zaterdag 25 juli 2020

Joe Moran, First You Write a Sentence.

The Elements of Reading, Writing... and Life.
Penguin Books, s.l., 2019 [1st. edition Viking 2018].  Paperback, 230 bladzijden, inclusief Select Bibliography, Acknowledgements en Index.

Geen enkele hedendaagse of recente typograaf laat zich een interpunctieteken opdringen bij het ontwerpen van (de tekst voor) een boekomslag – en zeker geen punt na de titel. Wie het ook waren, de typografen van Herinneringen van een bramzijgertje, Herinneringen van een “Oorlogskind”, Herinneringen van een ‘Moffenkind’, herinneringen [sic] van een friese [sic] landarbeider, Herinneringen van een joods meisje, Herinneringen van een denkbeeldig vriendje, Herinneringen van een Schoolmeester, Herinneringen van een engelbewaarder, Herinneringen van een angstige tiener, Herinneringen van een hutjongen, Herinneringen van een vader, Herinneringen van een welopgevoed meisje, Herinneringen van een pelgrim, Herinneringen van een onzichtbare man, Herinneringen van een gewone jongen, Herinneringen van een oude pruik, Herinneringen van een dommen jongen, Herinneringen van een Rotterdams revolutionair, Herinneringen van een Rotterdams jongetje, Herinneringen van een Haagse jongen, Herinneringen van een mooi meisje, Herinneringen van een regisseur, Herinneringen van een Arabische prinses of Memoires van luipaard zetten er geen punt achter


Een punt op die plaats is onconventioneel en/want foeilelijk. Maar achter First You Write a Sentence. hoort een punt. Die zegt veel over dit boek. Verder dan die punt en dan de zin komt het niet. Joe Moran, hoogleraar Engels en Culturele Geschiedenis aan de John Moores University in Liverpool, doet wat hij schrijft. Hij noteert als een gedrevene opbeurende zinnen waarmee hij uitvoert wat hij erover zegt. Na een schets van wat de metafoor doet (het onbeschrijflijke relateren aan de blote feiten van ons leven) en wat nominalisaties doen (zinnen verbergen die gebeurtenissen beschrijven die wèl voorstelbaar zijn), noteert hij bijvoorbeeld: de nominalisatie ‘is the white dwarf of a sentence. […] A nominalisation is the shrunken remains of a verbal clause, a noun-heavy mass compacted with pre-learned knowledge.’ (57) Nominalisaties werpen doorgaans dan ook hindernissen op tussen wat een schrijver zeggen wil en een lezer kan begrijpen.


Niet alleen leep is Morans tekst, ook behartenswaardig: ‘writing is not just a way of communicating; it is a way of thinking. Nouny writing relieves the writer of the need to do either.’ (61) Typerend is dat hij in deze uitspraak nominalisaties gebruikt. Maar deze zijn geen obstakels: ze bevatten de kennis die zojuist in andere woorden is gedeeld. Bovendien demonstreren ze een ander aspect van Morans opvattingen: een stelregel is nooit eenduidig of simplistisch, laat staan absoluut (net als in het ongeschreven leven).


Hij doorspekt zijn tekst met de nodige one of more liners, behartenswaardige wijsheden die de lezer naar believen met een korreltje zout kan nemen. Een voorbeeld:

Writing is not conversation, nor a speech-balloon text waiting for a response. The point of writing is to store and spread information in a form that does not require anyone else's bodily presence while it is being written. (115)

Omdat zelfs een duidelijke boodschap niet in een keer doorkomt, schrijft hij tien bladzijden later, in een ander hoofdstuk:

We must keep remembering, since we keep forgetting, that our writing will be read in our absence and it must clear up any confusion all on its own. (125)

Nog een wijsheid:

If you have something weird or astonishing or heterodox to say – if you want to stretch the confines of the credible and be true to the world in all its beautiful, brain-melting absurdity, which you should want to do – then say it with the plainest words and in the plainest order you can find. (123)

Wat de meest duidelijke woorden en schikkingen zijn, weet Moran doorheen het hele boek goed te bespreken.


Voor wie veel werkstukken, essays of papers moet nakijken, kan het verhelderend zijn Morans observaties of opinies te lezen, zoals de volgende:

Prepositions are a bad way to stitch up long sentences because they neither connect phrases clearly, like conjunctions, nor separate them clearly, like punctuation. They are the worst of both worlds. (141)

Moran wordt zelf ook geconfronteerd met deze materie.

An English lecturer gets used to listening to laments about the younger generation's slide into illiteracy. I remain unconvinced. Of course, when marking essays I come across lots of bad sentences. The cut-and-shut jobs, which embark on a thought and then set off on an other before the first is done with, until the end of the sentence has erased any memory of its beginning. The breathless run-ons: clauses just squashed together, needing full stops like lungs need air. The accidental fragments that, shorn of any sense of causation, read like bad haiku. The slowmotion car crashes, which start out fine until some slight syntactical wobble makes them career off the road, where the mangled syntax lies sprawling until the full stop ends its agony. The ones with just too many needless words in them, stifling sense like knotweed. (15-16)

Er is geen bewijs voor de stelling dat mensen slechter zijn gaan schrijven. Diezelfde klacht was er al in de middeleeuwen. 

No, these sentences are bad because they stopped being visible and hearable to their writers. The writer knew what she wanted to say, thought she had said it, and gave up reading and listening. To write well you need to read and audit your own words, and that is a much stranger and more unnatural act than any of us know. (16)

Een zin, meer in het bijzonder: een goede zin, kan onbeschrijflijk veel verschijningsvormen hebben, vanaf de hoofdletter waar ze doorgaans mee begint, tot de punt waarmee ze – eveneens door de bank genomen – wordt besloten. En dat laatste is niet zonder doel, zin of reden:

A plain English sentence moves smoothly and easily towards its final point. The best way to ensure this happens is to put the important stuff at the end. (119)

Merk op dat deze twee zinnen (uiteraard) een punt aan het eind hebben en dat 'het belangrijke spul' daadwerkelijk aan het eind staat: “its final point.” respectievelijk “at the end.”  Merk daarnaast op dat zowel “final point” als “the end” hier dubbelzinnig opgevat kunnen worden en dat beide woordgroepen het interpunctieteken betekenen dat erop volgt. De zinnen zijn metalinguaal op een niet-dikdoenerige manier (wat zonder ironie niet van de onderhavige zin gezegd kan worden).


Precies Morans uiterst toegankelijke wijze van schrijven (die hij uit principe en in de praktijk bepleit) maakt dit boek bijzonder aantrekkelijk. Het enige minpunt is dat je, al lang voordat je halverwege bent, spijt hebt gekregen van de meeste zinnen die je tot dan toe in je leven zelf hebt geschreven.


Een ander minpunt is dat Moran zich ook uitlaat over de alinea. Het zesde hoofdstuk gaat onder andere over cohesie en coherentie en hij verlaat daarmee het vertrouwde niveau van de enkele zin. Het is niet dat Moran daar onzin beweert, maar de scherpte is dan een beetje van zijn betoog af. Saai wordt zijn vertelling overigens nooit. Hij bracht me – ik weet niet eens meer precies waarmee – in herinnering dat ik zelf ooit vast was gelopen in een schrijfexperiment, en dat ik mijn onbezonnen epos pas weer vlot kon trekken toen ik een app had gevonden waarmee je een typemachine kon nabootsen op je iPad, inclusief letterhamersgeluid en de plotse "PLIENG" bij het naderen van de rechtermarge van het fictieve blad papier en inclusief het onverwacht opduiken van het einde van de pagina, de onderkant van het a4-blad, en exclusief de mogelijkheid om tikfouten anders te corrigeren dan door ze door te strepen halen en erboven of erna de verbetering te typen. Die app dwong me beter op te letten, leverde me gratis een mooi kader voor mijn hoofdstukken (a4) en deed me, voor alles, terugdenken aan mijn vaders ambachtelijke Adler. Maar dit ter zijde.


In dat hoofdstuk over de alinea staat een derde minpunt: de domste omschrijving van het sonnet die ik ooit zag. "A sonnet, fourteen lines of ten syllables each [...]". (189). Gelukkig is deze Anglocentrische onzin onderdeel van een kleine beschouwing over een heel ander onderwerp, namelijk de functie van het wit om de tekst, meer in het bijzonder reclameteksten. De zin gaat verder met: "is an oblong block of type in the centre of the page, bordered by silence."  De woorden "oblong", "block", "bordered" en "by" maken al een mooi aanloopje naar het eind van de zin, die met "silence" opeens een semantische wending maakt waardoor het geheel toch nog klinkt als een van de honderd klokken die London doen bonzen.


Typerend is dat na dat hoofdstuk over de alinea er nog een volgt, waarin Moran opmerkt: "Most books go on for fifty pages longer than they should." (199) Klopt. Het hoofdstuk over die alinea's begint op pagina 157. Maar toch voegt het slothoofdstuk iets toe waarzonder het boek niet af was. De titel luidt: 'A Small, Good Thing. Or why a sentence should be a gift to the world'. Hierin voegt Moran onder meer een persoonlijke noot toe die een deel van de verklaring is waarom het boek, zoals zijn ondertitel zegt, onder andere handelt over The Elements of [...] Life. En hij spreekt erin de hoop uit "that a love letter to a small, good thing will feel more useful to the reader than an English lesson." (210) Klein terzijde: op zijn universitaire webpagina vertelt Moran: "My interest was/is in the seemingly uninteresting and banal details of everyday life, what Mike Leigh calls 'the nose-picking, arse-scratching, mundane world'." 


Dit geschreven hebbend, bedenk ik dat dit kleinood van Moran in wezen een persoonlijk pleidooi is voor een studieus soort mindfulness als het beginsel van goed schrijven. Het boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die aan een academische studie begint. Beter nog: ieder academisch jaar opnieuw zou het verplichte leesstof moeten zijn voor iedereen in het academisch onderwijs, studenten even zo goed als docenten. Studenten Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht moeten vanaf 2020 gelukkig al Schrijven voor de wetenschap aanschaffen en bestuderen. Maar First You Write a Sentence.



maandag 8 juni 2020

Antjie Krog, Broze Aarde

Een mis voor het universum. Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar. Amsterdam, Podium 2020. Hardback, 47 bladzijden, tweetalige uitgave.

De oorspronkelijke titel van deze tekst luidt: O Brose Aarde. 'n Misorde vir die Nuwe Verbond. Me dunkt dat die een beetje vreemd vertaald is. Waar is de uitroep in de hoofdtitel gebleven, die bij uitstek past bij deze hartstochtelijke tekst? En waar komt dat universum in de ondertitel vandaan, waar is het nieuwe verbond gebleven? Ik weet er het theologisch fijne niet van, maar ik ben bang iets te missen zonder het Afrikaans. Gelukkig is de rest van de bundel tweetalig, met links de vertaling, rechts het origineel.

Behalve de oorspronkelijke titel staat in het colofon ook deze mededeling: 'Deze mis werd mede mogelijk gemaakt door het Nasionale Afrikaanse Teater-inisiatief.' Ik ontleende er de aansporing aan om de tekst hardop te lezen (zonder toehoorders), maar liever nog had ik Antjie Krog haar horen voordragen. Wie haar een keer heeft gehoord, krijgt daar niet genoeg van, denk ik. De tekst moet tot klinken worden gebracht, ze moet afwisselend gesproken, gefluisterd, gezongen, gebeden en geroepen worden. Het is ook een gedicht, maar meer nog de basis van een opvoering, een uitvoering. Theatraal, ja.

Het onderwerp is door de titel al duidelijk en wordt nader ingeleid in de openingswoorden:
hoe kan ons die planeet versorg as ons nie mekaar versorg nie / hoe kan ons mekaar versorg as ons nie die planeet versorg nie?
Anders dan in de werkelijkheid, belijdt hier, meteen in het begin al, de gemeente haar zonden:
Ons bely dat ons uitermate sondig deur mekaar,
en die aarde wat ons onderhou, daagliks
te beskadig en te vernietig
deur wat ons doen
en versuim om te doen.

Skuld, ons dra skuld.
Ons dra almal groot skuld.

Wees ons genadig.
O Allesomvattende Aarde – wees ons arme stommerikke genadig!
Amen.
Het is prachtig hoe Krog hier het model van de mis gebruikt om een nieuw, kosmisch en mythisch verbond aan te geven tussen de mens en de aarde (niet: 'zijn' aarde), uit eerbied en schuldbesef, in een uitermate lyrische taal, die ritmisch over de bladzijden swingt. Lees maar, je zult ermee instemmen.

Robert Anker, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

Gedichten
. Amsterdam-Antwerpen, Querido, 2015. Paperback, 88 pagina's, inclusief inhoudsopgave en aantekeningen.

Eerst even iets anders:
Ik kwam tot hier, en zag. Ik zocht
Iets anders maar geen sterfling vindt,
Ook niet aan 't einde van zijn tocht,
De dingen die hij droomde als kind.
Dit is het eerste, titelloze gedicht uit de bundel Gedichten (1917) van P.N. van Eyck. Ik zag net pas dat de eerste regel een allusie is op de beroemde woorden van Julius Cesar. De afwijking van de geno-tekst is betekenisvol: Van Eyck was geen winnaar; een beetje een somberaar, en een dromer, maar wel een met heel veel eerbied voor en een voortdurende nieuwsgierigheid naar het onbegrepen leven.

Een heel erg klein beetje lijkt Anker wel op Eyck: altijd zoekend, altijd strevend, bijna tegen beter weten in, en altijd ook in de slagschaduw van het einde. Welhaast in een J.C. Bloem-achtig besef van Media vita. Maar de bijna honderd jaren die tussen beide bundels liggen, zijn niet te veronachtzamen, en vooral niet het stijlverschil, dat zich niet in drie woorden laat beschrijven.

Ik herlas Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd (2015) kort nadat ik ook De vergever (2016) had herlezen en nu ben ik klaar voor de herlezing van In de wereld (2017), Ankers laatste werk. Weemoed, en ook heimwee, was zelden afwezig in het oeuvre van Anker, maar zijn laatste poëziebundel en zijn op één na laatste roman staan wel heel sterk in het teken van de eindigheid en van het einde zelfs van het leven, dat voor Anker persoonlijk in 2017 toesloeg.

Het motto van De vergever is een Borges-citaat: "Ik heb de vreselijkste zonde begaan/ Die een mens maar begaan kan. Ik ben niet/ Gelukkig geweest." Hoe opmerkelijk dat een NRC Handelsblad-recensent het boek 'goedgeluimd' heeft genoemd... Ofschoon ook wel begrijpelijk: Ankers werk is melancholisch (lijkt die figuur op het omslag van Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd niet op een haas?) maar des niet tegenstaande ook vol van levensdrift, da's waar. En zeker Sander Schwarz is niet gespeend van zowel gevoel voor drama (sterk vergroot) als voor vooruitdrang.

Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd lijkt niet goedgeluimd. De laatste vier regels van de bundel luiden:
We waren kansloos vanaf het begin
grappig dat je dat pas weet
als het eindigt
zoals nu.
De tweede afdeling heet, en gaat over, 'Het lege hart'; elk van de veertien gedichten (er zou eens niet met het sonnet gedold worden) begint ook met die woordgroep; nou ja, een ervan begint met 'Il cuore vuoto'; typisch Anker: als herhaling, dan een afwijking.

Dat geldt ook voor de bundel als geheel: ze bevat genoeg motieven die bekend zijn uit eerder werk, maar de toon is toch anders, zoals ook in De vergever, op het moto waarvan gezinspeeld lijkt te worden aan het eind van 'Normaal':
en inderdaad, onze levensweg was een belediging
voor de werkelijkheid en ja, dat is een schuld
die wij op ons geladen hebben en de straf is
dat wij niet gelukkig zijn geweest.



maandag 18 mei 2020

Maxim Februari, De maakbare man

Notities over transseksualiteit. 3e dr. Prometheus, Amsterdam, 2013. Paperback,  128 bladzijden. Oorspr. 2013.

Vorige week ben ik voor het eerst sinds de afkondiging van de Corona-toestand weer eens over de drempel van een boekhandel gestapt. Wat een weldaad. Lekker langs al dat drukwerk slenteren, beetje koekeloeren, beetje bladeren, beetje lezen, boek terugleggen, heerlijk ("...shit, zo wel weer m'n handen wassen...") en almaar denken aan wat er nog op de plank ligt thuis, en virtueel in de e-lezer, wat er nog gelezen 'moet' voordat er ook weer wat mag... eeuwig dilemma... En opeens: een boekje van Februari dat ik nog niet las.

Ik had net een heel dik boek gelezen dat wel interessant is, maar ernstig lijdt aan een gebrek aan betoogkracht, visie, humor, eruditie en stijl; een boek, kortom, dat geen enkele  van de bundel eigenschappen heeft, die al de teksten van Februari (essays, romans, columns, interviews) zo ver boven het literair-culturele maaiveld doet uitsteken. Welnu: De maakbare man is een klassieke Februari.

Het bestaan van het boekje was me bekend, maar ik was er eerlijk gezegd schoorvoetend omheen gelopen omdat de teksten van Februari me dierbaar zijn en ik het bijzonder waardeer dat hij zich altijd onttrok aan het gebruikelijke schrijversspektakel, dat onvermijdelijk een overdreven en vaak ook overbodige aandacht voor de persoon van de schrijver meebrengt, ten koste van die voor de inhoud van het werk. Februari's optreden in DWDD naar aanleiding van het verschijnen van dit boek was aan me voorbijgegaan doordat ik televisie het medium bij uitstek vind dat op een verkeerde manier met boeken en schrijvers omgaat (uitzonderlijke programma's daargelaten). Ik kijk geen tv meer.

Een uitzondering maakte ik afgelopen zomer voor Zomergasten, althans voor de uitzending met Hannah Bervoets en die met Februari, die ik terugzag via internet. Februari vond ik in dat programma gelukkig sprekend lijken op de implied author annex implied philosopher die ik tijdens het lezen van zijn werk steeds op mijn geestesnetvlies krijg. Iemand met een heldere, rustige betoogtrant, een afgewogen, genuanceerde visie op kwesties van bovenpersoonlijk belang, goedgeïnformeerd, uitstekend formulerend en rijk aan subtiele humor.

De maakbare man, hoezeer ook geworteld in een persoonlijk lotgeval, past, zoals ik al aangaf, naadloos in dit beeld. Op intelligente wijze bespreekt Februari transseksualiteit als een maatschappelijk en socio-cultureel onderwerp en ontwart de terminologische (spraak)verwarring die eromheen is ontstaan, waardoor zijn hier verzamelde notities een grotere reikwijdte krijgen dan de ondertitel van het boekje doet vermoeden. Het gaat, vaak prikkelend humoristisch, subtiel schakelend van serieus en ernstig naar sprankeltjes superieure lichtvoetigheid, onder meer over wederzijds begrip, beschaving, rechten, fatsoen.

zondag 17 mei 2020

Kate Kirkpatrick, Simone de Beauvoir; een leven

Ten Have, Utrecht 2020. Vert. door Karl van Klaveren Indra Nahoe en Michel Meynen. Oorspronkelijke uitgave: Becoming Beauvoir; A Life.

Het is een mooi boek, maar/en omdat uitgeverij Ten Have het belangrijk vindt 'om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan' (blijkens het colofon), en ik in vrijheid kon kiezen, heb ik de digitale versie gekocht en gelezen (waarmee tegelijk het belang van mijn portemonnaie gediend was).

Du moment ik hoorde van het bestaan van deze biografie, was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Beauvoir had in mijn hoofd mythische proporties aangenomen, hoewel ik me alleen herinner van heel haar oeuvre de Nederlandse vertaling van Le deuxième sexe gelezen te hebben; dat was in een tijd en een omgeving waarin iedereen dat boek las. Beauvoir leefde toen nog, denk ik. Of die vertaling compleet en integraal was, weet ik niet meer. Ik schrok toen ik in deze biografie las dat het origineel uit twee delen en meer dan duizend bladzijden bestaat. Maar de catalogus van de KB vertelt me dat Bijleveld, na de eerste, tweedelige druk uit 1965 en 1968, een 'complete' een-delige pocketuitgave van dik 830 bladzijden op de wereld heeft gezet; en die las ik, die rode baksteen. In de tijd van de tuinbroeken moet dat geweest zijn. De mythe leefde  evenwel voort en al een tijd staat Malentendu à Mouscou in de e-lezer op aandacht te wachten, de pas zes jaar na haar dood gepubliceerde novelle.

Misschien leefde Sartre ook nog wel toen ik De tweede sekse las, om maar eens een thema aan te snijden waar deze biografie van doortrokken is - de onverbrekelijke eenheid van deze twee filosofen die elk voor zich hun vrijheid en autonomie welhaast opeisten, hoewel ze er al van doordrongen waren dat er ook op dat terrein niks te eisen viel, omdat ze ertoe veroordeeld waren. Desniettegenstaande werden ze door de anderen vooral als stel gezien, en wat veel erger is: vooral Beauvoir werd gezien als partner, leerling, volgeling, profeet, satelliet etcetera van JPS, niet andersom.

Kirkpatrick heeft het op zich genomen om een kleine duizend bladzijden lang te hameren op het aambeeld van Beauvoirs autonomie, zelfstandigheid en oorspronkelijkheid. Het is misschien tekenend voor het leven en de reputatie van Beauvoir dat haar biografe dit onderwerp niet in een enkel hoofdstuk heeft weten samen te ballen om er daarna eens en vooral vanaf te zijn en zo de ruimte veroverd te hebben om inderdaad over alleen Simone de Beauvoirs leven en werken te schrijven, al dan niet in conjugatie met het leven en denken van Sartre waar het onvermijdelijk is; want hun samenleven en samendenken is de facto domweg niet te omzeilen of te ontkennen. 

Prachtig vind ik Beauvoirs typering van Sarte als 'l'ami incomparable de ma pensée', de onvergelijkbare vriend van mijn denken. Wat en wie zij ook nog meer deelden, al dan niet bij tijd en wijle, dat samenwerken en -leven in denken stond voorop en bovenaan. Ook van de kant Sartre, die geen letter publiceerde voordat 'Castor' zijn werk gelezen en met hem besproken had.

Leerzaam vond ik het om te vernemen dat Beauvoir lang niet altijd even duidelijk en eerlijk was over die relatie met Sartre, zo min als over talloze andere relaties die zij aanging. Kirkpatrick heeft er heel wat moeite mee om de verschillen uit te leggen tussen tussen wat 'men' hierover schreef en wat Beauvoir er zelf over noteerde in dagboeken, brieven, memoires en autobiografische teksten; daarbij besteedt ze ook aandacht aan het diachronische perspectief, want het is wel duidelijk dat Beauvoir niet altijd hetzelfde zei of dacht over een onderwerp. Dat past dan weer in haar door existentialistische premissen gedomineerde denken.

Centraal in haar filosofie staat in mijn optiek een algemene these waarvan ze een specifieke vorm formuleerde in Le deuxieme sexe formuleerde: 'On naît pas femme, on le devient'. Daarbij is het goed te bedenken dat het  om een voortdurend, nooit afgerond proces gaat. Voeg daar weer bij de existentialistische notie van de contingente aard van het menselijk bestaan, en je kunt denken dat een en ander Kirkpatrick er misschien toe gebracht heeft weinig aandacht te schenken aan het schetsen van een duidelijke lijn in het leven van Beauvoir, aan het vertellen van een levensverhaal, met een rode draad, een centraal narratief (anders dan: wat men over haar dacht, klopte niet).

Het boek gaat schokkend en hortend en stotend van de ene periode naar de andere. Pas achteraf vertelt de biografe dat iets ook al eerder het geval was (vooral als het gaat over ideeën waarvan de critici vonden dat Sartre er de bedenker van was) of ze geeft op onverwachte momenten een kijkje in de contemporaine ontwikkelingen elders zonder een helder verband met het leven van Beauvoir te leggen, zoals ze ze soms ook een waslijst van boeken geeft die Beauvoir in een jaar had gelezen, zonder er ook maar één voor een nadere verkenning uit te lichten.

Het boek wekt daardoor bij mij de indruk van een betrekkelijk onsamenhangende opsomming van faits divers. En hoewel dat een passende vorm lijkt voor een beschrijving van een bestaan in den blinde, is het in mijn optiek een biografische zwakte, vooral omdat nergens blijkt dat deze structuur van los zand (bijeengehouden door weinig meer dan chronologische voortgang) een welbewuste opzet is. Een coherent levensverhaal is misschien niet per se belangrijker dan het leven zelf, zoals Maxim Februari noteerde in zijn NRC-column van dinsdag 12 mei jongstleden; maar ik denk dat dat vooral geldt voor het leven dat geleefd wordt, minder voor een leven dat je moet beschrijven. De mooie Engelse titel, Becoming Beauvoir, suggereert wel een dergelijke lijn. Ze is in de vertaling helaas gesneuveld. Terecht, wellicht. 




donderdag 16 januari 2020

Peter Buwalda, Otmars zonen


Paperback met flappen, 607 pagina's. Amsterdaam: De Bezige Bij, 2019.

14-01-2020 10:21
Otmars zonen

Hallo Fabian,

Dat ik je e-mail, is impulsief. Misschien schrijft de etiquette voor dat ik me beter opnieuw voorstel, maar ik stel wat vertrouwen in het feit dat mijn zeldzame naam vaker blijft hangen. Ik zoek een klankbord en kan er geen vinden. De kwestie: ik heb Otmars zonen gelezen. Jij hebt voor de Academica Literatuurprijs Bonita Avenue gelezen en herlezen. Je was er behoorlijk enthousiast over. Heb je 'de nieuwe Buwalda’ ook gelezen? En zo ja, wat vond je ervan?

Vriendelijke groet,

JoJanneke van der Kaa


14-01-2020 10:49
Re: Otmars zonen

Beste JoJanneke,

Ze zeggen wel eens dat je je dag niet moet beginnen met mail lezen (ik was wat laat op kantoor vandaag, ik wilde eerst thuis verder lezen in een roman en aan een blogje werken), maar dit geeft wel aan dat dat niet klopt.

Ah, ja, Bonita Avenue, dat was meteen een favoriet van me en Buwalda won er die prijs mee in de jury waarvan ik toen voor het eerst zitting had. Ik heb de roman meerdere keren gelezen en werd er niet minder enthousiast over.

Otmars zonen las ik ook, en gretig, zodra het verschenen was, maar in heel veel korte zittingen, te veel om er echt goed in te komen, denk ik; dat is niet handig met een roman die uit zo veel en zich zeer langzaam ontwikkelende en gluipenderwijs verstrengelende verhaaldraden bestaat. Het boek staat nu dus hoog op de lange lijst ‘Herlezen!’ Ik denk dat ik het goed vind, maar ben er nog niet zeker over; daarom heb ik er nog geen blogpost aan gewijd.

Ik houd van de stijl van Buwalda, dat drieste, dat zeer verzorgde en tegelijk soms ook lompe, met overdrijvingen, die soms net niet en dan weer wel ontsporen, wat in beide gevallen aangenaam is. Anderzijds ben ik gestopt met het lezen van zijn columns, omdat me daarin ging opvallen dat hij daarin weinig te melden heeft (heel anders dan Wieringa en vooral Februari in hun columns) terwijl hij wel blijft ronken met die beeldenrijke taal-hypertrofie. Maar ik denk dat Otmars zonen een  goed en intrigerend bouwwerk is, in de geest van A.F.Th. van der Heijden (maar dan zonder diens opzichtige pronken met uit Wikipedia getrokken mythologische quasi-kennis), ook doordat er referenties aan lijnen en personages uit zijn debuut in zitten.

Dat herlezen gaat denk ik wel op zich laten wachten, want er verschijnt veel dat mijn aandacht trekt en er ligt nog zo veel ander ongelezen werk te wachten. Ali Smiths romans bijvoorbeeld, Pastorale van Stephan Enter, en momenteel ben ik nog bezig in Schilf van Juli Zeh, een zeer getalenteerd schrijfster, met enkele stilistische Buwalda-trekjes.

Het lastige aan Otmars zonen is dat het (mij, uiterst trage lezer) veel tijd kost om zo’n baksteen te (her)lezen, en dat ik zo'n werk met grote aandacht wil lezen, terwijl de ontwikkeling van de verhaallijnen heel erg langzaam gaat, zo langzaam, dat deze hele roman alleen nog maar de aanzet is tot iets, wat misschien in deel twee volgt, of pas in deel drie.

Onlangs zag ik The Irishman van Martin Scorsese, enigszins vergelijkbaar misschien: duurt heel lang, gaat traag, refereert voortdurend aan de werkelijkheid (een historische werkelijkheid die nabij genoeg is om nauwe banden met het heden te hebben) en wordt gekenmerkt door een behoorlijk fors aangezette stijl, maar niet het absurdistische van een Buwalda heeft.

Dat dus 😊

Hartelijke groet,

Fabian


15-01-2010 07:27
Re: Otmars zonen

Beste Fabian,

Ze zeggen ook wel eens dat je je dag niet moet afsluiten met mail lezen, maar dat heb ik gisteren toch gedaan. Gelukkig maar. Mijn reactie nu is vroeg en hopelijk uitgeslapen.

Bonita Avenue staat nog steeds hoog op mijn lijstje met favorieten. Ik kwam er niet eerder toe om Otmars zonen te lezen, omdat de omstandigheden er moesten zijn om me echt aan dat vuistdikke boek te wijden. Die omstandigheden waren er afgelopen weekend: ik las het in vier dagen uit.

De constructie met al die flashbacks maakt dat het verhaal in het ‘nu’ inderdaad langzaam op stoom komt, maar geeft het boek wellicht ook een anekdotisch karakter. Misschien is het te veeleisend bij deel 1 van een trilogie, maar Buwalda heeft in een interview – VPRO Nooit meer slapen – zijn voorgenomen drieluik vergeleken met The Lord of the Rings en dat valt hem wel een beetje kwalijk te nemen. Otmars zonen heeft geen opzichzelfstaande plot, in tegenstelling tot de boeken van Tolkien, maar lijkt inderdaad een opmaat tot de volledige cyclus, die we vooralsnog moeten ontberen. In dat opzicht gaat een vergelijking met The Irishman – onlosmakelijk verbonden met drieënhalf uur lang, zonder pauze in een zeer oncomfortabele bioscoopstoel genieten – mank: de broeierige, trage ontwikkeling van de verhaallijnen akkoord, maar er is in die film wel degelijk sprake van afronding.

Niettemin is het in Otmars zonen op iedere pagina feest: haast iedere zin is een hoogstandje, het inktzwarte cynisme van Ludwig is hoogst vermakelijk, de perspectiefwisselingen zijn interessant, er zijn verwijzingen naar de werkelijkheid en de verhaalwereld in Bonita Avenue, de besproken muziek is onlosmakelijk verbonden met de opzet en inhoud van het boek, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Die columns lees ik ook niet meer: stilistisch interessant, maar inhoudelijk...

Psychologisch vind ik dit een veel sterker boek dan Bonita Avenue. De kenschetsing van de personages is stukken beter, hun keuzes zijn daardoor meer invoelbaar, al roepen ze nog weinig sympathie op. Ik heb gewalgd van de passages waarin De Sade een rol speelt. Toen het boek uit was, was ik boos: afhaken voor een kernpunt, en het skiën dan, en het interview dan, heb ik verdorie al die jaren op gewacht, moet ik voor deel 2 weer zo lang wachten, en voor deel 3?! Toen dat zakte, heb ik je gemaild. Dit is dan literatuur: een wereld op papier die aankomt alsof je een stomp in je maag hebt gekregen, waarover je vervolgens in therapie kunt bij een oud-docent.

Enfin, op mijn lijstje ‘nog te lezen’ nu eerst Let op mijn woordenPastoraleDubbelliefde (tja, ik was pas 12 toen dat boek uitkwam) en zo kan ik ook nog wel even doorgaan. Herlezing van Otmars zonen was eigenlijk van dat lijstje af, maar komt er toch weer op. Ik kijk uit naar je blogpost. Houd je me op de hoogte?

Vriendelijke groet,

JoJanneke


15-01-2020 09:21
Antw. Otmars zonen

Zo, dat is een ‘goedemorgen’, JoJanneke.

Onmiddellijk na het lezen van je mail kon ik maar aan één ding denken: vind je het goed als ik onze mails samenvoeg, redigeer en op mijn blog plaats als bespreking van Otmars zonen? Je opmerkingen bij het boek vind ik te mooi – om niet te zeggen: Klasse! – om voor me te houden. Ik zal je sowieso binnenkort een concept sturen.

Hartelijke groet,

Fabian

P.S.
Ik keek The Irishman heel op m'n gemak, in bed, op de computer.
Walgen van De Sade? En niet van die decoupeerzaagscène in Bonita Avenue?


15-01-2020 20:17
Antw: Otmars zonen

Goedenavond dan maar, beste Fabian,

Bedankt voor het compliment; ik voel me vereerd! Wie had gedacht dat zo'n impulsieve e-mail zou leiden tot een blogpost van Fabian Stolk, tegen wie ik zo veel jaren heb opgekeken vanuit de collegebanken en met wie ik nog wel eens een stevig verschil van mening heb gehad. 

Nu zie ik dus het concept van een geredigeerde versie van onze mailwisseling tegemoet. Ik heb een hekel aan "leuk", maar leuk, dus, of - om het op z'n Brabants te zeggen - gezellig!

Hartelijke groet, 

JoJanneke


15--1-2020 21:53
Antw: Otmars zonen

Beste JoJanneke,

Aangehangen de concepttekst. Je zult zien dat ik er weinig aan geredigeerd heb. Het geheel past mijns inziens prima op m’n blog, omdat het meer een leesverslag is vol impressies en waardeoordelen, dan een zakelijke recensie met een grondige analyse en interpretatie, voorzien van een gemotiveerde plaatsbepaling binnen de actuele literatuur.

In mijn leesdagboek – een roman-dummy waarin ik probeer te documenteren wat ik wel gelezen heb  maar niet op Klasse! plaats – staat: “8.7.19 Achterstallig / Buwalda, Otmars zonen / Smith, Spring / [naam vergeten], Norman People”. En meteen daarna staat: “Intermezzo: / C.C.S. Croneprijs en -stipendia 2019”; indicatie van een berg – inmiddels voltooid – leeswerk, die herlezing van wat dan ook in de weg stond.

Maar nu die berg weg is en ik het eerste dikke deel van Buwalda's roman fleuve weer van de plank heb gepakt en de terugtellende hoofdstuknummering terugzie, de forse broodletter en de paginanummers die alleen op de rechterpagina’s staan, krijg ik verse kriebels om ook weer in de inhoud te duiken. 

Enfin, ik wacht je “fiat” af c.q. je “imprimatur” of “nihil obstat".

Wees gegroet
       door
     Fabian


16-01-2020 09:35
RE: Otmars zonen

Hallo Fabian,

Nog een reactie op je twee toegevoegde PS’en: The Irishman in bed kijken is voorbehouden aan mensen die behept zijn met een Netflix-abonnement. Aangezien ik meer boeken koop en die lees dan dat ik tv kijk – en het moet doen met een bescheiden lerarensalaris – behoor ik niet tot de gezegenden en zat ik ‘gewoon’ in de bioscoop. Wat (of wie) is decadenter?

De decoupeerzaak in Buwalda’s eerste vond ik een stuk minder onsmakelijk dan de passage waarin vader zijn dochter anaal verkracht onder dwang en onder toezien van De Sade en consorten, waarna het meisje alsnog op gruwelijke wijze verkracht en vermoord werd onder het toeziend oog van de vader in kwestie. Kleine analyse daarvan: mensen schuiven de verantwoordelijkheid voor hun fouten liefst af op anderen en schaamte komt juist tot stand in relatie tot anderen. In de decoupeerzaag-scène zijn geen toeschouwers: niemand om op af te schuiven, niemand om zich voor te schamen. In de walgelijke De Sade-scène waaraan ik zojuist refereerde, zijn die ingrediënten er wel: vader kan zijn gedrag afschuiven op De Sade en zich tegelijkertijd voor datzelfde gedrag kapot schamen ten overstaan van het publiek. Zijn ondergeschikte positie aan De Sade leidt ertoe dat hij een onmiskenbare nederlaag lijdt. Als lezer identificeer ik me met hem ten overstaan van die toeschouwers: ik wil hieraan ontsnappen, maar dat kan niet. Ik ben een onmachtige voyeur – meer dan in Bonita Avenue  en dat geeft mij een hoogst ongemakkelijk gevoel, om niet te zeggen ‘zum Kotzen’.

Op de een of andere manier doet dit mij denken aan Ludwigs zoektocht naar zijn oordopjes: de neuroot die over de grond kruipt en die ik van bovenaf bezie. Het gevoel van walging is nabij – beste Ludwig, ga je schamen en ga alsjeblieft gewoon slapen – maar meer nog is er medelijden. Enfin, ik weet niet waar deze uitweiding vandaan komt, dus laat ik er maar over ophouden.

Mijn fiat krijg je.

Hartelijke groet,

JoJanneke


16-01-2020 13:17
Noot van de redactie

Ik ben behept met een tv noch een Netflix-abonnement; ik keek per laptop via-via mee met een abonnee; voel me daardoor bescheiden gezegend.

woensdag 27 februari 2019

Sally Rooney, Normal People

Ebook edition. Faber & Faber, London 2018.

Weer zo'n boek dat door recensies opviel. En vervolgens in de poll van de leesclub kwam en geselecteerd werd.

Wonderlijk aangename leeservaring, terwijl deze roman eigenlijk niet voldoet aan wat ik doorgaans van dit genre verwacht of eis: taalrijkdom. Qua taal vind ik het een uitzonderlijk oninteressant boek. Er staat geen zin in die ik in stille bewondering herlas alleen maar om de formulering. Eerder het tegendeel, zoals: 
He writes these things down, long run-on sentences with too many dependent clauses, sometimes connected with breathless semicolons, as if he wants to recreate a precise copy of Marianne in print [...].
Bij de laatste twee woorden stort de hele zin in elkaar onder mijn lezend oog. En er blijft weinig meer van over als je bedenkt dat er een erg dom vrouwbeeld in gereproduceerd wordt, dat ook nog eens niet aansluit bij wat de roman verder over Marianne vertelt.

Maar een groter probleem is dat dit boek zo enorm fel-realistisch (bedoeld) is, of meer nog 'filmisch', dus nep-realistisch, alsof hele scènes zijn overgeschreven van het witte doek, of van een zwart-wit televisiescherm; het is voortdurend heel sit- en komkommerig. Zoals wanneer er staat: 
Connell says nothing then. He just kneads the steering wheel with his hands.
Dat stuur wordt hierna nog vijf keer bepoteld (expliciet met de handen, wel te verstaan, stel je voor) als een situatie Connell emotioneel te machtig wordt - en als een voldragen stereotype kan híj wel rijden, zìj kennelijk niet; het kneden, bekloppen, knijpen, betokkelen en klam omklemmen van het stuurwiel is slechts hem gegund. Haar worden andere beelden toebedeeld, zoals:
She feels like a soft cloth that is wrung out and dripping.
En terwijl de focalisatie alle kanten op en uit en weer terug schiet - wat echt een aangenaam aspect is van deze roman, dat de aandacht van deze lezer steeds weer prikkelt - staat er soms zoiets als dit:
But now she has a new life, of which this is the first moment, and even after many years have passed she will still think: Yes, that was it, the beginning of my life.
Of je in een aftandse, op opdikkend en ezelsorig esparto-papier gedrukte kasteelroman verzeild bent geraakt. Net zoals wanneer een verhit gemoed als volgt wordt gerepresenteerd:
Alan's face takes on a wild expression of fury, with the whites of his eyes showing all around.
Deze Alan is ook tot het volgende in staat: hij 'bites down on the knuckle of his index finger.' De Kameleon meets Harry Potter. Maar een heel enkele keer staat er op zinsniveau iets interessants, mijns inziens:
If anything, his personality seemed like something external to himself, managed by the opinions of others, rather than anything he individually did or produced.
Maar ook dat is minder een mooie zin dan een sterk inzicht, passend bij een personage in een coming of age-roman; want dat is dit wel, denk ik, bijna een high school-roman, vol cijferstress, sigaretten, dronkenschap, vechtpartijen, studiekeuzegezeik, bindings- en verlatingsansgt, verstoorde zelfbeelden, liefderijke en vuige seks en lastige of juist argeloze of schijnbaar argeloze ouders; noem het maar op.

Bijzonder vind ik, naast de constructie van een voortdurend voortschrijdend verhaal dat is doortrokken van terugblikken vanuit allerlei perspectieven, dat het hele gebeuren zich afspeelt in Ierland, deels aan de westkust, deels in Dublin (eet je hart uit, Joyce). Maar het bijzonderst en aantrekkelijkst is dat de relatie tussen Marianne en Connell, die zielkervend getekend is door klasse- en persoonlijkheidsverschillen en door langzamerhand duidelijker wordende persoonlijke problemen, zo enorm intens gevolgd wordt in al zijn hoogte- en dieptepunten, al de onwaarschijnlijke gebeurlijkheden en onverwachtheden en irrationaliteiten en weemoedigheden des normalen levens die des avonds en op andere ongelegen momenten komen en die niemand kan verklaren. Het is een kalverachtig schokkerige en tegelijk zinderende love story van jewelste, een juweel van een liefdesgeschiedenis.

De vertelling duurt alleen wat lang, en het eind is geen echt eind; het verhaal had nog veel langer, maar ook veel korter gekund, met wat meer kunstgrepen. Het emmert maar door, net als het leven zelf.