhalende, neerlandofone gedichten. Misschien mislas ik zelfs twee letters van het laatste woord en dacht ik even dat het boek handelde over The Long Poem. De lengte, de duur van een verhaal of vertelling, de spatio-temporele grandeur ervan met andere woorden, doet iets met (een auteur en) een tekst, net als met de, of in ieder geval met deze als lezer, al weet ik nog niet precies wat; en ook 'ongeveer' weet ik het niet. Natuurlijk zegt lengte c.q. omvang alleen niet alles. Je hoeft Het bureau van Voskuil maar op te slaan, en je weet wat ik bedoel, tenminste, als we een gedeelde literatuuropvatting hebben; zie ook het proza van wijlen Te Gussinklo; of het ongeremde geëmmer van de latere Van der Heijden. Maar Minke Douwes, van haar zou ik de nieuwe roman wel eens binnenkort kunnen gaan lezen; ik heb mooie herinneringen aan Weg (2009).

Briggs' met essayistische stukken en non-figuratieve afbeeldingen doorspekte roman vertelt op een tastende, naar de juiste verwoording zoekende, welhaast mindfulness-achtig te noemen wijze niet alleen over de eenvoudige, alledaagse (om precies te zijn: eendaagse) bezigheden en gedachtenspinsels van Helen met haar pasgeboren baby Rose, maar reflecteert ook op de roman (in het algemeen), mede aan de hand van wat Helen kan lezen in de, naar ik nu heb geleerd, eveneens deels literair-essayistische roman die ze eerder had besteld en waarvan de bezorging nu de huiselijke rust van de jonge moeder en het kind komt verstoren, Henry Fieldings The History of Tom Jones, a Foundling (1749), een van de eerste Engelse literaire werken die 'romans' worden genoemd. Bovendien is Helen (of toch de vertelinstantie?) zo goed geïnformeerd over wat E.M. Forster in Aspects of the Novel (1927) over de roman en de tijd te melden had, dat ze zich voor kan stellen met baby en al een lezing van deze romancier, essayist en criticus bij te wonen; ook wat veel andere literatuurtheoretici daarover te berde brachten, is haar niet ontgaan  en niet voor niets bevat het boek een lijst van 'Sources' die maar liefst zestien bladzijden beslaat. Helens gedachten hierover dragen (wederom) bij aan des lezers dubbele ervaring van enerzijds het lezen over de op het oog triviale gebeurtenissen in deze roman en anderzijds het lezen en denken over de roman als roman, als literaire vorm.

Briggs weet het een stevig te vervlechten en te verrijken met het ander. Sterker: doordat je het boek soms weg moet leggen (een mens moet boodschappen doen, eten en slapen, minstens) wordt je eigen dagelijkse c.q. alledaagse gedrag betrokken bij, want gelijkend op, de overwegingen van Helen met betrekking tot haar leven met Rosa en Tom Jones. De lectuur van deze roman wordt zo tot een bijzondere gebeurtenis, een evenement.