maandag 6 maart 2023

Maxim Februari, Doe zelf normaal

Menselijk recht in tijden van datasturing en natuurgeweld. Gelijmde hardback met stofomslag. Prometheus, Amsterdam 2023. 142 blz. incl. noten en literatuurlijst.

Het woord 'natuurgeweld' in de ondertitel is het enige aan dit boek wat me niet geheel juist lijkt. Februari weet, denk ik, ook wel dat de klimaatcrisis veroorzaakt is door de wijze waarop mensen omgaan met met hun natuurlijke omgeving, en dat een slinkende ozonlaag en een stijgende zeespiegel, net als de daar weer achterliggende oorzaken, nou niet direct uitingen van geweld zijn, zeker niet van geweldpleging door de natuur. Daarnaast refereert hij in zijn essay ook regelmatig aan de covid-crisis, evenmin iets wat – naast aardbevingen, tsunami's, orkanen en blikseminslagen – onder de noemer van 'natuurgeweld' past.

Maar ik ben bereid hier nog eens verder over na te denken; tot die tijd houd ik het erop dat Februari de ondertitel niet zelf heeft mogen verzinnen, want alles wat hij verder in dit essay noteert lijkt me loepzuiver en messcherp en stevig steunend op een uitbundige, overwegend academische lectuur. En niet gespeend van humor, die van de gortdroge soort, en die zich uitstrekt tot in de hoofdtitel, die hij bespreekt in het tweede intermezzo (tussen de vier hoofdstukken): '"Doe normaal," zei de parlementariër. "Doe zelf normaal," zei de minister-president'. Februari noemt dit – serieus – 'de meest fascinerende dialoog uit de geschiedenis van de westerse filosofie', want er zit zijns inziens 'iets aangenaam ingewikkelds in de gedachte dat je elkaar over en weer kunt bevelen de normaliteit aan jezelf als norm op te leggen.'

Februari gaat het ingewikkelde niet uit de weg, maar heeft er juist ruim de tijd voor genomen zich erin te verdiepen. In zijn essay* – dat hij in navolging van 'de oude filosofen' een Versuch noemt, 'een kapstok om jassen aan op te hangen' – kan hij de complexe, meervoudige crisis waarin we verkeren niet eventjes oplossen, maar hij probeert haar in ieder geval in beter behapbare onderdelen uiteen te leggen, begrijpbaar, wellicht ook hanteerbaar te maken. Voor het vinden van een oplossing is 'een politieke gemeenschap [nodig], een rechtsgemeenschap die digitaal wakker moet worden.'

Ons bestaan, zo zet Februari uiteen, is exponentieel aan het veranderen door de opkomst en (onstuitbare) proliferatie van (commerciële) digitale technologieën die ons gedrag, of we het merken of niet, al dan niet opzettelijk beïnvloeden, en die dus ook invloed uitoefenen op de wijze waarop overheden hun regels aan de maatschappij opleggen, afdwingen en handhaven; belangrijk bijkomend probleem is dat in toenemende mate ook private ondernemingen dat doen in onze inmiddels vrijwel volkomen vernetwerkte samenleving. Hoe ver die invloed al gaat, en nog verder dreigt te kunnen gaan reiken, weet Februari helder te schetsen, zonder te vervallen in weerloze weemoed of wanhoop. Nochtans noemt hij de taak waar we voor staan: het wegnemen van 'de existentiële onzekerheid [...] die ons als burgers bevangt doordat de democratische rechtsstaat verandert.' Vandaar zijn oproep, om niet te zeggen: zijn waarschuwing, om digitaal wakker te worden.

Februari zet uiteen waarom het noodzakelijk is dat we collectief nieuwe democratische en (staats)rechtelijke en ethische omgangsvormen proberen te vinden en af te spreken, niet in de laatste plaats om een veilige positie voor de individuele mens te kunnen blijven waarborgen. Zijn analyses van de staat waarin onze samenleving verkeert, zijn huiveringwekkend scherp en helder. De werkelijkheid die hij analyseert, het moet gezegd, staat op scherp en is huiveringwekkend.


*Noot voor CPNB-scholieren: wie liever een olijk en tegelijk luguber verhaal over dataficatie leest dan een stevig essay, raad ik Februari's roman Klont (2017) van harte aan; geen noten, geen literatuurlijst, maar toch bijna tweemaal zo dik.


P.S.


Net heb ik dit gepost, of ik lees dit bericht in de Gelderlander, met de kop: 'Sensoren in geitenmaag vertellen hoe gezond vee is'. Dit soort doorgeslagen dataficatie, daar gaat Doe zelf normaal over. Maar zo ver is het nog niet, kan je bij dit soort berichten denken. Immers:

Vooralsnog overtreft niets het oog van de meester. Een geitenboer ziet zelf nog het best wanneer er iets mankeert aan zijn vee. Maar schaalvergroting maakt dat wel lastiger. Hoe meer beesten in de stal, hoe minder tijd en aandacht per geit.

Maar zo ver is het dus wel bijna. En dan is het ook maar een kleine stap om 'geitenboer' te vervangen door 'huisarts', 'vee' en 'beesten' door patiënten', 'stal' door 'praktijk' en 'geit' door 'patiënt'.

Huisartsenposten kunnen de werkdruk nu al niet meer aan. Straks zitten we allemaal met sensoren in onze maag en is er geen enkele huisarts meer met persoonlijke expertise en aandacht voor de individuele patiënt; laat staan dat die laatste nog ergens zijn beklag kan doen als er iets misgaat.

zaterdag 4 maart 2023

Ian McEwan, Lessons

Eindelijk kan het wegwerken van de leesachterstand voort worden gezet.

Met andere woorden: ik kan verder met mijn ietwat optimistisch aangevangen lectuur van De man zonder eigenschappen. Op 22 december 2022 was ik tot pagina 208 gevorderd; een peuleschil op een totaal van 1343 bladzijden. Maar toen moest ik voorrang geven aan (her)leeswerk ten behoeve van de cursus Moderne Tijd en raakte ik daarnaast verslaafd aan de essays van Jan Postma (Vroege werken en Is dit alles?), las ik de kerstvertelling Stargate van Invild H. Rishøi,  De beesten van Gijs Wilbrink (dat ik een ieder aanraad), en De Mitsukoshi troostbaby Company van Auke  Hulst (dat ik nog sterker iedereen aanraad), en Maxim Februari, Doe zelf normaal (ook al een kei van een aanrader, maar meer daarover later elders, als ik het herlezen heb), en Lessons van Ian McEwan (Jonathan Cape, London, 2022, paperback, 486 bladzijden).

Dat laatste (tussen haakjes) is niet helemaal waar. Op pagina 296 gekomen, ben ik gestopt met Lessons. De recensent van de Volkskrant, Hans Bouman, wiens oordeel ik doorgaans in grote lijnen deel, noemt het een 'indrukwekkende' roman. Voor ik het boek kocht, dat me met z'n flapteksten al toelachte in de boekhandel, las ik eerst onder andere die recensie, want met inmiddels een tikkie minder te besteden, wil ik wel eerst een beetje aftasten of zo'n dikke roman z'n poen wel waard is.

Bouman schrijft onder meer:

De roman springt voortdurend heen e[n] weer in de tijd, en wat al snel opvalt is de samenhang tussen historische gebeurtenissen en belangrijke hoofdstukken in [Roland Baines'] leven. Van de Suezcrisis tot de oprichting en de val van de Muur, van het [...] ongeluk in Tsjernobyl tot 9/11, van de kwestie Rushdie tot de Brexit: stuk voor stuk spelen ze een rol.

Dat heen en weer springen is zeker een goede karakterisering, misschien zelfs een understatement. De vertelling stuitert als een van zijn amechtige eigenaar losgeslagen rollator alle kanten op over de met klassieke kinderkopjes, maar met veel te wijde voegen, verharde heirbaan van de geschiedenis. Daar komt nog bij dat de verteller bezeten is van het zich, namens de hoofdpersoon, verliezen in allerlei even associatieve als irrelevante, vaker dood- dan doorlopende zij- en dwaalwegen.

Van enige samenhang tussen historische gebeurtenissen en belangrijke hoofdstukken in het leven van de hoofdpersoon is in mijn optiek geen sprake. Dat die twee verhaallijnen parallel lopen, kan van ieders levensrelaas gezegd worden. Ik noem dat nog geen samenhang. En al lezend in Lessons bleek me daar ook niets van een zinvolle verknoping. Het is bij voorbeeld stom toeval dat Baines enkele dagen na de val van van de Muur in Berlijn terechtkomt, waar hij niet eens met een doel naartoe ging en waar hij tot zijn eigen verrassing zijn vrouw weerziet, die er drie jaar eerder volkomen onverwacht vandoor was gegaan, hem, zonder bericht maar met een kind van enkele maanden oud, verbijsterd achterlatend, naar hem later duidelijk wordt om een eigen, autonome literaire carrière na te streven. Wat de 'samenhang' is tussen een stedentripje met vrienden, het ineenstuiken van het totalitaire communisme en het weerzien met Alissa, wie het weet, stuurt me maar een mailtje.

De tekst op het achterplat schetst bij nader inzien ook geen andere 'samenhang' dan die van louter chronologische aard:

As the radiation from the Chernobyl disaster spreads across Europe he begins a search for answers that looks deep into his family history and will last for the rest of his life.

Het boek staat, met andere woorden, vol met historische rimram, opgelepeld in veelal werkwoordloze zinnen en gortdroge enumeraties, zoals deze met betrekking tot de plannen van de net tot nieuwe Labour-leider verkozen Tony Blair:

Human rights to be brought into British law. A minimum wage. Free nursery places for all four-year-olds. The creative energies of properly regulated capitalism would drive and fund these projects. Fixed-term parliaments. Peace in Northern Ireland. A Welsh Assembly. A Scottish parliament. Lifelong Learning. Internet-based National Grid for Learning. The right to roam to the countryside freely. Incorporation of the European Social Chapter. A Freedom of Information Act.

Wat is de samenhang met de wederwaardigheden in het levensverhaal van Roland Baines? Welaan, in het huis van Rolands geliefde staat een tafel en

Round this table various friends gathered during 1995. [...] The average age was around forty-five. [...] There was a fair national and racial mix. [...] Politically, the median position was not very far left of centre. [dan onder meer die opsomming van hierboven]. All this in a possible future. The evenings were long, the mood was high. At two in the morning one friend said as she was leaving. 'It's not only rational. It feels so clean.'

Deponeer het (p. 273-275) in een hoge hoed en wacht op het konijn.

Na 296 bladzijden kwam er in mijn lectuur nog steeds geen konijn tevoorschijn. Best jammer, want het levensverhaal van Roland Baines (exotische hoogte- en dieptepunten, morele verwarring, noem maar op) is in principe / op zichzelf reuze interessant; Baines struikelt, door het lot geslagen, zich een weg door zijn existentie. Wie wil niet in die spiegel kijken? Maar door al de wereldgeschiedkundige enumeraties die er zonder enige samenhang doorheen zijn verkruimeld, wordt de rode draad van Baines' leven in dit narratief complexe geheel zo flets als een vergeten veenlijk.

Wie toch nieuwsgierig is naar McEwans Lessons, kan mijn exemplaar overnemen voor zoveel als het me kost om het op te sturen.

zaterdag 11 februari 2023

Auke Hulst, De Mitsukoshi Troostbaby Company

5e dr. Ambo | Anthos, Amsterdam 2022 (1e dr. 2021). Hardcover met stofomslag, 603 blz.

De titel heeft me er lang van weerhouden er enige belangstelling voor deze roman te ontwikkelen. Oerlelijk (net als de vorm waarin ze op het omslag is gekwakt; je gaat wel opzet vermoeden, en dat zet de deur open voor een andere belichting). Ik moest wat, want ik wilde voorrang kunnen verlenen aan het uitlezen van De man zonder eigenschappen terwijl ik daarin de tweehonderd bladzijden pas net was gepasseerd en er ondertussen allerlei aantrekkelijks passeerde op internet en festivals, in kranten, de boekhandel, de bibliotheek.

De titel is, nee: vind ik heel erg lelijk omdat er op het eerste gezicht (en juist dan speelt een titel een belangrijke rol) drie talen door elkaar gedonderd zijn, Nederlands, Japans en een halfslachtig soort Engels. De enige Nederlandse morfemen zijn De en Troostbaby is een leenwoord, een overbodig leenwoord, want we hebben al zuigeling; ja, dat laatste gebruikt niemand meer, maar de Engelse oorsprong van baby wordt sterk in herinnering geroepen door het erop volgende Company, ook al een overbodig leenwoord aangezien het Nederlands van oudsher intensief gebruikmaakt van het van het Frans afkomstige compagnie; bedrijf zou een goed alternatief zijn; en ik weet ook wel dat in Japan er een grotere neiging naar Engels is dan naar Frans, eens te meer in de zakelijke sector, trouwens, zoals in vrijwel iedere taal; maar het gaat me te ver om dan ook maar de Engelse woordvormingsregels te volgen en een spatie aan te brengen in een samenstelling die voor eenderde Nederlands is terwijl de samenstelling als geheel, en ook de gehele titel als Nederlands bedoeld is, afgaand op het lidwoord; zwijg ik nog van al die Angelsaksische hoofdletters (op de titelpagina, niet op het stofomslag).

Bijkomstig, maar uiteindelijk niet onbelangrijk, is dat de titel bovendien niet klopt, misleidend is, omdat – ik noteerde dit toen ik op pagina 418 was, en daarmee stevig over de helft – de roman niet over het genoemde bedrijf gaat, maar over een alleenstaande schrijver van sf-boeken en zijn pas verworven, voor altijd zevenjarige, androïde surrogaatkind (inmiddels heb ik het boek uit, en de voorgaande kritische kanttekening geldt nog steeds).

Wat me ook niet meteen aanspoorde tot lezen: ik had nog nooit iets van Hulst gelezen; kende hem niet als auteur. Voorbijvliegende nominaties voor literaire prijzen porden me niet; ik vond er geen reden in me in de auteur of het boek te verdiepen. Musil ging voor.

Allemaal onbelangrijk als je partner zegt: ‘Deze moet jij ook lezen. Ik zeg er nu verder niets over.’

Inmiddels weet ik dat het een gemis is dat ik niet meer van Hulst las, ondermeer omdat hij in deze roman op intrigerende wijze refereert aan eerder werk (Kinderen van het ruige land, 2012), waardoor de science-fictionaliteit van deze roman sterk de geur krijgt van (gedeeltelijk) autobiografische fictionaliteit. De overschrijding van genregrenzen zorgt voor extra dimensies in en om dit verhaal.

Alles in deze roman is van een ongeveer hartverscheurende, woeste aantrekkelijkheid. Niet eerder overkwam het me dat ik een roman zo graag en zo gretig verder wilde lezen tussen alle daagse beslommeringen door; niet eerder ook heb ik een roman desniettegenstaande zelfs af en toe even weg moeten leggen, omdat me het verhaal bijzonder aangreep, zonder dat de thematiek me uit eigen ervaring bekend is.

Wat dit geval extra opmerkelijk maakt, is dat ik eigenlijk helemaal niet houd van sf, sci-fi oftewel sciencefiction. Of mag ik in dit geval van een toekomstroman spreken, met licht dystopische trekjes? Het in zijn voegen krakende echte Groningen, bijvoorbeeld, is in deze roman een Fukushima-achtig spookgebied geworden. Een kernaspect is een fantastische, een fictionele extrapolatie van het bekende heden naar een toekomst vol al dan niet mogelijke, maar hier wel al gerealiseerde ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en techniek, meer in het bijzonder artificiële intelligentie. In een Volkskrant-beschouwing over 'fantastiek' ('Verzin eens iets geks', 11 februari 2023) gebruikt George van Hal de aanduiding 'speculatieve fictie'; dat is misschien een betere aanduiding voor deze roman, in ieder geval voor een door vooroordeel gestuurde sf-vrezende lezers zoals ik er kennelijk een ben, of was.

Hoe dan ook: het werkt wat mij betreft. Ik denk dat het komt doordat de sf-component maar een onderdeel is van een veel omvangrijker, realistisch en menselijk, technisch, emotioneel, moreel en existentialistisch  Gedankenexperiment, en doordat Auke Hulst verbluffend goed schrijft, onopvallend goed, want zonder een stilistische toverdoos te plunderen of kunstmatig jargon te gebruiken.

Eén uitzondering op die gewone stijl: de roman begint met een nep-Wikipedia-pagina over de ik-figuur, de (fictieve!) sf-auteur Auke van der Hulst (let op de kleine verschuiving van de fictie ten opzichte van de werkelijkheid). Ik vond dat, na de titel, aanvankelijk een tweede klap in m’n lezersgezicht. Maar hier, bij nader inzien en verder doorlezen, past die quasi-autobiografie en die documentfictie als in een ouderwetse historische avonturenroman. Mijn aangeboren, afgrondelijke hekel aan ik-vertellers-die-(bijna)-dezelfde-naam-hebben-als-de-auteur, een bloedstollende allergie die veroorzaakt is door een legertje fantasieloze, zogenaamd ironische, nep-postmoderne broodschrijvers, heb ik op gezag van deze roman wel moeten purgeren. Hulst hielp me er geruisloos en binnen drie bladzijden overheen te stappen, doordat het hier werkt: het is intens verweven met de thematiek van multiversums (tijdreizen en parallelle realiteiten) en identiteit. Het hele boek ontroert, en het betrekt je (vind ik) bij, trekt je in het verhaal, de emotionele en morele golven waarop de ik-figuur ronddobbert en tot op het wanhopige een koers probeert uit te zetten.

Nog een uitzondering, een opzichtige kunstgreep: er is een roman binnen de roman. Niet schokkend, omdat de ik-figuur immers schrijver is; bovendien vaker vertoond – laatst nog herlas ik bijvoorbeeld Eenzaam avontuur van Anna Blaman, compleet onvergelijkbaar met De Mitsukoshi Troostbaby Company, maar in beide romans is de ingebedde roman onmisbaar, nauw verweven met en van gelijke kwaliteit als de kaderroman die erin of erdoor gespiegeld en aangevuld wordt.

Nog een uitzondering: Hulst weet links en rechts rake vergelijkingen en metaforen in zijn tekst te weven. Een enkel voorbeeld.

Hij denkt aan het hotel naast de creperende banyanboom en aan de man die met een stem als een wortelkanaalbehandeling tot diep in de nacht soetra's had gereciteerd.

Prachtig hoe hier (dat ijzingwekkend verblijf in) het hotel wordt gekarakteriseerd. Vier regels verder volgt  een bijpassende, schitterende referentie aan de beginzin van Nooit meer slapen: 'De receptionist [...] heeft een gezicht vol fabricagefouten.' Deze beschrijving is misschien gewaagd indien toegepast op een mens, maar begrijpelijk als de mogelijkheid bestaat dat de receptionist androïde is. Met andere woorden: tot op zinsniveau is deze roman doortrokken van de gedachte aan 'mogelijke werelden'. Wat niet wegneemt dat de thematiek (liefde, eenzaamheid, dood, p. 592) het doorsnee mens-zijn beslaat, hier verbonden met het centrale, tragische verhaalmotief van schuldbesef en het mogelijke, maar onmogelijk gemaakte ouderschap. Eerste zin: 'Ik wou dat ik het allemaal over kon doen.'

Laatste uitzondering: er staan veel echte en bijna niet van echt te onderscheiden fictionele referenties aan bronnen in de roman (niet in de ingebedde roman, alleen in de kaderroman, die eigenlijk een fictioneel ego-document, 'een Privé-domein-achtige uitgave' is). De spannendste bronvermelding vind ik die in voetnoot 64 (p. 517):

Walter Tevis, Mockingbird, Doubleday, 1980. Als Spotvogel in de vertaling van Elsa Broekman verschenen bij uitgeverij Koppernik, 2023.

Er zijn nog tien maanden waarin deze noot als toekomstmuziek kan klinken.

maandag 23 januari 2023

Gijs Wilbrink, De beesten

Roman. Amsterdam, Thomas Rap, 2022. Paperback, 394 bladzijden.

Deze debuutroman is wat betreft vertelbravoure en vaart en werveling van de handelingen in mijn leeservaring het best vergelijkbaar met onder andere Bonita Avenue van Peter Buwalda, Joe Speedboot van Tommy Wieringa en Begeerte heeft ons aangeraakt van Bert Natter. Om maar wat te noemen. Maar ook dringt zich een vergelijking op met Hugo Claus' weinig schuchtere vertellingen over spanningen in kleinstedelijke tot dorpse gemeenschappen, inclusief de koleerderige rol van de katholieke clerus. Het zijn allemaal verhalen die niet langzaam op stoom komen, maar meteen in volle vaart beginnen, die zonder voorzichtig retorisch gedoe om de lezer langzaam in de stemming te brengen, juist direct naar de lezerskladden reiken. En daar komt nog de aangename vermenging bij van realistische, om niet te zeggen: meer of minder historische, feitelijke elementen met aan het mythische grenzende verdichtsels en hyperbolen. 

In het geval van De beesten is een Achterhoeks stuk Nederland de biotoop van een vaker wel dan niet over de rand van het betamelijke en legale opererende clan, de Kellers. Er wordt gestroopt, geknokt, geschoten, gehandeld, gedeald en mishandeld waar het hun goed uitkomt; en ook de wel en niet reguliere motorcross-wedstrijden vinden er plaats. Epische held maar vooral tragisch slachtoffer van dat alles is Tom Keller. Zijn bij haar geboorte al aan morfine verslaafde dochter, Isa, ook wel bekend als Bella, de enige telg die zich zelfstandig buiten het territorium van de gehate, of minstens alom gevreesde familie weet te begeven, speelt een cruciale rol in de val van de Keller-clan, ergens tussen 31 december 1995 en 1 februari 1996.

Die data, en nog zes andere ertussen, staan keurig in de inhoudsopgave, maar ouderwets-chronologisch is dit veelstemmige verhaal allerminst. De lezer wordt als een stalen kogel door de flipperkast gekeild en overal gaat het tingelen en schitteren terwijl de puntenteller door z'n remmen schiet. Zoiets.

En toen ik aan het begin van deel twee, in het hoofdstuk 'De val', op pagina 208 opeens 'zijn nieuwe 500cc Matchless' las, schoot me nog een auteur te binnen* die met net zo veel plezier en bravoure langs de randen van wat de stijl nog aankan, weet – ik moet helaas zeggen: wist – te schrijven, alle registers uitbuitend, waar nodig met handen en voeten vol op het orgel leunend. Robert Anker. Diens romans gaven en geven me een vergelijkbaar leesplezier als De beesten.

P.S.
Herlezen en hergenoten i.v.m. bijeenkomst van de Vegan Boekenclub op 14 juni 2023 te Arnhem.
Wat een lekker boordevol boek en wat een kolkende vertelling. Nu pas viel me goed op dat, hoogstwaarschijnlijk, steeds een en het zelfde personage optreedt als degene die achteraf deze geschiedenis vertelt**; een gewaagde keuze, omdat zij eigenlijk geen kennis kan hebben van alles wat ze vertelt; maar in mijn leespraktijk stoorde het geen seconde; in tegendeel.

Anders dan de romans die ik aan het begin als referentie noemde, staan in De beesten niet jongens en mannen centraal, maar (jonge) vrouwen; Isa is de ware heldin (harentwege zou je hier zelfs van een coming of age-roman kunnen spreken), haar moeder en haar tante en haar overgrootmoeder zijn tragische slachtoffers van de gewetenloze kwelgeesten van de Keller-clan (waaraan ook Tom Keller, de vader van Isa, bijna geheel ten onder gaat); Isa's vriendin Erva is haar ideologische inspiratrice en niet aflatende kompaan. Daar komt bij dat enig activistisch milieubewustzijn een belangrijke rol speelt, plus dat het oosten van Nederland hier een schier mythische speelruimte is (waardoor je ook zou kunnen spreken van een niet-stereotiepe streekroman). Allemaal kenmerken die bijdragen aan de kwaliteit van dit debuut. 

*Deze associatie is particulier. Ankers gedicht 'Matchless' staat in de afdeling 'Uit het dorp' van de bundel Van het balkon (1983); Anker had toen nog geen roman gepubliceerd, en kleurde met zijn poëzie nog net binnen de neo-symbolistische en nostalgische lijntjes. Met Nieuwe veters (1987) gaan de lyrische teugels los. Volledig ontstemde piano (1994) houdt het midden tussen een samenhangende verhalenbundel en een episodische roman; met Vrouwenzand (1998) gaan de romansluizen echt open – maar daarvoor was Goede manieren al verschenen (1989), volgens de ondertitel een episodisch gedicht.

** Afgezien dan van het laatste hoofdstuk, dat narratief bezien een blind darmpje is; daarin komt opeens Tom Keller aan het woord en punnikt er een blij einde aan; dat was wat mij betreft niet nodig.

donderdag 29 december 2022

Jan Postma, Vroege werken

Via Twitter, toen dat nog niet zo'n putlucht genereerde, raakte ik bekend met het bestaan van ene Jan Postma; beter nog: via retweets; die had je daar. Opmerkelijk, dat ik hem nog niet kende, want ik ben al een tijd opnieuw geabonneerd op De groene Amsterdammer waarvan hij redacteur is, waarin hij ook regelmatig schijnt te schrijven. Altijd overheen gelezen (of: wel gelezen, maar niet gelet op de naam van de auteur). Inmiddels volg ik hem welbewust, niet meer op Twitter maar op Mastodon en voortaan zal ik mijn weekblad zorgvuldiger doornemen, al moet ik er voor de volledigheid bij noteren dat ik daarin welbewust enkele andere columnisten oversla wegens hun duurzaam gebrek aan kwaliteit (zowel inhoudelijk als qua stijl) en een dito, dus volstrekt congeniaal gebrek aan interesse van mijn kant. Misschien had ik één schaap te veel over dezelfde kam geschoren. Misschien is een column nog wel eventjes iets anders dan een echt essay dat bundelwaardig is, in mijn optiek, maar sommige columnisten geven daar geen zier om en bundelen doodleuk hun futiele columnpjes, en andere noemen hun essays, wellicht onder dwang van de hoofdredactie of het format, toch maar columns. Het kan verkeren.

Wat me opviel aan de berichtjes van Postma op het sociale medium: scherpte van zowel visie als verwoording, gekoppeld aan een gezonde dosis absurditeit, c.q. een gezond oog daarvoor, en een indrukwekkend grote en gevarieerde belezenheid  – zowel letterlijk als figuurlijk, wilde ik erbij tikken, maar ik realiseer me dat ik eerst nog goed moet nadenken over wat ik onder 'figuurlijke belezenheid' versta. Deze kwaliteiten doen de in Vroege werken verzamelde essays (Das Mag, 2017) ver uitsteken boven wat er zoal in Nederland geprobeerd wordt op het slecht afgebakende, drijfzandrijke grondgebied van het essay. Maxim Februari steekt er wat mij betreft trouwens net zo ver bovenuit, al zijn diens kwaliteiten anders gedistribueerd. Februari start, denk ik, doorgaans met een professioneel probleem met een kaliber van minimaal landsbelang, terwijl Postma dichter bij huis, vaak zelfs letterlijk thuis begint maar uiteindelijk vergelijkbaar ver reikende onderwerpen blijkt te behandelen. Beiden staan graag in de kombuis van de ethiek en de moraal te proberen voedsel voor de geest van topkwaliteit te bereiden.

Het tuiltje Vroege werken lijkt niet erg samenhangend, zeker niet in de zin van monomaan of rechtlijnig. De onderwerpen lopen uiteen van Jan zelf, een naamgenoot, (straat)fotografie – of is dat al uit het volgende boek, Is dit alles? (2021), waar ik inmiddels aan begonnen ben, terwijl ik me voorgenomen had eerst verder te lezen in De man zonder eigenschappen –, kunstenaars en/of denkers die ik nog niet of niet goed kende, een muizenplaag, roodharigheid en nog zo wat. Ik moet heel hard naar de precieze onderwerpen zoeken in mijn steeds verstekkeriger geheugen; had het boek geleend in/van de Online Bibliotheek en de uitleentermijn is verstreken; aantekeningen heb ik niet gemaakt, want ik kon geen tekst knippen&plakken; mocht niet.

Daar (d.w.z. de onderlinge samenhang van de stukken in de bundel) komt bij dat ik de bundel niet op m'n e-lezer mocht opslaan en dus (?) afwisselend op m'n telefoon en iPad heb gelezen, de een eigenlijk te klein voor de lectuur van een boek, de ander te zwaar om mee in de trein te nemen of in bed te lezen, beide geplaagd door een te spiegelend en te veel licht uitstralend oppervlak dat zich hinderlijk tussen lezer en tekst in dringt. Mijn lectuur was, anders gezegd, niet optimaal. En ja hoor: ik wil Vroege werken herlezen!

Daar (d.w.z. die bundelsamenhang) komt bij dat de essays stuk voor stuk ook niet recht van draad zijn: Postma maakt met zwier gebruik van allerlei zijwegen, waar zich die ook aandienen in zijn door hemzelf aangelegde denkpistes, op zo'n manier echter dat je je als lezer nooit verloren waant. Zelfs niet als het bij voorbeeld in een stuk 'Over echt doen alsof' – onder de titel 'Aantekeningen uit de nieuwe wereld' – ineens over poëzie gaat. Graag citeer ik die passage, hoewel de Online Bibliotheek dat niet probeert te faciliteren:

Poëzie is gelegen in de poging de kloof tussen dat wat zich laat weten en dat wat zich laat beseffen met woorden te overbruggen. Ik geloof dat in de poëzie het meest overtuigende menselijke antwoord op de natuurwetten schuilt. Waarmee niet gezegd is dat ik aan een van beide zaken veel tijd besteed.

Typisch. Dat essay gaat dus niet over poëzie, maar hier drong ze zich niettemin op. Het gaat veeleer over die 'kloof tussen weten en wat zich laat beseffen', net als veel van de andere essays, uiteindelijk. Als ik niet beter wist, zou ik ze proberen te omschrijven als sociaal-fenomenologische, ethische micro-verkenningen. Postma's peripathetische gang zegt iets over de afgeslotenheid van zijn essays. Afgesloten betogen zijn het namelijk niet. Gelukkig niet. Postma beantwoordt geen vragen, lost geen problemen op, maar onderzoekt ze, verkent ze, belicht ze, overdenkt ze en houdt ze tegen het licht en allerlei achtergronden en zet ze in kaders om te bezien of ook die kunnen helpen om tot een beter begrip te komen, alles vanuit een durende verwondering over het menselijk zijn dat zich even complex als ondoorgrondelijk voordoet, om niet te zeggen: absurd, maar dat toch geleefd moet (en lijkt te kunnen) worden.

Maar het is beter dat ieder die dit leest, Vroege werken zelf leest; beter dan dat ik het probeer het samen te vatten. Ik wil het alleen maar aanraden, aanprijzen, aanbevelen. Lees, let op, en laat je verrassen.

zaterdag 19 november 2022

Niña Weijers, Zelf doen

Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2022. E-boek op basis van de eerste druk. Geleend via de Online Bibliotheek.

Op deze plek wilde ik iets zinnigs noteren over Zelf doen, de bundel Groene-columns van Nina Weijers die, nota bene, genomineerd is geweest voor de Boekenbon-literatuurprijs 2022. Maar geen enkele vriendelijke, zinnige of interessante mededeling slaagde erin onder m’n cursor vandaan te kruipen. Het bleek, bij nadere inspectie, verontrustend leeg daar, onder die cursor. Weijers' jongste boek, althans het deel dat ik ervan las, is een grauwe baal plat en verveeld ik-gehik. Zonder glans. Wie wil dat nou weten? Waarom, dacht ik, zijn deze landerige krabbels verzameld en voor een tweede keer de wereld in geslingerd?

Toen ik dit testimonium paupertatis had genoteerd, sloeg ik het boek toch nog een keer open, las verder en zag dat Weijers onder meer schrijft:

Het is altijd de vraag, of althans mijn vraag, waar het persoonlijke ophoudt en het navelstaren begint. Ik houd er niet van als het persoonlijke een excuus is om geen positie in te hoeven nemen. Ik houd er niet van als het persoonlijke zo persoonlijk is dat het exhibitionistische clichés oplevert.

Die vraag, haar vraag, heeft ze zelf beantwoord. Het antwoord luidt: bij Zelf doen.

zondag 6 november 2022

Guus Middag, De wereld is weer plat, ja

De poëzie van tegenwoordig. Van Oorschot, Amsterdam 2019. Paperback met flappen, 207 blz. inclusief verantwoording, aantekeningen en register.

Dit mooi uitgevoerde boek (omslagontwerp van Christoph Noordzij) bevat twintig beschouwingen – zowel nieuwe, als bewerkte die eerder elders waren verschenen – over evenzoveel poëtische teksten (gedichten en liedteksten) van evenzoveel auteurs; alle besproken teksten verschenen voor het eerst in het huidige millennium (tussen 2001 en 2018). Op het achterplat heet het dat dit boek niet bedoeld is als een nieuwe dichters-top-twintig; het gaat Middag daarentegen 'om maximale aandacht voor het ene afzonderlijke gedicht, dat hem raakt en intrigeert – en blijft intrigeren, ook na vele keren lezen.'

De achterplattekst heeft sommige recensenten van deze bundel op het verkeerde spoor of been gezet: zij leidden eruit af dat Middag hier gaat uitleggen waarom en/of waardoor deze gedichten hem raken. Quod non. De focus ligt niet op de essayist, maar steeds weer op de tekst, en dan niet op een tekst in een oeuvre of een tekst met een bepaald thema of een tekst met een specifieke vorm, maar, zoals op het achterplat wordt geïmpliceerd: de afzonderlijke tekst als tekst.

Deze essays zijn stuk voor stuk demonstraties van hoe verrassend intrigerend poëtische teksten zijn wanneer ze met aandacht worden gelezen. Het gaat in elk essay om de besproken tekst, niet om welk aspect van de tekst precies Middag zou raken. De intrigerende tekst zelf levert stof te nadenken, herlezen, verdere reflectie en naslag, en dan – maar altijd nog: tussentijds – een verwoording van de bevindingen tot dusver. Niet meer, en niet minder.

Middag betoont zich – als ik de blurb van T. van Deel op de achterflap mag lenen – 'een aanstekelijk lezer', waarmee ik bedoel dat hij  de, mijns inziens ideale, combinatie is van een ragfijne lezer en een kraakheldere schrijver. Misschien is hij soms een tikkeltje te veel aangeraakt door het goede oude Merlynisme: hij kan het niet laten om hier en daar zinnen en versregels en lettergrepen te tellen en wat hij noemt 'rijmsnoeren' in de teksten aan te wijzen, ook wanneer dat weinig interessante vergezichten in een tekst opent; maar soms weet hij al tellend wel een mooie samenval van vorm en inhoud te detecteren.

Middag is zijn essays, die gaan van Heytze tot Pfeijffer en van Polderman tot Fabias, een uiterst oplettende, aandachtige, nadenkende, vorsende lezer, die ruim de tijd neemt om de betekenis van  woorden, namen, referenties, concepten, kortom de betekenis van alles waar hij niet geheel zeker over is, op te zoeken in de hem daartoe ten dienste staande naslagwerken – niet in de laatste plaats de Van Dale – en een lezer die vervolgens eveneens ruim de tijd neemt om zijn bevindingen – ook, indien verhelderend, betreffende de biografie van de auteur – te selecteren, te ordenen, toegankelijk te formuleren en op te nemen in een betoog waarin hij, als het ware samen met de lezer van het essay, als een goede gids voorzichtig door de te bespreken tekst heen gaat, van boven naar beneden en van links naar rechts, woord voor woord, regel voor regel.

Nergens slaat hij de tekst plat met intimiderende betekenistoekenningen op basis van superieure betweterigheid. Bij twijfel hakt hij zijn knopen niet door maar behoudt hij de aandacht voor de ambiguïteit of complexiteit van de tekst.

Best wel voorbeeldig.