zondag 21 februari 2010

Hélène Gelèns, zet af en zweef

Hé'lène Gelèns, zet af en zweefgedichten. Cossee, Amsterdam 2010. Paperback, 64 bladzijden.

Hoe gaat dat? Ik las een recensie, geschreven door Piet Gerbrandy in De groene Amsterdammer (waarom schrijft die nog maar zo weinig in de Volkskrant). En die was enthousiast. En wat ik erin las beviel me, zowel de beschrijving als de citaten. Terwijl: hoe duidelijk zijn recensies, althans waar het gaat om het eruit halen van een aan- of afbeveling die voor mezelf geldig zou zijn? Ik kende Hélène Gelèns' werk niet. Al denk ik nu, achteraf, dat ik haar toch al wel eens gehoord had via VPRO boeken. Een luchtig gesprek met Anton de Goede, waarin ze, zonder poeha, zegt dat ze tijdens het ontstaan van een gedicht als 'Stamel de naam' (uit haar debuutbundel Niet beginnen bij het hoofd uit 2006) dacht: 'Wat komt hier te staan? Ja... Waar gaat dit eigenlijk over?' Niet makkelijk maar ook niet dikdoenerig-moeilijk.

Ook de titel van de bundel is de moeite waard. Waarom, weet ik niet. Het zullen wel weer allerlei eraan verbonden associaties zijn, onder andere; al krijg ik er nu geen verwoord. Oh jawel: Sta op en wankel, van Ingmar Heytze. Maar qua poëzie hebben die twee weinig gemeen. De poëzie van Gelèns lijkt, voor zover ik het nu kan overzien, niet op andere poëzie.

Een afbeelding van het prachtige (en sterk aan de inhoud gerelateerde) omslag, gemaakt door Marry van Baar, was het nauwelijks nog nodige zetje over de drempel van De literaire boekhandel aan de Lijnmarkt. En enkele dagen later, vanochtend, heb ik tweemaal achtereen de bundel gelezen. Voorlopig oordeel: mooi en/want dit is heel eigenaardige poëzie. Dat bedoel ik dan wel letterlijk. Deze poëzie heeft een heel eigen aard. Het is dus maar beter geen vergelijkingen te trekken, ook niet te zeggen dat deze poëzie soms het luchtiger zusje van Hans Faverey lijkt. Dat slaat nergens op, al schoot me wel door het hoofd. Misschien omdat de eerste afdeling gaat over 'ongeremd rennen'; weerbarstige bespiegelingen van een hardloopster, zoals ooit die roeiers, doch dan zonder 'zich', maar: 'de hel is een stilgezet hier' (nauwelijks hoofdletters en interpunctie, inderdaad). Maar Gelèns klinkt zo veel beweeglijker: 'taklijn lintlijn (sprong) taklijn lintlijn (sprong)', een regel die alleen maar goed te lezen is als slotregel van het hele gedicht 'hoe boven alles uit', dat gaat over de dreiging van een champagneflûte, die in een boom hangt. Maar als ik het zo beschrijf, lijkt het nergens op. 'Een goed gedicht kun je niet navertellen', wordt Gelèns terecht achterop haar eigen bundel geciteerd.

De gedichten van Gelèns zijn zeer vrij gevormd, en zeer ritmisch en soms taalspelerig ('rennen en wennen alsof / mijn zweven ervan afhangt?'), maar niet te veel, dus prettig. Sommige lijken vooral conceptuele experimenten, bijvoorbeeld dit deel van de cyclus 'cirkels, cirkelen' (daar is het omslag) uit de gelijknamige laatste afdeling:
willekeur

stip! het maakt niet uit waar niet wanneer hoe
geconcentreerd, stip! als je maar niet spiekt

je neemt een pen, een leeg vel papier
sluit de ogen, stip in het wilde weg
het vel vol stipstipstipstip flink doorstippen

leg de pen neer na een minuut of twee
open je ogen en zie: veel stippen
met staarten! haha geen probleem

trek een cirkel, het maakt niet uit hoe wanneer
waar op het vel, tel netjes binnen de lijn
elke stip elke aanzet van een staart

proficiat, je nam zojuist een steekproef!
(hoe groter je cirkel hoe beter de proef
de gemiddelde stippendichtheid nadert)

Omdat het me moeilijk valt deze gedichten te typeren, nog maar een zinloze vergelijking, zodat ik dan het betreffende gedicht kan citeren. Het eerste van de zes delen van 'de afzet voor het zweven' lijkt, louter naar de vorm, op 'Zeiltocht' van Gerrit Achterberg. Wanneer zie je nou een gedicht van die vorm? Voor Achterberg: zie deze ge-animeerde verweving van verschillende versies door A.J. Udo de Haas. Gelèns' gedicht gaat niet over zeilen maar rennen:
neem uit ongeremd rennen één stap
uit de stap de afzet voor het zweven
bevries in dat moment - een en al ren
wen! almaar deze stap almaar deze
afzet deze knerp van het grind almaar dit
ver naar achter gestrekte been almaar
deze loeiende druk op je grote teen
deze miezelregen op je wang
die rijpe dauwbramen
die flard parfum
wen

Er zit veel gebiedende wijs in zet af en zweef; maar geboden zijn de gedichten niet. Aanbevelingen, aanmaningen, aansporingen, zodat er de overgang van taal naar daad in schuilt.

dinsdag 5 januari 2010

Koen Peeters, De bloemen

Roman. Amsterdam-Antwerpen, Meulenhoff-Manteau. Paperback met stofomslag. 236 blz.

Toen ik het omslag zag, werd ik al vrolijk. Toen ik het boek opensloeg in de winkel, nog meer, want op het schutblad voorin sprankelen die bloemen vrolijk verder. En het motto is in helderrood gezet, met in zwart de bron eronder. Ook op de inhoudsopgave heeft iemand zijn typografische best gedaan, met rubriekrood en zwart. Nu, dat is blijkens het ingelegde kaartje ene Dooreman. Mooi werk, dat zich ook best tot aan de hoofdstuktitels had mogen uitstrekken.

Koen Peeters ken ik alleen van naam, niet van lezen. De keer dat leesclub Transitie zijn Grote Europese roman las, kon ik er niet bij zijn; en als ik er niet bij kan zijn, voel ik me ontslagen van lezensplicht; er is genoeg ander werk dat nog op de stapel ligt. Maar de kans is groot geworden dat ik die schade in ga halen. Maar misschien ga ik eerst De bloemen herlezen.

De bloemen is een mooi boek, ondanks de wat domme titel en de dito hoofdstuktitels (bijna allemaal bloemen). De ondertitel is 'roman' en in een bronnenvermelding staat: 'Niets is waar in deze roman. Hij is hooguit zeer losjes geïnspireerd op familieverhalen' en dan volgen de nodige handschriftelijke bronnen en publicaties van de hand van verschillende Peetersen. Het boek is dus net zo onwaar als Lanoyes Sprakeloos of Arthur Umbgroves Midden op de weg zo hard mogelijk. Maar dat laatste boek fors is minder goed. Lanoyes prachtroman is minstens evengoed als deze Peeters, waarschijnlijk uiteindelijk veel beter omdat Lanoye meer schmiert, en dat lees ik graag (vandaar nog steeds mijn voorkeur voor Robert Ankers Een soort Engeland, nog zo'n onware roman).

De bloemen is eigenlijk een heel gewone streek- en familieroman. Onderwerp is een generatie of drie Peetersen in de Belgische Kempen. De roman is ook gewoon in zijn afwijking van die twee burgerlijke genres: de ik-verteller is ook een Peeters en dringt zich regelmatig tussen de personages op als de verteller, sterker, de schrijver. Dat maakt de roman dus meteen tot een tigdubbelroman: een zelfportret en een familieportret en een streek- en tijdsportret en ook een zelfreflexieve roman met surreële trekjes doordat de doden zich met het schrijven proberen te bemoeien, er in ieder geval naar vragen, hoe het ermee gaat. Maar alles op een heel ongedwongen wijze, zonder dikdoenerij, zonder mooischrijverij. Maar wel met veel liefde en aandacht voor mensen en omgeving. Alle leugens, bedrog, en geweld die daarbij horen, worden niet verzwegen, maar ook niet op het eerste plan gesteld. Van epateren geen sprake.

Gek genoeg doet de roman ook aan Dichtertje van Nescio denken, omdat steeds maar weer God een rol speelt, ook op die familiair-vertrouwde toon als van Nescio. De verteller zelf heeft niet zo veel met God op, maar kan, al was het maar wegens zijn christenpolitieke vader en zijn traditioneel-katholieke grootmoeder, niet om hem heen. Het laatste hoofdstuk, niet ten onrechte 'God, bis' getiteld, is zelfs een ruim elf bladzijden lange monoloog tot die God. Omdat dat slot nog niet lekker is gevallen in mijn lectuur, denk ik dat ik dit boek maar eens gauw lekker nog een keer ga lezen.

vrijdag 1 januari 2010

Erwin Mortier, Godenslaap

11e dr. De Bezige Bij, Amsterdam 2009 [1e dr. 2008]. 406 pagina's.

Om een lang verhaal kort te maken (mirabile dictu in deze context): na vijftig bladzijden ging ik cursorisch lezen. Na honderd ging ik gapen. Na honderdvijftig was er nog niets voorgevallen, terwijl ik vernomen had dat deze roman over de Eerste Wereldoorlog zou gaan. Na tweehonderd ging het boek dicht. Ik houd van lang uitgesponnen zinnen en vertellingen, maar dan moet er wel schot in zitten, moet het wel ergens over gaan. Dit boek is als een Bahlsencake: van buiten bol van binnen hol.

Het gaat niet goed tussen mij en prijswinnende literatuur. Eerst Müller, nu dit weer. Wat een deceptie. Een maandje geleden, toen de Goedheiligman me deze roman geschonken had (omdat ik die op m'n lijstje had staan) zag ik uit naar deze lectuur, waarschijnlijk op grond van des schrijvers faam (kijk maar: 'Mortier schrijft zo goed dat je geneigd bent al het andere als bijzaak te beschouwen', dixit Arjen Fortuin in NRC-Boeken), wat vluchtig gelezen loftuitingen (kijk: 'een schitterende en bij vlagen poëtische taal' zegt Thijs Kramer op 8weekly) en een toegekende Tzum- en AKO-prijs, mede wegens zijn 'overweldigende en overrompelende taal'. Voortaan beter opletten.

Neem de Tzumprijswinnende zin (pas op: hier wordt een kort verhaal lang):
Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg - hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.
Ik kan me bij nader inzien niets voorstellen bij iemand die de cadans (dat is te zeggen: de ritmische beweging of klank) van zijn of haar eigen handschrift volgt. Die metaforische cadans is er pas als je iets geschreven hebt. Achteraf dus. Die kan je, ergo, niet volgen.

Of moet ik dit wat ruimer zien? Dan nog had ik liever iets gelezen van iemand die met haar schrijvende hand haar gedachten als het ware volgt. Daar houd je als lezer iets aan over. Als iemand haar handschrift volgt, krijg je hooguit vorm.

Verder. Wat is 'gestolde [...] wellust'? Wellust is een abstractum, dat impliciet eerst voorgesteld is geweest als vloeibaar (wauw, dat moet de inkt zijn), maar dat hier alleen in zijn gestolde vorm wordt gepresenteerd, namelijk 'letters'. Wellust gestold in letters? Blauwe klontjes afgekoelde wellust? Smakelijk.

Maar wat is 'kwezelachtige wellust', als het geen klinkklare onzin is? Of moet ik de woordgroep ruimer zien: de gestolde wellust van een kwezelachtig meisje? Stuk duidelijker? Ik dacht het niet. En kan je iets zoeken als je een cadans volgt? Of moet je je bij zoeken wat onafhankelijker opstellen?

'Het meisje dat ik ooit geweest moet zijn'. Klinkt literair, maar dat kan iedere volwassen vrouw zeggen, met of zonder geheugenstoornis. Het zegt helemaal niks. Oh wacht: het meisje wordt nader bepaald als 'het wicht', en dan niet zo maar een wicht, maar een wicht 'op de drempel van haar adolescentie'. Ja, anders zou het geen wicht, geen kind meer zijn. Mortier kent zijn Genette en verkent de grenzen. Vandaar die drempel.

Dit kwezelachtig, wellustig drempelwicht trok 'haar schriftuur' (want het woord 'handschrift' was al gebruikt, verandering van woord doet schrijven) trok haar schriftuur strak aan. Mij wondert hoe daar ooit andere dan sadistische wellust in te vinden kan zijn, laat staan wellust van de kwezelachtige soort.

Vergelijking bij strak aantrekken: veters in laarsjes. Verkleinsuffix wegens wicht? Maar een wicht op haar adolescentiedrempel heeft toch al gauw een maatje 36? Dat zijn best aanzienlijke laarzen. Maar goed: het is in deze roman nog vroeg in de twintigste eeuw: we weten nu dat het wicht à la mode rijglaarzen draagt. Maar, dacht de literator, waarom maar één woord gebruiken, als het ook met drie kan? 'Veters' is niet goed; 'lederen veters' is al beter; en 'dunne lederen veters' is best. Pas echter op met het strak aantrekken ervan: ze knappen makkelijker dan dikke katoenen. Allemaal ruis dus.

En dan buigt dit toch al gewrongen geheel terug naar het schrijven: 'het vlees van het woord' wordt gedwongen 'in de baleinen van de zinsbouw'. Kijk: 'baleinen', daar heb je wat aan; dat zijn nog eens stevige dingen, daar kan je een korset strak mee aantrekken. Jammer dat het hier over dunne lederen laarsveters gaat.

Hoe een mens het vlees van het woord (Johannes nog aan toe) zo strak in de zinsbouw kan trekken dat het eigen lijfsvlees met striemen en al uit wil breken... uit die laarsjes of uit die zinsbouw? Linguistisch sadomasochisme? Maar nee, niet dat lijf verlangt naar uitbraak, maar ze, de woordvoerster van deze roman. Opgesloten in de cadans van haar eigen striemende stolsels.

maandag 28 december 2009

E.H. Gombrich, Een kleine geschiedenis van de wereld

10e dr. Bert Bakker, Amsterdam 2009. 299 blz. [1e dr. 2006; oorspr. Eine kurze Weltgeschichte für junge Leser, 1985] [nog oorspronkelijker verschenen in 1935].

Daar was ik tijdens het kerstreces even aan toe: een knoert-eenvoudig boek dat zonder nuancerende, ironiserende, postmodern-zelfrelativerende omwegen knalhard en uiterst verstaanbaar eventjes vertelt hoe het was met de mens, vanaf de oertijd, hoe het verder ging, en waar we nu ongeveer zijn. Alles op een rijtje. Zeer belerend, zonder moeilijk doen. Geen noten, geen literatuurlijst, geen bronnen. Ook geen plaatjes trouwens, alleen enkele heel lelijke kaartjes, zonder enig bijschrift (waar ik de uitgever toch wel een berisping voor zou willen geven). Alleen maar de grote bekende gebeurtenissen, in een betrekkelijk helder verband gepresenteerd. En waar nodig wordt er iets verteld waar we een bekende naam aan hebben te danken. Ik ben weer helemaal opgefrist.

Af en toe viel ik tijdens het opfrissen overigens wel van m'n stoel vanwege het hoog gehalte eurocentrisme en de ongereflecteerde judeo-christelijke voorkeuren en het, naar ik maar aanneem, volkomen onbewuste voorloorlogse mannelijk chauvinisme; maar daar zal de afstand van ruim 74 jaar wel debet aan zijn. Ook dat is geschiedenis.

Opmerkelijk is dat de inleidende tekst op het achterplat niet overeenstemt met het voorwoord. Achterop heeft de uitgever laten drukken dat Ernst Gombrich in 1935 (hij was toen 26 jaar oud) door een kennis werd 'gevraagd of hij een wereldgeschiedenis voor een jeugdig publiek zou kunnen schrijven.' Maar kleindochter Leonie Gombrich schrijft een leuker verhaal. Zij vertelt in haar voorwoord dat de werkloze, net gepromoveerde Ernst Gombrich door 'een bevriende jonge lector' gevraagd werd 'een Engels geschiedenisboek voor kinderen' in te zien, 'om het eventueel in het Duits te vertalen. [...] Mijn grootvader was niet onder de indruk van het boek en zei tegen de uitgever, Walter Neurath [...] dat het niet de moeite loonde het boek te vertalen. "Ik denk dat ikzelf een beter boek zou kunnen schrijven," zei hij tegen Neurath, waarop die hem vroeg eens een hoofdstuk op te sturen.' (p. 17) Dat beviel wel, en vervolgens moest Gombrich zien zijn boek in zes weken te schrijven, opdat de oorspronkelijke planning van de uitgever niet in de war zou raken.

Ook opmerkelijk is dat de titel van het boek niet geheel vertaald is. Het element 'voor jonge lezers' ontbreekt, terwijl het wezenlijk is voor het boek dat het gericht is tot en op en aan kinderen, plusminus eerste klassen middelbare school, of zelfs hoogste klas basisonderwijs. Gombrich gaat namelijk om alles maar duidelijk te maken bereidwillig tot zeer ver over zijn enkels door de knieën (als ik even deze mooie didacto-pragmatische hyperbool van Erwin Mantingh mag lenen). Hij zei er dit nog over: 'Ik wil benadrukken dat dit boek niet was en is bedoeld om de geschiedenisboeken op school te vervangen, want die dienen een geheel ander doel. Ik wil graag dat mijn lezers zich ontspannen en de geschiedenis lezen zonder dat ze aantekeningen maken of namen en dat moeten onthouden. Ik beloof dat ik ze niet zal overhoren.' (p. 20) Overhoren doet hij inderdaad niet, maar hij kan het niet laten om toch steeds dingen in herinnering te roepen en terug te verwijzen naar eerder vertelde onderwerpen. Moet een heel aardige man geweest zijn.

Niet minder opmerkelijk is dat dit boek werd geschreven in 1935. Achteraf lijkt het idioot om net voor de Tweede Wereldoorlog een alomvattende wereldgeschiedenis te schrijven. In een latere uitgave, in 1985, heeft Gombrich wel nog een hoofdstuk toegevoegd waarin de Tweede Wereldoorlog ter sprake komt, maar dan in een soort nawoord, waarin hij in bedekte termen zijn verbijstering erover uitspreekt dat hij eerder had gehoopt te kunnen schrijven 'dat de "werkelijk nieuwe tijd" pas begon toen de opvattingen van mensen zich niet meer richtten naar de brute levenswijze en daden uit vroeger tijden. Die nieuwe tijd begon toen de ideeën en idealen van de zogenaamde Verlichting in de achttiende eeuw zo algemeen werden dat men ze sindsdien vanzelfsprekend achtte. Toen ik dat schreef, kon ik me niet voorstellen dat men nog eens zou overgaan tot het vervolgen van mensen met een ander geloof, dat men bekentenissen door middel van foltering zou afdwingen en zelfs de mensenrechten met voeten zou treden.' (p. 291) Dat noemt hij een 'treurige stap achteruit'. Het is wel zuur nu vast te moeten stellen dat we wereldwijd gezien 24 jaar later eigenlijk nog steeds geen stap meer vooruit zijn gekomen.

Herta Müller, Hartedier

uit het Duitse vertaald door Ria van Hengel. 2e dr. De geus, Breda 2009 [1e dr. 1996; oorspr. Herztier 1994] 216 blz.

Het boek met het oranjeïge omslag ligt op de tafel. De stugge hardcover met het stofomslag ligt op de tafel. De roman met de stomme titel ligt op de tafel. Ik zit op de bank. Misschien is het boek met het oranjeïge omslag op de tafel een stugge hardcover. Misschien heeft de roman met de stomme titel een oranjeïge omslag. Misschien staat de bank bij de tafel in de salon. Misschien ligt de oranjeïge, stomtitelige stugge hardcover op de salontafel.

De witregel slaat als een pokdalige tang op een luizig varken met klaporen. Het luizige varken met klaporen houdt niet van stugge hardcovers. Stugge salontafels hebben stomme omslagen. Het schiet niet op.

Het waait. De oude tante met het paardenhaar zit stug op het lelijke omslag. Yourik slaat het boek hard grondig dicht. Dat was niet nodig. Als hij het loslaat, klapt het vanzelf dicht. Ook als hij pas halverwege is. De oude tante met het paardenhaar kijkt stug de andere kant op.

Zo kan het nog lang doorgaan. Elke zin is er een. Stug volhouden, zei Herta harteloos tegen de dieren.

vrijdag 27 november 2009

Tom Lanoye, Sprakeloos

2e dr. (paperback met flappen) Prometheus, Amsterdam 2009 [1e dr. (gebonden) 2009]. 360 bladzijden.

Sommige boeken schrijven hun eigen recensie. Dit met zijn titel. En met de blurb achterop. Het 'Hartverscheurend en hilarisch' van De morgen is me weliswaar wat al te zeer allitererend aangezet, maar in 'Moeiteloos naast het beste van Claus en Boon' van De tijd kan ik me, voor zover ik die vergelijking met recht en reden kan maken, zeer wel vinden (Claus zal wel vooral door de hoofdrol van de moeder zijn ingegeven; de vergelijking met de deels zelfreflexieve, exhuberante spraakwatervallen van boontje is zeer op zijn plek); 'Meesterlijk mooi. Vijfsterren-boek' zegt Cutting Edge, daarmee, net als De morgen, het woordenklankplezier van Lanoye papegaaiend, helaas in combinatie met een verfoeilijke boekenbijlageclassificatie; met (opnieuw) De tijd: 'Het mooiste wat Lanoye ooit schreef', wil ik wel, maar durf ik niet in te stemmen, omdat ik niet echt alles van Lanoye las, en van Het derde huwelijk bijvoorbeeld ook erg heb genoten.

Dit is een kostelijk boek. Geen regelrechte roman, geen auto- geen biografie, geen loutere ode, wel bijna een epos. Met de moeder, met al haar onaangename kanten erbij, als middelpunt en heldin, ook al zijn haar daden dan niet eens zo groots. Dat is wel het taalverhaal waarmee Lanoye haar hier eert, herinnert en bewaart. Episch is ook de langdurige voorgeschiedenis, het zich maar niet hebben kunnen/durven zetten tot het schrijven van dit boek dat in dit boek mede wordt beschreven; eigenlijk begint het verhaal over de moeder pas op bladzijde 74. Episch ook de (indirecte) beschrijving van het (naoorlogse) leven in Sint-Niklaas dat met het leven van de moeder mee komt; episch ook de aanroeping van de muze ('Come on, Johnny. Kom en graaf in mijn memorie. Grijp het stuur van mijn bolide en leid me, bégeleid me, op die winterse rit van toen'), episch ook het equivalent van wat in de theorie van de epiek wel heet 'the catalogue of ships', hier een lange lijst van Sint-Niklazenaren, waarvan ieder item begint met 'Daar was' of 'Daar waren', een schaamteloze waslijst, die vierendertig pagina's lang is.

Tegelijk is Sprakeloos een heel grote, lang aangehouden, lyrische monoloog, waarin de lezer expliciet door de verteller wordt betrokken. Dat, en het schaamteloos bandeloze van dit boek, deze voortdurende demonstratie van het tegendeel van het adagium dat 'less' 'more' zou zijn, maakt het tot zo'n daverend festijn, ondanks alle ellende die erin beschreven wordt. En al lijkt Sprakeloos met z'n vele uitweidingen, en passages tussen haakjes, en terloopse toevoegingen, en tussen vierkante haken apart gezette commentaren, en afwijkingen van de chronologie der gebeurtenissen op een plas, een zee, een chaos, een kuip mortel die van een stelling valt, alle onderdelen haken stevig in elkaar en zijn weloverwogen gedoseerd en geplaatst, zoals de dood van 'de Lastigste', en de coming out van de verteller, die chronologisch vroeger had gekund, maar in deze vertelling zo is gemonteerd dat de reactie van de moeder wel heel navrant is, waardoor de sympathie die je als lezer voor haar hebt gekregen, op het laatst nog bijna vergald zou kunnen worden.

Het is veel ellende in dit boek, met veel dood: broer, vader, moeder, om maar enkelen te noemen, en dan die beroertes, de razernijen, het taalverlies van de moeder, de opnames in inrichtingen. Dat een mens daar zo'n gloeiend verhaal van weet te maken. Misschien ben ik een bevooroordeeld lezer. Ik ben even oud als Lanoye, en denk: dit boek is '"het leven zoals het leven is"', maar dan wel heel goed verteld.

zondag 18 oktober 2009

Maria Stalie, Boogschutters

Maria Stahlie, Boogschutters Copyright Foto: F. Stolk, Utrecht Prometheus, Amsterdam 2008. 352 bladzijden, 9 hoofdstukken.

De crisis is overal. Zie mij, ik leen een boek in plaats van het te kopen. Men kan ook zeggen: verstand komt met de jaren. Misschien dat daar ook bij hoort (bij crisis zowel als verstand) dat ik in de afgelopen dagen heb besloten de lat van Klasse! lager te leggen. Er kwam me de laatste tijd al te weinig overheen. Vooralsnog leg ik de schuld dan maar bij mezelf, mijn al te benepen smaak, 'ofzoo', om Gerrit Achterberg maar weer eens aan te halen, want dit is niet goed geschreven. En laat ik die lat meteen ook maar wat vaster leggen, zodat ook veel van wat er tegenaan tikt er alsnog overheen kan komen (zij het met een blauwe plek). En wat het echt niet haalt...

Aan Stahlie's De lijfarts meende ik goede herinneringen te hebben: een echt heel dikke pil, waarin de vertelling niet erg op wilde schieten, en juist dat was er de kracht van, plus dat vreemde, in zichzelf gekeerde hoofdpersonage bij wie ergens een ferme steek los zat, plus nog iets anders wat ervoor zorgde da ik steeds maar verder wilde lezen, met zo'n popenkastspanning, vanuit het publiek roepend: nee, nee, kijk daar nou... achter je! Vandaar dat ik goedgemutst aan Boogschutters begon, eens te meer omdat ik me kort hiervoor enigszins verdwaasd door De bewaker van Peter Terrin had geslagen: ik was wel toe aan een verhaal, met mensen en gebeurtenissen in een echte ruimte en echte tijd.

Het was me ontschoten dat De lijfarts al in 2002 was verschenen; ik las het ruim zeven jaar geleden, want op 10 juni 2002 noteerde ik er een verslagje van. Nu ik het teruglees (deel IV van het boekenboek), zie ik dat mijn waardering zeker niet onverdeeld positief was (lijvig, hier en daar zwaarlijvig; weinig raffinement, veel herhalingen en dei ex machinae, en: 'de motieflijnen ligen niet bepaald onderhuids').

Het zal duidelijk zijn: mijn muts zakte gedurende het lezen van Boogschutters steeds verder van zijn plek, en zakte uiteindelijk diep over mijn vermoeide ogen. Wat jammer. Wat jammer.

Het begon zo goed. Ik leende het boek in de Utrechtse gemeentebibliotheek. Een lekker dik boek (zo volumineus als Knuvelders deel I), dat door anderen al helemaal is scheefgelezen, grauw en groezelig op snee, maar met een pront omslag. En, wat ik helemaal niet gewend ben, een categoriserend stickertje op de rug. Alsof het boek uit de kast van een neurochirurg komt, maar bedoeld is, denk ik, dat het gaat om een psychologische roman. Ik kreeg bij aanblik van de biebboekruggen haast de neiging om thuis eens te proberen of ik dat zou ook durven: al m'n romans te categoriseren... psychologisch, oorlogs, detectiefs, humoristisch, spannends e.t.q. Maar het resultaat zou waarschijnlijk zijn dat die categorisering volkomen nietszeggend is: of ze zijn allemaal van het zelfde laken, of het zijn allemaal totaal verschilende pakken, of de pakken zijn van allerlei lakens en zelfs niet allemaal pakken. Denk ik.

Boogschutters is een vreemd boek, niet alleen omdat het inderdaad een psychologische roman is (ik begrijp het stickertje nu wel: er gebeurt weinig in zo'n roman, maar iedereen, van oma tot kleinkind, van eerste tot ex-echtgenote, van buurman tot dorpeling, denkt er iets van en uit dat in gedachten en/of woorden, mondeling en/of schriftelijk, en anderen horen/lezen dat dan weer wel en/of niet, zodat ze elkaar wel en/of niet begrijpen en denken te begrijpen).

Boogschutters is vooral een vreemd boek omdat het lyrisch is: er is een ik-verteller die tegen een ander praat, zijn verdwenen geliefde. Ik blijf dat vreemd vinden voor een roman, al realiseer ik me dat Begeerte heeft ons aangeraakt ook zo'n roman is. Het kan dus wel. En er zullen wel meer voorbeelden van zijn. Maar in dit geval bleef het me maar storen dat er een verteller zit te vertellen tegen iemand die er niet bij is en die ikzelf in ieder geval niet ben; ik heet niet Françoise, zodat ik me voortdurend buitengesloten voel bij het lezen; ik voel me niet eens een mogelijke invulling van de geïntendeerde lezer. Gelukkig heeft Stahlie geprobeerd die monotone lyrische uitsluiting te doorbreken. Haar hoofdpersoon is een schrijver (toch niet echt de meest interessante professie voor een personage in een roman; daar zijn er al zo veel van). En die schrijver gaat er af en toe toe over om zijn relaas aan Françoise in de vorm van een vertelling te gieten. En dan kom je dus in een soort ingebedde vertelling over Françoise en Alex terecht. Een beetje flauw, maar het doorbreekt die monoloog, en je mag als lezer weer enigszins meedoen.

Boogschutters is ook vreemd, doordat het wanstaltig (en dat bedoel ik ook zo: onwelvoeglijk) pathetisch is, zelfs al in de wijze waarop het met de deur in huis valt:

Françoise, ik smeek je: kom terug!
Pagina 9; cursivering, uitroepteken en nodeloze telling - 'ik smeek je' - allemaal conform origineel). Mogelijk nog erger is de daar direct op volgende zin:

Dat zijn de woorden die ik om twaalf uur middernacht, klokke nieuwjaar, met de slappe wijsvinger van mijn rechterhand in het beslagen woonkamerraam trok.

Ware dit het begin van een debuut, ik hadde het boek onverwijld naar de uitleen teruggebracht en wenend teruggedacht aan het verspilde leengeld en het moois en goeds dat ik daarmee had kunnen doen, in mijn handen verbitterd het inleverbewijs verwringend.

Achteraf is me duidelijk dat de toon hiermee gezet is. Maar omdat het crisis is, had ik me voorgenomen mild gestemd te zijn en Boogschutter net als De bewaker een eerlijk proces te gunnen: lezen, doorlezen en uitlezen. Ik ben onder de indruk van mijn wilskracht en doorzettingsvermogen in dezen.

Het boek uit, had ik geen zin meer terug te zoeken wat precies de formulering was waaromheen het gebouwd is. Toen bedacht ik me dat deze auteur, gezien de talloze herhalingen in het boek en gezien de even talrijke cursiveringen van kennelijk van belang geachte passages, geen middel ongebruikt zou laten om de boodschap erin te hameren en keek op het achterplat. Daar staat in een forse, schreefloze letter:

De woorden en daden van een mens kunnen vergeleken worden met de pijlen van een boogschutter. De meeste mensen zijn wereldse boogschutters en hun pijlen, vanaf de mond geschoten, komen geregeld in de buurt van het beoogde doel. Een enkeling echter is in staat zijn boog tot aan het oor te spannen. De zinderend-zingende pijlen van zo'n metafysische boogschutter slaan wónden in hun doelwit.

Inkoppertje. Sommige boeken reiken hun eigen recensie aan.

Op het diepst van zijn ellende gekomen, besluit Alex niet verder te vertellen, maar het schrift, sorry: het zwarte schrift van zijn dochter Lisette te lezen. En ja, op pagina 272 begint wat Lisette van dertien jaar geschreven heeft. Dat duurt maar liefst tot en met bladzijde 333. Een vertelling van dik zestig pagina's binnen een roman kan goed werken, maar in al dat geschrijf van Lisette van dertien - de auteur doet ook nog eens haar best de stijl van een dertienjarige na te bootsen, helaas, met gaandeweg steeds vaker een uitroepteken aan het eind van een machteloze zin - in al dat geschrijf worden de gebeurtenissen van pagina 9-271 opnieuw verteld (quadratuur van de herhaling), nu dus door Lisette, maar dan nog: niets nieuws onder de zon, vrijwel niets nieuws. Slaapverwekkend deze perspectiefwisseling. De auteur denkt er nog wel aan Alex te laten vertellen, aan die Françoise weer, dat hij de woorden van Lisette heeft overgeschreven (we lezen immers quasi alleen maar dat wat Alex schrijft). Op deze manier:

Dit is wat ik ging doen toen ik me eenmaal aan mijn bureau had geïnstalleerd: ik begon het schrift van Lisette in mijn eigen blocnote over te schrijven. (p. 339)

Hoeveel stijl- en vertelfouten kan je in één zin maken?

Dat ingelaste geschrift van Listte is geen uitweiding (die op zich wel nodig is, omdat in de hoofdstukken ervoor over Lisete steeds vaker werd verteld dat ze vreselijk uit de rails was gelopen, zonder dat erbij verteld werd hoe dat dan wel was gebeurd), het is een heuse mise en abyme. Geen lezer zal dat ontgaan, want op p. 335 vertelt Alex:

Luister naar wat ik bedacht, luister naar een paar van de wereldse pijlen die ik op mijn geknakte boog had in reactie op de woorden van mijn dochter. Ik wist [...]. Ook wist ik [...]. En dit: [...] Lisettes toon had me - op mijn dieptepunt en voor het korte moment dat ik nog te leven had - losgebroken uit mijn versteende staat, uit de kluisters van mijn fossiele ego. Mijn dochter, mijn dochter de metafysische boogschutter.

Misschien speelt mee dat ik een Ram ben?