Posts tonen met het label stijl. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stijl. Alle posts tonen

donderdag 7 augustus 2025

Vakantielectuur 2025 - III (of: Jorik friemelde aangeschoten aan de viooltjes)

Skåne, het zuiden van Zweden, is zo mooi, daar kan geen boek tegenop. Maar toch, na twee teleurstellende ervaringen was ik wel toe aan een goed stuk literatuur om de avonduren mee te vullen terwijl de wandelkuiten tot rust kwamen. Hopelijk kon ik mijn hart ophalen aan een debuutroman die bekroond was met twee grote literaire prijzen, de Nederlandse Libris Literatuurprijs én de Vlaamse Boon 2025.

Van deze roman was de roem en de luister al tot me gekomen voor m’n vakantie. Na de uitreiking van de Libris zag ik het innemende interview met de schrijfster, kocht ik het boek en legde het op het vakantiestapeltje... als het ware, want in werkelijkheid schoof ik het ongezien in de e-lezer. Tussendoor las ik de even enthousiaste als overtuigende recensie door Ariejan Korteweg in de Volkskrant (‘fenomenale debuutroman’) en de bewonderenswaardig grondige en erudiete en eveneens overtuigende bespreking door Esha Guy Hadjadj op De Reactor.org, twee teksten waar ik geen zinnig woord aan zou kunnen of durven toevoegen. 

Ten derde las ik, met andere woorden:

Safae el Khannoussi, Oroppa.
E-boek op basis van de eerste druk, uitg. Pluim, Amsterdam-Antwerpen 2024.

Het is niet voor het eerst dat ik een algemeen als goed gekwalificeerd literair boek maar zo-zo vind. Vast ook niet voor het laatst, want niet ieder boek is immers naar de smaak van elke lezer. Ik ben gestopt met lezen toen ik op pagina 368 van de in totaal 950 digitale bladzijden was gekomen, dat wil zeggen tot de achttiende van de 252 pagina’s die ‘Deel 2: De pissende pelgrim’ vormen (het geheel telt drie delen, plus een ‘Coda’ die echter meetelt als ‘Deel 4’).

Tegen die tijd, die pas aanbrak nadat ik voor de derde keer aan de roman was begonnen, kreeg ik de indruk dat er niet veel nieuws meer te gebeuren stond, anders dan dat er nóg meer personages zouden opduiken met elk weer een eigen levensverhaal, of juist een gebrek daaraan, en met weer andere al dan niet voorziene of verwachte relaties met een of meer van de al eerder opgetreden figuren, personages die gemeen hebben dat ze zonder noemenswaardige introductie elk met hun eigen focalisatie abrupt in het verhaal vallen, of: in de verhalen, of: in het gekantkloste web van verhalen en ingebedde verhalen en daar weer in ingebedde verhalen vol persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden waarvan ik steeds een tijdje doorlezend moest afwachten op welk(e) personage(s) ze betrekking hadden.

De personages hebben gemeen met elkaar dat ze een niet-Nederlandse etnische achtergrond hebben (als ik het zo goed zeg) en vooral dat ze alle in een lichte of gevorderde staat van ontheemding verkeren, en een beetje lethargisch zijn, een tikkeltje richting zelfkant neigen ook; en één is er zelfs spoorloos verdwenen, maar haar verdwijning zit zodanig in zo veel woorden ingesponnen, dat ik er niet nieuwsgierig van werd.

Afgaand op de twee hierboven genoemde recensies, is dit boek, dat zal wel duidelijk zijn, mijn pakkie-an niet. Kan gebeuren, volgende keer beter.


Maar toch moet me nog iets van het hart. Ik werd enorm afgeleid van het toch al niet heel heldere verhaal door veel verwijswoorden, formuleringen en zinnen, die schuurden langs en soms krassen maakten op mijn taalintuïtie en/of ideeën over de werkelijkheid. Hieronder een bloemlezing uit de verzamelde citaten.

[...] ongetwijfeld om Hind zich op haar gemak te laten voelen
    om Hind op haar gemak te stellen

Ellenlange seconden
    de (metaforische) vermenging van ruimte- en tijdsaanduidingen hoort bij het gewone taalgebruik, maar om nu juist zo’n heel kleine tijdseenheid op te rekken tot iets heel groots, ik vind het maar lastig te verwerken

Hind had een blik geworpen op de spatjes frituurvet boven de grill
    het kan gewoon, spatjes frituurvet boven een grill; wie weet wat op die plek stond voordat de grill er kwam, immers; grillspetters boven de frituurbak bestaan misschien ook wel

Tijdens een van die laatste metroritten die je onherroepelijk uitspuwt in een Berlijnse nacht
    nee, het zijn van die ritten die je uitspuwen, en tijdens een ervan gebeurt er dan iets bijzonders - waar dat onherroepelijke vandaan komt, is me niet duidelijk

Dan was er Abel, die klassieke talen studeerde en vaker van wal stak over zaken die niemand werkelijk begreep, al had ze geleerd dat je ja moest knikken en snel van onderwerp veranderen.
    vaker dan wie? maar daarna snap ik niets meer van de mededeling

Zijn familie leek een soort broedplaats voor onberispelijke (in professionele zin) topambtenaren. En die toekomst was ook voor hem weggelegd; had hij niet van kinds af aan een onverklaarbare aversie tegen deze voorbestemde roeping ontwikkeld.
    ik zie als ik dit lees een vlucht topambtenaren bijeenkomen om in een hoge boom beleidsvoornemens uit te broeden; zou het schelen als er van stond in plaats van voor? Welke toekomst? Wat is een voorbestemde roeping, en kan je daar dan zo jong al een aversie tegen hebben, die ook nog eens onverklaarbaar is? Wat is hier, net als in veel andere gevallen, eigenlijk de kern van de mededeling? Of is dit een soort proza waar je die vraag niet aan moet stellen? Moet ik ermee akkoord gaan dat de verteller eerder maar een schot in de richting van iets doet dan dat ie de taal feilloos in het doel schiet?

Hoe Rafael bij de zeven slapers was beland is een verhaal waardig om hier te vertellen.
    leuk, zo’n archaïsche constructie, maar hij klinkt hier als een vergissing

Hierna gaf Hannah Melger haar haar telefoonnummer en liet haar beloven dat zij haar van elk nieuwtje op de hoogte zou brengen.
    wie doet waartoe wat voor wie?

Het was [...] de krankzinnige wanhoop die in zijn ogen school, waardoor Hbib zich herpakte. Terwijl zijn jeugdvriend zwaar ademend naar een aansteker zocht, schraapte hij zijn keel en stak een sigaret op.
    kommaoverdaad; wie schraapt en wie steekt op?

Hugo Machajewski, een Pool van ergens in de twintig die ’s nachts detectiveromans verslond en overdag de vracht leverde bij grote supermarkten.
    welke vracht, waarom heeft deze vracht een bepaald lidwoord (geloof me: meer context biedt geen hulp)

alsof er maar zeer sporadisch in het hotel werd verbleven.
    oh, wat werd er uitermate sporadisch in het hotel verbleven; vroeger werd er veel meer in verbleven.

Er waren er die al om twee uur ’s middags, wanneer de schroef van het klapdeurtje bij de ingang van zijn haak ging, binnen kwamen druppelen.
    waren er ook die binnen kwamen stromen? en dan die onverklaarbare schroef van het klapdeurtje, de schroef die van zijn haak ging?

De man sloeg zijn ogen op en als door een bliksemschicht getroffen laaide in de blik waar net nog nauwelijks leven in had geheerst, plotseling een opmerkelijke scherpzinnigheid op.
    dat plotselinge zit al verstopt in de vergelijking ervoor: als door een bliksemschicht getroffen (het is maar een vergelijking, want anders had de man nooit meer zijn ogen op kunnen slaan)

Reeds vroeg in de ochtend had Nadia het rantsoen al klaargemaakt
    reeds maakt al reeds overbodig, en andersom

[...] gebood hun allereerst de reden te vertellen waarom ze op deze toch al vervloekte dag het hem nog ellendiger kwamen maken. (Dat zei hij letterlijk. Hij zei: ‘Is het dan op deze vervloekte dag niet genoeg geweest, dat ik nu ook naar jullie grafkoppen kijken moet?’)
    hij zei dat dus niet letterlijk, afgaand op het evidente verschil tussen de directe en de indirecte rede

Ons is door God en Zijn profeten bevolen om na te leven
    wat, in godsnaam, moeten we naleven?

U moest eens weten hoeveel van uw soort achter tralies is beland.
    dat zal er niet veel geweest zijn

een sensationeel spektakel waarin de vrouwen elkaar verbaal en soms zelfs bijna fysiek te lijf gingen. Toch bleef het bij verbale schermutselingen
    dat Toch slaat als een kroket op een strijkijzer

en altijd in strakzittende kleding, op het uiteinde van zijn wijde broekspijpen na, die om zijn afgrijselijke cowboylaarzen wapperden.
    ik probeer al dagen me hier een voorstelling van te maken: wappert nu alleen het uiteinde van de broekspijpen om de cowboylaarzen, of wapperen die broekspijpen in hun geheel om de laarzen (en zakt die broek, die dan dus niet strakzit, steeds op de grond)

[...] dat schreef-ie toen zelf in z’n krantje. [...] Een paar dagen later publiceerde de krant een artikel [...]. En al snel hadden andere, grotere kranten hier lucht van gekregen, zodat ook het leger onderbetaalde journalisten niet meer van de rechtszaalbanken te weren was.
    het krantje wordt in een mum van tijd een krant, en alleen bij grotere kranten werkt een leger onderbetaalde journalisten (maar wat doet hun inkomen ertoe)

Dat de media ongetwijfeld letterlijk een duit in het zakje hadden gedaan.
    serieus letterlijk?

Irad haalde het uitklapbare schaakbord uit de lade onder de kassa
    nieuw bij ikea, lade met uitklapbaar, los schaakbord

Irad knikte alleen en veinsde een meewarig gezicht.
    ook hier probeer ik me al dagen een voorstelling van te maken: hoe iemand er uitziet die een meewarig gezicht veinst

Dikwijls was Hind el Arian er met volle moed op uit getrokken.
    vol goede moed?

Behalve dat het er angstaanjagend was, hing er in het huis van Salomé Abergel een merkwaardig vertrouwde atmosfeer. Zoals het thuis van haar kindertijd om onverklaarbare redenen buiten de temporele orde viel doordat de eigenzinnige waanzin van haar vader een realiteit naar zijn evenbeeld had gedicteerd, zo ageerden de muren, de meubels en het behang in Salomés woning zich voelbaar tegen de wetten van de buitenwereld. Misschien, peinsde ze tijdens haar doelloze exploraties door het huis van Salomé, viel zowel deze plek als die van haar kindertijd samen met een onherleidbare laag in de historische palimpsest van de wijk.
    behalve een angstaanjagende sfeer hing er daar ook een vertrouwde sfeer? of was de angstaanjagende sfeer die er hing vertrouwd, als in: bekend (voor de dienstdoende focalisator)? wat zijn onverklaarbare redenen, en al helemaal vraag ik me dit af omdat erna domweg wel een reden wordt gegeven (zie: doordat). zich ageren is een bar lelijk neologisme. kan je iets exploreren zonder doel? Nou ja, deze passage begint al onduidelijk maar ze eindigt als pure onzin: twee bekende plekken die samenvallen met een onherleidbare onderlaag in een historische wijkpalimpsest; ga er maar aan staan, archeolocatieloog

een trolley waar kleren en ingepakte etenswaren uitpuilden
    moet daar niet een spatiebij

een Engelsman in een geruit jasje waar zijn dikke pens guitig onderuit stak
    maar wát stak die guitige dikke pens nou onderuit dat geruite jasje?

Thuis schonk hij haar een glas cognac in, dat ze kettingrokend leegdronk, en vroeg of hij een bad had.
    weer een gevalletje verbeeldingskracht: hoe drink je kettingrokend een glas cognac leeg (mij huivert het resultaat: kettingroken doe je in dagen en weken, wat zeg ik: een heel leven, maar een glas cognac, daar neem je af en toe een nipje uit; een Beierse bierpul, die drink je leeg). laten we de bijzin weg, dan blijkt dat hij zichzelf vroeg of hij een bad had

Maar langzaam, alsof het gesommeerd werd uit de dromen van deze pelikaanachtige wezens, rees uit de stilte het geoehoe van een man.
    biologisch novum: langzaam rijzend mannengeoehoe

Ze staarde in een metersdiepe afgrond die op het interieur van een kolossale papiercontainer leek. Een kleine gerimpelde arm stak tussen de bedrukte vellen uit. Vanonder het geritsel klonk het gekerm opnieuw, deze keer luider. Alsof twee oogjes in de handpalm haar aanwezigheid detecteerden, verstijfde de arm, waarna hij hevig gebaarde dat ze dichterbij moest komen.
    surrealisme anno 2025


Geef zelf met een rood kleurpotlood eigenhandig aan waar de taal klemt in elk van de citaten hieronder:

Gealarmeerd door de aandacht die normaal gesproken op zijn eten was gericht, trok de kok zich weer terug in zijn keuken.

Op een bijna gelijktijdig moment voltrok zich eenzelfde scène

Hij is vernederd door de woedende uitbarstingen die zijn moeder veranderen in een draak.

ze is vergeten hoeveel glazen ze al opheeft.

De hele weg naar huis riep hij haar naam. De eerste keer luidde deze schuchter uit zijn mond.

Verderop stond Zaynab vastgekluisterd aan het hek.

en met een sierlijk maar streng gebaar haalde ze uit haar borstzak een rood fluitje vandaan, klaar om het vertreksignaal af te kondigen.

Maar de conducteur [...] schudde het hoofd, ademde diep in en blies. // En weer bleef het vertreksignaal uit!

Hij besloot vanaf het station naar de Rivierenbuurt te lopen, bedacht zich, en sloeg rechts af richting de Noorderkerk, de Westerstraat in en liep, zonder erbij na te denken naar de Tweede Anjeliersdwarsstraat.

Langzaam rekte de schaduw zich uit. Jorik friemelde aangeschoten aan de viooltjes.

Terwijl de duisternis, die als een dirigent een buitenzinnig koor van cicaden leidde, zich om hem heen sloot, besloot hij het pad te volgen dat achter het huis begon en het bos in liep.

Terwijl hij over zijn volgende stap zat te peinzen, klonk plotseling het aanzwellende geronk van een naderend voertuig dat even later als een geelogig insect tussen de bomen tevoorschijn kroop.

zij werd meteen de mond gesnoerd

Irad [...] begaf zich richting de trap. Daar hield hij halt, draaide zich om en vroeg of ze ook zo’n verschrikkelijke honger had. Ze zei dat dat het geval was. Irad bestelde Indonesisch.

Als wanneer het hart van de nacht zich afsteekt, en hij beschaamd zijn gezicht tussen de dijen van Hélène verstopt.


Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online vaktijdschrift voor taal- en letterkunde.

vrijdag 3 januari 2025

Janet Frame, The Edge of the Alphabet

With an introduction by Catherine Lacey. Fitzcarraldo Editions, London 2024. Fitzcarraldo Editions Classics no. 6. Paperback met flappen, 289 blz., gezet uit de Fitzcarraldo. Oorspr. uitgave 1962.

In de boekhandel plots en volledig gevallen voor de titel; van de auteur eerder niet gehoord, maar de uitgaven van Fitzcarraldo Editions hebben in het spectrum van mijn boekenlust minstens zeven streepjes voor op alle andere. Weer een fraai vormgegeven leesavontuur.

Hoewel ik niet houd van literaire werken met een inleiding (want dan zijn het van die geleerde edities, en die maken ze alleen van werken waar je je niet zomaar in verliezen kunt en dan moet je voetnoten lezen en verantwoordingen) werd ik meteen over die potentiële drempel heen gesleurd door de kern van de openingszin van Catherine Laceys ‘Introduction’ bij deze uitgave, een mooi boekwerk, uitgegeven ter gelegenheid van de honderdste herdenking van de geboortedag van de auteur:

The first Janet Frame story I ever read was titled ‘My Last Story’, a brief and humorously irate few paragraphs railing against the self-inflicted indignity of writing fiction [...].

Alsof deze kwadratuur van de verrassende opening niet afdoende zou zijn om mijn aandacht langer gevangen te houden, bleek de rest van de inleiding niet minder intrigerend, zowel wat betreft de informatie over deze roman als aangaande het bizarre lot dat Frame in haar leven heeft getroffen.

Voor zover ik kan nagaan is dit het eerste werk uit de Nieuw-Zeelandse literatuur dat ik ooit onder ogen kreeg. De schrijfster wordt door Lacey gerekend tot de

writers who constantly question the purpose of their writing  writers who intend their sentences to rattle like wind-up toys across the page – writers who want to transfer their exhaustive, existential curiosity to the reader[.]

Dit soort schrijvers wordt er, nog steeds volgens Lacey, vaak van beschuldigd plotloze boeken te schrijven. Dat mag zo zijn, maar de inleidster had er wat mij betreft aan toe kunnen voegen dat Frame het eventueel gebrek aan plot heel sterk, ruimschoots voldoende weet te compenseren door een enorm rijk gevarieerde stijl en dito vocabulaire, waarmee ze althans deze lezer van meet af aan tot en met het einde stevig geboeid wist te houden.

De kwadratuur van de opening van het boek wordt met nog een factor vergroot doordat de roman de editie blijkt te zijn van een manuscript dat werd aangetroffen in de nalatenschap van ene Thora Pattern en dat door Peter Heron, een ‘Hire-Purchase Salesman’, bij de uitgever werd bezorgd. Deze Thora Pattern breekt af en toe nog met auctoriaal commentaar in in haar eigen roman, die handelt over het vreemde leven van drie (andere) vrijgezellen: Toby, een 35-jarige, epileptische Nieuw-Zeelander, die al personage was in Frames romandebuut Owls Do Cry (1957); Pat, een Ier die wat betreft pochen op zijn vrienden vergeleken wordt met ‘a big-game hunter, proud of the carcasses, but doomed to have no relationship with the living animal’; Zoe, een zeezieke Britse lerares uit de Engelse Midlands die weldra voor het eerst van haar leven gekust wordt.

Helemaal zonder plot gaat het vertellen natuurlijk niet, dus deze drie, in sociaal-psychologisch opzicht wat singuliere figuren aan de rand van het normale leven, reizen vanaf het zuidelijke eiland van Nieuw Zeeland naar het Verenigd Koninkrijk en verblijven aldaar in London zonder erg veel vorderingen te maken met het opwaarderen van hun levens. Opmerkelijk genoeg noemt Thora Pattern (het schrijven van) de roman ‘a journey of discovery through the lives of three people’. En Lacey ziet weer verbanden tussen Pattern en Frame.

De titel van de roman staat als een huis, denk ik, ook al weet ik niet wat deze complexe metafoor precies beduidt. Ervan uitgaande dat ‘Alphabet’ (mede) een metoniem is voor taal en communicatie, is ‘Edge’ een krachtige ruimtelijke metafoor waardoor het alfabet als een onoverzichtelijk terrein wordt gepresenteerd, met alle mogelijke complicaties van dien, waaronder het gevaarlijk langs het randje ervan lopen alsmede het erin verdwalen en wellicht zelfs verdwijnen, zeker wanneer je over de rand heen gaat. Daarnaast is er in mijn Nederlandstalige hoofd de associatie mogelijk met het spreekwoordelijke ‘scherp van de snede’ dat (net als ‘the razor’s edge’) juist refereert aan precisie en doeltreffendheid. Hoewel Lacey niet expliciet ingaat op de titel, wijst zij wel op de tweeledigheid die Frames thematiek kenmerkt, die van taal en fictie enerzijds, werkelijkheid en waarheid anderzijds, en daarnaast nog abstractie en figuratie of concreetheid, en enkeling en gemeenschap.

Op allerlei momenten schiet Frame heen en weer tussen twee polen, of laat zij dat haar personages doen. Als lezer moet je daarin, denk ik, meegaan en de hele boel maar op je in laten werken, zonder meteen te veel te gaan piekeren en proberen te evalueren. Zie een prettig in de climax ontsporende enumeratie als die in het citaat hieronder:

Toby gave his Aunt Norma a feeling of untidiness in herself and the world about her, a sense of gaps and holes and torn threadbare linings that made her want to take her needle and thread (she had worked as a tailoress and still took in sewing) and sew day and night to make pockets safe once more, clothes warm and buttoned, and even to secure the sky tightly to the edge of the world, with no draughts and flapping fringes.

Het gevaar van het alfabet wordt soms in de vertelling gethematiseerd:

The used words have their peril. The rust on them (they say) brings tetanus to the wounded life.

En als de inhoud van een zin(sdeel) niet prikkelend is, dan wel de gekozen vorm:

And apple tart in a deluge of pus-coloured liquid called custard.

Vaak is het de onverwachte omslag die deze lezer vreugde schenkt, zoals aan het slot van het (beknopte) citaat hieronder in de repetitie van deelzinnen met infinitieven plus lijdend voorwerp, waarvan alleen de laatste uitgebreid wordt met een bijvoeglijke bijzin die een beeldspraak bevat die lang nadreunt:

She is a prostitute, Zoe thought. I, Zoe Bryce, who have had no further experience of men than a kiss from a stranger, am sitting, drinking coffee, talking, smoking, on a late summer afternoon, with a prostitute who is also a stranger. I could be writing letters – to whom? Doing crossword puzzles. Eating sixpence worth of peanuts and raisins. Knitting. Reading books which beat gongs up and down the tiled bareness of my heart.

Hoewel de levens van de drie personages nogal leeg zijn en op weinig verheffends gericht (laat staan dat er doelen daadwerkelijk bereikt worden), zijn de descripties waarmee ze worden gepresenteerd vaak bijzonder opmerkelijk. Bijvoorbeeld het volgende aspect van een typering van Toby:

His walk is a clamber as if in each step he surmounted obstacles of which other people have no knowledge.

Daardoor is dit een mooi boek, een vreemde roman, maar een heel mooie roman.

  

zaterdag 5 juni 2021

Robbert Welagen, Raam, sleutel

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2021. Gelijmde hardcover met stofomslag, 208 bladzijden.

In deze roman vertelt Karlijn Spichter, schrijfster van de roman Jaarringen, over haar leven vanaf het moment dat er iets ingrijpends plaatsvond, op de dag dat ze haar eerste interview heeft naar aanleiding van het verschijnen van die roman. Wanneer ze er, maanden later, voor de tweede maal over geïnterviewd wordt, krijgt ze de vraag voorgelegd waar de roman over handelt. Als ze haar onvoorbereide antwoord begint te formuleren, merkt ze dat ze de flaptekst navertelt en, zo vertelt ze aan de lezer, 'dat was natuurlijk niet waar het verhaal in essentie over ging.' (p. 202)

De achterflaptekst van Raam, sleutel is deze:

Uit hoeveel levens bestaat een mensenleven? Het leven van schrijfster Karlijn komt plotseling tot stilstand wanneer ze op één dag Hanna ontmoet, een vrouw voor wie ze direct gevoelens krijgt, maar ook haar vriend verliest bij een ongeluk. Wie vind je terug als je de dag erna wakker wordt, jezelf of een ander? 

Karlijns omgeving verwacht dat ze rouwt, maar dat lukt haar niet. Haar uitgever hoopt dat ze haar verhaal vertelt, maar ze zwijgt. Wanneer ze Hanna steeds meer gaat zien als een medeplichtige, wordt het tijd om hun verhaal te herschrijven. 

Raam, sleutel is een intrigerend literair spel, over aantrekkingskracht en schuldgevoel, over rouw, leven en literatuur.

De kunst van zo'n opwarmertje is natuurlijk dat het de lezer prikkelt, maar dat daarmee niet meteen de sjeu van het hele verhaal wordt opgedist. En hier wordt inderdaad niet de essentie van Welagens roman weergegeven. De laatste zin en alinea lijkt sowieso meer promopraat dan ware boekinformatie.

Onder de flaptekst staat nog een ander standaard-onderdeel van de romanachterkant, de blurb.  Allereerst is het volgende citaat uit de Knack getild:

Robbert Welagen is een van de grootste Nederlandse stilisten.

Ik gun Welagen van alles op het gebied van lof, maar ik schoot hierbij in twijfel over wat eigenlijk een stilist is, groot of klein. Niet: een stylist, dat is een vormgever of modeontwerper, maar: een stilist, waar Van Dale meer dan een betekenis van noemt, waarvan de derde en de vierde in deze context afvallen (namelijk 'iem. die in een de­tail­han­del ad­vie­zen geeft over de sa­men­stel­ling van het as­sor­ti­ment, de vorm­ge­ving van de ar­ti­ke­len, de wij­ze van eta­le­ren e.d.', respectievelijk: 'ont­wer­per, vorm­ge­ver, bv. van huis­raad, kle­ding e.d.', wat me meer een aanduiding lijkt van: een stylist). Blijven over: 1. 'schrij­ver be­schouwd naar zijn stijl' (vrouw sti­lis­te) en 2. 'preg­nant iem., m.n. kun­ste­naar of spor­ter, met een mooie stijl' (vrouw – ook in dit geval – sti­lis­te).

Nou vind ik het moeilijk om de generalisering te accepteren die de tweede betekenis impliceert, want het antwoord op de vraag of Welagen een van de Nederlandse schrijvers is met de mooiste stijl, lijkt me een zaak van individuele smaak en voor discussie vatbaar, terwijl men over smaak juist beter niet kan twisten. Maar de eerste betekenis is ook moeilijk te verwerken: Welagen zou dan, naar zijn stijl beschouwd, een van de grootste Nederlandse schrijvers zijn. Een groot schrijver heeft, denk ik, doorgaans een groter, omvangrijker en gevarieerder oeuvre op zijn naam staan, dat bovendien door een groter publiek wordt gelezen en hoger gewaardeerd wordt. Hier ligt evenwel nog wat materie op een onderzoekje te wachten.*

Dat het niet makkelijk is om Welagens stijl anders te typeren dan met behulp van grootspraak op basis van weinig fundament, blijkt ook uit de tweede quote die op het achterplat is gekwakt, een citaat uit de Volkstrant: 'Een verteller die schrijft als een schilder.' Zeker zo zonder verdere context is dit citaat een wonderschoon en loepzuiver voorbeeld van wat Graig Pool in haar gelijknamige boek noemt: Faint Praise. Het zou je maar gezegd worden. Wat een goede schrijver, hij schrijft als een schilder! Vergelijk: mijn bakker is de beste, hij bakt als een slager. Voorts: mijn kapper knipt als een tuinman.

Maar we moeten proberen te begrijpen wat er bedoeld wordt. Dat geschilder is een klassieke metafoor voor het schrijven, vreemd genoeg, als je er eens lekker bij stil gaat staan. Van Dale geeft s.v. 'schilderachtig' betekenissen en voorbeelden die deze constatering ondersteunen: dat woord betekent namelijk: een le­ven­dig of bont beeld ge­vend / = beel­dend (2)sug­ges­tief / • een schil­der­ach­ti­ge be­schrij­ving [!] /• schil­der­ach­ti­ge taal, ter­men [!]'. Mogelijk een linguïstisch en lexicografisch naijlen van het klassieke Ut pictura poesis. Ik ben nieuwsgierig of het omgekeerde ook voorkomt, in de kunstgeschiedenis bijvoorbeeld: Rembrandt schilderde zijn Nachtwacht als een romanschrijver. 

Ik zou zelf de stijl van Welagen in deze roman (en ook in zijn andere werken waar ik er enkele van las) niet snel als groot of mooi typeren, laat staan als schilderachtig (waarbij ik me iets suggestief-gedetailleerds voorstel, kleurrijk, ogenschijnlijk uit de losse pols genoteerd, pasteus en toch fel-realistisch lijkend; van het type Rembrandt, Hals, Kees Verwey; maar dat is allemaal ver verwijderd van Mondriaan, Toorop, Appel, Dumas, toch ook allen schilders van naam en faam). De stijl van Welagen lijkt me eerder droog, uitgebeend, strak, van versierselen vrij, kortom: onopvallend.

Treffend is dat op het voorplat van Raam, sleutel een detail is afgebeeld van Night Windows, een schilderij uit 1928 van Edward Hopper. Wel realistisch, maar niet fel, vrij van detaillistisch gefrunnik, droog, en geheel zonder drama (het drama zit erachter, ligt eronder, maar niet in de daadwerkelijk afgebeelde situatie zelf). Wat Welagen doet, is aandachtig aanduiden. Zoals Hopper. Wat dat betreft is zijn stijl dus toch schilderachtig te noemen, beter, specifieker: Hopperachtig.

Onderdeel van het verhaalde is dat genoemde Karlijn – zoals dat wel omzwachteld wordt genoemd – gevoelens opvat voor de journaliste die haar interviewt. En die gevoelens zijn of lijken wederzijds. Opmerkelijk is dat, voor zover ik na kan gaan, Robbert Welagen niet het verwijt heeft gekregen zich als mannelijke schrijver uit te laten over de liefde tussen twee vrouwen, zoals de grote schilderachtige A.F. Th. naar aanleiding van diens Stemvorken. Of, opmerkelijk is het eigenlijk niet: Welagen heeft zich niet hilarisch onsterfelijk gemaakt met absurde, hoogst eigendunkelijke uitspraken over zijn zelfbenoemde fenomenale inzicht in het wezen en zijn van de vrouw en haar liefde.** Ook in dat opzicht is Welagens stijl weinig opvallend, veel minder opvallend in ieder geval dan die van de bomberende Geldropse breedlever. Welagen zit meer op het spoor van de mij tot voor een paar dagen geheel onbekende Ewald Arenz en diens De smaak van wilde peren (2020, vert. door Marcel Misset van Alte Sorten uit 2019).

* Van Welagen las ik niet erg veel; en ik volgde zijn oeuvre en reputatie niet tot voor kort. Van Het verdwijnen van Robbert (2013) was ik niet diep onder de indruk; het boek is nochtans best uitbundig gelauwerd. Ook Antoinette (2019) kon me niet meeslepen. Te veel gepeuter op de vierkante millimeter, te weinig handeling, te intra-literair, te vlak van stijl, om het bondig aan te duiden. Op aanraden van een Utrechtse, onafhankelijke boekverkoopster, die ik als een scholier om advies vroeg na een paar teleurstellende leespogingen op rij, kocht ik toch Raam, sleutel. Gelukkig maar. Ik zie het als een betere uitvoering van de thematiek die ook in dat andere werk zichtbaar is. Het verschil zit 'm denk ik in de aanwezigheid van niet slechts een enkel, maar van drie personages, die met elkaar in interactie gaan. Daardoor verdwijnt het navelstaarderige aspect op de achtergrond en wint de wens van Karlijn om te verdwijnen, of om in ieder geval de sporen van haar verleden te wissen, ook in het leven van anderen, aan overtuigingskracht. Haar gedoe met de gum in eigen en andermens' boeken is een heel intrigerend verhaal van negatie van de essentie van de whodunit.

** Ik las, na een formidabele stapel van zijn eerdere werken, Stemvorken nog niet, alleen een interview met de schrijver ervan en wat golven van commotie, en kan dus niks over deze roman zeggen; het interview heeft ervoor gezorgd dat het daar waarschijnlijk niet meer van gaat komen. Een goede bespreking van de roman van A.F..Th., met Welagen alleen als vergelijkingsmateriaal, biedt Weijts in De groene; een interessante dubbelbespreking van beide romans door Van Houwelingen staat in de Volkskrant. Ook dit is fijn materiaal voor een paar leuke werkstukken.

zaterdag 26 december 2020

Brian Dillion, Suppose a Sentence

Fitzcarraldo Editions, London 2020. Paperback met flappen, gebrocheerd, 192 blz. Boekontwerp Ray O'Meara; gezet uit de Fitzcarraldo.

Stel je voor dat een docent Creative Writing van de Queen Mary University of London 27 essays zou bundelen met elk een zin van steeds een andere auteur als enig onderwerp, die alle geschreven zijn met geen andere motivatie dan dat hij het heerlijk vindt om zinnen, die hem bij zijn dagelijkse lectuur bevallen vanwege wat hij aanduidt als affinity, in notitieboeken over te nemen en er vervolgens een essay over te schrijven. Alleen goede, mooie zinnen, louter essays die over die zinnen gaan of er dicht bij in de buurt blijven. Geen bundeling van schrijfvoorschriften, geen verzameling van stijlkritieken, geen pessimistische verzuchtingen over de teloorgang van de taal en de taalbeheersing, maar een welhaast onverantwoorde collectie van enthousiaste bespiegelingen over en naar aanleiding van zinnen uit de meest uiteenlopende boeken en tijdschriften over een waaier van onderwerpen en van recente datum tot een paar eeuwen oud (maar andersom geordend).

Dat boek, dat is er al, om Piggelmee's Toovervischje te parafraseren. En het is mooi. En Brian Dillon kan zelf, wie zal het verbazen, schrijven als een van de besten, met kennis niet alleen van zinnen, grammatica, syntaxis en stijl, maar ook van cultuur, geschiedenis, muziek en wat er nog meer ter sprake komt in de teksten waar hij zijn onderwerpszinnen in heeft aangetroffen.

Ieder hoofdstuk begint, na de titel natuurlijk, met de betreffende zin en de naam van de auteur ervan, maar de inzet is steeds anders, en niet zelden maakt Dillion er – niet noodzakelijk in het begin – werk van uit te leggen in welke uitgave hij de zin aantrof. Heel vaak citeert hij de zin, al dan niet in een afwijkende versie, verderop in het essay nog eens; meerdere malen haalt hij halverwege als het ware even adem tijdens zijn beschouwing en zegt: 'Let's run through the sentence again', of: 'Look again at the sentence', of, de redacteur van de schrijfster ervan parafraserend: 'But run it through again, because we're not quite there.'

Die laatste frase is een heel impliciete maar zeker even wijze raadgeving aan wie zelf wel eens een zin wil schrijven. Dillon, die zich in een bijzin bescheiden beschrijft als 'slow reader, slow thinker', heeft de tijd genomen er zelf gehoor aan te geven; zijn boek is er het blijk van. Niet zelden houdt hij halt bij een komma om er de goede plaatsing van te bespreken, soms zelfs de waarde ervan aan te geven voor de constructie van heel de brontekst. En en passant laat hij je kennis maken of hernieuwt hij de kennismaking met onder anderen John Donne, Sir Thomas Browne, Thomas de Quincey, Virginia Woolf, Joan Didion, Whitney Balliett, Annie Dillard, Hillary Mantel.

zondag 6 september 2020

Lina Wolff, De polyglotte geliefden

Vert. Janny Moddelbeek-Oortgiesen. Atlas-Contact, Amsterdam-Antwerpen 2018. Oorspr. De polyglotta älsarna. Albert Bonniers Förlag, Stockholm. 2016. E-boek op basis van de eerste druk van de vertaling; 204 bladzijden.

Als ik in een recensie het volgende lees in een citaat uit een roman, zonder dat de recensent er een opmerking over maakt (of over de vertaling, maar ik weet niet waar de bron ligt), dan krab ik mij achter een oor en frons ik een brauw: 'Haar keel leek zich te te hebben dichtgesnoerd'. Dan ga ik me proberen voor te stellen hoe zo'n strottenhoofd zichzelf zoiets zou hebben kunnen aandoen, maar schiet er me geen enkele in het nauw gebrachte gorgel voor het geestesoog. Het citaat vervolgt met de consequentie van deze zelfsnoersessie, die er helaas met een in deze context uiterst onbeduidend nevenschikkend voegwoord aan vastgeknoopt is: 'en de laatste woorden van de zin kwamen er zwak uit, bijna fluisterend.' Daarbij denk ik: zouden die woorden er niet 'bijna als gefluisterd' uit zijn gekomen, want van fluisterende woorden heb ik nog nooit gehoord en ze roepen een beeld op dat wel mooi is maar dat helemaal niet past bij het hieraan voorafgaande. En: waarom 'bijna'?

Had ik deze recensie eerder gelezen, dan was ik misschien niet eens aan het boek begonnen, hoewel het me werd aangeraden door iemand die echt geen beroerde lezer is, om er maar eens een understatement in te gooien. Maar diezelfde recensent van hierboven plaatst (het mensbeeld van) Wolff in een rijtje dat begint met 'Brett Easton Ellis, Houellebecq en bij ons Arnon Grunberg.' Dat spitst de aandacht toch wel. En als ik wat verder door internetteksten blader, krijg ik de indruk dat De polyglotte geliefden inhoudelijk interessant moet zijn. Bovendien las ik dat deze roman, de tweede van Wolff (1973), in de prijzen is gevallen: 'Sweden's biggest domestic literary prize, the August Prize, as well as the Svenska Dagbldet Prize' (aldus Wikipedia).

Toch heb ik de lectuur gestaakt na 49 bladzijden (ik was nog niet eens bij die pijnlijke keel gekomen). Terugblikkend blijkt het ongenoegen al in de de eerste zin gezaaid te zijn: 'Dat het internet mijn ding zou zijn om de ware te vinden had ik nooit gedacht.' Oh jee, een voor zich uit babbelende ik-vertelster (ze heet zoals de titel van deel een: Ellinor). En dan de nog vreeswekkender tweede zin: 'Ik vond het iets marketingachtigs hebben, bovendien had ik nog nooit een contactadvertentie geschreven, iets anders ook niet trouwens, en ik wist niet hoe je je schriftelijk moest verkopen.'

Niets aanmoedigends schuilt er mijns inziens in een vertelster die het eerste van de drie delen van een roman het woord zal voeren terwijl ze nog geen contactadvertentie in haar portfolio zegt te hebben. Daarvan geeft ze inderdaad blijk met spreektalige slappe thee als 'mijn ding', 'iets marketingachtigs' 'je je' en 'trouwens'. En daarna komen nog: 'Mijn vriendjes waren altijd doodgewone jongens', 'helemaal niets bijzonders', 'in elk geval', 'zo op het eerste gezicht' (hoezo 'zo'?), en nog eens 'in elk geval'. Een archetypisch geval van woordarmoede, lijkt me dat (en woorden zijn het bloed van een roman). Deze diagnose kon ik al te stellen op basis van het eerste bladzijdje met grote letters op mijn e-readertje (op papier slechts het eerste kwart van de pagina).

Ellinor beschrijft op bladzijde negen een kelder waar een vechtclub traint:

Iedereen kwam tegen iedereen uit. Je ging een trap af onder een school en dan liep je een kelder in. Overal zaten tegels in een kleur tussen bruin en oranje in, maar het waren rare, matte tegels die in tegenstelling tot hoe tegels normaal werken, alle geluiden leken te absorberen. Je liep daarbeneden ver door onderaardse gangen. Iedereen was doodstil, had blote voeten en droeg een tas met sportkleding over de schouder. Het enige wat je hoorde, waren de ventilators.

Het komt mij vreemd en verwarrend voor dat in de eerste zin van dit citaat de beschrijving wordt gegeven van wat er doorgaans in die kelder gebeurt, terwijl daarna beschreven wordt hoe de vertelster (voor het eerst) in die kelder terechtkwam; en dat gebeurt dan niet in een beschrijving van wat ze zelf mee heeft gemaakt, maar met een veralgemenisering door middel van 'je', terwijl er niet van iets algemeens sprake is. Deze vreemde wijze van formuleren komt vaker voor in de eerste 49 bladzijden; al in de hiervoor aangehaalde tweede zin van de roman staat er een voorbeeld van, nog wel een met de lelijke consequentie 'je je' - zonder problemen en veel duidelijker had daar 'ik me' kunnen staan.

Het blijft in de kelderdescriptie de vraag hoe 'je' bij die trap kunt komen, die immers onder een school is gelegen. Misschien is die vaagheid veroorzaakt doordat de aandacht van Ellinor werd getrokken door de uiterlijke verschijning van overal zittende (?) tegels; ze zijn niet bruin en niet oranje, en mat. Maar daarna blijkt dat niet het uiterlijk van die tegels opmerkelijk is, maar de werking ervan (op zich wel een grappige formulering, dat tegels zouden werken). Hun werking is dat ze iets lijken te doen: ze 'lijken' alle geluiden te absorberen. Ze doen dat kennelijk niet. Deze lezer vraagt zich af wat er dan werkelijk aan de hand is, daar bij die 'rare' tegels. Helemaal niets? Nee, de tegels hoeven niets te absorberen: 'Iedereen was doodstil'. En wat erger is: de rare tegels werken helemaal niet goed, want de ventilators zijn, naar het schijnt, prima te horen. Waartoe dan toch die hele soesa met die maffe tegels daar beneden in het ondergrondse onder de trap onder de school?

Ik stopte bijna bij: 'Dat was niet iets wat je aan Calisto kon vertellen; voor bepaalde dingen [jawel: 'dingen', en dan ook nog 'bepaalde'] die je zei, kon hij af en toe ontzettend zijn neus ophalen, maar ik vond dat ik wijzer werd van kijken naar waar ik naar keek', en haakte definitief af na: 'Want je snapt dat Walt [uit Breaking Bad] zijn leven niet on hold heeft gezet om op de ziekte [kanker] te wachten.' De overtreffende trap van een open deur.

zaterdag 25 juli 2020

Joe Moran, First You Write a Sentence.

The Elements of Reading, Writing... and Life.
Penguin Books, s.l., 2019 [1st. edition Viking 2018].  Paperback, 230 bladzijden, inclusief Select Bibliography, Acknowledgements en Index.

Geen enkele hedendaagse of recente typograaf laat zich een interpunctieteken opdringen bij het ontwerpen van (de tekst voor) een boekomslag – en zeker geen punt na de titel. Wie het ook waren, de typografen van Herinneringen van een bramzijgertje, Herinneringen van een “Oorlogskind”, Herinneringen van een ‘Moffenkind’, herinneringen [sic] van een friese [sic] landarbeider, Herinneringen van een joods meisje, Herinneringen van een denkbeeldig vriendje, Herinneringen van een Schoolmeester, Herinneringen van een engelbewaarder, Herinneringen van een angstige tiener, Herinneringen van een hutjongen, Herinneringen van een vader, Herinneringen van een welopgevoed meisje, Herinneringen van een pelgrim, Herinneringen van een onzichtbare man, Herinneringen van een gewone jongen, Herinneringen van een oude pruik, Herinneringen van een dommen jongen, Herinneringen van een Rotterdams revolutionair, Herinneringen van een Rotterdams jongetje, Herinneringen van een Haagse jongen, Herinneringen van een mooi meisje, Herinneringen van een regisseur, Herinneringen van een Arabische prinses of Memoires van luipaard zetten er geen punt achter


Een punt op die plaats is onconventioneel en/want foeilelijk. Maar achter First You Write a Sentence. hoort een punt. Die zegt veel over dit boek. Verder dan die punt en dan de zin komt het niet. Joe Moran, hoogleraar Engels en Culturele Geschiedenis aan de John Moores University in Liverpool, doet wat hij schrijft. Hij noteert als een gedrevene opbeurende zinnen waarmee hij uitvoert wat hij erover zegt. Na een schets van wat de metafoor doet (het onbeschrijflijke relateren aan de blote feiten van ons leven) en wat nominalisaties doen (zinnen verbergen die gebeurtenissen beschrijven die wèl voorstelbaar zijn), noteert hij bijvoorbeeld: de nominalisatie ‘is the white dwarf of a sentence. […] A nominalisation is the shrunken remains of a verbal clause, a noun-heavy mass compacted with pre-learned knowledge.’ (57) Nominalisaties werpen doorgaans dan ook hindernissen op tussen wat een schrijver zeggen wil en een lezer kan begrijpen.


Niet alleen leep is Morans tekst, ook behartenswaardig: ‘writing is not just a way of communicating; it is a way of thinking. Nouny writing relieves the writer of the need to do either.’ (61) Typerend is dat hij in deze uitspraak nominalisaties gebruikt. Maar deze zijn geen obstakels: ze bevatten de kennis die zojuist in andere woorden is gedeeld. Bovendien demonstreren ze een ander aspect van Morans opvattingen: een stelregel is nooit eenduidig of simplistisch, laat staan absoluut (net als in het ongeschreven leven).


Hij doorspekt zijn tekst met de nodige one of more liners, behartenswaardige wijsheden die de lezer naar believen met een korreltje zout kan nemen. Een voorbeeld:

Writing is not conversation, nor a speech-balloon text waiting for a response. The point of writing is to store and spread information in a form that does not require anyone else's bodily presence while it is being written. (115)

Omdat zelfs een duidelijke boodschap niet in een keer doorkomt, schrijft hij tien bladzijden later, in een ander hoofdstuk:

We must keep remembering, since we keep forgetting, that our writing will be read in our absence and it must clear up any confusion all on its own. (125)

Nog een wijsheid:

If you have something weird or astonishing or heterodox to say – if you want to stretch the confines of the credible and be true to the world in all its beautiful, brain-melting absurdity, which you should want to do – then say it with the plainest words and in the plainest order you can find. (123)

Wat de meest duidelijke woorden en schikkingen zijn, weet Moran doorheen het hele boek goed te bespreken.


Voor wie veel werkstukken, essays of papers moet nakijken, kan het verhelderend zijn Morans observaties of opinies te lezen, zoals de volgende:

Prepositions are a bad way to stitch up long sentences because they neither connect phrases clearly, like conjunctions, nor separate them clearly, like punctuation. They are the worst of both worlds. (141)

Moran wordt zelf ook geconfronteerd met deze materie.

An English lecturer gets used to listening to laments about the younger generation's slide into illiteracy. I remain unconvinced. Of course, when marking essays I come across lots of bad sentences. The cut-and-shut jobs, which embark on a thought and then set off on an other before the first is done with, until the end of the sentence has erased any memory of its beginning. The breathless run-ons: clauses just squashed together, needing full stops like lungs need air. The accidental fragments that, shorn of any sense of causation, read like bad haiku. The slowmotion car crashes, which start out fine until some slight syntactical wobble makes them career off the road, where the mangled syntax lies sprawling until the full stop ends its agony. The ones with just too many needless words in them, stifling sense like knotweed. (15-16)

Er is geen bewijs voor de stelling dat mensen slechter zijn gaan schrijven. Diezelfde klacht was er al in de middeleeuwen. 

No, these sentences are bad because they stopped being visible and hearable to their writers. The writer knew what she wanted to say, thought she had said it, and gave up reading and listening. To write well you need to read and audit your own words, and that is a much stranger and more unnatural act than any of us know. (16)

Een zin, meer in het bijzonder: een goede zin, kan onbeschrijflijk veel verschijningsvormen hebben, vanaf de hoofdletter waar ze doorgaans mee begint, tot de punt waarmee ze – eveneens door de bank genomen – wordt besloten. En dat laatste is niet zonder doel, zin of reden:

A plain English sentence moves smoothly and easily towards its final point. The best way to ensure this happens is to put the important stuff at the end. (119)

Merk op dat deze twee zinnen (uiteraard) een punt aan het eind hebben en dat 'het belangrijke spul' daadwerkelijk aan het eind staat: “its final point.” respectievelijk “at the end.”  Merk daarnaast op dat zowel “final point” als “the end” hier dubbelzinnig opgevat kunnen worden en dat beide woordgroepen het interpunctieteken betekenen dat erop volgt. De zinnen zijn metalinguaal op een niet-dikdoenerige manier (wat zonder ironie niet van de onderhavige zin gezegd kan worden).


Precies Morans uiterst toegankelijke wijze van schrijven (die hij uit principe en in de praktijk bepleit) maakt dit boek bijzonder aantrekkelijk. Het enige minpunt is dat je, al lang voordat je halverwege bent, spijt hebt gekregen van de meeste zinnen die je tot dan toe in je leven zelf hebt geschreven.


Een ander minpunt is dat Moran zich ook uitlaat over de alinea. Het zesde hoofdstuk gaat onder andere over cohesie en coherentie en hij verlaat daarmee het vertrouwde niveau van de enkele zin. Het is niet dat Moran daar onzin beweert, maar de scherpte is dan een beetje van zijn betoog af. Saai wordt zijn vertelling overigens nooit. Hij bracht me – ik weet niet eens meer precies waarmee – in herinnering dat ik zelf ooit vast was gelopen in een schrijfexperiment, en dat ik mijn onbezonnen epos pas weer vlot kon trekken toen ik een app had gevonden waarmee je een typemachine kon nabootsen op je iPad, inclusief letterhamersgeluid en de plotse "PLIENG" bij het naderen van de rechtermarge van het fictieve blad papier en inclusief het onverwacht opduiken van het einde van de pagina, de onderkant van het a4-blad, en exclusief de mogelijkheid om tikfouten anders te corrigeren dan door ze door te strepen halen en erboven of erna de verbetering te typen. Die app dwong me beter op te letten, leverde me gratis een mooi kader voor mijn hoofdstukken (a4) en deed me, voor alles, terugdenken aan mijn vaders ambachtelijke Adler. Maar dit ter zijde.


In dat hoofdstuk over de alinea staat een derde minpunt: de domste omschrijving van het sonnet die ik ooit zag. "A sonnet, fourteen lines of ten syllables each [...]". (189). Gelukkig is deze Anglocentrische onzin onderdeel van een kleine beschouwing over een heel ander onderwerp, namelijk de functie van het wit om de tekst, meer in het bijzonder reclameteksten. De zin gaat verder met: "is an oblong block of type in the centre of the page, bordered by silence."  De woorden "oblong", "block", "bordered" en "by" maken al een mooi aanloopje naar het eind van de zin, die met "silence" opeens een semantische wending maakt waardoor het geheel toch nog klinkt als een van de honderd klokken die London doen bonzen.


Typerend is dat na dat hoofdstuk over de alinea er nog een volgt, waarin Moran opmerkt: "Most books go on for fifty pages longer than they should." (199) Klopt. Het hoofdstuk over die alinea's begint op pagina 157. Maar toch voegt het slothoofdstuk iets toe waarzonder het boek niet af was. De titel luidt: 'A Small, Good Thing. Or why a sentence should be a gift to the world'. Hierin voegt Moran onder meer een persoonlijke noot toe die een deel van de verklaring is waarom het boek, zoals zijn ondertitel zegt, onder andere handelt over The Elements of [...] Life. En hij spreekt erin de hoop uit "that a love letter to a small, good thing will feel more useful to the reader than an English lesson." (210) Klein terzijde: op zijn universitaire webpagina vertelt Moran: "My interest was/is in the seemingly uninteresting and banal details of everyday life, what Mike Leigh calls 'the nose-picking, arse-scratching, mundane world'." 


Dit geschreven hebbend, bedenk ik dat dit kleinood van Moran in wezen een persoonlijk pleidooi is voor een studieus soort mindfulness als het beginsel van goed schrijven. Het boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die aan een academische studie begint. Beter nog: ieder academisch jaar opnieuw zou het verplichte leesstof moeten zijn voor iedereen in het academisch onderwijs, studenten even zo goed als docenten. Studenten Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht moeten vanaf 2020 gelukkig al Schrijven voor de wetenschap aanschaffen en bestuderen. Maar First You Write a Sentence.