zaterdag 14 mei 2011

Excuses voor het ongemak (of zo)

Foto ontleend aan http://www.m-voorloop.nl/html/connxx.htmlWelnu, het is dus zo gelegen: de een die ga je uit de weg, en de ander kom je tegen. Het kan nooit kwaad om af en toe je oude moeder te citeren, zeker als het toch nergens op slaat. QED.

De laatste tijd kom ik alleen maar bezigheden tegen, en zij mij, waarvan er veel ook veel letters in de aanbieding hebben, waaronder ook wel die schoon bedoeld zijn, maar ze (die bezigheden) leiden me, naar ik mag hopen tijdelijk, zo zeer af van de luie leesstoel dat ik niet zo serieus in roman of dichtbundel of essayverzameling kan lezen dat het eerlijk zou zijn er iets over te zeggen (een zin waarvan ik niet weet of ze klopt, maar ik laat haar toch maar staan).

woensdag 6 april 2011

Gemeenschap

Het thema van het nieuwe nummer van rekto:verso, tijdschrift voor kunst en kritiek.

En daarin schrijft Marc Reugebrink - wiens nieuwe roman ik (schande) nog steeds niet gelezen heb - over zijn nieuwe visie op literatuurkritiek in het huidig tijdsgewricht onder de titel 'Schrijvers, critici, verenigt u!. Ik moest dat stuk eerst nog eens herlezen, vooraleer ik er melding van wilde maken op dit blogje, waar het gezien de strekking in ieder geval op thuis hoort. Ik wist namelijk niet meteen of ik het wel eens ben met die oproep tot het bedrijven van louter positieve kritiek, zelfs indien opgevat zoals Reugebrink het bedoelt: alleen de positieve kritiek publiceren en breed uitmeten (en het azijnzeiken achterwege laten).

Na herlezing blijf ik het een intrigerend stuk vinden, maar ik geloof niet dat ik het ermee eens ben. Afgelopen dinsdag stond ik in Spui 25 nog te toeteren: 'Het is schiften of geschift worden', en dat houdt ook in: aangeven waarom een werk niet goed genoeg is (al was het maar omdat je dan ook kunt aangeven wat er wel goed aan is). Ik snap de grond van Reugebrinks bezorgdheid, maar deel niet zijn conclusie om dan alleen maar over het goede te spreken (dat gold toch alleen met betrekking tot de doden).

Er moet geschift worden, want er verschijnt meer dan wie ook fatsoenlijk verwerken kan in litteris. Daar was iedereen het wel over eens tijdens de discussie 'De vlakte en de vrijheid' (over literatuurkritiek on line, zie Recensieweb). En prompt kregen de panelleden als bedankje een dikke struik bloemen en... een boek!

Maar ik had er net een uit (en weet nu al niet meer welk) en ik was begonnen aan een (voor mij) nieuwe roman van 705 bladzijden.

En ja hoor, daar verscheen de volgende dag ook nog eens de bostbode. Met een doos. Bevattende de eerste lichting nieuwe kandidaten voor de Academica Dubutantenprijs: tien literaire-hemelbestormende prozadebuten, waarvan de eerste twee door mij nu al van het stempel 'i' zijn voorzien, een beknotting van mijn privé- potjeslatijnse verwoording van het verdict: lecturus interruptus, vrij, maar minder aardig, te vertalen met: na vijftig bladzijden definitief vastgesteld dat er niet doorheen te komen is.

In de beslotenheid van het juryberaad hebben we het dan nog wel even over dat soort boeken, maar er openlijk over oordelen, dat doen we niet. Alle boeken komen op de kandidatenlijst, en maar enkele worden voorgedragen voor de langlijst en daarvan gaan er een stuk of vijf, misschien nog maar drie, naar de publieksjury; alleen over die laatste spreken we openbaar een oordeel uit, en dan vooral positief, want anders hadden we ze niet geselecteerd. Maar impliciet verhullen we niet dat er wel erg veel bomen in het bos geplant zijn. Te veel.

Misschien ben ik het, en zeker in die debutantenpraktijk, dus toch met Reugebrink eens.

maandag 21 maart 2011

Nicholas Carr, The Shallows


What the Internet Is Doing to Our Brains. New York-London 2010. 276 blz. inclusief noten, leesadviezen en index.

Dat boek van Baricco over De barbaren vond ik wel aardig, althans wat de erin uitgedragen gedachte betreft: dat we een nogal omvangrijke cultuurverandering doormaken die niet los te zien isvan de verinternetting en dat die verandering niet per se negatief beoordeeld behoeft te worden. Maar de irritante Ikea-stijl en de liederlijk ongefundeerde 'bewijs'voering stonden me na twee bladzijden al helemaal tegen. En dan nu dit boek.

Carr doet bijna niets anders - om het contrast op scherp te stellen - dan refereren aan meer of minder recent onderzoek, en dan vooral neurologisch onderzoek (de noten beslaan de pagina's 225-252, maar kunnen door wie op de golf van het betoog mee wil surfen, met vrucht ongelezen blijven). En op basis van al die referenties bouwt hij een pracht van een betoog op, waarbij hij niet nalaat om terug te gaan tot in de krochten van de menselijke beschaving, om van daaruit langzaam toe te werken naar het heden, langsheen allerlei uitvindingen en omwentelingen in de geschiedenis van de cultuur.

Het aardige is dat Carr van zichzelf zegt dat hij een analoge jeugd heeft gehad en als volwassene geconfronteerd werd met en deelnam aan allerlei vormen van digitaliteit, zozeer zelfs dat er wel van verslaving sprake zou kunnen zijn. En toen hij dat in de gaten kreeg, heeft hij een stap terug gedaan en een tijdje de stekker eruit getrokken en... zelfstandig nagedacht. En daar komt dan zo'n boek van als The Shallows.

Verwijzend naar allerlei onderzoek weet hij te betogen dat het menselijk brein geen statisch 'ding' is dat, eenmaal geboren, zich ontwikkelt en dan op een gegeven moment af is. Neen, er is sprake van neurologische plasticiteit. Het gebruik van de hersenen heeft invloed op de vorm ervan en de vorm heeft invloed op de functie. Ik ga dat hier niet technisch napratend uitleggen; lees liever dit intrigerende boek zelf.

Vooruit, een klein voorbeeldje dan: hersenonderdelen kunnen zich specialiseren of kunnen zelfs voor speciale doelen zijn aangelegd, genetisch bezien. Maar wanneer er bijvoorbeeld een trauma optreedt, en je, wederom bij voorbeeld, blind wordt, is het materieel vast te stellen, door die neurologen, dat andere onderdelen dat gebrek gaan compenseren en zich (verder) gaan ontwikkelen. En diezelfde plasticiteit is kennelijk ook zichtbaar wanneer de mens kennis vergaart en die kennis, die aanvankelijk in een kortetermijngeheugen wordt verwerkt, door er gebruik van te maken, gaandeweg elders en dieper opslaat in het langetermijngeheugen.

En daar, als ik mijn samenvattinkje dan maar even afmaak, komt het internet om de hoek kijken. Carr is helemaal niet tegen het internet (als dat al zou kunnen) maar hij kijkt er wel fris tegenaan, ook door naar de basis ervan te kijken en niet minder door een van de belangrijkste internetontsluiters onder de loep te nemen, Google. Internet bestaat bij de gratie van verbindingen; vanuit elk punt kan je in weinig tijd (wat heet: met de snelheid van het licht, als je zo snel zou kunnen typen, cursoren en muizen) naar ontelbaar veel andere punten, knopen, links, teksten gaan. Die hypertekstualiteit is er precies de lol van. Maar die betekent ook dat je heel snel afgeleid kunt worden: voor je één zin gelezen hebt, kan je al een woord zijn tegengekomen met een verbinding naar een andere zin in een andere tekst op een andere pagina op een andere website verbonden aan een andere databank. En daar komt nog bij dat op de computer waarmee je een internetpagina bekijkt tegelijkertijd een schermpje oppopt dat zegt dat je nieuwe mail hebt, en nog een dat zegt dat er een nieuwe post is op een blog en zo voort (ik zeg erbij: ja, dat kan, maar dat hoeft niet; je kunt ook bladeren met je postfunctie op 'uit' en zo).

Kortom: internet heeft de neiging je vooral door te sturen naar iets anders. En daardoor raak je als lezer gewend aan switchen, surfen, snelheid; en omdat er zo veel informatie op dat internet te vinden is, is er steeds minder aanleiding, schijnbaar, om zelf informatie te leren en te onthouden (zoals op scholen tegenwoordig leer- en zoekstrategieën belangrijker lijken dan kennis en vondsten; ik geloof dat Frank Furedi, De terugkeer van het gezag – Waarom kinderen niets meer leren daarover gaat).

Als we veel van het internet gebruikmaken, zullen onze hersenen zich daaraan aanpassen. En dat zou ten koste gaan van het tragere, diepere denken en lezen (heerlijk klinkt dat in het Engels: 'deep reading', als of het echt heel erg is, zoals 'deep space' en 'deep throat') (ik doel hier op All the President's Men). In het hoofdstuk 'The Church of Google' schrijft Carr bijvoorbeeld: 'The strip-mining of "relevant content" replaces the slow excavation of meaning.' Zie, hoe zorgvuldig de man formuleert, zoals hij ook zijn tekst afsluit met een mooie uitsmijter, die refereert aan de eerder opgevoerde film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick: 'That's the essence of Kubrick's dark prophecy: as we come to rely on computers to mediate our understanding of the world, it is our own intelligence that flattens into artificial intelligence.'

Meer dan anders meen ik het nu als ik zeg: lees dit boek zelf en in zijn geheel en van kaft tot kaft, want het is een doorlopend, weloverwogen gecomponeerd geheel waaruit het maar moeilijk 'sound bites' knippen is. Het is een mooi, gedegen, tot nadenken stemmend analoog betoog.

woensdag 26 januari 2011

Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen

Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Bert Bakker, Amsterdam 2010. Gebonden, met stofomslag. 440 blz. incl. Noten, Bibliografie, Illustratie-verantwoording, Namenregister en Zakenregister.

Doorwrocht, een mooi ouderwets woord dat goed aangeeft wat dit boek is. Het is het verleden deelwoord van 'doorwerken', dat volgens het WNT betekent: 'In allen deele grondig bewerken'. En wat mij betreft gaat dat 'doorwerken' pas goed met boeken als het gebeurt door een auteur die van de hoed en de rand weet, de vork en de steel, puntjes op de i; die greep heeft op de materie en die met dat alles iets wil zeggen, iets te zeggen heeft en niet alleen maar wil beschrijven; hoe meer erudiet zo'n auteur is, hoe beter dat gaat. Pet af voor Van der Woud.

Van der Woud had me al behoorlijk en op bekoorlijke wijze van mijn stoel geblazen (is dat een uitdrukking?) met Een nieuwe wereld; het ontstaan van het moderne Nederland (2006) waarin hij eveneens de negentiende eeuw beschrijft, en wel als fundament van het huidige Nederland met al zijn nationaal georganiseerde transport- en communicatiekanalen; een en al technische uitvinding, implementatie, normalisatie, modernisering. Maar dit Koninkrijk vol sloppen is zo mogelijk nog indrukwekkender. Zeker als je de boeken in volgorde van verschijnen leest. Op een gegeven moment tijdens het lezen van het tweede dacht ik: waarom heeft hij al deze informatie achtergehouden in het eerste? Het antwoord kan zijn: omdat beide boeken dan beter zijn. Wat inhoudt dat de auteur al bij het voorbereiden van het eerste boek het tweede op het oog had. Dat noem ik greep op de materie hebben, terwijl je ook weer niet kan zeggen dat het hier gaat om iets simpels als deel 1 en deel 2 van een reeks; het zijn volkomen zelfstandige boeken. Maar bij het lezen interfereren ze dat het een lieve lust is.

De twee boeken beschrijven verschillende en geheel contraire aspecten van dat oude Nederland. Het eerste schetst een historisch Nederland dat we nu eigenlijk nog steeds kennen, al is het verder doorontwikkeld en al zijn we bijvoorbeeld misschien vergeten dat pas ten gevolge van de ontwikkeling van die vervoerstechniek het noodzakelijk werd om de tijd niet meer af te meten aan de zon, maar landelijk een en dezelfde tijdmeting af te spreken, zodat het in het oosten en het westen op hetzelfde moment even laat zou zijn en de trein 'op tijd' kon rijden (dat zulks niet altijd lukt, is een ander chapiter). Een nieuwe wereld laat zien dat het nog niet zo heel erg lang gewoon is dat veel aspecten van onze werkelijkheid genormaliseerd zijn, maar dat dat pas in de negentiende eeuw op poten werd gezet. Het toont dus inderdaad de grondslagen van een 'modern' Nederland.

Dit Koninkrijk vol sloppen daarentegen beschrijft de onderkant van die zelfde historische samenleving (op strategische plaatsen refereert Van der Woud aan de Duiste socioloog Ferdinand Tönnius die een onderscheid heeft gemaakt tussen Gemeinschaft en Gesellschaft, tussen gemeenschap en maatschappij). Een onderkant die grofweg meer dan de helft van de toenmalige bevolking betrof, die eigenlijk niet meer was dan productievlees, als het al wat zinnigs om handen had; een onderlaag die getalsmatig een meerderheid was, maar niets voorstelde, niet meetelde, beestachtig leefde, in woningen die eigenlijk minder dan hokken waren. Hokken die schuil gingen, denk ik, achter veel van de gevels die we heden ten dage nog zien in alle steden en dorpen van Nederland waar wat bewaard is van die negentiende-eeuwse huizenbouw. Zie bijvoorbeeld de foto op het omslag: geef dat meisje sneakers, legging en een trainingsjack met (nep)bontkraag en je bent weer thuis.

Wat in de ondertitel 'achterbuurten' heten, zijn dus wel de buurten waar de armoe leeft, de achtergestelden, maar het zijn zeker niet de buurten die getalsmatig op de achtergrond staan. Het gaat over miljoenen mensen. En al die mensen, en ook de gegoeden, eten, verteren en scheiden afvalstoffen uit. Gigantische massa's. En over de onbeholpenheid waarmee met die stront en urine werd omgesprongen gaat dit boek in hoge mate. En de pogingen om die stinkende, ziekmakende rotzooi enigszins in toom te houden. En hoe dat vaak mislukt. Het boek heeft een indrukwekkend hoog 'gadverdamme'-gehalte. Dat dat bestond naast al die fantastische kanalen, treinen, telegrafie, telefonie en wat al niet dat in Een nieuwe wereld ter sprake komt. Onvoorstelbaar.

Nog erger is het wanneer je bedenkt - en Van der Woud kaart het aan in het voorwoord - dat deze stuitende situatie in Nederland wellicht (grotendeels) is weggewerkt, via ontwikkelingen die tegen het einde van het boek ter sprake komen, maar dat het probleem mondiaal niet is opgelost, slechts verschoven: wat zo mooi ontwikkelingslanden heten, dat zijn de achterbuurten van nu: daar wonen de niet opgeleiden, de armen, het lagelonenproductievlees dat geen stroend water heeft, geen riool, geen fatsoenlijk huis, geen rechten maar ziekten als cholera, malaria, en hoge zuigelingensterfte.

Van der Woud heeft zijn boek opgedeeldin tien hoofdstukken, en die weer in tal van paragrafen van vaak minder dan zeven bladzijden. Een scheurkalender van armoe en stank. Je kunt het boek dus makkelijk in veel sessies lezen (inderdaad ja: op het toilet), maar het zet anderzijds juist aan tot doorlezen, doordat de meaterie zo begrijpelijk wordt gepresenteerd (en dat kan natuurlijk alleen doordat de auteur die materie zo volkomen heeft doorgrond). Die aanmoediging tot doorlezen komt denk ik ook doordat Van der Woud een zeer toegankelijke, onopgesmukte stijl heeft, en doordat hij genoeg uitlegt en herhaalt, zonder een bemoeizuchtige meester te worden, en doordat hij zijn betoog lardeert met relevante citaten, terwijl hij alle verantwoording onopvallend in de noten heeft opgeborgen. En alle paragrafen worden voorafgegaan door een titelpagina met illustratie.

Het, nou, laat ik zeggen: mijn beeld van de negentiende-eeuwse, nette, burgerlijke, zich ontwikkelende Nederlandse samenleving haalt Van der Woud met dit boek als het ware onderuit. Dat blijkt een soort Potemkin-dorp geweest te zijn. Boven de negentiende-eeuwse Nederlandse maatschappij hangt voortaan een penetrante lucht van armoe en rottenis, ziekte en stront. Nee: ook. Het is niet alles kanaal en telefonie en HBS wat er blinkt. Die achterbuurten en dat vuil hebben nu een plaats naast dat 'moderne' beeld van Nederland.

zondag 12 december 2010

Huub Beurskens, Maar waar is het drama?

Beschouwingen over beeldende kunst, film en literatuur. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2010. Paperback, 287 bladzijden.

Zo, dat is nog eens prettig lezen en toch leerzaam. Nadat ik met veel genoegen het lange gedicht Mathieu gelezen had, was ik naar de boekhandel gedribbeld om - ongeacht de rode staat van mijn financiën - het tweede deel van Beurskens blauwe tweeluik aan te schaffen. De intro op die bundel beschouwingen had ik vervolgens al gelezen, toen de enthousiaste recensie door Cyrille Offermans in De groene Amsterdammer verscheen, en ik de leesplankrangorde snel bij moest stellen.

Als je de boeken naast elkaar legt, zien ze er inderdaad uit zoals op de foto hier. Mooi (maar toch een kleintje kritiek: de boeken, vooral de essaybundel, zijn wel heel erg stug in de rug gelijmd; je moet ze wat geweld aandoen om ze open te houden. Moge er ooit een heruitgave komen in de vorm als die van Bange natuur en alle andere gedichten tot 1988; de inhoud is zo'n vorm zeker waard).

Wat is dit een innemende verzameling essays (of misschien zijn het inderdaad meer beschouwingen). Enerzijds heeft Beurskens veel noten op zijn zang; het boek gaat over allerlei, over uiteenlopende media, genres, boeken, schrijvers et tuti quanti. En Beurskens heeft heel wat meningen die hij graag met de lezer wil delen. Anderzijds is hij ook heel voorzichtig en zeker niet bombastisch. Zijn grondhouding heeft een gezonde schoorvoetendheid (zo, als dat geen ongepaste metafoor is, dan weet ik het niet meer). Zie zijn résumé in het inleidende hoofdstuk:
Over het belang van aandacht of, beter, over de noodzaak van aandacht voor juist het tekort, het dramatische gat in en dankzij onze aandacht, gaan de hier volgende beschouwingen, geloof ik. Onder meer. In elk geval ageren ze tegen het omgekeerde, tegen het gebrek aan aandacht, tegen het details en futiliteiten overslaande, conclusie- en plotgerichte schrijven, schilderen, filmen, lezen, kijken, luisteren, leven.
Een hoge inzet maar met een sierlijk besef tegelijkertijd van de benodigde bescheidenheid. Ik mag dat wel.

Niet ten onrechte staat er achterop het boek: 'In een speelse, lichtvoetige stijl voert Huub Beurskens de lezer [...] mee op een tocht die langs alle aspecten van de hedendaagse cultuur leidt.' Zo schrijft hij in 'Vooraf' over de film The Shining en refereert hij in de laatste beschouwing, getiteld: 'We hebben wel wat anders te doen', aan 'de Amerikaanse auteur J. Torrance', die schreef: 'All work and no play makes Jack a dull boy.' Iemand als ik, die de film niet zag, moet dus wel goed op blijven letten. Maar dat is precies het prikkelende van deze stukken. Een ander voorbeeld is 'De Nachtwacht voor een vlieg', dat opeens overgaat in de weergave van een uitgebreide chatsessie tussen de leraar Beurskens en een van zijn leerlingen; maar dat is dan wel een chatsessie waarin Jaloezie van Allain Robbe-Grillet grondig wordt geanalyseerd; weer een kunstwerk dat ik niet ken, maar de gedachtenwisseling tussen Huub en Rebecca is er niet minder interessant om.

Meer of minder uitgebreid krijgen enkele bobo's een veeg uit de pan (het betreft de heren Gerbrandy, Komrij, Mulisch en Vaessens), maar ook dat gebeurt op een aangename en leesbare wijze (hoewel ik niet weet of de besprokenen, de tegengesprokenen het ook zo ervaren). Even aangenaam is de wijze waarop Beurskens iets als intertekstualiteit behandelt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, en niet iets ingewikkelds, theoretisch en deftigs. Als je zijn creatieve werk maar een beetje kent, weet je dat natuurlijk al wel; en ook in deze beschouwingen springt hij er lichtvoetig mee om.

Terwijl Beurskens (dus) geenszins van de oude stempel is, is hij anderzijds wel degelijk gedegen ouderwets te noemen. Dat blijkt vooral in zijn opvattingen over kunstonderwijs. Hij moet weinig hebben van al dat gedoe met vrije expressie van gevoelens en zo. Liever begingt hij in de buurt van gedegen vakkennis, kennis van technieken en tradities (wie, immers, schrijft, schildert etceteraat er ooit iets volkomen nieuws; Duchamp begon niet met het signeren van een pisbak, dat kwam pas later): binnen die restricties je eigen vrijheid zien te vinden, dat levert pas spannende werken op, werken, zou ik eraan toe willen voegen, die ook enigszins voor evaluatie in aanmerking komen en aanknopingspunten bieden voor feedback en ontwikkeling van de leerling.

Beurskens' beschouwingen zijn niet strak, niet koel-analytisch, niet ouderwets docerend, maar wel fladderend, associërend en zeker enthousiast en enthousiasmerend. Er staat, als het ware tussen neus en lippen door, een prachtige verhandeling in dit boek over Rilkes 'Der Panther', gekoppeld aan een autobiografische vertelling; maar vraag me nu even niet waarom een en ander onder de titel 'Croque-monsieur' is opgenomen. De autobiografica zijn nochtans mooi geïntegreerd in de beschouwingen. en in de rondreis langs allerlei vertalingen, die zich toespitst op een intrigerende lezing van Eliots fragment 'In the room the women come and go / Talking of Michelangelo', betoont Beurskens zich inderdaad een fijnzinnig beschouwer met oog voor details.

De introducerende tekst 'Vooraf', waarin hij The Shining bespreekt, sluit Beurskens af met deze alinea: 'Maar wat heeft dit nu te maken met de hier volgende beschouwingen? Ik weet het, eerlijk gezegd, zelf nog niet goed. We zullen moeten zien.' Typerend voor Beurskens niet-ironische voorlopigheid. Hij weet dat hij 'het' niet zo maar kan vatten of benoemen, maar hij weet wel dat hij erbij in de buurt kan komen. Al is het soms pas op de trap naar beneden, op weg naar de uitgang. En heel vriendelijk spreekt hij daar en dan de lezer toe: 'Dag. O ja, en vergeet de noten niet.'

woensdag 10 november 2010

Huub Beurskens, Mathieu

of een figuur om voor altijd te verdwijnen; gedicht. Meulenhoff, Amsterdam 2010. 61 pagina's inclusief 'Plunderwaar en supplementen'.

Of ik het helemaal Klasse! vind, dit gedicht, weet ik nog niet. En ik lees het toch al sinds 28 september van dit jaar. Inderdaad, steeds opnieuw. Want, ja, het intrigeert me; dat komt mede doordat ik Beurskens Charme niet heel lang geleden weer tot mijn genoegen herlas; en ook leef ik met de herinnering aan de herhaalde lezing van het lange gedicht 'Iets zo eenvoudigs' uit de gelijknamige bundel (1995), met die herhaling van de mooie regel, zinsaanzet zelfs: 'Wie ooit van slapeloosheid op lag'; dat schept verwachtingen.

De titel van dit 1191 regels lange gedicht lijkt te refereren aan Ed. Hoorniks lange gedicht Mattheus (1938), naar de vorm echter lijkt het niet daar, maar meer op de goddelijke komedie van Dante, om maar iets te noemen. Hoorniks tekst is veel meer een vertelling, een verhaal op rijm, met personages, tijdsverloop en handelingen, zoals een ontsnapping uit een asyl en een arrestatie van de held. Beurskens schrijft hier in zijn 397 terzinen meer een guirlande van associatief verbonden monologen met allerlei ingebedde vertellingen die ruim door de tijd reizen, waardoor de tekst, net als Charme inderdaad (en, vooruit, ook die komedie), grote delen westerse cultuurgeschiedenis kan etaleren, inclusief tal van verwijzingen en citaten. En hoe verrassend is het daarbij te merken dat Beurskens over Rembrandt en dat gewurgde meisje schrijft, net als Margriet de Moor in haar roman De schilder en het meisje, eerder dit jaar verschenen.

Mathieu begint wel anekdotisch en verhalend, met een gestorven overbuurman op tweehoog die met behulp van een rode ladderwagen uit zijn huis getild wordt, maar voor je het weet, zweef je weg uit die scène met de gedachten van de ik-verteller die denkt: Hoe
graag zou ik over eeuwen en eeuwen zien in
wat wij ons vergisten, zoals wij nu zeker denken
te weten dat een lijder aan de vallende ziekte

beter de apotheker dan de keisnijder bezoekt,
dat ademhalend leven niet ontstond in zeven dagen,
dat het aardrijk een bol is die draait om een ster die

al zijn planeten op zal eten over vijf miljard jaren
terwijl de wereldbevolking zo vermag te paren dat
ze verdrievoudigt in des mensen eigen levensmum.
Hiermee is ook de stijl van dit gedicht enigszins getypeerd: Beurskens verwerkt allerlei registers (als in: 'des mensen eigen levensmum', waarbij dat laatste woord een wel heel fraai neologisme is) en maakt geen gebruik van versregeldodend eindrijm, maar wel van onregelmatig over de strofen verspreide binnenrijmen.

Doordat de zinnen niet heel erg strak betogend zijn, doordat er veel enumeraties voorkomen, doordat de zinseinden, zo weinig in getal, zelden samenvallen met strofe-einden, en doordat de terzinen niet zijn gegroepeerd, door middel van meer of minder strofewit of andere vormen van paragraaf- of hoofdstukmarkering, is het heel moeilijk om het gedicht tijdens het lezen eventjes weg te leggen, en even zo moeilijk is het om daarna de draad des lezens weer op te pakken; ze slingert maar door. Maar anderzijds staan er pakkende fragmenten tussen, zoals: 'het moet weer anekdote worden wil het duren', dat in de op een na laatste strofe weer opgenomen wordt:
Laat het weer anekdote worden, geen les meer, een strand bij
eb, een kuiltje, een kleuter die er de zee in schept en schept
en 'Wat huil je?' vraagt aan een man die er stil bij staat.

Ik ga het toch nog een keer overnieuw moeten lezen. Gelukkig wel.

dinsdag 26 oktober 2010

Peter Buwalda, Bonita Avenue

Roman. De bezige bij, Amsterdam 2010. 543 pagina's.

Als ik de maand die nu ten einde neigt, overzie en wat ik daarin las, dan steekt, denk ik, deze roman met kop en schouderen ruimschoots boven al de andere lectuur uit. Een geweldige roman, waarvan je nergens merkt dat het een debuut is. Ik vind het boek van meet af aan sterk en overtuigend. En dat dan ondanks een mogelijke negatieve vooringenomenheid in de trant van: zo, zo, een debuut ter grootte van een baksteen; dat moet zich maar eens bewijzen; waarom hij wel en Vestdijk niet met zo'n turf? Niets ten nadele van Vestdijk (wiens werk je ook helemaal niet met deze roman moet vergelijken), maar dit boek staat als een huis. Het is een overrompelende, voortdurend de nieuwsgierigheid gaande houdende, spannende pageturner.
Toen Joni Sigerius hem op een zondagmiddag in 1966 meenam naar de woonboerderij van haar ouders om hem officieel voor te stellen, gaf haar vader hem een hand die aan de stevige kant leek. 'Jij hebt die foto gemaakt,' zei de man. Of was het een vraag?
Dat is de openingsalinea. Personaal verteld vanuit Aaron Bever, die verderop in de roman zich ontwikkelt tot een knettergestoorde figuur van grote klasse (veel beter dan die behoorlijk psychotische Chris uit Jamal Ouariachi's De vernietiging van Prosper Morèl, een 448 pagina's dik debuut met een evenmin verheffende strekking en waarin ook een fictioneel verhaal in een herkenbare, realistische, actuele wereld wordt gemonteerd, maar dat zich gaande weg als een drakerig dramaatje ontpopt).

Als ik dat mag verklappen, dat Aaron gek wordt; want dat is een beetje het probleem bij zo'n boek met veel verwikkelingen. Het is het leukst als je zelf al die lijnen kunt volgen tijdens het lezen, niet al te zeer gehinderd door voorkennis. De schrijver heeft niet voor niets ervoor gekozen om het perspectief steeds te wisselen: dan weer is Aaron de centrale figuur, dan weer Joni Sigerius, en dat weer afgewisseld met Siem Sigerius, een oud-judoleerling van Anton Geesink die aanvankelijk rector magnificus is van Tubantia University (prachtige vondst, realistisch, maar toch verzonnen en ironisch), later minister van onderwijs wordt en nog weer later volkomen naar de gallemiezen gaat, al is dat nog zacht uitgedrukt.

En niet voor niets bewegen al die focaliserende personages heen en weer tussen hun actualiteit en hun verleden. Je zit als lezer midden in de ook voor hen onoverzichtelijke werkelijkheden. Want daar gaat het in deze roman onder andere om: de werkelijkheid, de menselijke werkelijkheid is onoverzichtelijk; de personages proberen wel in te grijpen en hun lot te sturen, maar het helpt allemaal geen donder. En dat komt dan weer doordat plusminus iedereen niet volledig eerlijk is, niet geheel oprecht, om bestwil wel eens liegt, en aan de ene leugen de volgende moet koppelen, of uit beleefdheid, om een ander niet onnodig te kwetsen, draait en onoprecht is. Noem het desnoods moedwil en misverstand. De levenslijnen van de personages trekken je als lezer mee de morele afgrond in.

De roman gaat ook wel over generaties en de kloof ertussen, maar mijns inziens niet echt over een (sociaal-culturele) generatieproblematiek, wel en vooral over (on)eerlijk- en oprechtheid, en dat niemand volledig eerlijk of oprecht is of zelfs kan zijn, en dat er daardoor hellende vlakken ontstaan op het terrein van de moraal. En Buwalda heeft daar een magnifieke montagne russe van gemaakt met een perfecte taalbeheersing, een vaardige en vlotte pluim, een misschien wat gewild-ingewikkelde afwisseling van verhaaldraden en tijdslijnen, maar dat dan wel weer in een boeiende familiekroniek waarin fictionele elementen heel fraai vervlochten zijn met de historische realiteit van onder andere de Enschedese vuurwerkramp, die in deze literaire krachtcentrale wordt opgewerkt tot een apocalyptische katalysator van een morele fragmentatiebom (waarbij ik ervan uitga dat fragmentatiebommen katalysatoren hebben; ik weet het niet zeker).

De diverse personages en hun achtergronden worden krachtig in de verf gezet. De conflicten komen langzaam maar stevig tot volle wasdom. Het boek is breedvoerig, ja, zeker, maar zeker niet breedsprakig, ook al neemt Buwalda de tijd om zaken goed en helder en beeldend te formuleren. Dat is een groot deel van het leesplezier: het is zo vakkundig, weldoordacht, goed, en niet overdreven op papier gezet. En als er al sprake is van overdrijving, dan van een heel geleidelijk opgebouwde vergroting van aanvankelijk gewone proporties. Tegen het einde heeft die Siem, en het wespennest waarin hij zich gestoken heeft, weldegelijk een schier reusachtige gestalte gekregen (zoals personages van Bordewijk als Bint en Dreverhaven uit hun doorsnee-menselijke maatpak knappen als het verhaal daarom vraagt).

Het boek bevat, helemaal aan het slot, een werkelijk afschuwelijke scène, die ik, uit afweer waarschijnlijk, niet heb kunnen lezen dan met tranen in de ogen van het lachen; compleet over de top maar gruwelijk schrijnend. En dat, die paradox van niet meer verder kunnen lezen door het lezen en dus des te sterker verder willen lezen, is me niet meer overkomen sinds de scène met de parketpoetsmachine die ik me herinner uit een van de vroege romans van A.F.Th. van der Heijden in De tandeloze tijd. Ja, met die oude, de goede Van der Heijden zou ik Buwalda misschien ook wel durven vergelijken (maar dan wel een A.F.Th. zonder als die half-mythische poespas). Maar dat neem ik terug, want met zo'n vergelijking belast je een debutant, ook al heeft deze met Bonita Avenua het fundament gelegd van een oeuvre waar ik nu al nieuwsgierig naar ben.