zondag 16 maart 2008

Cormac McCarthy, The Road

Reprint. New York 2007 [1e dr. 2006]. 'Pulitzer Prize Winner' staat op het voor 95% in egaal maar glanzend zwart uitgevoerde omslag van het Vintage International pocketboekje (10,5 x 17,5 cm) van 287 muisgrijze pagina's dat ik las. Een van de dames van de Literaire Boekhandel aan de Lijnmarkt had het me aangeraden, toen ik vroeg naar een tip voor de leesclub Transitie.

De sobere vormgeving en dito prijs wonnen me direct voor dit boekje, in combinatie natuurlijk met die (niet belangeloze, maar wel zeer oprechte) aanbeveling. Me werd erbij verteld dat het boek wel mooi, maar nauwelijks aangenaam is. Achteraf kan ik dat beamen: gruwelijk mooi.

Ik had, moet ik - zoals het de typische blogbespreker betaamt - erbij aantekenen, nog nooit actief gehoord van die hele Cormac McCarthy. Niet dat ik daar trots op ben, maar om de Rezeptionshorizont te schetsen (heb je er eenmaal van gehoord, komt je die man overal tegemoet, zijn naam, zijn werk althans; All the Pretty Horses bleek zelfs al enige tijd in huis). Daarbij hoort ook dat ik het boek las door het filter van mijn toch niet aan het fabelachtige grenzende Engelse woordenschat.

Het boek is zowel wat betreft de personages, als wat betreft de handeling, als ook de dialogen, zo droog als een geloogde boekenplank uit een Pompeïaanse heremietenhut. Absurd daardoor. En hoewel ik (en dan houd ik op met bekennen) nimmer iets van Beckett las, dacht ik, dank zij onder andere de lectuur van Ankers werk, dat een parallel met En attendant Godot waarschijnlijk niet vergezocht is.

Maar ook los daarvan: zo gortdroog, zo traag, zo onverrassend, zo gebeurteloos als deze roman is; zo vol van grijs stof, van over alles neergedaalde grijze as, als de hier beschreven, van bijna alle decor en van alle decorum ontdane wereld is, dat kom je niet vaak tegen. Tergend.

Terugblikkend begrijp ik eigenlijk niet waarom of waardoor ik dit boek ten einde toe heb gelezen. Maar het is niet te ontkennen: dit was eindelijk weer eens een boek dat ik ten einde toe moest lezen. Dwingend is het. Verbindend en verplichtend.

De hoofdpersonen hebben bijna geen afkomst. Waarom hun wereld eruitziet zoals ze eraantoe is, wordt niet genoemd; ze is zo. Postapocalyptisch. En ze lopen maar langs en over die weg, naar het zuiden. Waarom, waartoe weten ze beiden niet. Ze zijn vader en zoon(tje); ze hebben geen naam, en noemen elkaar ook niet bij naam; alleen de zoon zegt af en toe 'Papa'. Hun dialogen zijn gevriesdroogd.

I know
I had some weird dreams.
What about?
I dont want to tell you.
Thats's okay. I want you to brush your teeth.
With real toothpaste.
Yes.
Okay.

In die geest. Heel vaak eindigen de dialoogjes, in mijn herinnering, met: 'Okay.' Vader en zoon weten van elkaar dat ze in wezen niet weten wat ze doen en waarom, maar stemmen uiteindelijk steeds met elkaar overeen. Zij dragen het vuur voort, de beschaving, in een bijna volledig vernietigde wereld, waarin de enkele andere resterende mensen de vreselijkste grenzen overschrijden in het gevecht om het bestaan.

Dat er eigenlijk geen progressie zit in het gebeuren (ze hadden de zee net zo goed na twintig als na tweehonderd bladzijden kunnen bereiken, ze weten toch niet waar ze heen lopen), dat er aan het einde ook niets is opgelost (want er is niets aan zee), zoals er ook geen werkelijk begin is aan het verhaal, al dat ongedifferentieerde maakt deel uit van wat het boek te vertellen heeft. In die zaagseldroge stijl, met al die korte zinnen in rechte schikking, vrijwel zonder metaforen, zonder geleding in hoofdstukken, in een maar doorgaande aaneenklinking van korte alinea's.

Een zeer bizarre leeservaring.

vrijdag 29 februari 2008

Onno Kosters, De grote verdwijntruc

Uitgeverij Contact, Amsterdam-Antwerpen 2007. Omvang: 75 pagina's, maar op de binnenzijde van voor- en achterkaft staan nog motto's.

Vreemd, dat pas dit twintigste Klasse-bericht over poëzie gaat. Maar terecht, dat dit eerste poëziebericht gaat over een goede bundel als deze. De grote verdwijtruc is een boordenvolle bundel: zonder Franse of gewone titelpagina, maar onmiddellijk na de inhoudsopgave en een colofontje word je de gedichten in gegooid, om te beginnen met een groot gezet, titelloos gedicht dat begint met 'Hier is de grote verdwijntruc'. Dan volgen de afdelingen 'Google Earth', 'Het rusteloze einde', 'Over naar Robinson' en 'Bouw' (bestaande uit een betrekkelijk normaal, een klein en een bijzonder vet gezet gedicht, alledrie, anders dan de andere, schreefloos, en afgesloten met een/het 'Sudokugedicht' - moderne rederijkerij?) en dan volgt de 'BIJLAGE', waarin enige notities betreffende de publicatiegeschiedenis van de gedichten en verder bevattende vertalingen van Robinson-gedichten van Weldon Kees door Bernlef en Kosters, en Weldon Kees, is dan wel aardig om te weten, is een Amerikaans dichter (onder andere) die gedicht heeft over ene Robinson (die we natuurlijk onder andere kennen van Foe en Coetzee) en die, wat in verband met de titel wel interessant is, in 1955 plots heeft opgehouden te bestaan (zie hier voor wat extra-literaire referentie).

Normaal gesproken (dus met een understatement) ben ik lichtelijk allergisch voor literatuur die (mede) drijft op interferentie met eerdere en andere teksten, zeker als ik die niet ken en als ik me gedwongen voel die op te zoeken vooraleer ik de tekst die ik aan het lezen ben, zou kunnen gaan doorgronden of waarderen. Nu, van allergie is hier dus absoluut geen sprake, want deze gedichten van Kosters grepen me van eerste lezing af aan uit zichzelf bij m'n lurven, en ik weet nog steeds niet precies waardoor. Uit pure belangstelling en nieuwsgierigheid en doordat ik die dingen mooi vind, heb ik de bundel gelezen, herlezen, en meerdere keren herlezen.

En dat terwijl de afdeling 'Over naar Robinson' begint met een gedicht dat heet 'Op zoek naar Weldon Kees' en dat als onderschrift heeft 'Vrij naar Simon Armitage,"Looking for Weldon Kees" (Kid)', terwijl Weldon Kees in zijn door Kosters vertaalde gedicht 'Met betrekking tot Robinson' een gedicht van Emily Dickinson - blijkens de noot van Kosters - verkeerd aanhaalt, hetzelfde gedicht dat Kosters op zijn beurt - maar dan wel goed - als motto gebruikt bij de gedichtenreeks met de schitterende titel 'Lappen bij regen is gevaarlijk en zinloos'.

Dit lijkt dus heel erg op een uiterst onaangename, moeilijk-doenerige tekstenknoedel van een wel zeer exclusieve (post)modernistische snit, en dat is het wellicht ook, maar het is - in mijn optiek - helemaal niet irritant. Je kan er - zoals ik deed - aanvankelijk lekker overheen lezen en pas later stukje bij beetje de draadjes gaan opnemen en het spoor beginnen te volgen.

Kosters heeft, om op de vorige alinea door te gaan - wel meer fraaie titels. Zo is daar: 'Paaldansen kun je leren', 'Ga toch een eind weg' en 'Lekker weg in eigen land'. Ook 'Meneer Abbas is de baas' behoort tot die categorie, alweer met de aantekening dat ook het hele gedicht fraai is, zeker met een passage als: 'Meneer Abbas is naast de baas: rem- en frictiespecialist.' Maar zie ook een fragmentje als dit (uit: 'Ontdekker vermist (De rollen omgekeerd)': 'Ötzi in de droogte, water in zijn oor, start de start de motor, / rijdt daadwerkelijk achteruit en wist zijn ruiten.' Nota bene: deze meneer - die zich te gehaast heeft gedouched, vandaar dat water, dat oor - deze meneer is personage in een gedicht en rijdt in een SUV, een 'Landwind, koosnaam Hummer' (en is ook zonder kennis van K. Schippers' genotekst te genieten mijns inziens). Daar staat, qua SUV dus, tegenover die meneer Abbas, wiens ogen de indruk wekken 'dat hij 's avonds Hans Lozeizen leest.'

Goed, dan nu de vraag waar het om draait: wat is er zo goed aan De grote verdwijntruc? Antwoord: deze gedichten wekken enerzijds de indruk volkomen toegankelijk te zijn, en zijn anderzijds zeer raadselachtig; maar in al hun raadselachtigheid zijn ze niet lezerverjagend, niet hermetish, niet excluderend, niet taalconstructivistisch. Ze hebben het nonchalante van die gedichten waarin een accountant of zoiets de hoofdrol speelt, een gasfitter of een suppoost in een museum; Kosters kiest onder andere(n) voor een glazenwasser. Zijn personages (als het er al meer dan één zijn) zijn voorzien van een Edward-Hopperrandje, een vleug van Alex van Warmerdams fims (Abel, Noorderlingen, Ober). Ook de titel van een (niet gelezen) gedicht van Anker schoot me tebinnen: Ballade van de lege man. Maar dit terzijde.

Voorbeeld dan van wat ik goed vind. Een gedicht dat 'CV' heet - met als ondertitel '(Bijlage)' - waarin een soort Männer ohne Eigenschaften worden geschetst: de lijfwacht van Al Gore begin 2006, de schaduw van de onzichtbare man, de vierde, oftewel de reservereservereserve-doelman van de wereld, Watsons sidekick, een gedicht dat wat mij betreft prachtig culmineert in deze passage: 'Hij is de stropdas van prins Claus / Bij leven afgedaan'.

Bitter.

Zo staat dit boek vol met sprankelende pareltjes terwijl ook het verhalende geheel intrigerend is, want er loopt een spoor van vertelling door deze gedichten en ook door deze bundel, als u begrijpt wat ik bedoel.

woensdag 6 februari 2008

Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik

Over de betekenis van poëzie. Vantilt, Nijmegen 2008. 303 bladzijden, inclusief Verantwoording, noten, biblio- & discografie, Zaakregister en Personenregister.

Maar ja, van Gail Pool heb ik net geleerd dat je geen boeken moet bespreken van vrienden en naaste collega's (anders had ik ook wel een item gemaakt over Edwin Lucas & Marcel Uljee, Het geheim van het schrijven; tien schrijvers over hun vak. Uitgeverij Passage, Groningen 2007), laat staan van leidinggevenden, en laat helemaal staan als je achterin het boek bedankt wordt, waarvoor dan ook. Dus doe ik er - Improving the Trade - maar het zwijgen toe (nou, tussen haakjes dan even: lees het openings-, tevens titel-essay, dan volgt de rest vanzelf) en geef ik het woord aan de uitgever (let wel, een uitgever schrijft over auteurs, die sinds Barthes toch dood zijn, nil nisi bene):

In Oneigenlijk gebruik stelt Geert Buelens een oude, maar nog steeds belangrijke vraag: wat betekent poëzie? Hij geeft vele antwoorden, die onze perceptie van het fenomeen ‘poëzie’ verruimen. De vraag of Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur moet krijgen, wordt hier niet beantwoord. Maar Dylan is in dit boek wel te gast, samen met onder anderen Emily Dickinson, Radovan Karadzic, H.H. ter Balkt, Guido Gezelle, Raymond van het Groenewoud, Kurt Schwitters, Hugo Claus, Tom Waits en De Jeugd van Tegenwoordig. Zij allen zetten dichterlijke middelen in om een mededeling te doen die ons raakt.

Oneigenlijk gebruik is een boek over hongersnood in Brugge en Europese landbouwhervormingen, over rampberichten en oorlogspropaganda, over eenzaamheid en gedachtestreepjes, over freejazz en popmuziek, over de druk van de geschiedenis en de vrijheid van de toekomst, over oerkreten en protestliedjes, over grote gevoelens en kleine woorden, over The Singing Detective en ‘one minute man’, over taalplezier en de grenzen van het begrijpelijke, over het lichaam dat spreekt, zingt en lijdt. En altijd opnieuw over poëzie.

vrijdag 18 januari 2008

Gail Pool, Faint Praise

The Plight of Book Reviewing in America. University of Missouri Press, Columbia-London 2007. 170 pagina's inclusief noten, biblografie en register.

Dit is een bijzonder toegankelijk boek, geschreven door iemand die het (maar als ik het goed lees, ook de) klappen van de zweep uit de praktijk kent. Het boek beschrijft het hele recenseervak in al zijn facetten. De hoofdstuktitels zijn:

Introduction: The Reviewers Lament
Unnatural Selection
Vermin, Dogs and Woodpeckers
The Match
Getting it Right
Private Opinions, Public Forums
Are Book Reviews Necessary?
Improving the Trade.

Inderdaad: een mooie spanningsboog. Pool analyseert heel netjes wat er bijzonder is aan het vak, en dus ook wat er moeilijk aan is, en niet te vergeten: wat er mooi en onontbeerlijk aan is. Ze gaat - in weerwil van de titel van de introductie - niet over tot gezeur, gezeik of gekissebis. Ze houdt afstand, overzicht en een scherpe blik. In een Nederlandse recensie las ik dat ze het zou hebben over hoe de criticus loopt aan de leiband van de redacteur... Niets van dat stereotiepe 'denken'. Pool beschrijft nauwgezet dat een recensent zich doorgaans bevindt in een spanningsveld van belangen en verplichtingen en vereisten en gewoontes en voorkeuren. De praktijk as it is, voor zover ik dat kan overzien. Maar niks geen vooringenomen complottheorievorming en laag bij de gronds gezeur over vriendjespolitiek (wat een moerasdeltawoord is dat toch). Wel schitterende voorbeelden van geïsoleerde miskleunen, onheuse bejegening (positief en negatief), loze formuleringen, fouten door tijdsdruk, en wat het vak al niet meebrengt. Niet vaak, maar wel vaak genoeg geeft ze aan dat ze over de Amerikaanse recensiepraktijk schrijft, aldus de lezer ruimte biedend voor door eigen achtergrond gestuurde bijstelling van het betoogde.

Pool beschrijft ruimschoots de twintigste eeuw, en laat ook zien dat de klachten en loftuitingen er in de negentiende eeuw al niet anders uitzagen. En ze gaat in op de vernieuwingen (veranderingen, nauwelijks verbeteringen te noemen) die het internet aan het vak biedt, met recensies die maar niet verdwijnen, boekverkopers die 'recensies' van lezers plaatsen (als ze die al niet zelf schrijven), private individuen zonder enige institutionele binding die hun bevindingen op het net zetten (who's talking?), lijsten met sterretjes of wat ook, waarmee iedereen anoniem zijn of haar 'waardering' kan aangeven.

Wat ik vooral goed vind aan Pools analyse en beschrijving, is dat ze fair blijft, nota bene met betrekking tot een vak waarin, denk ik, de kinnesinne welig weet te tieren: schrijf maar eens iets niet-lovends over een boek... Bovendien geeft ze duidelijk, en met gevoel voor paradoxen en spagaten, aan wat een onmogelijk bedrijf dat recenseren eigenlijk was, is en blijft: onderbetaald, ondergewaardeerd, altijd gehaast, om maar wat te noemen. En Pool weet overtuigend duidelijk te maken dat een fatsoenlijke, moderne, democratische cultuur werkelijk niet zonder recensies kan, en dat het recenseren dus (steeds) verbeterd moet worden. Verbeteren is nooit overbodig. Maar soms is het nodig om dat weer eens uit te leggen.

vrijdag 28 december 2007

Marc Reugebrink, Het grote uitstel

(roman). Meulenhoff-Manteau, Antwerpen-Amsterdam, 2007; geplakte (niet: 'gebonden', zoals de uitgevers het op hun site noemen) hardcover met stofomslag ter grootte van 2/3 van het kaft; 308 pagina's, waarvan die t/m p. 298 voor de roman, p. 299-304 voor Enige aantekeningen, p. 305 voor de Verantwoording en p. 306-308 voor de Soundtrack.

Ik heb de evaluatie van de lectuur van deze roman even laten bezinken. 'k Las inmiddels Brouwers' Datumloze dagen (wees geen naäper: laat dat boek in de winkel liggen!) en ben verzonken in Multatuli, de biografie van (d.i.: over) de gelijknamige schrijver die (de biografie, meen ik) inmiddels verramsjt is (past dat in 't kofschip?) (kopen, dat boek, voor 15 piek) (als je piek mag zeggen tegen een euro).

Ik kon me de naam van de hoofdpersoon niet meer herinneren: Daniël Winfried Rega. Idiote achternaam; zo niet klassieke, dan toch bijbelse voornaam; tweede naam, bizar genoeg, als mijn derde, dus in wezen felrealistisch (ooit, anno 1976, introductiekamp Veritas, kende ik iemand die 'Fried' heette, en dat vond ik toen, doordat ik natuurlijk 'Friet' verstond, een ...naam, niet beter wetende toen nog).

Er is allerlei tegen dit boek in te brengen.

1. De foto op het stofomslag is echt beneden alle peil. Flauw en zouteloos en zonder enige relatie tot de inhoud van het boek. Als het dan nog een blote reet was geweest, dan had ik de billen ten minste in verband kunnen brengen met de geliefde verblijfplaats van de handen van hoofdpersoon Rega (wie meer wil weten leze het boek, of de recensie door Kees 't Hart in De groene Amsterdammer). Dit omslag is niets dan een flauwe publiekstrekker.duld geen uitstel Ze (de foto, bedoel ik) doet denken (nou ja: denken...) aan Bicycle Race van Queen o.l.v. de toch unverfroren mannelijke homo Mercury, Freddy (ik snap er niks van) en aan de omslaglook alike Zadelpijn en ander damesleed van ik weet niet hoe ze heet.

2. 'Enige [historische] aantekeningen' achterin zijn deels volkomen overbodig, deels onvolledig/onvoldoende, maar vooral oubollig 'daterend'; hoe hoog heb je je publiek als je wilt uitleggen wie Van Agt is?.

3. De toegevoegde Soundtrack is - nota bene anno 2007 - volslagen out of medium: gewoon een gedrukte tekst in plaats van toegevoegde CD of hyperlinks naar MP3-bestanden met de genoemde muziek. Heel erg gemiste kans (hoewel ik persoonlijk al die muziek in huis heb of anders wel ken; zo exotisch is het allemaal niet; maar ja, ik ben dan ook een ernstig geval van generatiegenoot van de schrijver; zij het zelfs nog iets ouder dan hij, helaas).

4. Iets wat erg aantrekkelijk is aan de roman, wordt net iets te lang en aanhoudend aangehouden, doorgevoerd of hoe je het wilt noemen.

En daarmee heb ik het wel gehad qua negatieve marginalia (en dan nog: dat omslag sla je om zodra je gaat lezen; die aantekeningen hoef je niet te lezen, de soundtrack zit al in je hersens; en dat laatste feiltje is alleen maar veel van iets goeds).

Dit is gelukkig weer eens zo een boek waar ik maar in voort wilde lezen, dat ik niet weg wilde leggen, waar ik geen genoeg van kon krijgen. Dat komt natuurlijk onder andere doordat de wereld die erin beschreven wordt, zo uitermate herkenbaar is voor mij als generatiegenoot. Het is de genoeglijke combinatie van identificatiemogelijkheid en afstandelijkheid; eenzelfde genoegen dat de toch al gauw veertien jaar oudere (t.o.v. Reugebrink) schrijver Robert Anker ook weet te bieden in zowel Een soort Engeland als Vrouwenzand als ook recentelijk weer in Nieuw-Lelievelt. Ook Reugebrinks Het grote uitstel is een tijdsdocument, een neo-historische roman, een great Dutch novel, ook al bestrijkt Reugebrink niet zo veel tijd met zijn roman, die, in fraai Nederlands, wel een coming of age-roman mag heten.

Ik heb genoten van de schets van het studentenleven, dat er een uit (of: die er een van) mijn tijd is, hoe anders ook in realia natuurlijk. En dat vooral dat gedoe op de lerarenopleiding wel heel erg, angstaanjagend herkenbaar is.

Ik heb ook genoten van die heerlijk semi-onwetende, goed-bedoelende maar steeds weer mislukkende hoofdfiguur Rega; zo'n romantische misfitter, maar op een heel eigen manier; jeugdhonksgewijs.

En ik heb ook genoten van de eigenlijk absurde vertelsituatie in deze roman. Er is namelijk een zich met 'ik' en 'wij' als personage voorstellende verteller aanwezig, die niet alleen tijdgenoot is van Rega, maar die zelfs deelgenoot was van de wereld van Rega (maar die door niemand gezien of aangesproken wordt; een quantité plus négligeable que Rega, dus). Eigenlijk weet je als lezer al snel dat Rega en de verteller een en dezelfde 'mens' zijn (op twee verschillende tijdvlakken), maar ik geloof werkelijk niet dat die indentificatie ergocentrisch makkelijk hard te maken is.

En die verteller probeert maar, blijft maar proberen de dingen zo zuiver mogelijk in woorden te vangen. Maar hij is daar tegelijkertijd ook zo onzeker over, dat hij voortdurend herneemt en herformuleert (zo erg, dat recensenten het na gaan doen; dit is ook dat hierboven bedoelde iets te ver doorgevoerde aspect). Zijn vertellen wordt daardoor een van de wijzen van uitbeelden van het in de titel samengevatte thema. Dat semiotische cluster vind ik geweldig aan deze roman. Dat, en de weemoed, de nostalgia, hoe het ook heet. Dat, en het onmiskenbare, schier Gorterianeske plezier in de taal dat van alle bladzijden afstraalt. In deze roman is iemand aan het woord, die het geweldig vind om het woord te hebben, om het te presenteren, om het te vieren en uit te vieren. En die dat kan.

Ga naar de winkel. Ga naar huis. Ga zitten en lees!

donderdag 13 december 2007

Robert Anker, Nieuw-Lelievelt

Querido, Amsterdam-Antwerpen, 2007. 253 bladzijden. € 18,95.

Men zou wel kunnen zeggen dat ik een zwak heb voor het werk van Anker, of het nu gaat om z'n romans, verhalen, gedichten of de essays. Maakt me niet uit. Ik lees het allemaal. Nooit probleemloos, en altijd met meer dan gemiddeld plezier. Een griffend genot. Zeker na al dat gebakken lucht-omwalmde geMim, dat eindeloze, platvloerse Vladiwostok!gelullo dat ik eerlang tot me nam. Nee, dan Anker! Altijd raak, ook als het ernaast gaat, schrijnend dan. Zeker, de bakvisnovelle die de roman opent duurt wat lang (‘”Jezus Joop,” giechelde Wies’, echoot het nog op pagina 111, waarbij ‘Joop’ natuurlijk de amicale beknotting is van ‘Josephine’), maar de openingsscène mag er wezen, niet alleen als aemulatio van het begin van Hokwerda's kind, ook als bij nader inzien achteloze aanduiding van het thema. De luchtige verwevenheid van Vasalis' 'Fanfare-corps' in een huwelijksfeest in een parkachtige achtertuin. De nachtblauwe Delage die deze keer op topsnelheid aan gort gaat, in plaats van een helrode Healey. En die je dan weer doet bladeren in eerdere romans, in de gedichten. Always crashing in the same car. Nou ja, bijna dezelfde dan. Zie je wel: het gedicht ‘Austin Healey’ in Van het balkon, uit 1983 al. En ach, kijk: 'Heimwee naar mijn Healey' in die maffe bundel Heimwee naar (2006):

Klokken springen aan een wijzer zet zich
jong leer geurt het diepe gonzen tegemoet
de handpook vult met koele gloed de handkom
een voet tilt de motor in het werk een voet
brengt daar toeren tegenin precies genoeg
dit was dronken schoonheid maar het wonder
werkt nu: het rijdt versnellend weg een macht
stroomt in de armen aan het stuur als water
aan de kook begint het suizen in het hoofd
na elke bocht stort het hart zich in de overdrive
van dit zich openende rijden tot het bloeit.

Een vleug fonetisch weergegeven dialect. Klaterende natuurbeschrijvingen. Al die illusies die grondig aan scherven slaan tegen een bikkelharde aarde. De hoop die altijd op de waakvlam blijft. Toch. Discussies over Brecht en Sartre die doen denken aan het eindeloze 'geoudehoer' over toneel in Een soort Engeland (2001), waar Anker de Libris Literatuurprijs mee won. Nou ja, gewoon lezen dus dit boek. En al die andere. 'Wies knikt en kijkt hoe ze hand in hand weglopen, met stevige stappen, alsof ze bang zijn te laat te komen voor de toekomst.'

Nagekomen mededeling d.d. 23 januari 2008:
In De groene Amsterdammer van 18 januari 2008 las ik de recensie door Kees 't Hart, onder de (nou ja, wat voor kwalificatie zou ik daar nu eens voor plakken?) titel 'Maar waar gaat het om'. En 't Hart schrijft onder veel meer: 'Mooi geschreven, dat wel, maar wat dan nog?' Toen brak mijn klomp: alsof het er niet meer toe doet dat een schrijver mooi schrijft? En daarbij: de roman gaat niet nergens over (wat 't Hart ook wel weet, denk ik, maar het lijkt erop dat hij er geen zin in had om het op te schrijven). Volgens mij maakt de opening van de roman al veel duidelijk van de thematiek.

maandag 3 december 2007

Dimitri Verhulst, Mevrouw Verona daalt de heuvel af

11e druk. Uitgeverij Contact, Amsterdam-Antwerpen 2007 [1e dr. 2006]. Dimitri Verhulst blinkt, vind ik, niet uit in goede titels. Problemski Hotel en De helaasheid der dingen joegen mij tot op heden naar andere boeken. En ook Mevrouw Verona daalt de heuvel af lokte, als onderdeel van die keten, mij niet tot lezen. Maar ja, een studente zat in de pauze van een college een Verhulst te lezen. En lezende studenten/s stoor ik graag en spreek ze aan op hun lectuur. Zij was zeer enthousiast, zelfs over het hele oeuvre. Daags daarna bleek collega Van der Poel het boekje - want met 110 bladzijden spreken we toch over een boekje? - te hebben aangeschaft. En daags daarna gelezen en geloofd. Die kans liet ik niet lopen. Het lag daar zo op de salontafel. En terecht. Wat een schitterend boek. Naar inhoud en naar stijl is dit werkje, dat staat als een huis en klinkt als een weemoedig gebarsten klok, niet minder dan een boek.

Het is een lieve en melancholieke vertelling, een sprookjesachtig verhaal, dat toch heel erg dicht bij de realiteit staat, maar ook niet volmondig van hier en nu kan zijn. Bijvoorbeeld doordat op een dag er een Blonde d'Aquitaine tot burgemeester verkozen wordt en in een 2-chevaux rongereden. Je zou bijna een politieke satire vermoeden. Google Earth gaf me geen plaatsje Oecwègne te kennen, terwijl het evident in Wallonië moet liggen (of moet kunnen liggen). En dan dat huis van mevrouw Verona bovenop een van de heuvels; maar ook dat symbolische (en ook letterlijke) afdalen. En die honden die haar steeds volgen. Ik ken dat gegeven nog van het voorlezen, jaren her aan de kinderen: Ze lopen gewoon met me mee, heette het prentenboek; maar dat ging over nijlpaarden die in tientallen met een jongetje meeliepen (en, toen hij daar tegen zijn zin van genezen was, giraffes). Een wereld bijna als in die krekelverhalen van Toon Tellegen. Maar zonder een spoor van twijfel is dit een boek voor volwassenen, over de volwassen dingen des levens. En zo mooi verteld. Zo uitgekiend van stijl, van woordkeus en vertelritme. Vooral hoofdstuk VIII kan ik aanraden, en dan met nadruk bladzijde 53 waar dat in uitmondt. Superieur.

Het boek is in wezen zeer traditioneel. Een vertelling over een kleine, enigszins afgelegen gemeenschap, met enkele hoogst opmerkelijke figuren, grotesk welhaast; over liefde, jaargetijden en dood, en met een verteller die namens de kleine gemeenschap lijkt te vertellen (kleinschaliger dan Houtekiet, vriendelijker dan De Metsiers, vredelievender dan De geruchten; dat werk maar toch anders). Nu Martin Ros bijna van de rondvonk is vertrokken mag ik misschien zijn woorden lenen: Lees dit boek!