Posts tonen met het label Ali Smith. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ali Smith. Alle posts tonen

zondag 12 juli 2026

Ali Smith, Glyph

Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Prometheus, Amsterdam 2026 (oorspr. Glyph, 2026). Paperback met flappen, 272 bladzijden. Mooi uitgevoerd, lekker in de hand liggend boek, 20 bij 12,5 bij 2 cm, 310 gram.

Die Smith levert steeds weer werk van een aparte klasse. Elke roman is zowel typisch Smiths als afwijkend van alle voorgaande. Zo is Glyph minder dystopisch dan Gliff, dat in 2024 verscheen. Daar staat weer tegenover dat er zowel tussen deze twee boeken als tussen de onderdelen van elk boek apart allerlei associatieve verbanden lijken te bestaan. Klinkklare narratieve lijnen trekt Smith zelden. Ze is onbekommerd gul met het vertellen van verhalen, het retraceren van fragmenten van het verleden, het spelen met woorden en betekenissen en de frictie of juist de speel- of spelruimte tussen taal en werkelijkheid.

Opeens dacht ik, al lezend, dat een roman van Smith te vergelijken is met grafisch werk van Escher, zowel die onopgemerkt van vorm veranderende dieren (het associatieve) als ook, misschien vooral, die trappen die niet uitkomen waar je denkt dat ze zouden moeten (het onnavolgbare). Bij al dat spel verdwijnt nooit de actualiteit van onze werkelijkheid uit beeld; die duikt steeds onverwacht weer ergens op. En dan gaat het nooit over de leuke aspecten van onze actualiteit maar over oorlog, bedrog, pandemieën, politieke waanzin en zo meer, maar zonder dat het verhaal er chagrijnig door klinkt, wel verontrustend, maar niet grauw en grimmig. Kan dat? Ja, Smith kan dat.

donderdag 28 mei 2026

Ali Smith, Gliff

Hamish Hamilton, London, 2024. Paperback, groot formaat, 274 pagina’s. 

Weer gebeurde het: ik begin te lezen, kom er niet meer van los, maar loop er na een tijdje, of iets later, toch in vast; ik lees verder in de Nederlandse vertaling, maar dan blijkt het vastlopen toch wel mee te vallen: de lijnen zijn ook in vertaling niet heel duidelijk door het verhaal getrokken. Dus ga ik in het Engels verder, maar tegen het einde denk ik opnieuw dat ik iets gemist heb, zonder dat ik weet wat dat precies is. Het besluit om de hele roman te herlezen in de Nederlandse vertaling is snel genomen, mede doordat het me moeilijk valt het boek in grote lijnen samen te vatten.

Briar en Rose worden door hun moeder aan hun lot overgelaten wanneer er op een dag een rode lijn om hun huis wordt getrokken. Iemand ontfermt zich over hen – ze zijn ongeveer 15 en 11 jaar oud, wellicht jonger – maar ook die figuur vertrekt, wanneer er een rode lijn wordt getrokken om hun campervan, hun nieuwe verblijf. Rose raakt bevriend met een paard dat in een wei staat achter een leeg huis waar ze hun volgende toevlucht lijken te kunnen vinden; hun helper laat hen er achter met wat geld en ingeblikt voedsel, genoeg voor ongeveer een week. Het paard is voorbestemd voor het abattoir maar Rose denkt eerst dat abattoirpaard een soortnaam is, en raakt aan het beest gehecht.

Het wankele statuut van de taal of in ieder geval van woorden en hun betekenissen, is een thematische (stippel)lijn in het verhaal, niet alleen omdat de kinderen met de wereld ook de taal nog volop aan het ontdekken zijn. Het is een typisch Ali Smith-trekje dat op de meest onverwachte momenten opduikt, een van de redenen waardoor een Smith-roman zo luchtig lijkt terwijl er ook zwaardere onderwerpen aangesneden worden. In dit geval gaat het om buitensluiting van mensen op ondoorgrondelijke gronden. Politiek gemotiveerde bureaucratie, kan je ook zeggen.

Een tweede Ali Smith-trekje is het stapelen van ingebedde verhalen en verhaallijnen waardoor je eigenlijk geen moment kan voorzien welke kant het uitgaat met de personages.

Het derde is de meer of minder distopische situering terwijl de verhaalwereld tegelijk heel herkenbaar is; van wat er gebeurt kan je (ik, althans) dat minder goed zeggen.

Ik was er zonder nadenken vanuitgegaan dat Briar en Rose zusjes zijn, maar de optie dat Briar een jongen of genderneutraal is, ligt voortdurend op tafel.

Ali Smith, Gliff.
Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Prometheus, Amsterdam, 2024. Bibliotheeek-hardback, normaal formaat, 285 pagina’s.

Alles begint met openheid of onduidelijkheid dan wel onvolledigheid. De ik-verteller en zijn/haar/hun zusje gaan met Leif langs bij ‘onze moeder’ (d.w.z. van de ik en het zusje) op haar werk bij ‘de aanlegplaatsingang van het hotel’, ook aangeduid als ‘de rare levereranciersruimte’, waar zij haar zus vervangt die ziek is, maar dat mag niet hardop gezegd worden. De twee kinderen zijn minderjarig, Leif bestuurt de camper bij afwezigheid van hun moeder; wie hij is staat niet vermeld. De zieke tante heet Alada. Zij allen bevinden zich in een door camera’s bewaakte stad of dorp. De gedachte aan 1984 dient zich aan, of minstens de gedachte aan een dystopie, en dat terwijl Smith meestal over de actuele werkelijkheid schrijft.

Wanneer ze terugkeren van het korte bezoek aan de moeder, is hun huis omgeven door een rode verfcirkel. Het zusje loopt pas naar het huis toe als de ik-figuur een opening in die cirkel heeft gekrabd. Een vergelijkbaar ontzag hebben ze voor de magie van taal, formules, woorden.

Leif, waarschijnlijk de vriend of nieuwe partner van hun moeder, neemt de kinderen mee, op reis, maar je kunt ook denken: op de vlucht, maar dan: waarvoor, voor wie, wat is er gaande? In de eerstvolgende nacht blijkt er ook om hun camper een rode lijn te zijn getrokken. Eerder zagen ze al dat een regulier camperveldje onbereikbaar was gemaakt met betonblokken. Kortom: de dystopie krijgt actuele trekken: segregatie, discriminatie, buitensluiting; het onderscheidend kenmerk dat daarvoor de grondslag kan zijn, wordt niet vermeld.

Hoewel ik niet houd van romans met een kunstmatig kinderperspectief, laat ik me door deze ik-verteller en het zusje wel lijmen, waarschijnlijk doordat alles on-gewoon oogt, zonder dat het aan die kwasi-onschuldige kinderblik ligt. Plus: wat op de ene pagina onbeduidend lijkt, wordt op een volgende herhaald en dus in een motieflijn geplaatst; welke precies, is niet meteen duidelijk.

Leif gaat proberen de moeder terug te halen; de twee kinderen laat hij, met proviand en wat geld in een leegstaand huis achter. 

Puntje puntje puntje

Op ongeveer pagina 80 wordt duidelijk dat de ik-verteller achteraf vertelt, minstens vijf jaar later dan de gebeurtenissen. Veel inzicht in de toenmalige situatie lijkt de afstand van de tussenliggende jaren niet geboden te hebben. Tot de eermalige gebeurtenissen hoort een gesprek met de moeder die vertelt dat ze door een klokkenluider mede-klokkenluider werd: het onkruidverdelgingsproduct waarvoor ze de reclame verzorgde was veel giftiger dan ze ooit had gedacht, een onwetendheid die ze dus onbewust verder verspreidde. De moeder werd ontslagen; misschien was dat het begin van het dolende bestaan. Misschien, want wat een roman van Smith aantrekkelijk maakt is ook dat meestal niet duidelijk wordt geschetst hoe de vork en de rand zich verhouden tot de steel en de hoed, zonder dat het gekunsteld onder de vertellerspet wordt gefrommeld; wel heeft het te maken met de beperkte wereldwijsheid van de ik-verteller op moment van het gebeuren; maar er zweeft geen betweterige vertelinstantie boven het verhaal. Steeds ga ik weer twijfelen aan een interpretatie waarvan ik dacht dat die wel af en rond was. Bijvoorbeeld: hoe reëel is nou eigenlijk die rode demarcatie? De ik-verteller heeft weliswaar een keer een rodelijntrekapparaat van een rodelijntrekkende ambtenaar omver getrapt, maar toch...

Er verschijnen metalen muren in straten, weliswaar doorlaatbaar maar het is verboden van die eigenschap gebruik te maken. Re-educatie vindt plaats. Dreiging met (seksueel) geweld. Het is maar goed dat de verteller alles niet goed doorgrondt, want de wereld in het boek zou er dan ondraaglijk onaangenaam uit komen te zien. De montere kindergeest van de verteller en zijn zusje is een goed antidotum. Later wordt de ik-verteller door een medestander in het demarcatielijntrekken aangesproken met ‘vriend’.

Bij een nog latere flash forward is de ik-verteller een willige werknemer in een inpakindustrie en ontkent hij het bestaan van zijn zusje, van wie alle sporen zijn gewist. Hij (hij wordt aangesproken met ‘meneer’) behoort tot de gezaghebbers van een soort werkstrafinrichting.

(misschien raak ik op pagina 142 nu toch een beetje de interesse kwijt in het wat rommelig ogende boek; ik mis een stuwende kracht in het verhaal, of kortweg een krachtig verhaal; anderzijds vind ik dat voortdurend afdwalen juist een sterke kwaliteit van Smith; maar je moet er wel voor in de stemming zijn)

Met het paard bereiken ze hun vroegere woning, althans de plek waar het huis heeft gestaan waar de rode lijn omheen werd getrokken. De verteller wordt opgepakt en weggevoerd. In het volgende deel, ‘Macht’, dat vijf jaar later speelt, behoort hij tot de leidinggevenden van een inpakindustrie die veel weg heeft van een strafkamp. Macht corrumpeert, blijkt hem (eenduidige referenties door andere personages aan zijn mannelijke identiteit zijn frequenter nu).

Nu eerst maar weer eens iets anders lezen, en dan de Nederlandse vertaling van Glyph (2026).

woensdag 20 juli 2022

Ali Smith, Companion Piece

Hamish Hamilton, z.p., 2022. Hardback met stofomslag, 227 blz.

Weer ben ik eringestonken: ik begin aan een Smith (nadat ik een wat gewonere roman gelezen heb, een rechtlijniger verhaal) en denk bij een zijspoortje, dat het verhaal strakjes wel weer op de hoofdroute aansluit… mooi van niet: Smith stapt stevig associërend door op het veronderstelde zijpad. Haar romans zijn zo veel meer dan alleen verhalen; ze zijn ook taalwerkplaatsen voor een schrijfster met een voortdurend afwijkend hoofd. Het kost me steeds weer een hoofdstuk voor ik weer bij haar poëtica ben, maar ondertussen was het leesplezier er niet minder om. De etymoloog in me glundert bij het lezen van Smith.

Leuk is dat de vertelster op pagina 4 noteert: ‘I didn’t care what season it was.’ Als je dan het omslag van deze roman ziet en je hebt haar eraan voorafgaande seizoenencyclus gelezen, weet je dat deze roman er wel en niet bij aansluit. Leuk is ook dat het taalspel weer niet van de lucht is; nu gaat het onder andere over ‘curlew or curfew’, wulp of avondklok (benieuwd wat dat in de vertaling is geworden), een vogel en tijd, misschien metaforisch verbonden door dat ook van de tijd wordt gezegd dat ze (voorbij) vliegt.

Ondertussen in het ziekenhuis gaat het niet goed met de vader van Shifting Sand, zoals een onbekende bekende van de vertelster de vertelster noemt. Maar voor het weer over haar vader gaat, schiet er al een herinnering tussendoor en een gedicht van e.e. cummings. En dat alles in die merkwaardige bladspiegel zonder woordafbrekingen, en met ieder ‘would’ en ‘had’ en ‘should’ na ‘I’ en ‘he’ en ‘she’ teruggesnoeid tot een apostrof plus ‘d’, maar bij elk stukje personagetekst wel een volledige inquitformule.

Een tijdje later

Vakantievoorbereiding, hittegolfje, kortom: al te brokkelige lectuur. Op pagina 197 moet ik concluderen dat ik van meet af aan moet en wil herlezen. Ik ben totaal de weg kwijt in dit boek. Zou misschien een reading companion moeten hebben, maar wil het zelf doen.

Het boek dat ik bestelde voor de vakantie (de tijd dringt) wordt maar niet geleverd... Moet ik dit jaar dan toch De man zonder eigenschappen gaan lezen, van Robert Musil? (ik lees namelijk geen Engels als ik in Duitsland/Oostenrijk ben, en dat ben ik binnenkort; maar ook weer niet zo lang dat ik dat ik DMZE, al is het maar de vertaling, uit kan lezen).

Herlees inmiddels Volledig ontstemde piano (1994) van Robert Anker, die bepaald niet onbekend was met het concept van wat hij dan noemt ‘de lege man’, zoals wel blijkt uit zijn dichtwerken Nieuwe veters (1987) en Goede manieren (1989). Zijn Volledig ontstemde piano-verhalen hebben elk ook van die Smith-achtige narratologische ontsporingen, lijkt het. Wel passend in deze context dat het vijfde verhaal ‘Wilde beelden’ heet (staat integraal op de webstek van Van Oorschot, omdat het in 1993 in Tirade stond).

Het is bijna dertig jaar geleden dat ik de bundel voor het eerst las. Ik meen dat Ankers zijpaden en dwaalwegen iets meer richting surrealisme gaan soms, het psycho-soort van Bordewijk waar ik meestal met een bochtje omheen las – vertel mij wat over de complexiteit van smaak en voorkeuren, gewoontes en favorieten: Anker gaat erin als gesneden koek omdat hij me ik-weet-niet-waar, maar daar dan wel precies weet te raken.

dinsdag 17 april 2018

Ali Smith, Winter

Hamish Hamilton, z.p. 2017. Vrij stug in de rug gelijmde hardback, met half stofomslag, 322 blz.

Deel twee van een seizoenskwartet. Autumn verscheen het jaar ervoor. Wat ik over de structuur daarvan zei, geldt in grote lijnen ook voor dit tweede deel. En ook geldt (of anders: met terugwerkende kracht) dat ik me weer geheel heb laten inpakken door dit boek. Eenmaal gelezen; toen onmiddellijk begonnen aan de herlezing - daar kwam wat tussen; daarna aan de tweeëneenhalfde lezing begonnen, en die - in weerwil van mijn welwillende intentie - toch weer in fragmenten voltooid.

Arthur, in problemen geraakte volwassen man, gaat kerstmis vieren bij zijn - op z'n zachtst gezegd - eigenzinnige moeder-de-zakenvrouw in Cornwall; dat is, lieve lezer, het uiterste, westelijke zuidpuntje van het Verenigd Koninkrijk. Lands End. Finisterre. Arthur heeft beloofd met zijn partner te komen, maar die, ik bedoel: zij, heeft net zijn notitieblok met aantekeningen voor zijn natuur-blog losbladig het raam uit de sneeuw in geflikkerd omdat ze die blog-troep van hem volkomen a-politiek vond; de accu heeft ze uit z'n laptop geschroefd, en de hele handel onklaar gemaakt. Gewoon, door een niet passende schroevendraaier te gebruiken.

Eigenlijk vind ik dit al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Arthur, die in de problemen geraakte volwassen man, durft het bezoek aan zijn moeder niet aan, en paait een min of meer toevallige passante. Of: passante, dat is ze juist niet: ze zit al uren achtereen in een bushaltehokje een vouwblad van een wegwerprestaurant te te lezen. Voor duizend pond is ze, een in het post-Brexit Verenigd Koninkrijk van dakloosheid verzekerde Oost-Europese, bereid drie dagen lang te doen of ze Arts Charlotte is. Fijn... 'maar ik denk,' denkt en zegt Arthur, 'niet dat al die kettinkjes, studs, piercings en wat er al niet meer in je gezicht steekt, erg overtuigend op mijn moeder overkomen'. Probleemloos schroeft 'Charlotte' alles uit haar facie. Arts moeder-lief vraagt, na haar aankomst: 'Kind, weet je wel dat je gezicht vergeven van de gaatjes is?'

Eigenlijk is dit aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek. En dan weet je nog niet eens dat en hoe dit verbonden raakt met het oeuvre van Barbara Hepworth (staaltje ingeweven cultuurgeschiedenis zoals dat over het werk van Pauline Boty in Autumn).

Sophie, de moeder van Arthur, is niet echt een lief persoon. Haar relatie met haar zus, Iris, is totaal verzuurd. Die met Arthur eigenlijk ook. En Iris is een post-protester, een soort overjarige actievoerster. De halve twintigste eeuw komt daardoor over de vloer in dit boek, dat alles behalve een rechtlijnig chronologische vertelling is. Maar ja, kerstfeest. Dus Iris komt voor het eerst sinds decennia weer bij Sophie in huis, op verzoek van Arthur, die ook niet op zijn gemak is met zijn nep-Charlotte, die eigenlijk Lux heet, zoals in Velux. En ondertussen heeft de echte Charlotte de natuur-blog van Arthur gehackt (Art in Nature) en ze belaagt hem via dat blog met wanstaltige berichten en projecten, waardoor er onder meer busladingen vogelaars uit noord- en midden-Brittannië over de vloer komen bij Sophie c.s. om een zeldzame vogel te spotten, Sophie, die overigens door Iris ook Filo wordt genoemd, maar niet naar aanleiding van 'filosophie' [spoiler reduction].

Dit is eigenlijk al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Sophie, die schijnbaar niet heel aardige moeder van Arthur (kortweg Art, wat weer veel aanleiding geeft tot heel melige en heel leuke woordspelingen) heeft een bijzonder ingewikkelde achtergrond met onder meer een reuze melancholische liefdesgeschiedenis - ja, een eennachtwip - waar Arthur het resultaat van is, die zo intens fraai beschreven is, zo snijdend en mooi, dat je zoiets iedereen eigenlijk wel voor eenmaal in het leven toewenst. En daar komt de kracht van Ali Smiths schrijverschap overduidelijk naar voren. Zoals zij de verschillende tijdslagen enerzijds versnippert over het boek en anderzijds thematisch aaneen weet te smeden, is werkelijk om helemaal knapperend haardvuur met goede thee en sloffen aan met een goed boek van te worden.

Dit is aanleiding te meer en genoeg voor de conclusie: lees dit boek, want tegelijkertijd is dit alles behalve een gezellig winteravondverhaal. Het gaat heel hard en nors over nu en de hedendaagse, ongelooflijke waanzin. En het is zo rijk, zo boordenvol. En zo menselijk, als in: comédie humaine, hoe tragisch toch ook. Zo vol verhalen en vol ook van het belang van verhalen. Lees dit boek.




vrijdag 22 september 2017

Ali Smith, Autumn

Hamish Hamilton, z.p., 2016. Hardback met half stofomslag, 260 blz.

Deze roman heeft wel wat van een collage. Er zit geen eenduidige, eh: geen rechtlijnige ontwikkeling in. De verhaallijnen zijn verknipt, in stukken, en die zijn niet evident logisch-chronologisch geordend, maar op grond van een ander principe; welk, is mij nog niet bekend. In en tussen de verhaallijnen zelf wordt heel veel gebruik gemaakt van associatieve verbanden, meer dan van wat ik voor het gemak maar even noem: realistische ontwikkelingsverbanden. Het geheel is daardoor heerlijk springerig.

Daar komt nog bij dat er een tamelijk expliciete verteller is, die een hoofdstuk begint met een opmerking als deze:
Here's something else from another time, from when Elisabeth was thirteen, that she als remembers shreds and fragments of.
Een verteller ook die nauwelijks onderscheid maakt tussen vertellerstekst en personagetekst, tussen gesprekken en gedachten, tussen haar ' eigen' verhaal en intertekstuele referenties. Deze roman is een collage.

Maar nu moet ook weer niet de indruk ontstaan dat het maar een zooitje is, want er zit wel degelijk de suggestie van een verhaal in, en wel een rond de personages Mr Daniel Gluck en Elisabeth Demand en haar moeder. Fragmenten van Elisabeths vroege jeugd, haar puberteit, haar adolescentie en haar volwassenheid worden door elkaar gehusseld   gepresenteerd, en steeds is Daniel oftewel Mr Gluck ergens in de buurt, letterlijk of figuurlijk, reëel of imaginair, feitelijk of in Elisabeths gedachten.

Aan het eind van wat misschien zijn leven was, is Gluck ruim over de honderd jaar oud. Aan het begin van het verhaal spoelt hij aan op de kust van wat Rilke wel eens heeft omschreven als 'das gutgelegene, das immersüsse'. Daniel Gluck verkeert dan, in medias res, in een coma, enigszins vergelijkbaar met die van Fransje Hermans in de openingsscène van Tommy Wieringa's Joe Speedboot. Maar voor de rest slaat een vergelijking tussen deze twee romans echt helemaal nergens op. Behalve dat Mr Gluck in Elisabeths gedachten even mythische proporties heeft als Joe Speedboot in die van Fransje Hermans.

Over de bijzondere band die er ontstaat, nee: die er is tussen Elisabeth en Daniel, zegt de auteur ergens: 
Well. When she walks past his door, music is always playing. His house is full of art. Love and the imagination are connected. And he's different from anyone else she's met. And she already sees him for what he is, past appearance, and that's how he sees her. And a hundred other tiny details. But above all, she, like he, knows somewhere at core as soon as they meet that they're about to be the lifelong friends that they'll become – I have a theory that we do know our lifelong friends, we intuit it as soon as we meet them. It's something about recognition. And love takes all sorts of forms that the cliched archetypes of love don't habitually leave much room for.
Maar ja: ik heb het nu - impliciet - op me genomen, uit te leggen waarom deze roman uitzonderlijk (misschien niet voor iedereen in dezelfde mate goed, maar wel) intrigerend is. Dat komt vooral doordat Smith heen en weer flipt tussen episch en lyrisch, tussen vertellen en dichten, tussen verhaal en taal, wekelijkheid en fantasie, referentialiteit en verbeelding. Dat maakt het boek zo vrolijk, terwijl het toch ook gaat over een land dat naar de gallemiezen gaat ten gevolge van interne verdeeldheid en eenzijdige afzondering van de rest van wat je toch ook als een soort - zij het moeizame - eenheid of gemeenschappelijkheid kan zien (noem het Europa).

De bijzondere band tussen Daniel en Elisabeth is ook een fraai onderdeel. Hoe ze elkaar uitdagen in dialogen (waarin de kleine Elisabeth veel te wijs praat voor haar leeftijd, maar dat maakt in de quasi sprookjes- of droomachtige setting helemaal niet uit), hoe ze met elkaar verhalen bouwen op basis van andere verhalen, hoe ze elkaar herinnerde of verdwenen schilderijen vertellen. En op een steelse wijze is dat een draadje naar een ingeweven essayistische biografie van Pauline Boty, de enige Britse vrouwelijke Pop Art-kunstenaar, die in haar schilderijen de collagetechniek prominent toepaste en wier schilderij Scandal '63 van de aardbodem verdwenen is; dat schilderij refereert aan een politieke leugen, die weer te verbinden is met de politieke leugens die ten grondslag liggen aan de Brexit, die ook in deze roman een rol speelt.

Zo'n roman is het. Lees 'm maar eens.

donderdag 7 september 2017

Ali Smith, Public library and other stories

Hamish Hamilton, z.p. 2015. Hardcover met stofomslag, 220 blz.
Ik las een exemplaar van de speciale oplage gemaakt voor de bekende Britse boekhandels Waterstones, die een exclusief zkv bevat (zie foto beneden).

In The guardian van 3 november 2015 staat een recensie van deze bundel, die ik volmondig (aan het ontbijt, namelijk) instemmend knikkend heb gelezen. Dus volg de link maar die verstopt is in die krantentitel. Het is een heldere bespreking, helderder dan wat ik hier zou kunnen noteren.

Misschien komt dat doordat Smiths schrijven besmettelijk is. En da's niet best voor het gewone dagelijks leven. Je krijgt de indruk dat zij, of de vertellers die ze opvoert, ongebreideld vertelt respectievelijk vertellen en blijven vertellen, daarbij vrijwel geen enkel associatief zijpad in het tekstenbos overslaand terwijl ze toch het (welk?) spoor niet bijster raken.

Daar komt bij dat Smith een bijna absurde aandacht heeft voor woorden en woordbetekenissen, waardoor een vertelling op onverwachte plekken opeens uit het verhaal en in de taal schiet.

Daar komt ook bij dat deze bundel doorstoken is van commentaren van vrienden, bekenden en wie nog meer, die Smith optekende terwijl zij de bundel aan het samenstellen was, en die alle betrekking hebben op het belang van (het behoud van) openbare bibliotheken. En alle verhalen die door deze teksten  omringd worden, zijn weer doorstoken van het rijke gevolg van het bestaan van bibliotheken: ze barsten uit hun hechte voegen van de ingelaste encyclopedische feitjes en van de referenties aan literaire schrijvers en teksten.

Klik om te vergroten