zondag 27 augustus 2023

Piet Gerbrandy, Niet zonder geritsel

Met tekeningen van Anne van Herreweghen. P, Leuven 2022. Paperback met flappen, gebrocheerd, 61 pagina's 130 grams Alto Creme, gezet in Chaparral Pro.

Een prachtige, ruim opgezette uitgave, met mooie tekeningen, elke met een rood detail. Toen ik het boek zag liggen, het materiële object, met inbegrip van de connotaties van de auteur en de uitgeverij, was ik meteen verkocht. Waarom doet men dat trouwens niet vaker: ouderwets zwart zetwerk  in dit geval helaas alleen de titelpagina ─ mengen met rood; met blauw kan ook (Kouwenaar, Totaal witte kamer), of zelfs oranje (idem, een geur van verbrande veren, allebei bij Querido). 'Verkocht' is overigens niet het juiste woord: ik zag het boek liggen in de bibliotheek. Later heb ik het gekocht, want ik wil het op m'n gemak kunnen her- en herlezen; het prachtige boek arriveerde per post uit Leuven.

In de 'Verantwoording' noemt de dichter zijn titelloze teksten 'sonnetten'. Ik had zelf niet opgemerkt dat het sonnetten waren, en de voorflaptekst spreekt van 'deze sonnetten, als we ze zo mogen noemen', maar inderdaad: ze zijn goed te zien als op hun wijze vormvaste variaties op die oeroude vorm.

Het sextet is hier als het ware opengebarsten en staat deels voor, deels na het octaaf, dat opgebouwd is uit vier disticha. De terzetten bestaan niet uit strakke, metrische versregels van gelijke lengte, maar uit drie metrisch gestructureerde, niet-uitgevulde (zet)regels, oftewel: proza, als ik het zo oneerbiedig zeggen mag. Pas later realiseerde ik me dat ieder terzet uit een volledige volzin bestaat.

De terzetten zijn meest beschrijvend of betogend van aard en handelen vaak over, reflecteren kritisch op (een aspect van) de mens (in het algemeen) in relatie tot zijn (m/v/x) leefomgeving. Daarmee heeft deze bundel een thematische relatie met Gerbrandy's een jaar later verschenen lijflied voor de ziel, Niets dan dit (2023). Een andere overeenkomst is dat er een paar eeuwen aan menselijke (beschavings-) evolutie in zijn verwerkt.

Anders dan de terzetten, zijn de octaven ronduit lyrisch, zoals het een klassiek sonnet betaamt, als we überhaupt al weten wat een klassiek sonnet is. De oorspronkelijke, zowel formele als inhoudelijke ambivalentie van het sonnet, de verdeling in twee ongelijke 'helften', heeft Gerbrandy, classicus, erudiet en als zodanig niet wars van referenties aan historische teksten en andere fenomenen, gehandhaafd.

Dat vleugje commentaar in of bij zijn gedichten is bekend uit (al?) zijn eerdere dichtbundels, vaak in voetregels of/en annotaties achterin. Nu is het in de gedichten geïntegreerd, vooral in de openende en afsluitende terzetten, hoewel er natuurlijk ruimte voor de lezer is om, tegen de indicatie van de dichter in, die in- en uitleidende regels te zien als 'slechts' de omlijsting van het 'eigenlijke' gedicht.

Hoewel heel serieus qua onderwerp en weloverwogen wat formulering betreft, zijn de gedichten tegelijk toch luchtig van toon. Een willekeurig openingsterzet (p. 15) kan dit wellicht illustreren:

De stelling als zou men nooit te oud zijn om ingewortelde patronen af te leren en verse inzichten op te doen is niet zozeer aantrekkelijk omdat ze waar is als wel omdat ze tot vlak voor het einde ruimte biedt aan hoop.

Dat 'hymenoptera' de officiële benaming is voor vliesvleugelen, moest ik zelf opzoeken. Het woord (in het laatste terzet op pagina 49) lijkt me tekenend voor de ironie waarmee Gerbrandy zijn gewichtige woorden steeds weet te verlichten:

Evolutionair geschoolde antropologen kijken er niet van op dat mensen van jongs af aan voorbestemd lijken te gruwen van achtvoetige wezens die slijmen webben bouwen om zachtmoedige hymenoptera te verschalken.

Pas nadat ik onder ogen had gezien dat deze teksten sonnetten zijn, heb ik een nadere blik op de inhoudsopgave geworpen, mede omdat ik op zoek was naar concrete structuursignalen van de opbouw van de bundel; die zijn er niet of nauwelijks, tenzij er een regelmaat zit in de verdeling van sonnetten en illustraties, maar die heb ik nog niet ontdekt. Van afdelingen, toch geen onbekende of ongebruikelijke segmenten in dichtbundels, is hier geen sprake. In de inhoudsopgave staan alleen de beginregels van alle gedichten onder elkaar opgesomd (met een heerlijk rode punt tussen elke regel en het betreffende paginanummer). Het blijken er achtentwintig te zijn. Dat dan weer wel. Alsof wie aan een sonnet begint, van welke soort dan ook, in veelvouden van veertien werkt.


maandag 21 augustus 2023

Robert Seethaler, Der Trafikant

Ebook. Kein & Aber, Zürich-Berlin 2012.

Omdat ik een paar dagen naar Wenen ging, heb ik deze roman herlezen, vlak voor ik naar de stad vertrok, terwijl ik er verbleef, en de laatste bladzijden toen ik al weer thuis was. Ik ging mede naar Wenen omdat ik deze roman al eens had gelezen. Aan die eerste lectuur heb ik goede herinneringen; daarom wilde ik het boek sowieso al herlezen (toen ik in mijn papieren archief leesnotities zocht, zag ik zag dat ik al in 2006 ben gestopt met het lezen van Daanje; maar dit terzijde; mijn Trafikant-notities staan hier).

Der Trafikant zou je een coming of age-roman kunnen noemen; niet mijn favoriete genre, maar dit boek heeft gelukkig geen ik-verteller, wat al een heel eind scheelt. Daarenboven speelt het verhaal op een bijzonder interessante plaats in een bijzonder interessante, tragische tijd. Dat maakt het verhaal een stuk beter te verteren dan wanneer het alleen bij de zieleroerseltjes van een rijpende puber zou zijn gebleven. Veel meer dan daarover, gaat het boek eigenlijk over wat er in Wenen aan ellendigs gebeurde aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, ook al is Seethalers wijze van vertellen non-spectaculair. De rottigheid sijpelt er stiekem in.

Eigenlijk heb ik niets toe te voegen aan wat ik eerder noteerde, behalve dat een uitgebreidere kennis van hoe Wenen in het echt in elkaar zit, niet nodig is voor een goed begrip van de roman. Dat kan ook komen doordat, terwijl de straten er nog allemaal zijn, de aard van de locaties wel aanmerkelijk veranderd kan zijn in de afgelopen vijf- à zesennegentig jaar. Een goede roman, hoe realistisch ook, kan zo'n eeuw tussen vertelde tijd en het moment van vertellen (en het moment van lezen) probleemloos  overbruggen. Van het duistere cabaret waar Franz' liefje werkzaam was, is in het huidige Prater niets terug te vinden, bijvoorbeeld; naar de mogelijke locatie van de Trafik van Trsnjek heb ik niet eens gezocht. Hoeft ook niet. Maar onder het lezen af en toe iets als 'oh, ja, daar' te kunnen mijmeren, voegt wel een kruidig lokaal snufje toe aan de lectuur. Misschien mede daardoor heb ik de roman opnieuw met veel plezier gelezen, en met nog meer huiver voor wat er toentertijd in de wereld en specifiek in Wenen aan de hand was.




donderdag 10 augustus 2023

James Norbury, Grote Panda & Kleine Draak

Vert. Ariane Schluter. 8e dr. Fontaine Uitgevers, Amsterdam 2022 (1e dr. 2021; oorspr. Big Panda & Tiny Dragon, Michal Joseph, 2021). Hardback, gebrocheerd, met leeslint, 159 blz. incl. na- en dankwoord.

Een prachtig boek dat, meen ik, geen introductie meer behoeft. Het omvat maar 155 pagina's vol zwartwit- en kleurentekeningen en niet te veel tekst, die bestaat uit heel korte, bijna Herenleed-achtige dialogen en monologen. Elke tekst getuigt van een optimistisch levensinzicht, zonder zoetsappig of kinderachtig te worden; een enkele keer ligt een tegeltjeswijsheid op de loer maar dan kan je je laten afleiden door de olijke tekening.*

Het boek is gedrukt op stevig, zwaar papier en ligt, met die harde kaft, heerlijk in de hand; het blijft goed open liggen doordat het gebrocheerd is. Het leeslint is uiterst functioneel; ik denk dat je dit boek het best kunt lezen als een herbruikbare scheurkalender met een vertragingsmechaniek: niet te veel in een keer.

De inhoud is geordend volgens de seizoenen (hoewel een inzicht of wijsheid uit de zomer, niet zou misstaan in een ander seizoen), en kenmerkend is dat het zowel begint als eindigt met de lente. De insteek is positief, zonder dat de zwarigheden des levens ontkend worden (het wordt zeker geen Berenleed).

Norbury heeft het boek gemaakt 'toen het niet zo goed met [hem] ging.' Hij stuitte bij toeval op een boek over boeddhisme en wilde met de daardoor verworven inzichten iets doen, maar corona maakte veel onmogelijk; daarom besloot hij 'tekeningen te gaan maken, als een manier om die krachtige, transformerende ideeën op een eenvoudige, toegankelijke wijze over te brengen op mensen.' Me dunkt dat hij daar bijzonder goed in is geslaagd.








woensdag 9 augustus 2023

Juli Zeh, Die geschenkte Stunde

eBook-Ausgabe, Dotbooks, München, 2013 (Printversion: Literatur-Quickie, Hamburg 2011)

Dit kleine boekwerk bestaat uit plm. 46 e-paginaatjes op mijn e-lezer en kostte slechts € 1,99. 'k Beleefde er al veel leesplezier aan, want heb het nu driemaal gelezen en heb nu al trek in een vierde. Dat komt enerzijds doordat het verhaal zeer raadselachtig of surrealistisch is, anderzijds doordat Zeh loepzuiver schrijft. Derde factor is dat mijn beheersing van het Duits meer raadsels in het verhaal aanbrengt dan nodig is.

Het verhaal speelt zich af in een nacht waarin de tijd een uur terug wordt gezet. Het daardoor ontstane 'extra' uur schept ongewone mogelijkheden in de werkelijkheid van de anonieme, vereenzaamde ik-vertelster wanneer ze een onbekende jonge vrouw ontmoet met enorme, getatoeëerde engelenvleugels op haar rug, en vervolgens nog een schrijver (m/v/x) die tot dan toe alleen als fenomeen bekend was en die nacht zijn identiteit onthult, althans voor het eerst in het openbaar optreedt en voorleest uit Pianos Aufschrei. In die ingebedde vertelling vallen veel doden, en ook in de stad waar een en ander zich afspeelt is enige tijd terug een hoofd van een man gevonden op een stilgevallen spoorwegemplacement; een eind verder zijn lichaam. Niets wijst erop dat dit de schrijver wel eens zou kunnen zijn, of zijn broer. Maar toch... De getatoeëerde jonge vrouw, Amelie, die als ze aan het skaten is, lelijk onderuit gaat, is de nicht van de schrijver volgens de schrijver.

Geen idee of ik nu met spoilers strooi; niet in mijn beleving. Midden in de nacht blijft de naald van een grammofoon hangen in de slotgroef van Verdi's La forza del destino (1862/1869). Of moet ik dat ook niet zeggen? (ik houd helemaal niet van opera; weet er ook niets van: intertekstuele parels voor dit zwijn). En dat Piano de hond van de schrijver is? Die schrijver, GK wordt hij genoemd, zegt ergens:

Von Zufall spricht man [...] wenn die Götter komplizierter denken als der Mensch. Geht das eine Weile so, wird von Schicksal gesprochen. [...] Will der Mensch Schicksal spielen [...] muss er komplizierter denken als alle Götter.

Dat zegt hij niet zomaar 'ergens'... het zijn de laatste woorden die hij weet uit te spreken tijdens zijn lezing. Hoe dat komt, verklap ik niet.

Het zal inmiddels wel duidelijk zijn dat de wat donkere grondslag van Zehs oeuvre ook in dit kleinood weer te ontwaren is.


PS
Van Zeh is nog een tekst opgenomen in de reeks Literatur-Quickies: Feindliches Grün. Die gaat binnenkort mee op reis.

Terwijl ik dit tik, staat die opera van Verdi aan (eenvoudig te vinden op Youtube). Mijn liefde voor opera is er niet groter op geworden, noch die voor Verdi. Maar dit ter zijde.

zaterdag 15 juli 2023

Gabriele Tergit, Der erste Zug nach Berlin

Roman. Herausgegeben und mit einem Nachwort von Nicole Henneberg. E-Book. Schöfflin & Co., Frankfurt am Main 2023.

Tergit – pseudoniem van de journaliste Elise Reifenberg, geboren Hirschmann (1894-1982) – heeft deze roman ergens in de jaren vijftig van de vorige eeuw geschreven. Dat ze er toen geen uitgever voor wist te vinden, is een beetje te begrijpen, als je de flaptekst leest van de Nederlandse vertaling (eveneens dit jaar verschenen, bij Van Maaskant Haun).

De jonge Amerikaanse Maud heeft nog niet veel anders van de wereld gezien dan de New Yorkse high society. Ze krijgt de kans om met een Brits-Amerikaanse militaire missie mee te gaan naar Berlijn. Het is de bedoeling dat die de Duitsers eindelijk eens democratische beginselen gaat bijbrengen. De reis is voor Maud een fantastische kans om iets interessants mee te maken voordat ze in het huwelijk treedt. De chaotische groep bevat allerlei bizarre personages, en Maud, even glamourachtig als naïef, ontdekt al snel dat de Duitsers geen belang hebben bij democratie, noch dat ze door haar of de andere geallieerden gered willen worden. Een bittere satire over het naoorlogse Duitsland.

Achterin de Duitse editie staat de notitie: 'Der Roman enthält rassistische Sprache.' De roman bevat inderdaad een forse hoeveelheid antisemitische personagetekst. Antisemitische complottheorieën waren er anno A. Hitler zo stevig in geramd bij het Duitse volk, dat ze direct na WO-II bepaald nog niet verdampt waren. Dat verklaart de Brits-Amerikaanse zendingsdrift waar de negentien-jarige, New Yorkse ik-vertelster Maud op meedrijft naar Europa. De roman speelt nog voor de DDR werd opgericht (oktober 1949); er wordt alleen nog maar gesproken over 'oostelijke gebieden' maar het landje-pik over de ruggen van de Duitsers is al begonnen.

Waarom er in de flaptekst, die is gebaseerd op de Duitse, sprake is van een militaire missie, is mij niet duidelijk geworden. De qua wereldgebeuren enigszins naïeve Maud reist mee met haar oom Phipps met het idee iets goeds te doen in 'das wilde, unkultivierten Europa; wat haar oom daar eigenlijk precies gaat doen, geeft ze niet te kennen. Zodra ze in het vliegtuig is gestapt, gaat ze in de bar maar eens een cocktail drinken.

Oom Phipps reist met Maud in een bont gezelschap van journalisten, rijke lui, adellijke paradijsvogels en een enkele militair, dat in Duitsland onder meer een verantwoorde, democratie uitdragende krant op poten gaat zetten, blijkt later Misschien een mooie missie, die echter niet kan verhelen dat het hier, bij de wederopbouw van het grondig verwoeste Duitsland, vooral gaat om een moderne vorm van kolonialisme c.q. ideologische, culturele en economische onderwerping en toeëigening door de geallieerden.

Hirschmann, een kritische journaliste met een Joodse achtergrond, zag zich door SA-dreigementen naar aanleiding van haar artikelen in 1933 gedwongen met haar zoon naar Palestina te emigreren; haar man volgde later. In 1938 vestigden zij zich in Londen. Pas in 1977 werd de schrijfster Tergit herontdekt en vervolgens werd haar werk opnieuw of voor het eerst uitgegeven. Der erste Zug nach Berlin verscheen in 2000 voor het eerst, in een editie met veel onterechte en onnodige tekstingrepen. Dit jaar verscheen een nieuwe, betere editie, die zo veel mogelijk trouw is aan het oorspronkelijke typoscript.

Je kunt je afvragen wat voor soort roman dit is, als het er een is. Van een intrige, van een reeks samenhangende gebeurtenissen die vie verwarring leiden naar een fikse ontknoping is nauwelijks sprake. Maud kan je niet een romanheldin noemen of zelfs maar een hoofdpersonage, en de suggestie dat zij voorafgaand aan verstandig huwelijk op een grand tour gaat, wordt niet erg uitgewerkt. Eerder is dit boek een enorme reeks voorvallen, ontmoetingen en vooral gesprekken tussen allerlei Amerikaanse, Russische, Duitse en andere Europese personages over hoe het nou verder moet en kan met dat land dat de hele wereld in een vreselijke oorlog heeft gestort en er elf ook aan onderdoor is gegaan; gesprekken ook waaruit blijkt dat achter al de mooi klinkende democratische zendingsdrang sterk nationalistische kleingeestigheid en eigenbelang schuilgaat.

De satirische of zelfs cynische blik die deze roman demonstreert, lijkt niet echt te passen bij Maud, maar geeft de roman een bijzondere diepte en reikwijdte, waar ook anno 2023 nog lessen uit te trekken zijn. Het verraste mij dat in (post-)Hitler-Deutschland het concept 'waarheid' op precies dezelfde wijze uitgehold werd als tegenwoordig nog steeds gebeurt in het Amerika van Trump en weinig minder in het Nederland van Rutte. Tergit weet er wel een fraaie formulering voor te vinden en laat een personage zeggen 'dass man in unserem Zeitungen nicht glauben könne, denn an denen hat ja wirklich nur noch das Datum gestimmt.' Zo erg is het in Nederland nu nog niet. Maar een andere uitspraak van een ander personage klopt mijns inziens echt niet (meer): 'niemand hat so mit der Wahrheit jongliert wie der Hitler.' Het is ontstellend hoeveel feitengoochelaars er na hem aan de macht gekomen zijn.


dinsdag 20 juni 2023

Piet Gerbrandy, Niets dan dit

Een lijflied voor de ziel. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2023. Paperback, 100 blz. incl. inhoudsopgave en verantwoording. Omslagontwerp en typografie binnenwerk: Melle Hammer.

De tekst achterop noemt dit dichtwerk een 'variant op het aloude leerdicht'. De variatie bestaat er waarschijnlijk in dat dit gedicht niet gericht is tot 'een bepaald persoon in het gedicht die wordt onderwezen en die als model fungeert voor de lezer' (aldus Wikipedia over het 'echte' leerdicht), maar dat hier een ik-figuur aan het woord is die als het ware voor zichzelf uit praat, niet iemand specifiek toespreekt, maar lucht geeft aan zijn gemoed in een tekst die, zoals in alle lyriek, de willekeurige lezer als het ware onbedoeld onder ogen krijgt. Een gemoed dat, in het verlengde van de vorige bundel, Ontbinding, enigszins onder de indruk is geraakt van de eindigheid van het individuele bestaan (er worden wat fysieke euvels aangestipt die zich aan kunnen dienen wanneer, en die meer indruk maken naar mate je leeftijd vordert). Maar van somberheid is geen sprake.

Integendeel: monter en welgemoed neemt deze ik-figuur zijn lichaam in ogenschouw en recapituleert aan de hand daarvan zijn gehele leven (met alle wel en alle wee), zich daarbij als een beroeps-classicus stevig verhoudend tot wat de klassieken op dat terrein al te berde hebben gebracht, meestal niet in één enkel leerdicht.

Een leerdicht is natuurlijk ook een zeer geleerd gedicht, en dat aspect zit zowel in de stijl van dit lijflied als in de intertekst. Gerbrandy gebruikt graag de perifrase of het synoniem of de analogie in plaats van een woord uit de doorsnee spreektaal. Daardoor krijgt zijn stijl dat verhevene, wat nodig is voor een zo serieus genre als het leerdicht. Het boek staat verder boordevol referenties aan (vooral) klassieke teksten. Iedere pagina met poëzie of proza of een afdelingstitel is voorzien van een korte voetnoot. Daarover merkt de dichter in de verantwoording olijk op: 'De literatuurverwijzingen zijn uitsluitend bedoeld om indruk te maken. Voor de interpretatie van het gedicht hebben ze geen enkele relevantie.' Het motto dat aan de gehele tekst voorafgaat, is in deze context verrassend modern. Het is een citaat uit Cove (2016) van Cynan Jones:

This is going to be about rhythm. You cannot control anything else, remember. But you can control your rhythm.

Als handreiking voor de lezer kan dit een geruststellende lijfspreuk zijn: je kan waarschijnlijk een heel eind komen als je maar goed 'luistert' naar deze tekst; je hoeft niet alles verstandelijk te bevatten, niet alles te begrijpen. Dat geldt trouwens voor wel meer poëzie. Anderzijds: Gerbrandy is de rotste niet, en legt zo tussen neus en lippen allerlei goed uit, zoals het een leerdichter betaamt; bijvoorbeeld de waarde van het ritme, in verband met het menselijke lichaam:

Ofschoon natuur geen afkeer heeft van rondheid
schiep zij wat ademt zonder as en wielen
opdat het weten zou wat stappen zijn
want wat geen ritme kent denkt niet vooruit.
Een steeds gebroken vallen is het lopen
dat telkens opvangt wat in roekeloze
voortgang wil bereiken wat ontsnapt.

Dit citaat kan tegelijk dienen als een voorbeeld van de vorm waarin een belangrijk deel van deze tekst is gegoten: poëzie van rijmloze jambische pentameters, bekend van de grote epische dichtwerken. De tekst is verdeeld in zes capita, aangeduid met de handelingswerkwoorden 'Slapen', 'Lopen', 'Zwelgen', 'Reiken', 'Zien' en 'Dromen'. Het eerste caput bestaat uit zo'n passage van vijfvoetige jamben plus een lied dat is opgebouwd uit terzinen van gemengde metrische aard. De vier daarop volgende capita bestaan uit een afwisseling van twee poëzie- en twee prozapassages, en elk caput wordt afgesloten met weer een lied van zes terzinen; die handelen over de vijf essentialia, achtereenvolgens de steen, het bloed, de adem, de liefde en het licht. Het slothoofdstuk is nog korter dan het eerste, en bestaat alleen uit poëzie.

Ook laat het citaat Gerbrandy's kenmerkende, spaarzame gebruik van interpunctie zien (hier iets minder dan in Ontbinding); hij beperkt zich bijna tot de markering van het einde van de zin, en dat dan door middel van een punt, soms een vraagteken; niets anders. Verder zijn in de zinnen dubbele punten betrekkelijk zeldzaam, gedachtestreepjes evenzo; puntkomma's zijn nog zeldzamer, en komma's volledig afwezig. Ik heb ze bij het lezen niet gemist.

De gedurige aanwezigheid van de vier elementen en de quinta essentia (in Gerbrandy's eigen varianten) laat zien dat dit gedicht geen niemendalletje is. Gerbrandy refereert aan de gehele menselijke evolutie in een persoonlijke terugblik op de afgelegde weg, met het eigen brieke lijf als uitgangspunt van een meditatieve bodyscan, sub specie temporis; van daaruit komt ook nog zijn poetica en de kosmos ter sprake. Die bodyscan, zo blijkt aan het begin, is een 'kunstgreep' die de ik-figuur in zijn jeugd leerde van zijn 'voedster' om de slapeloosheid te bestrijden: 'van teen tot kruin je lichaam af te schrijven / totdat er voor gemaal geen plaats meer bleef.' Hierdoor gerustgesteld, beëindigt de ik-figuur zijn openingsgedicht monter met deze woorden:

Komaan dan. Laat het derven thans beginnen.

Een prachtregel, listig uit twee zinnen opgebouwd. De eerste zin is een zelfaansporing; alsof de dichter zich toch nog over een drempeltje heen moet zetten, en alsof dat nog niet van harte gaat. Dat 'dan' klinkt haast als: 'dan maar'. Het is een wat slap zinnetje, zou je kunnen zeggen, met slechts één beklemtoonde lettergreep ('aan') omringd door maar liefst twee onbeklemtoonde. Daarna komt een zin die stevig met een klemtoon begint, waardoor de tweede helft van de versregel een levendig, krachtig, trocheïsch metrum heeft (de versregel als geheel blijft een jambische vijfvoeter).


zaterdag 20 mei 2023

Juli Zeh und Simon Urban, Zwischen Welten

Roman. Luchterhand, München, 2023. Hardback met stofomslag en leeslint, 444 bladzijden.

Na Unterleuten (2016) en Über Menschen (2021) een derde roman van Juli Zeh die in de actualiteit speelt, of zoals onze oosterburen dat zeggen: 'einer große Gesellschaftsroman', met een min of meer taalkundig gelijkvormige titel. Geheel in lijn met een van de thema's van dit boek heeft Zeh het niet alleen geschreven, maar in samenwerking met een ander, Simon Urban. Die laatste heeft ook nog zijn naam mee, want een van de vertellers in de roman is een journalist in de stad Hannover; de andere is boerin in het voormalige Oost-Duitsland; ze woont en werk in de buurt van het dorpje Unterleuten.

Het verhaal speelt zich af tussen 5 januari en 4 oktober 2022, een dag na de herdenking van de Duitse eenwording. Daarmee is de roman heel kort na de (fictieve) geschiedenis geproduceerd; ze verscheen eind januari 2023. Dat lijkt op het tempo waarmee Ali Smith haar laatste vijf romans de wereld in stuurde.

Hoe actueel de roman ook is, naar de vorm lijkt ze ouderwets, een soort briefroman, zij het dat de correspondentie tussen Stefan en Theresa plaatsvindt via WhatsApp, later Telegram, en e-mail. Verscheidene eigenaardigheden van deze media worden in de roman gebruikt. Via de app lopen de gehaaste gesprekken nogal eens uit op meningsverschillen en fikse tot giftige ruzies, terwijl er in de e-mails meer tijd is voor de langere adem, bezinning, reflectie, verzoening en essayistiek. Soms kunnen e-mails niet bezorgd worden; soms ook heeft een van beiden het te druk of de telefoon uitgezet of anderszins off line gehaald en stokt de dialoog, terwijl op andere momenten Theresa, rijdend op een trekker, berichten inspreekt. De correspondenten zijn goed opgeleide en weldenkende volwassenen, inmiddels in hun veertiger jaren – slechts iets jonger dan de schrijvers van de roman – dus (?) ontbreken hier gelukkig alle spreektaalnabootsende en andere digi-taalparticularismen die jongeren in socials gewend zijn te gebruiken.

De positiebepaling ten opzichte van (de huidige staat van) de ecologie, het racisme, de genderrollen, de milieuverontreiniging, de klimaatramp, de in de knel geraakte boeren, burgers en buitenlui, radicalisering, economische uitbuiting, dat alles en nog meer hiermee verweven problematiek, komt aan de orde in deze razende roman, die ook nog de zich ontwikkelende amoureuze en ideologische relatie en spanningen tussen de beide correspondenten belicht. De intellectuele en culturele problemen waar de journalist zich voor gesteld ziet en de moordende agrarisch-economische ellende waarmee de boerin te kampen heeft zorgen dat de vonken van iedere pagina spatten, maar vooral draait het verhaal om de nefaste invloed van de moderne (digitale) middelen van (massa)communicatie op het denken en op het fatsoen van de mens en op de intermenselijke saamhorigheid.

De roman leest als een trein (laat ik die lelijke beeldspraak maar weer eens uit de kast halen). Het is wellicht mede de weerslag van de gekozen vorm: een dialoog tussen twee mensen die ooit, twintig jaar terug, samen gestudeerd hebben en een mini-woongroep hebben gevormd, en elkaar nu, middenin het actieve leven, weer ontmoeten nadat ieder haars resp. zijns weegs is gegaan en de een in het stedelijke, 'moderne' westen, en de ander in het landelijke, als achterlijk bestempelde oosten zich een leven heeft opgebouwd, althans daartoe oprechte pogingen onderneemt.

Die sneltreinvaart wordt opgepookt door veel humor en een goede dosis tragiek. Daarnaast steekt er een grote taalbewustheid in deze roman, niet alleen doordat Stefan consequent het Gendersternchen gebruikt, zoals in Landwirt*innen en Nachhaltigkeitsexpert*innen; de correspondenten zijn ook op dit vlak aan elkaar gewaagd. Het bedrijf van Theresa heet trouwens Kuh & Co. En heb ik het woord Kopfkino leren kennen.