2e uitgave, Vintage, 2022 (1ste, hardback-uitgave, Johnatan Cape, 2021). Paperback, 228 pagina’s (de twaalf pagina’s voorin, met blurb, iets over de auteur, een opsomming van ander werk, in dit geval alleen Pond, de titelpagina van dit boek, het colofon en motto’s, zijn niet meegeteld; de eerste pagina van hoofdstuk I, ‘A Silly Business’ heeft paginanummer 1. En nu ik toch bezig ben: pagina 5 eindigt met ‘Turning the page. Turning the page.’ en daarmee is de onderste zetregel perfect vol; pagina 6 begint met ‘Turning the page and holding the book a little higher.’ Wanneer kom je een dergelijke typografische kunstgreep nog tegen in een roman?)
Wonderlijk begin van een roman:
Later on we often had a book with us.
Meer in medias res kan je het haast niet krijgen. Wie de verborgen vertelster is, is me op pagina 6 nog steeds niet duidelijk; dat het een vertelster is, is maar mijn aanname en onder voorbehoud. Wie er met ‘we’ bedoeld worden, is ook nog niet duidelijk. De optie dat het zou gaan om de vertelster die samenzwerend met, althans tegen de lezer spreekt, raakt een beetje uit zicht wanneer ik lees: ‘When we open a book our eyes nearly always go over to the left page.’ Quod non, mompel ik dan op mijn beurt stil voor me uit. Maar het samenzwerende of instemming zoekende karakter blijft behouden, ook door de vele herhalingen (‘No. No. No.’) en bevestigingen (‘No, of course it didn’t.’) Een vleug onzekerheid klinkt voortdurend mee in de stelligheid waarmee allerlei observaties verwoord worden omtrent het lezen of juist het nog niet lezen.
Voorlopig, want er is nog geen kassa in zicht, houd ik het op een soliloquium, als ik de tekst zou moeten typeren. Maar het wordt al weldra duidelijk dat de vertelster met ‘we’ refereert aan haar jongere zelf plus broertjes en/of zusjes. Vervolgens, in het tweede hoofdstuk, schuift het perspectief door naar middelbare scholieren, en een van die scholieren is (in het vertel-nu) de 27-jarige vertelster (‘one of the girls was me’), maar wat weet zij eigenlijk nog van hoe zij toen was, vraagt ze zich nu af.
Het verhaal, als het dat is, knalt alle kanten op met soms klaterende kolderwendingen, zoals: ‘It made me think of the First World War, though many things then made me think of the First World War.’ Stream of consciousness is ook wel een goede typering van deze roman, maar dan een zonder de old school puntje-puntje-puntjes.
Het ontroerende eind van het tweede hoofdstuk, de passage waarin een docent een verhaal blijkt te hebben gezien dat de vertelster achterin een schrift heeft bewaard en waarin die docent vraagt of ze er meer heeft waarop zij hem er meer geeft die hij in het weekend leest en van commentaar voorziet waardoor zij zich voor het eerst eindelijk gezien voelt waardoor zij zich de kracht van het vertellen realiseert wat resulteert in een basale apologie van haar schrijverschap èn van haar existentie, maakt duidelijk dat deze roman ook te categoriseren is als een (poëticaal) coming of age verhaal, door de bank genomen een genre dat me de schrale haren te berge doet rijzen maar me in dit uitzonderlijke geval als gezegd ontroert.
Over haar ‘schrijven’ noteert de vertelster:
Here was a way of reaching someone, of being with them, when you were not and never could be. Here was where we met. Here was where the distinction between us blurred.
Vlak daarvoor zegt ze over haar eerste, dat door de docent gevonden verhaal:
something that I created, that I had, that I was – I couldn’t tell these things apart – it is the attention of a desired man or woman that will blurr the lines that distinguish them.
Het begin van de roman met de aanvankelijk onduidelijke referent van ‘we’ wordt hierdoor na zo’n vijftig pagina’s krachtig verhelderd. Inmiddels was je als categoriserende lezer al zo vertrouwd geraakt met de innemende, onzeker zoekende, vertellende hoofdpersoon dat je gewillig iedere neiging om aan een sullige middelbareschoolidylle te denken met gemak onder het tapijt suspendeert, ondanks de plaats van handeling. Zo althans vergaat het deze lezer. Een poëticale, althans proza-genetische, dus wellicht ook auto-fictionele laag schuift daar nu nog eens overheen.
Hoofdstuk III begint met uitgebreide maar niet erg zekere herinneringen aan het verhaal dat de ik-vertelster als begin-twintiger aan het schrijven was over een zekere (of beter: onzekere) Tarquin Superbus, van wie ze maar weinig feiten naar boven kan halen. Maar eraan denkend schrijft ze, terwijl ze over dat her-denken vertelt, eigenlijk alsnog het verhaal, nou ja, een soort Bennet-verhaal qua structuur over Tarquin Superbus, dus met alle zijpaden van dien.
Die Tarquin Superbus beschikt over een immense bibliotheek vol lege boeken, maar, zo weet een bevriende dokter, er staat wel ergens een enkele zin, dé zin, de zin die alles zegt maar niet gedeeld kan worden, een zin die het uiteindelijke licht is maar verdwijnt zodra ze is gelezen en elders weer verschijnt. Maar deze kennis over die zin, die staat niet in het verhaal waaraan de vertelster ooit was begonnen. ‘It seems in the retelling I have got carried away.’ Hallo, Bennett :))
Wat Bennett niet kon voorzien, was dat ik een tweedehands exemplaar lees van de pocket-editie van Checkout 19, een exemplaar waarin een vorige eigenaar, iemand in Utrecht, zo te zien een linkshandige, in december 2022 tal van sterren en strepen, opmerkingen, commentaren, notities, pijlen, vraagtekens, en andere marginalia, die ik niet of nauwelijks ontcijferen kan, heeft genoteerd, niet met potlood maar met een vette balpen met zwarte inkt. En dan lees ik op pagina 76, als de vertelster net tijdens haar werk als caissière aan kassa 19 een exemplaar van Nietzsches Beyond Good and Evil cadeau heeft gekregen van een rijzige Russische man met lang wit haar: ‘I was already holding a biro and then I was holding a book in one hand and a biro in the other since it seemed I should keep them apart’.
Een terugkerende notie is die van de dissonantie van iemands innerlijke wereld en de buitenwereld. Die notie is te verbinden met de opmerking dat ‘my mother’s mother and my mother’s mother’s mother had both spent time in psychiatric units and I knew my grandmother had had electroconvulsive therapy’, die op zijn beurt weer leidt tot dit standpunt:
It seems to me entirely indefensible that anyone ever thought it necessary and correct to sent an electric current blazing through the furrows of anyone else’s mind in order to dazzle the intimate blackness at its core into rapid extinction.
De verbinding lijkt me te schuilen in deze gedachte:
the blackness within you is stilled, is transfixed perhaps, when it has in its gaze the blackness without.
Maar ja, op deze manier pin ik een fluïde en associatief georganiseerde tekst veel te eenduidig vast op een samenhangende en eenduidige betekenis. Moet ik niet doen; ’t lijkt me beter om de eigen associatie toe te laten met Angel at My Table, de autobiografie van Janet Frame, want die speelde, merk ik, ook door mijn hoofd, met alle (sociale) onaangepastheid, psychiatrie en schrijflust.
Het wordt steeds gekker, deze leesgang. Zelden zoek ik informatie op over een referentie, maar als ik het een keer wel doe, krijg ik deze informatie via Wikipedia:
Like much of Bowles’s writing, Let It Come Down [1952] seems to be concerned with the danger and chaos which can result in being immersed into an unfamiliar society.
Hoe toepasselijk.
Maar goed: de vertelster leent dat boek uit aan een jongen wiens boeket bloemen van zijn fiets is gevallen en daarna geplet door een passerende SUV. Ze wil het boek wel terug, want heeft er met violette inkt zinnen in onderstreept. De vent blijkt er helemaal niet in geïnteresseerd, geobsedeerd als hij is door het voorval met zijn verpletterde bloemen. Maar hij neemt het aan en heeft het nooit teruggegeven. Zonde, want het lukt haar natuurlijk nooit meer om, na aanschaf van een nieuw exemplaar, er dezelfde zinnen in te onderstrepen: ‘you don’t ever step into the same book twice after all.’
Het vreemde is nu dat de vorige eigenaar van mijn exemplaar van Checkout 19 op de betreffende pagina (93) in zwarte inkt weer van alles heeft genoteerd, waarvan veel onleesbaar is behalve in de rechtermarge, als een Engelstalige Willem Kloos in Jacques Perks eerste manuscript van de Mathilde-cyclus: ‘This! I love this so much!’, en bovenaan de pagina dit ene woord: mijn voornaam. Serieus. Waar komt die vandaan? Hoe kom ik daar verzeild? Ik voel me onvrijwillig maar toch aangenaam opgezogen in een vreemde, tweede werkelijkheid, de meerdimensionale tekstuele realiteit waar ook ruimte is voor Ship of Theseus van V.M. Straka c.q. S. van J.J. Abrams & Dough Dorst.
Inmiddels is de vertelster naar Ierland verhuisd, na in London literatuurwetenschap, drama en psychologie te hebben gestudeerd (al worden deze stadia niet zo simplistisch beschreven). Inmiddels zijn er ook talloze opsommingen van boektitels en auteurs gepasseerd en is het tijd voor een welbewuste eenzijdige, exclusieve focus op literatuur van vrouwen. Dit volgt op een vakantie in Florence, omdat ze A Room With a View had gelezen waar een reflectie op de positie van de vrouw bij past, die eerder ook al aan bod kwam naar aanleiding van een negentiende-eeuws schilderij van een arts die vrouwen in een gesticht ‘geneest’ en dat de vertelster razend maakt om dat de maatschappij, ingericht door mannen, vrouwen gek maakt, ze zijn dat niet zomaar vanuit zichzelf; het komt door de (masculiene) sociale druk, conventies, dwang.
Zo gaat het met dit boek: achteraf pas blijken zich lijnen af te hebben getekend; je ziet ze niet aankomen; ik niet, althans. Maar dat is niet erg. Dit doet me eraan denken dat er ergens (nee, echt, ik weet niet meer waar) een reflectie staat door de vertelster op haar manier van tekenen, wanneer ze achterin een schrift tijdens een saaie les van een invaldocent een tekening maakt van zijn hoofd: het gaat er haar niet om dat ze een goed gelijkend beeld van die man creëert, maar dat ze door middel van het tekenen relevante aspecten van (misschien ook uit) die man naar zich toe haalt (dat deed mij denken aan het werk van Alberto Giacometti; als de schrijfster gaat dwarrelen, mag de lezer het ook).
Dat doordringende, het door de realiteit heen dringen, geldt misschien ook voor haar vertellen: het is haar niet te doen om een realistisch beeld te geven maar om een beeld te krijgen van haar ervaringen en gedachten zoals die er in haar zijn, zoals die zich voordoen in haar.
Ze heeft een vriend gehad, die dacht dat ze beschadigd was en die daarom het werk van sommige schrijfsters, zoals Virginia Woolf, Anne Sexton en Sylvia Plath, van haar weg probeerde te houden. Maar zij reageert heel eigenzinnig op zijn vreemde gedrag:
I am not interested in reading books written by women who killed themselves. I think it is very likely that I will one day kill myself and if I do I want it to be all my own idea.
Wat inmiddels een vrij moeilijke opgave lijkt.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten