Posts tonen met het label Laurent Binet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Laurent Binet. Alle posts tonen

zondag 22 februari 2026

Laurent Binet, De zevende functie van taal

Roman. Vertaald door Liesbeth van Nes. Meulenhoff, Amsterdam 2016 (oorspr. La septième fonction du language. Éditions Grasset & Fasquelle 2015). Hardback met stofomslag, 439 bladzijden, inclusief ‘Bronvermelding’.

Van Binet las ik in augustus 2018, met veel genoegen, HhhH (2010, Ned. vert. 2011), een boek dat ik, zonder stofomslag, voor niets of weinig op de kop had getikt. Gisteren, zeven jaar en en zes maanden later, lag er voor mij in een boekenkastje in de buurt een gratis exemplaar van De zevende functie van taal voor me klaar, mèt stofomslag, eveneens zo goed als ongelezen. Mijn lezershouding ten opzichte van de auteur Binet wordt kennelijk minder door gretige actualiteit dan door uiterst goedkope vertraging gekarakteriseerd.

Fijn, zo’n geschenk uit de hemel, want hoe epaterend de romans van Claire-Louise Bennett ook zijn, na een dagenlange obsessie met Checkout 19 was ik wel toe aan iets met wat meer verhaallijn, en deze tweede roman van Binet belooft volgens de achterflaptekst een pageturner te zijn, spelend in het Parijs van de jaren tachtig der twintigste eeuw in een milieu van universitaire filosofen, semiotici en post-structuralisten (als dat al verschillende groepen zouden zijn). Na nauwelijks vijftig bladzijden lezen heb ik reeds het gevoel dat dit inderdaad het literaire geschenk is waarop ik zat te wachten, waarbij meespeelt dat ik erg kan genieten van lichtelijk betweterig boven de gebeurtenissen zwevende auctoriale vertellers. Alles met mate, dat moge duidelijk zijn. En, iets heel anders, na dat van Van Hengel, De Marcken, Van Hengel, Tokarczuk en Bennett, mocht er wel weer eens werk van een man op de leesplank (dit was geen overweging, maar domweg de uitkomst van het toeval; trouwens, op de e-lezer ben ik al eventjes bezig met de laatste Barnes, maar die schiet niet lekker op).

De roman ontplooit zich al snel als een tekstuele slapstick, met in de hoofdrol van het gooi- en smijtwerk politiecommissaris Jacques Bayard die de omstandigheden onderzoekt waaronder Roland Barthes is aangereden, een aanrijding die deze een maand later niet blijkt te overleven. Bayard heeft niet in de gaten dat hij in zijn professie niet onderdoet voor wat de universitaire semiotici en andere filosofen op tekstueel terrein presteren, wier werk hij evenwel afdoet als ‘vaag gelul’; met andere woorden op dezelfde pagina: ‘Epistemologie, m’n reet.’ Niet onverstandig dat hij een promovendus in de linguïstiek, Simon Herzog, in de arm neemt als secondant, assistent, geef deze Sancho Panza maar een naam.

Gaande het onderzoek heeft Bayard, die zelf in een 504 rijdt, niet door dat er steeds, waar hij ook gaat, een zwarte DS in de buurt is (de auctoriale verteller signaleert deze wel steeds, net als een blauwe Fuego met twee Japanners), maar voor de rest is de wijze waarop de politiecommissaris de werkelijkheid benadert, oftewel analyseert, weinig anders dan die van Barthes in bijvoorbeeld diens Mythologies. Ja, dit boek, ik bedoel: dit boek van Binet (dat van Barthes vond ik minder interessant), zou verplichte literatuur kunnen zijn op iedere opleiding in de humaniora. De theorieën van Barthes, Eco, Jakobson, Searle onder anderen komen goed aan bod.

Ook tien jaar na het verschijnen van deze roman (en 46 jaar na de tijd waarin de roman zich afspeelt) is ze nog actueel; het (al dan niet) bestaan van geheime genootschappen annex samenzweringen, machtswellust, fascisme en taalge- en -misbruik halen immers nog dagelijks de krant en een verondersteld linkse hobby als de semiotiek is op de academie gelukkig nog lang niet verdwenen.

De roman, waarin ik inmiddels gevorderd ben tot pagina 253, bestaat uit de volgende onderdelen (ik noteer dat nu omdat hoofdstuk Twee er echt heel anders uitziet dan Een):

Een / Parijs, p. 9-185, hst. 1-46
Twee / Bologna, p. 189-232,  hst. 47, onderverdeeld in 6 delen met elk een tijdsaanduiding waarvan de laatste ‘10.25 uur’ is; dat het dan 2 augustus 1980 is, hoeft niemand te verbazen.
Drie / Ithaca [USA], p. 235-335, hst. 48-79
Vier / Venetië, p. 339-394, hst. 80-93
Vijf / Parijs, p. 397- 423, hst. 94-96
Epiloog / Parijs, p. 427-438, ongeleed.

Wat je met deze informatie moet, weet ik niet. Dit zou een citaat uit de roman kunnen zijn, indicatief voor de voortgang van het verhaal, inclusief metatekst. Er sterven mensen die in 1980 nog lang niet dood waren, zoals John Searle (onder meer bekend van Speech Acts (1969) en alleen al daarom onmisbaar is in deze roman) die in het echt pas op 17 september 2025 overleed, maar in de roman na het linguïstisch/filosofisch congres ‘Shift into overdrive in the linguistic turn’ aan de Cornell University te Ithaca in de herfst van 1980, zelfmoord pleegt. Dat heeft allemaal te maken met de kolderieke satire die Binet hier bedrijft, zoals ook door het opvoeren van een geheime, naar het maçonieke neigende debatgenootschap  de Logos Club, waar de verliezer van een dispuut een vinger in moet leveren.

Zo ver gekomen (hoofdstuk 85, om precies te zijn, aan de vooravond van een Logos Club-bijeenkomst te Venetië), duizelt het me al geruime tijd van alle personages die overal opduiken en verdwijnen rondom het gedoe over de tekst betreffende de zevende functie van taal die niet bekend mag worden, maar wel bestaat en garant zou staan voor wereldmacht, weinig minder dan dat. Ik doorgrond de plot van deze roman net zo goed als die van een gemiddelde James Bond-film: gooi maar in mijn pet en zoek het uit, ik zie wel hoe het afloopt, als er maar actie is. Helaas bestaat de actie in deze roman vooral uit woorden, woorden, woorden, daarnaast lol en kolder en erbovenop gepieker van personages over wat het is om deel uit te maken van een roman die, in dit geval, nota bene, begint met de stelling ‘Het leven is geen roman’ maar die in de tweede zin al in twijfel wordt getrokken.

Ik kom terug op mijn woorden; dit boek is bij nader inzien niet geschikt als verplichte lectuur aan welke opleiding dan ook; het is alleen in het begin en dan nog slechts bij vlagen leuk en/of interessant. Goed geschreven, dat wel, op zinsniveau en zo, maar qua narratief en actie raakt het kant noch wal; het dobbert er maar op los in de oeverloze semiotische zee. Jammer.

Ik teken bij dezen voor het goede begrip expliciet aan dat ik dit boek niet uit heb gelezen; bij pagina 347, dus na een goede 79,2 % van het totaal, ging het definitief dicht; niemand hoeft zich ook maar een mini-iota aan te trekken van wat hierboven staat (maar dat zou ook zo zijn, als ik het wel uit had gelezen). 



zondag 19 augustus 2018

Laurent Binet, HhhH

Himmlers hersens heten Heydrich. Roman. Vert. [uit het Frans] door Liesbeth van Nes. 13e dr. [1e dr. 2010]. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2011. Hardback, wrs. oorspr. met stofomslag, maar mijn exemplaar zonder. 347 blz. (Oorspr. HHhH, 2009)

Mijn stofomslagloze exemplaar van deze roman heb ik of gevonden, of in de ramsj of bij een uitverkoop op de kop getikt, al een tijdje geleden; typisch geval van: 'Wil ik eigenlijk ook nog lezen, destijds goede dingen over gelezen, geloof ik.'

Nou, niks mis mee, om negen jaar na verschijnen een succes-debuutroman alsnog te lezen. Een voordeel van dit late lezen en van het succes dat het boek had en heeft, is dat ik nu vast niet meer het verhaaltje hoef na te vertellen.

De titelpagina geeft het nadrukkelijk aan, en ook de ik-verteller laat er geen twijfel over bestaan: dit boek is een roman. Maar doordat die verteller zo druk doende is met het schrijven en het reflecteren daarop, moet dit ook een meta-roman heten. De naamloze ik-verteller reflecteert van meet af aan over de tekst die hij aan het schrijven is, over zijn personages, of misschien moet ik zeggen: over de figuren in zijn roman, die, doordat dit een roman is, personages zijn geworden, terwijl ze gebaseerd zijn op historische mensen, zoals alles in deze roman stevig gefundeerd is in de werkelijkheid, vooral de afgrijselijke werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog. Daarom wil de verteller, die haast onvermijdelijk gelijk te stellen is aan de schrijver, nadrukkelijk proberen niet(s) te fabuleren. Toch neemt hij, zoals iedere verteller van een historische roman, af en toe zijn toevlucht tot verzinsels, beter gezegd: fictionele reconstructies, maar nooit zonder daar dan weer bij stil te staan.

Deze constructie is dus zeer expliciet en zichtbaar, wat de lezer, deze lezer althans, intrigeert en bij de les houdt, en misschien ook wel om de tuin leidt, want wat kan deze zelfbewuste verteller je allemaal op de mouw spelden wanneer hij per ongeluk of expres eens niet reflecteert op zijn eigen fictionalisering?

Binet heeft voor deze roman mijns inziens de Pris Concourt du Prmier roman (2010) niet voor niets gekregen. Hij heeft enorm veel noten op zijn zang, heeft enorm veel historisch onderzoek gedaan (vermoed ik en vertelt hij - maar anders dan Johnatan Littell in zijn De welwillenden geeft hij geen bronnen), stapelt 257 hoofdstukken van zeer uiteenlopende lengte op elkaar, schiet heen en weer van vertellerstijd naar vertelde tijd en reageert daarbij ook nog op andere boeken en films over 'zijn' onderwerp, waarbij vooral het drie jaar oudere De welwillenden het moet ontgelden, al was het maar omdat de hoofdpersoon daarvan een geheel fictionele constructie is. Bovendien weet Binet zijn verhaal heel goed te versnellen en vertragen, te concretiseren en te vervagen, en heen en weer te slepen naar het historische dan wel het theoretische, tussen het feitelijke en het persoonlijk betrokkene. Mede door dat sterk afwisselende vertelritme komen de gruwelijke feiten van het nazionaal-socialisme ijzingwekkend hard aan. 

Bijzonder is dat toch: dat de werkelijkheid, die je al wel een beetje dacht te kennen, duidelijk(er) wordt door middel van de fictie. Zeker in dit geval, omdat Binet er aandacht voor heeft dat het leven, zelfs het über-georganiseerde nazi-leven, vol zit van stupide toevalligheden, onverklaarbare stompzinnigheden; dat houdt de menselijke maat erin, die de onmenselijkheid van de oorlogsmisdaden des te erger doet uitkomen.