Roman. Vertaald door Liesbeth van Nes. Meulenhoff, Amsterdam 2016 (oorspr. La septième fonction du language. Éditions Grasset & Fasquelle 2015). Hardback met stofomslag, 439 bladzijden, inclusief ‘Bronvermelding’.
Van Binet las ik in augustus 2018, met veel genoegen, HhhH (2010, Ned. vert. 2011), een boek dat ik, zonder stofomslag, voor niets of weinig op de kop had getikt. Gisteren, zeven jaar en en zes maanden later, lag er voor mij in een boekenkastje in de buurt een gratis exemplaar van De zevende functie van taal voor me klaar, mèt stofomslag, eveneens zo goed als ongelezen. Mijn lezershouding ten opzichte van de auteur Binet wordt kennelijk minder door gretige actualiteit dan door uiterst goedkope vertraging gekarakteriseerd.
Fijn, zo’n geschenk uit de hemel, want hoe epaterend de romans van Claire-Louise Bennett ook zijn, na een dagenlange obsessie met Checkout 19 was ik wel toe aan iets met wat meer verhaallijn, en deze tweede roman van Binet belooft volgens de achterflaptekst een pageturner te zijn, spelend in het Parijs van de jaren tachtig der twintigste eeuw in een milieu van universitaire filosofen, semiotici en post-structuralisten (als dat al verschillende groepen zouden zijn). Na nauwelijks vijftig bladzijden lezen heb ik reeds het gevoel dat dit inderdaad het literaire geschenk is waarop ik zat te wachten, waarbij meespeelt dat ik erg kan genieten van lichtelijk betweterig boven de gebeurtenissen zwevende auctoriale vertellers. Alles met mate, dat moge duidelijk zijn. En, iets heel anders, na dat vanVan Hengel, De Marcken, Van Hengel, Tokarczuk en Bennet, mocht er wel weer eens werk van een man op de leesplank (dit was geen overweging, maar domweg de uitkomst van het toeval; trouwens, op de e-lezer ben ik al eventjes bezig met de laatste Barnes, maar die schiet niet lekker op).
De roman ontplooit zich al snel als een tekstuele slapstick, met in de hoofdrol van het gooi- en smijtwerk politiecommissaris Jacques Bayard die de omstandigheden onderzoekt waaronder Roland Barthes is aangereden, een aanrijding die deze een maand later niet blijkt te overleven. Bayard heeft niet in de gaten dat hij in zijn professie niet onderdoet voor wat de universitaire semiotici en andere filosofen op tekstueel terrein presteren, wier werk hij evenwel afdoet als ‘vaag gelul’; met andere woorden op dezelfde pagina: ‘Epistemologie, m’n reet.’ Niet onverstandig dat hij een promovendus in de linguïstiek, Simon Herzog, in de arm neemt als secondant, assistent, geef deze Sancho Panza maar een naam.
Gaande het onderzoek heeft Bayard, die zelf in een 504 rijdt, niet door dat er steeds, waar hij ook gaat, een zwarte DS in de buurt is (de auctoriale verteller signaleert deze wel steeds, net als een blauwe Fuego met twee Japanners), maar voor de rest is de wijze waarop de politiecommissaris de werkelijkheid benadert, oftewel analyseert, weinig anders dan die van Barthes in bijvoorbeeld diens Mythologies. Ja, dit boek, ik bedoel: dit boek van Binet (dat van Barthes vond ik minder interessant), zou verplichte literatuur kunnen zijn op iedere opleiding in de humaniora. De theorieën van Barthes, Eco, Jakobson, Searle onder anderen komen goed aan bod.
Ook tien jaar na het verschijnen van deze roman (en 46 jaar na de tijd waarin de roman zich afspeelt) is ze nog actueel; het (al dan niet) bestaan van geheime genootschappen annex samenzweringen, machtswellust, fascisme en taalge- en -misbruik halen immers nog dagelijks de krant en een verondersteld linkse hobby als de semiotiek is op de academie gelukkig nog lang niet verdwenen.
Een / Parijs, p. 9-185, hst. 1-46
Ik kom terug op mijn woorden; dit boek is bij nader inzien niet geschikt als verplichte lectuur aan welke opleiding dan ook; het is alleen in het begin en dan nog slechts bij vlagen leuk en/of interessant. Goed geschreven, dat wel, op zinsniveau en zo, maar qua narratief en actie raakt het kant noch wal; het dobbert er maar op los in de oeverloze semiotische zee. Jammer.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten