donderdag 5 februari 2026

Olga Tokarczuk, House of Day, House of Night

Oorspronkelijk in het Pools verschenen in 1998, gelezen in de Engelse vertaling van Antonia Lloyd-Jones uit 2002 in de heruitgave door Fitzcarraldo Editions uit 2025. Paperback met flappen, 332 bladzijden, met wel een aantekening van de vertaalster vooraf en een motto, maar verder geen annotaties, dankwoord, bibliografie, reclame voor ander werk of wat dan ook; gewoon schoon aan de haak.

How painful it is to be loved for nothing, just for existing.

Hoe vreemd het is om deze zin te lezen, vooral als je direct daarvoor met grote belangstelling Alice Millers Het drama van het begaafde kind hebt gelezen. Miller, een Freudiaans geschoolde, maar van de oude leer afgezwaaide psychotherapeute, was in haar praktijk gericht op het hervinden van het ware zelf, het nog niet door de invloed van opvoedende ouders en anderen vervormde zelf van de cliënt. Juist het ontbreken van het gevoel geliefd te zijn om wie iemand louter zelf is, kan een mens traumatiseren, stelt Miller. Ze streeft er in haar therapie niet zozeer naar dat de cliënt (Freudiaans rationeel) begrijpt hoe het er vroeger aan toe is gegaan, maar dat die het eertijds geleden gemis weer bewust en emotioneel ervaart, en er dan alsnog onomwonden om kan rouwen.

Olga Tokarczuk (1962), in wier roman ik de geciteerde zin las, is de laureaat van de Nobelprijs voor literatuur 2018 en een Jungiaans geschoolde psychologe, geboren in Polen, net als Miller maar een halve eeuw later. De zin staat op pagina 45 van haar roman, die niet een gewone roman is, maar meer een lappendeken van samenhangende verhalen van allerlei aard en lengte; wellicht is het een episodische of een seriële roman, of zoals het op het achterplat van het boek heet: een ‘constellation novel’, in elk geval een tekst die is geschreven in glasheldere taal en die toch bepaald niet vrij is van surreële elementen, wat, bijvoorbeeld, zeer duidelijk wordt in het verhaal over ene Marek Marek, die het gevoel heeft dat er een grote zwarte vogel met een lange snavel en gevederde poten in zijn lichaam huist.

Dat was voor mij echter niet zo heel vreemd om te lezen, in aanmerking genomen dat ik een tijdje terug ook al een roman las waarin een personage een vogel in haar borstkas met zich draagt. Ik ben benieuwd hoe ik reageer als mijn partner binnenkort melding maakt van een kraai of steltloper, opgesloten in haar ribbenkast. Ik denk dat ik het dan toch opvat als een signaal dat het niet zo goed met haar gaat, en dat ik even de huisarts moet bellen in plaats van verder te lezen, wat ik toch al te veel doe, vindt ze.

Inmiddels ben ik op bladzijde 117 van Tokarczuks boek, en las net het verhaal (over) ‘Pieter Dieter’, een melancholisch kleinood over het wisselend lot van Polen, althans over een Duitse Pool dan wel Poolse Duitser die zijn geboortegrond niet terug kan vinden, doordat men er met een slordig gebaar de grenzen steeds van verlegt.

Hoe je van rabarber komt op Archemanes, weet ik niet. Wie Archemanes was, weet ik ook niet. Een van de docenten van Pythagoras, zegt de ik-vertelster. Ik neem het maar aan, ik weet daar niets van. Ben benieuwd of het interessant wordt; kan zomaar. Of niet natuurlijk.

Maar ik denk van wel. Tussendoor las ik namelijk een bespreking op het weblog Whispering Gums, kennelijk ergens in Australië geschreven. Mrs. Gums noteert iets wat, zo zag ik toen ik het las, in grote mate overeenkomt met wat ik pre-verbaal in mijn hoofd heb rondwaren.

Weer ruim honderd pagina’s verder weet ik nog steeds niet goed zelf te formuleren wat me zo aantrekt in dit verrassingspakket vol verhalen. Misschien is dat het: je weet de ene bladzijde niet waar je op de andere verzeild zult raken. Omdat het bereik van de verhalen in aanleg nogal streekgerelateerd is, zijn de zijpaden die de vertellingen steeds nemen louter verademingen, hoewel zelfs de beschrijvingen van de licht kneuterige alledaagse gebeurtenissen door hun luchthartige stijl ook zeer aangenaam zijn. En daarbij komt nog dat er iets absurds in alle verhalen steekt, en iets dubbelhartigs doordat er personages zijn die eigenlijk hopen dat ze tijdens een nachtelijke wandeling langs de grens door hun kop worden geschoten terwijl ze overdag toch alles behalve ontevreden lijken te zijn.

Op een gegeven moment gaat een stel hoofdstukken over een landhuis, een groot landhuis waar meerdere generaties van de familie Von Goetzen wonen. Een van de leden van de Von Goetzen-familie ‘was a professor, a real professor, who spent his whole life reading books, studying and traveling, and who wasn’t interested in gardens. His name was Jonas Gustaw Wolfgang Tschischwitz von Goetzen.’ Zo’n beschrijving alleen al houdt mij stevig aan de leesstoel gekluisterd.

Die professor verdiepte zich in (onder meer) religieuze sekten die tijdens de Reformatie in Silezië actief waren, meer in het bijzonder de volgelingen van Kaspar von Schwenckfeld en de Cutlers. Von Schwenckfeld kon ik terugvinden op het internet, als zijnde een Silezische theoloog, van de Cutlers vond ik niets in die geest. Maar daarover gaat wel een volgend hoofdstuk, waarvan de eerste zin luidt: ‘They spent their days singing psalms and making knives.’ Verderop staat deze karakteristiek:

The Cutlers believed that the soul is a knife stabbed into the body, which forces it to undergo the incessant pain that we call life.

Dankzij zo een fragmentje raas ik gretig verder door de tekst, als was die er een van de zus van Tom Waits, uit het Pools vertaald.

Natuurlijk komen die Cutlers later nog even terug, maar ook andere referenties aan messen en messenmeden. In het Duits roept dat laatste woord associaties op die de vertelster laat liggen (terwijl de twee wereldoorlogen niet afwezig zijn in vertellingen over deze streek), maar de ontstaansgeschiedenis van de (ver verwijderde) nederzetting Solingen, gesticht door een messenmaker, komt wel aan de orde.

Alles draait, zoveel is toch wel duidelijk uiteindelijk om de onbegrijpelijkheid en de (veronderstelde) eindigheid en onbestendigheid van het bestaan, van alle bestaan. Met talloze vertellingen wordt gepoogd iets van de zin ervan in het oog te krijgen, of troost.

Een wonderbaarlijk mooie constellatie-roman.

Geen opmerkingen: