woensdag 15 juli 2026

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Vertaling Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam 2007. Hardback met stofomslag, 192 bladzijden, inclusief noten en verantwoording.

Op het omslag wordt dit boek aangeduid als een roman. Nou heb ik ooit geleerd dat je een titelbeschrijving niet op het omslag moet baseren maar op de gegevens op de titelpagina en eventueel het colofon, maar dat is lang geleden (en inderdaad, de betreffende cursus, die ‘Bibliografie’ of ‘Bibliografisch apparaat’ heette, was voor mij destijds geen pretje, al was de inhoud, net als de docent, heel goed). Tekstonderdelen als ‘Noten’ en ‘Verantwoording’ zijn inmiddels al lang geen vreemde eenden meer in de bijt van de literaire fictie. Zie Lieke Marsmans laatste boek, dat een ‘Verantwoording’ bevat, een ‘Appendix’ en ‘Noten’, maar toch gecategoriseerd kan worden als poëzie, epiek zelfs.

Ik zag De dichter en de duivel in recensies trouwens des ondanks meer dan eens een dichtbundel genoemd worden, terwijl het mijns inziens echt geen bundeling van (korte) gedichten is, maar één, betrekkelijk lang, gedicht, niet alleen omdat het refereert aan ‘Inferno’, het eerste deel van Dantes lange gedicht (leerdicht wellicht) De goddelijke komedie. Anders dan Dante heeft Marsman haar gedicht doorweven is met prozaïsche teksten. Oftewel en met andere woorden: de oude genres zijn niet meer wat ze geweest zijn.

Wat staat mij als semi-argeloze lezer dan in de weg om Coetzees Dagboek van een slecht jaar als een roman te lezen, terwijl de genreaanduiding in de hoofdtitel, die precies zo op de titelpagina staat, grotendeels als een steeksleutel op een rolmops slaat, afgaande op de inhoud van het boek. Bovendien kennen we Coetzee natuurlijk als een schrijver die wel vaker langs en over de grenzen van een of meerdere genres heen schrijft en des niet tegenstaande wegens zijn gehele oeuvre, zoals uitgevrij Cossee aangeeft op een flap, in 2003 gelauwerd werd met de Nobelprijs (voor de literatuur).

Het boek, of laat ik gewoon zeggen: de roman, bestaat uit twee delen, namelijk ‘Een’ en ‘Twee’ die in de inhoudsopgave als ondertitel hebben: ‘Uitgesproken meningen’, respectievelijk ‘Tweede dagboek’. De noten en de verantwoording zijn klinkklaar formeel bijwerk bij een roman, noodzakelijke kwaden in tijden (ook anno 2007 al) van plagiaat, plagiaatbestrijding en voorkoming van plagiaatschande.

Nu ik deze aantekeningen hier vastleg, ben ik nog niet aan het einde van deel ‘Een’, dus de problematiek van de ondertitel van het tweede deel, ‘Tweede dagboek’, kan ik nog niet effectief aansnijden. Wel kan ik al aangeven dat het eerste deel niet alleen bestaat uit wat de ondertitel ervan aangeeft: de essayistische bijdragen van een oudere schrijver aan een nog te verschijnen boek onder die titel, Uitgesproken meningen, waarin de betreffende Duitse uitgever, Bruno Geistler van Mittwoch Verlag GmbH in Berlijn, in totaal ‘zes medewerkers uit diverse landen’ de vrije ruimte geeft hun zegje te doen ‘over willekeurige, door henzelf gekozen onderwerpen, hoe controversiëler hoe beter.’ (p. 25)

Behalve de essays van deze oudere, in Australië woonachtige, uit Zuid-Afrika afkomstige schrijver bevat deel ‘Een’ ook persoonlijke notities van deze auteur met betrekking tot een veel jongere, uiterst aantrekkelijke flatgenote (hier herkennen we het klakkeloze heteroseksuele seksisme van meerdere hoofdpersonages uit het werk van romanschrijver J.M. Coetzee), die hij graag zou inhuren als typiste: zij zou zijn manuscripten (audio-opnamen) kunnen uitwerken tot typoscripten en waar nodig de teksten redigeren, alsof die Duitse uitgever van het boek dat zelf niet zou kunnen (laten) doen, nadat alles vertaald is; bovendien is de betreffende jonge vrouw, Anya, zelf niet van huis uit de Engelse taal machtig; zij noemt de schrijver ‘Señor C’ of ‘El Señor’, Spaanstalige en naar het schijnt Filipijnse als zij is; de schrijver vraagt niet eens naar haar vaardigheden als secretaresse annex typiste. 

Bladeren helpt. Op de titelpagina van deel ‘Een / Uitgesproken meningen’ staat als ondertitel: ‘12 september 2005 - 31 mei 2006’. Die data kunnen duiden op de productietermijn van de essays, maar gelden dan evenzeer voor de eronder afgedrukte notities van Señor C en zelfs die van Anya. Terugdenkend aan de inhoudsopgave en aldus op mijn lectuurvoortgang vooruitlopend, zie ik dat deel ‘Twee’ als (onder)titel heeft: ‘Tweede dagboek’. Ik ben benieuwd wat de auteur heeft aangezet tot deze, laat ik zeggen: onevenwichtige titels van de onderdelen.

De notities van de schrijver, die met enige, door de context afgedwongen, goede wil wel als dagboeknotities op te vatten zijn, staan onderaan de pagina, door een horizontale lijn van een halve zetregel lengte gescheiden van de (weergave van de door Anya uitgewerkte) essays, die genummerd zijn en titels hebben als ‘Over de oorsprong van de staat’ en ‘Over het hiernamaals’. Voor de lezer van Nederlandstalige literatuur is het niet moeilijk om bij deze presentatiewijze van grafisch onderscheiden en inhoudelijk ogenschijnlijk niet direct samenhangende teksten annex verhaallijnen, te denken aan werk van Louis Paul Boon, meer in het bijzonder De kapellekensbaan, Menuet en Mijn kleine oorlog.

Coetzee bakt ze net zo bruin als Boon in De kapellekensbaan, wanneer hij vanaf pagina 28, oftewel bij aanvang van het zesde essay, ‘Over geleidingssystemen’, een derde tekstlaag toevoegt, namelijk een waarin Anya aan het woord komt, die heel de boel met haar blik belicht. Dat gaat door tot en met het voorlaatste essay van dit deel, ‘30. Over gezag in fictie’; het laatste essay staat alleen op de laatste twee pagina’s.

Doordat de verschillende teksten en ook de witgelaten ruimten ertussen in omvang variëren, wordt al snel duidelijk dat per essay de eronder staande teksten elk ook een afgerond geheel vormen op even zo veel pagina’s. Zoveel samenhang is er nog wel.

Althans, merkte ik, verder lezend, tot en met het zeventiende essay, ‘Over intelligent design’. Vanaf ‘18. Over Zeno’ gaan de teksten eronder uit de maat lopen terwijl de rol van Alan, de partner van Anya, in de onderste tekstlaag groeit en er zich een intrige daarin aftekent, die ook zijn effecten heeft in de middelste tekstlaag (die van Señor C). Over intelligent design gesproken...

Het grappige effect, op mij althans, was dat ik mijn leesroutine veranderde, niet meer eerst een essay las en dan een voor een de eronder meelopende andere twee tekstlagen, maar eerst de onderste, dan de middelste en daarna pas de erboven staande essays. Het zwaartepunt van de roman verschoof op de pagina’s; hoofd- werd bij- en bij- hoofdzaak; het commentaar is de primaire tekst geworden, en andersom. Zo wordt de dynamiek van het lezen onderdeel van het lezen (ik vraag me, terzijde, af of zo’n typografische presentatie ook in een e-boekuitgave te realiseren is). Maar... mijn belangstelling voor de essays, die ik pas na de andere twee tekstlagen las, werd toch groter, al kan dat ook aan de onderwerpen liggen die steeds meer betrekking hebben op actualiteiten van (vlak voor) 2007 en die ook nu nog actueel zijn. En terwijl dus het belang van de fictie steeg, nam ook mijn waardering van de essays toe, die ik steeds meer ben gaan toeschrijven aan Coetzee dan aan die (quasi-)fictieve Señor C.

Mijn nieuwsgierigheid naar het dertigste essay groeide terwijl ik er dichter bij in de buurt kwam. Het handelt ‘Over gezag in fictie’, terwijl in de onderste tekstlaag onbehoorlijk stevig de zaag wordt gezet in de stoelpoten van de fictieve schrijver ervan, die een briefje aan Anya ondertekent met ‘JC’. Het onderscheid met de auteur van de roman wordt miniem; Coetzee ondertekent zijn ‘Verantwoording’ met ‘JMC’.

Het essay viel echter tegen, was mij te vaag, pardon: theoretisch.

Deel ‘Twee’ gaat duchtig verder met de drie tekstlagen. De eerste laag bevat nu meer dagboekachtige notities van de oude schrijver, althans persoonlijke overwegingen, maar vanaf de vijfde notitie hebben deze items, een beetje verraderlijk, weer een vertrouwde essay-titel, zoals ‘Over massa-emotie’. ’n Beetje cerebraal is het dagboek dus wel; maar ja, wat verwacht je van een oude schrijver? De emotie en de actie zit in de andere tekstlagen. Het gedoe tussen C, Anya en haar partner Alan gaat daar gewoon verder, in zoverre dat die (derde) verhaallijn nog doorloopt nadat ze gedrieën de afronding van het typoscript van Uitgesproken meningen gevierd’ hebben, wat onder meer resulteerde in een breuk tussen Anya en Alan en Anya’s vertrek naar elders (zij bepaalt zelf wel in hoeverre men met haar kan sollen). In de tweede tekstlaag blijft zij, via de vertellende schrijver, met de schrijver corresponderen. De bejaarde maar vermaarde schrijver, die door Alan ‘Juan’ wordt genoemd, blijkt nu, net als de auteur van deze roman, hoogleraar in literatuur geweest te zijn. Het literaire spelletje gaat voort. Hij blijkt nu (weer) wel in staat zelf zijn teksten (de eerste tekstlaag) te kunnen typen...

Hoorndol kan een mens van een dergelijke essayrijke roman worden. Ik althans word er afwisselend door aangetrokken en dan weer afgestoten, verbijsterd, verveeld en toch geïntrigeerd.


Geen opmerkingen: