zondag 16 november 2008

Atte Jongstra, Klinkende ikken

Niet-digitale, originele composiet van 't omslag van mijn exemplaar en knipsel uit de reclamefolderBekentenissen van een zelfontwijker. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2008. Privé-domein nr. 266. 422 bladzijden, inclusief register, exclusief ongenummerd fotokatern.

Veel uit het prachtig uitgegeven Privé-domein (vroeger moest je ze nog zelf opensnijden) heb ik niet gelezen (wat moet een mens met dat privé-geneuzel van mensen die beter raad weten met de openbaarheid dan via een dagboek, of ze moeten Van Deyssel heten), maar dit deel kocht en las ik meteen en zonder een recensie gelezen te hebben. En terecht. Het is weer Jongstra op z'n best.

Vanaf het omslag en de titel is het boek zo schaamteloos ik-gericht - als doel of uitgangspunt -, dat je er meteen aan gaat twijfelen of dit niet evenzeer fictie is als ander werk dat 'roman' heet of iets dergelijks. Dat er foto's van de schrijver zelf bij geleverd worden, doet aan die twijfel in het geval-Jongstra alleen maar toe en niet af, indachtig het gebeuren rond Henry II Fix bijvoorbeeld.

Het boek is onnavertelbaar, want allesomvattend en -doordwarrelend wat betreft het gestaag uitdijend heelal dat de naam van deze schrijver draagt en dat vol is van hele en halve nova's, melkwegen en zwarte gaten, planeten, sterren en planetoïden en sterroïden c.q. de beschrijving ervan c.q. de referentie eraan. En natuurlijk word je daar af en toe helemaal iebel van. En natuurlijk denk je af en toe: blij dat de man schrijft en ik hem niet dagelijks in levenden lijve over de vloer of in de kroeg heb. Maar het is een groot plezier om dit alles te lezen, want, om maar eens een frase uit de laat-negentiende-eeuwse literatuurkritiek te gebruiken: wat een meesterschap over de taal heeft die Jongstra. Iedere zin spartelt dartel in het leefnet van zijn notities, met de verzekerde overtuiging na gebruik te worden teruggezet in de even zuurstofrijke boezem van de Nederlandse taal.

En ik kan niet anders dan Tom van Deel, die er flink van langs krijgt, enigszins gelijk geven: er hangt een inktig waas van Brakman over deze heer, althans: Jongstra's ruimhartig en weloverwogen taalgebruik schept een in de verte met die van Brakman vergelijkbare afstand tot het beschrevene en verraadt een dito behagen in het beschrijven en niet minder in het terugblikken op het beschrevene, zij het dan wel met de onnavolgbare 'perifere blik'. En ook wat betreft het plezier (door Van Deel kennelijk slechts als 'lollig' ervaren) is het op iedere bladzijde hier volop genieten, in het besef dat dit niet anders dan decor kan zijn. Des te merkwaardiger misschien, of juist passend, dat ik ten bewijze van een en ander dit ene citaat uit het boek licht: 'Melancholie. Een hoek in het gemoed die men niet alle dagen betreedt. Ik zie er smalle stroken grond met warme, witte bessen bij.' (p. 388) Prachtig.

maandag 10 november 2008

Achtergrond

Al die Klasse!, zo zonder enige achtergrond, dat krijgt maar geen karakteristieke dimensie, dat heeft geen fond, dat drijft los in het veld zonder kader. Geen grote klasse zonder onderklasse, zo iets; geen hoogste klasse zonder massa van goed via middelmaat tot matig en verder. Dus nu toch maar eens die (slechts fatsoenshalve enigszins gecorrigeerde) opsomming van al wat het kopje niet op eigen kracht boven het maaiveld kreeg geheven sinds Enters Spel, of is het juist al wat dat kopje wel zo ver kreeg maar de zeis des oordeelkrachts niet zag aankomen, van links noch van rechts? Let wel: er zit heel veel heel goeds bij hoor. Maar alleen het aller-, allerbeste is van een Klasse! apart. Een zinloos lijstje dus.

Umbgrove, Midden op de weg, zo hard mogelijk (wel een geweldige titel)
Van Hassel, Witte veder
Pfeijffer, Het ware leven (een echte baggerroman; lecturus interruptus)
Palmen, Lucifer (dan liever Pfeijffer; lecturus interruptus)
Van der Heijden, Het schervengericht (lecturus interruptus)
Van der Heijden, Mim
Jongstra, Cicerone (goed)
Jongstra, Psychologie van de zwavel (goed)
DeLillo, Falling Man
Wieringa, De dynamica der begeerte
Boon, Mijn kleine oorlog (wel intrigerend, daar niet van)
Boon, De atoombom en het kleine mannetje met den bolhoed
Haasse, Oeroeg
Leopold, Verzamelde verzen (mooi, maar niet mooist)
Thomese, Vladiwostok! (erg)
Anker, Nieuw-Lelievelt (jammer, haalt net niet het niveau van Een soort Engeland)
Van der Meulen, Multatuli (wel goed, niet best zoals Hanssen en Hilberdink)
Spinoy, Ik, en andere gedichten (ik heb daar geen veine voor, om met Couperus te spreken)
Mutsaers, Koetsier Herfst (echt niet te genieten)
Peper, Vingers van marsepein (AVI-6)
Noordervliet, Snijpunt (ga ik beslist herlezen)
Meijsing, Over de liefde (lecturissimus interruptus gravidus)
Bogaers, Onderlangs (lecturus interruptus; te veel van hetzelfde)
Draaisma, De herinneringenfabriek (hoe overtref je een succesnummer?)
Van de Woestijne, Verzameld dichtwerk (misschien te veel van gelezen in te korte tijd; zit veel fraais in, en 't is helemaal niet allemaal somder, echt niet)
Hooijer, Sleur is een roofdier (was het maar waar)
Pruis, Atoomgeheimen (waar?)
Van den Akker, De afstand
Kopland, Een man in de tuin (passé)
Polak, Over de grens (uitverkoop)
Boijens, Carel Vosmaer (maar is ook al wel oud voor een biografie)
Seth, A Suitable Boy (lecturus interruptus, helaas. Maar ja, 1400 bladzijden en meer voor een soort soap, althans: tot waar ik erin kwam; maar iedere keer als er weer wat gebeurt in India, denkt ik: ik ga dat boek toch eens uitlezen)
Heimans, Hemelsleutels (AVI-4)
Knibbe, Bedrieglijke dagen (moet ik nog eens op m'n gemak herlezen)
De Roode, Stad en land (niet)
Otten, De eend (hors concours eigenlijk; wat een leuk eposje is dat)
Gorter, Lucifer ('k heb een oud zwak voor Gorter)
Grunberg, Onze oom (stop ik nu echt mee, dat oeuvre)
Verhulst, Godverdomse dagen op een godverdomse boel (iets te uitgesponnen)
Blokker, Blokker en Blokker, Nederland in twaalf moorden (wel een erg leuk, perspectiefverschuivend boek, maar dat belerende, betweterige toontje van die Blokkertjes gaat jeuken na een tijdje)
Van Leeuwen, Alles nieuw (Toon Tellegen, maar dan met mensen).

zondag 12 oktober 2008

Nathan Englander, The Ministry of Special Cases

Alfred A. Knopf, New York 2007. 339 bladzijden.

Een bijzonder romandebuut; zeer wrang maar tegelijk bijzonder humoristisch, historisch-realistisch en tegelijk volkomen absurd. Heel in het kort gaat het over twee ouders op zoek naar hun zoon die verdwijnt tijdens de vuile oorlog in Argentinië. Maar zo'n samenvatting doet het boek geen recht. Want een gewone historische roman is dit zeker niet; evenmin een tranentrekkend verloren-kind-boek. Misschien komt het doordat de hoofdpersonen joods zijn, wat een bijzondere dimensie aan het verhaal geeft. In een recensie in de Volkskrant las ik dat tijdens die vuile oorlog van de bijna 30.000 politieke dissidenten, vakbondsleiders en studenten die verdwenen, naar schatting tien procent joods was, 'een opmerkelijk hoog percentage wanneer je beseft dat joden slechts één procent van de Argentijnse bevolking uitmaken'. Maar uit helemaal niets in de roman blijkt dat de verdwijning van Pato daar iets mee te maken zou hebben; het is veeleer een ordinaire daad van staatsterreur. Maar zijn ouders ontkomen er niet aan toch de verbinding te leggen. Wat hen er onder andere toe drijft, mede door onvoorziene omstandigheden, een afschuwelijke maar ook hilarische neuscorrectie te ondergaan, om maar minder herkenbaar te zijn. Wat falikant verkeerd uitpakt. Dat komt ook doordat zeker de vader niet, zoals de moeder, alleen een tragische figuur is, maar ook een goeiige, luie, welwillende, altijd maar miskleunende sukkel, een heuse schlemiel.

Voeg daarbij dat de vertelinstantie zich voor geen van zijn drastische commentaren op en ingrepen in de geschiedenis en de vertelling schaamt, en je hebt de belangrijkste ingrediënten van dit overdonderende boek, dat overigens weinig moeite doet om de lezer bij de kladden te vatten. Het eerste hoofdstuk heb ik althans meermalen vol onbegrip gelezen; op een gegeven moment ben ik zelfs naar de openbare bibliotheek te Overvecht gegaan, om daar het enig in Utrecht niet uitgeleende exemplaar van de Nederlandse vertaling te raadplegen, in een poging om in het verhaal te komen. Toen dat niet echt hielp, heb ik toch maar domweg doorgezet in mijn eigen, transatlantisch import-exemplaar. De eerste zin is wèl een binnenkomer: 'Jews bury themselves the way they live, crowded together, encroaching on one another's space.' Maar de absurde activiteiten van de hoofdfiguur lieten me toch enigszins verdwaasd in mijn leesstoel: hij is stiekem namen van grafstenen aan het verwijderen op een afgescheiden stukje van de joodse begraafplaats, waar de oneervollen liggen, hoerenzonen en zo. Die hoofdfiguur heet nota bene Kaddish, dus naar het centrale gebed in de joodse eredienst, en, zegt Wikipedia, 'The central line of the kaddish in Jewish tradition is the congregation's response "May His great name be blessed forever and to all eternity"', wat in deze context minstens absurd is; kaddish is ook het gebed voor de doden (zie hier). Achteraf zie je, dat Kaddish in zekere zin doet wat ook de junta doet, maar dan met de doden: hij laat onwelkomen, ongewensten verdwijnen. Als hij evenwel zijn meesterzet denkt te verrichten, slaat het lot hem moeiteloos weer de mislukking in. Zo, op tegelijk botte en lucide wijze, krijgt alles een naargeestige nasmaak. Knap werk.

zondag 7 september 2008

Bert Natter, Begeerte heeft ons aangeraakt

roman. Thomas Rap, Amsterdam. 1e dr. mei 2008, 2e dr. augustus 2008. 271 pagina's.

Het is lang geleden dat ik zo'n denderend goede roman van vaderlandse bodem las! Ik begin vandaag nog aan de eerste herlezing. Wat een imposante, maar schijnbaar moeiteloos gehanteerde techniek waarmee die Natter langzaam aan een wereld weet op te roepen, neer te zetten, met kleuren en geuren weet te schilderen, een wereld die heel gewoon lijkt (Den Haag, Enschede, een Gronings gehucht) maar waarin steeds waanzinniger tonelen zich af gaan spelen, resulterend in een volslagen rampzalig feestmaal ter afsluiting van een begrafenis, en daarna nog een afschuwelijker einde.

De debuutprijs voor 2008 moet al wel klaarliggen (naast de Libris), alsmede het verkoopcontract van de filmrechten; ik zie de hele cast van Oud Geld al aantreden, en een prachtige bijrol voor Rutger Hauer als notaris Kinschot, alles onder beeldregie van Erwin Olaf of zo.

Er zitten eigenlijk verschillende romans in deze ene verpakt. Een over een dramatische vriendschap die ook nog eens tragisch blijkt te zijn. Een over verlorenheid in de wereld, tegen de achtergrond van de Enschedese vuurwerkramp. Een angstaanjagend liefdesverhaal. Een heel geconcentreerde familiegeschiedenis. Een dorpsnovelle. Een een kunsthistorische detective met een zeventiende-eeuws klavecimbel als spil.

In Trouw staat dat de roman vreemd en onbestendig zou zijn. Dat is ze ook, en dat is maar goed ook. Je verveelt je geen moment met dit waanzinnige verhaal, waarin ook nog eens de nodige (ook letterlijk) humor is verwerkt.

Lezen, dit boek! Nu.

vrijdag 1 augustus 2008

Léon Hanssen, Menno ter Braak 1902-1940

Leven en werk van een polemist. Amsterdam 2003.

Nee, erg vlot ben ik er niet mee (ik kocht het boek in april 2007); en al helemaal niet als je er rekening mee houdt dat dit boekwerk van 447 bladzijden (inclusief lijst van publicaties van Menno ter Braak en een Personenregister) de verkorte versie is van de tweedelige Ter Braak-biografie Menno ter Braak 1902-1940 van Hanssen, onder de ondertitels Want alle verlies is winst en Sterven als een polemist verschenen in respectievelijk 2000 en 2001; en als je weet dat - blijkens de blurb - er nogal wat lof getoeterd is over deze biografie. Maar daar staat weer tegenover dat ik werkelijk geen enkele sympathie heb voor die ouwelijke kromschrijver met dat 'Gebraden spek-gezicht'.

Eh... waar ik schreef: 'heb', moet staan: 'had', en die lelijke typering hierboven kan definitief bij het grof vuil. Want allereerst moet vermeld dat ik de afgelopen jaren Politicus zonder partij meerdere keren gelezen heb en me de eerste keren voelde als een verkrampt-antiperistaltieke amateur-degenslikker (wegens herinneringen aan een nog langer verleden allereerste lezing, plus herinneringen aan die twee woest-vervelende romans). Wat een proza. Niet te pruimen. Maar toen, opeens, scheurde het wolkendek, viel het kwartje en kwam het licht, en het nieuwe oordeel: een moeizaam, maar superieur, structureel non-conformistisch, eigenzinnig, grondeloos twijfelend en alles steeds maar weer en verder doordenkend boek. Een denderende deconstructivist avant la lettre.

Tweede reden om van 'heb' 'had' te maken, is de lectuur van deze biografie. Misschien had Hanssen wel het gemak dat het leven van Ter Braak zo'n geweldige parallel had met de ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw waar deze middenin leefde, culminerend in die ongelooflijke, zelfbewuste suïcide ten tijde van de Nederlandse ondergang, maar zelfs al was dat zo, dan toch moet gezegd worden dat hij er wel een wondermooie biografie van heeft weten te maken.

Grote kracht van dit boek is de sympathie die de biograaf voor zijn onderwerp heeft, althans lijkt te hebben, zonder dat hij verdwaalt in blinde verering en detailopdisserij; Hanssen weet op verschillende momenten aan te geven dat Ter Braak 'er' ook wel eens flink naast kon zitten; dergelijk commentaar geeft hij dan zonder zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Ter Braak is en blijft het onderwerp, gebed in zijn eigen tijd.

Evengrote kracht van deze biografie lijkt mij de combinatie van een chronologische en een thematisch opzet: voortdurend in de tijd opschuivend, veegt Hanssen toch de stof van onderwerpen bijeen. Dat heeft als voordelen dat je er voortdurend weet van hebt dat een biografie een gereconstrueerd leven is, en dat je als lezer bij de les moet blijven en zelf onderwerpen in de tijd bijeen moet plaatsen.

Opmerkelijk is dat Hanssen erin is geslaagd deze opzet uit te werken zonder in herhalingen te vervallen. Des te opmerkelijker is die ene keer dat hij er toch niet aan is ontkomen (of: er niet aan heeft willen ontkomen, wellicht): Gomperts krijgt tot tweemaal toe een sigaar uit eigen doos (om me maar eens aan een in deze context Freudiaans te interpreteren beeldspraak te buiten te gaan). De chrono-thematische opzet van deze biografie draagt bij aan de aangenaamheid van de lectuur. Om een voorbeeld te noemen: tegen bladzijde 207 ging ik een beetje stuiteren van epitheta waarmee de vermeldingen van Nietzsche gepaard gingen, terwijl ik de ontmoeting van Menno met 'Oom Frits' gemist dacht te hebben; en teruglezen met behulp van het Personenregister gaf me gelijk: Ter Braaks grote voorbeeld, bron of wat ook kwam steeds uit de lucht vallen. Maar zie: nog geen bladzijde of tien verder snijdt de biograaf dit thema dan toch aan, en wel naar aanleiding van de huwelijksreis die Menno en Ant ondernamen naar het Nietzsche-hoekje op aarde, Sils-Maria. Mist opgeklaard.

De minder florissante aspecten van Ter Braak weet Hanssen zonder verdoezelend biografenpatina weer te geven, en het imponerend einde van het leven van Ter Braak heeft hij zeer innemend, ontroerend beschreven, zonder pathetiek.

Hoezeer het hier ook om een zich vooral in abstracties wentelend object gaat, toch is dit een zeer boeiende biografie. Knap werk, dus. Je zou er haast weer een essay van Ter Braak door uit de kast nemen en gaan lezen.

zaterdag 26 juli 2008

Jonathan Culler, Literary Theory

A Very short Introduction. Oxford 2000 (reprint van 1997).

Het was vooral de ondertitel die me overhaalde dit fleurige boekje aan te schaffen; een eurootje of tien, meen ik, voor een paperbackje met flappen, 11 x 17,5 cm, 149 pagina's inclusief appendix, referenties en register. Mijn exemplaar was bedoeld als overgangslectuur naar de vakantieperiode.

Een literatuurwetenschapper met zo'n naam, en dan een boekje met zo'n ondertitel schrijven (overigens in een enorme reeks, van Ancient Philosophy tot en met Theology, met nog een boel delen op komst). Bovendien staat het merk Culler garant voor een levendige presentatie van de eigenzinnig gekozen stof. En jawel, dit boek gaat niet over / is geen 'systematic account of the nature of literature and of the methods for analysing it'. Nee, theorie in de literatuurwetenschap is 'a bunch of (mostly foreign) names; it means Jacques Derrida, Michel Foucault, Luce Irigaray, Jacques Lacan, Judith Butler, Louis Althusser, Gayatri Spivak, for instance.' Wat is het nog meer? 'It's a body of thinking and writing whose limits are exceedingly hard to define', en omvat 'works that succeed in challenging and reorienting thinking in fields other than those to which they apparently belong.'

En zo komen de volgende onderwerpen aan de orde (want Culler bespreekt een aantal 'topics', liever dan de grote scholen, die evenwel in een appendix toch nog snel de revue passeren):

What is Literature and Does it Matter?
Literature and Cultural Studies
Language, Meaning, and Interpretation
Rhetoric, Poetics, and Poetry
Narrative
Performative Language
Identity, Identification, and the Subject.

Daarmee is dit boekje geen vervanger van - ik noem maar wat - Theory of Literature van Wellek and Warren, of Filosofie van de algemene literatuurwetenschap van Van Buuren, die zich inderdaad meer strikt en streng tot de literatuur en literatuurwetenschap beperken. Het is wel, en beter geschikt dan die twee andere, een boekje dat iedere student in de Letteren in het eerste jaar verplicht zou moeten worden gelezen te hebben; ja, precies: geen tentamenstof, maar verplichte basisinformatie, basis-oriëntatie op de alfabezigheden. Daarna kan een dikkerd als Wellek and Warren aan bod komen, of Van Buuren of wat er maar aan moderners voorhanden is op het gebied van boeken die, als je ze gelezen hebt, behoren tot de boeken die je al veel eerder had willen gelezen hebben. Daartoe behoort trouwens deze zeer korte introductie wellicht ook, maar door z'n geringe omvang leent het zich er beter voor daadwerkelijk eerder gelezen te worden.

Het boekje biedt 'not a set of solutions but the prospect of further thought.' Theorie is - om Cullers slotwoorden aan te halen - 'an ongoing project of thinking which does not end when a very short introduction ends.'

vrijdag 16 mei 2008

John Milton, Paradis Lost

Milton-Het paradijs verloren. Amsterdam 2003 Deze klassieker heeft veel aspecten die er doorgaans aan bijdragen dat een boek niet in mijn canonnetje terecht komt: het is oud; het Engels is dusdanig ouderwets en ingewikkeld dat ik, mede wegens tijdsbesparing (we hebben het hier over 10.515 versregels 17de eeuws Engels), mijn toevlucht moest nemen tot een vertaling; het is niet wat je noemt een zwierige tekst; de auteur c.q. verteller is onverdroten belerend; daarbij is de leer verbijsterend conservatief en door en door bijbels/christelijk.

Maar een beetje ouderdom hoeft een tekst nog niet ontoegankelijk te maken, bovendien lees ik liever tien keer Milton dan een keer Tollens. De angst zit dan ook niet zo zeer in de ouderdom als in de status van 'klassieker' of 'canon-kernwerk'; ik heb nogal eens een blauwtje gelopen met de grote werken der wereldliteratuur; zonder übersnobbish te willen klinken moet ik toegeven dat ik eens voornemens was mijn grootvaders Bijbel van kaft tot kaft te lezen, maar in Deuteronomiën gestikt ben, dat ik (de prozavertaling van) de Goddelijke Komedie halverwege de Hel terzijde heb gelegd, dat ik Proust niet langs mijn gaapreflexen kon leiden, dat ik Het land van herkomst las omdat ik het moest lezen, dat ik 1984 pas te pruimen vond toen ik een facsimile-editie van de manus- en typoscripten te pakken had gekregen in de uitverkoop.

Voor al dan niet modern Engels ben ik niet bang, maar teksten van vóór, zeg, Keats vragen om meer dictionaire hulptroepen dan prettig is voor een louter esthetische leesgang, zodat ik bijvoorbeeld Shakespeare's Sonnets gretig in de tweetalige editie van Peter Verstegen verslond en pas daarna andere edities erbij las. Vandaar dat mijn Penguin Classic-editie van Paradse Lost (bezorgd door Christopher Ricks, een reprint van 1968 uit 1989) al sinds de dag van aanschaf, 17 januari 2003, 'aangelezen' (d.w.z. een enkele bladzijde geproefd) maar ongelezen tussen allerlei moderne epische gedichten in de kast staat. Maar laat nou Peter Verstegen in 2003 een vertaling van Miltons epos hebben gemaakt op zijn vertrouwde vakkundige en zorgvuldig geannoteerde manier. Dat deze uitgave - zo'n grote, dikke (548 pagina's) in Athenaeums Gouden Reeks - niet tweetalig is, valt wellicht te betreuren, maar niet erg lang: er zitten van die mooie gruwelprenten van Doré bij, en doordat er een regelnummering in is opgenomen, laat de tekst zich makkelijk vergelijken met de eveneens genummerde van de Penguin.

De thematiek van de tekst, 's mensen zondeval en hoe daarmee om te gaan, is hoog-ernstig, het betoog waaiert breed uit, de mono- en dialogen, aan- en afgekaart met fraseringen als 'Zo sprak de valse veinzer, niet herkend', zijn van een zeer onrealistische allure, de stijl is stug en betogend, de beeldspraak dungezaaid, de enkele homerische vergelijkingen ogen als genrespecifieke, verplichte nummers, het geheel is gedrenkt in een zwaar christelijke moraal en te drogen gehangen aan een onverwoestbaar geloof aan God en diens Voorzienigheid. Kortom, geen doorleesromannetje.

Zo diep in het putje van de evaluatie gedaald, gloort er toch nog het licht van de positieve waardering. Het verhaal van Lucifers val die voorafgaat aan zijn wraakzuchtige verleiding van de mens, een verhaal waar Milton zeer veel woorden aan wijdt, speelt zich af ver voor de schepping. Ik vind dat prima, maar het strookt niet met wat ik, Nederlands Hervormd gedoopt, -pokt en -mazeld, me, zij het misschien wat naïef, had voorgesteld van het creationisme, namelijk: eerst was er helemaal niks, dan schepping, vervolgens wat de mens daarvan onder Gods hoede gemaakt heeft. Maar Milton plaatst tussen niks en schepping een fatastische, zwadderomspoelde titanenstrijd, echt groots. Ben ik dol op: grote ego's in grote coflicten, zolang het fictie is. Milton maakt met zijn verhaal de wereld van voor de schepping erg reëel, met diverse, onderscheiden ruimten en sferen, en met talloze personages, onder wie God, Satan, het nefast incestueuze duo Zonde en Dood, en al die (soorten) engelen in groten getale, in onoverzienbare scharen. Dat maakt het allemaal zo reëel, dat die wereld er wel geweest moet zijn, geschapen voor de schepping, wat dus niet klopt.

Als de 'camera' zwenkt, weg van al die donkere krachten die God naar de kroon trachtten te steken, over de gapende chaos, die in Mitons visie blijft bestaan, ook na de schepping van de hemel e.t.q., naar de aarde, meer in het bijzonder het paradijs (het is een enorme, transgalactische beweging die de verteller als focalisator maakt), zien we Adam en Eva 'cultiver son jardin', om het zo eens te zeggen, en dat doen ze dan... nu ja, haast op z'n Theo en Thea's, echt heel kneuterig, met bloeien en snoeien, oogsten en bloempjes opbinden met myrtheloof, alsof we opeens verzeild zijn geraakt bij de jaarlijkse lathyrustentoonstelling van tuindersvereniging Ons Buiten. Maar de gesprekken, nee: de debatten die Adam en Eva daar hebben, gaan over onderwerpen en zijn van een weloverogenheid, dat je denkt: hoe kan het dat ze nog niet genomen zouden hebben van de vruchten van de boom van kennis van kwaad en goed? En nadat ze die zonde dan hebben begaan, worden ze, in mijn optiek, inderdaad niets wijzer, of het moet zijn dat ze zich dan bewust zijn van hun lichamelijke lust en, in het verlengde daarvan of als uiting ervan: van hun naaktheid. 't Kan zijn dat ik des tijds des zondags niet goed heb opgelet, maar ik wist niet dat kennis van goed en kwaad hetzelfde was als en niet meer dan bewustzijn van lust. Weer wat geleerd.

Misschien ligt het aan de ouderdom van (de intellectuele context van) de tekst, misschien ligt het aan Miltons persoonlijke opvattingen, maar de bijbels geïnspireerde misogynie in deze tekst is tamelijk abject. Dieptepunt is een, zeker in de Engelse versie, zeer fraaie omschrijving van Eva, de moeder aller vrouwen, in een moedeloze verzuchting van Adam:

[...] O why did God,
Creator Wise, that peopl'd highest Heav'n
With Spirits Masculine, create at last
This Novelty on Earth, this fair defect
Of Nature [...]?
(Book X: 888-891)

Toch was Milton (ik voel me erg een leek op dit terrein, maar vooruit) ook modern, want hij doorvlecht zijn allesoverkoepelende bijbelse, christelijke moraal met een een stevig verwoorde, modern-zeventiende-eeuwse opvatting over de menselijke vrije wil, een wil hem/haar weliswaar gegeven door God, maar toch: vrij en gestuurd door rede. Adam en Eva onder anderen debatteren daar voortdurend over: de mens is voorzien van de rede en kan en mag (dus) zelf beslissen hoe te handelen, hoe te leven. Dat impliceert de mogelijkheid van een miskleun, Q.E.D. Het kan wederom aan mijn opvoeding liggen (of aan mijn aftakelende geheugen), maar ik vond dit nogal verrassend; het conflict mens-God wordt op die manier een mooi tragisch gegeven van klassieke allure, groot en meeslepend. Het meest verrassend in dit licht vond ik Eva's pleidooi om, ter voorkoming van de voltrekking van Satans wraak, ofwel a) domweg geen kinderen te maken, dan wel b) samen met Adam zelfmoord te plegen! Hoe haalt een christen het in zijn hoofd om Eva dergelijke overwegingen in de - louter metaforische - schoenen te schuiven? Doordat Het paradijs verloren toch al zwenkt tussen groot(s) en klein, tussen onvatbaar-goddelijk en uiterst behapbaar-menselijk, tussen rationele gedachten en bloedstollende vechtpartijen drijvend op een oersoep van 99,9% adrenaline, was ik al lezend helemaal bereid die gedachten van Eva als passend verhaalelement te accepteren (zonder dat ik in real life zelfmoord erg acceptabel vind, tenzij in situaties als die van Claus of Voskuil: wees uw afgang voor!).

Aan het mengelmoes van extremiteiten dat Het paradijs verloren is, draagt ook bij dat het boek weliswaar volkomen christelijk is, maar dat Milton desniettegenstaande in heel veel gevallen het klassieke veelgodendom erbij haalt om de boel te verduidelijken (niet gek misschien, als je bedenkt dat de man inmiddels blind was toen hij zijn epos dicteerde: hij greep terug op de klassieken die hij had gelezen). Op mij heeft het als effect dat ik het bijbelverhaal eens te meer zie als een van de klassieke mythologische literaire verhalen.

Milton verbaast me, kortom, voortdurend met zijn beroemde boek, zodanig dat ik alles wat ik er misschien niet aan zou waarderen, voor zolang als ik het lees, volkomen en welbewust vergeet (al is het jammer dat het laatste deel van boek 11 en heel boek 12 - gelukkig een kortje - alleen maar over het eigenlijke onderwerp gaan, en dat daarin dus die verderflijke Satan niet meer meespeelt; dan is de dramatische Schwung er een beetje uit).