zaterdag 19 november 2022

Niña Weijers, Zelf doen

Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2022. E-boek op basis van de eerste druk. Geleend via de Online Bibliotheek.

Op deze plek wilde ik iets zinnigs noteren over Zelf doen, de bundel Groene-columns van Nina Weijers die, nota bene, genomineerd is geweest voor de Boekenbon-literatuurprijs 2022. Maar geen enkele vriendelijke, zinnige of interessante mededeling slaagde erin onder m’n cursor vandaan te kruipen. Het bleek, bij nadere inspectie, verontrustend leeg daar, onder die cursor. Weijers' jongste boek, althans het deel dat ik ervan las, is een grauwe baal plat en verveeld ik-gehik. Zonder glans. Wie wil dat nou weten? Waarom, dacht ik, zijn deze landerige krabbels verzameld en voor een tweede keer de wereld in geslingerd?

Toen ik dit testimonium paupertatis had genoteerd, sloeg ik het boek toch nog een keer open, las verder en zag dat Weijers onder meer schrijft:

Het is altijd de vraag, of althans mijn vraag, waar het persoonlijke ophoudt en het navelstaren begint. Ik houd er niet van als het persoonlijke een excuus is om geen positie in te hoeven nemen. Ik houd er niet van als het persoonlijke zo persoonlijk is dat het exhibitionistische clichés oplevert.

Die vraag, haar vraag, heeft ze zelf beantwoord. Het antwoord luidt: bij Zelf doen.

zondag 6 november 2022

Guus Middag, De wereld is weer plat, ja

De poëzie van tegenwoordig. Van Oorschot, Amsterdam 2019. Paperback met flappen, 207 blz. inclusief verantwoording, aantekeningen en register.

Dit mooi uitgevoerde boek (omslagontwerp van Christoph Noordzij) bevat twintig beschouwingen – zowel nieuwe, als bewerkte die eerder elders waren verschenen – over evenzoveel poëtische teksten (gedichten en liedteksten) van evenzoveel auteurs; alle besproken teksten verschenen voor het eerst in het huidige millennium (tussen 2001 en 2018). Op het achterplat heet het dat dit boek niet bedoeld is als een nieuwe dichters-top-twintig; het gaat Middag daarentegen 'om maximale aandacht voor het ene afzonderlijke gedicht, dat hem raakt en intrigeert – en blijft intrigeren, ook na vele keren lezen.'

De achterplattekst heeft sommige recensenten van deze bundel op het verkeerde spoor of been gezet: zij leidden eruit af dat Middag hier gaat uitleggen waarom en/of waardoor deze gedichten hem raken. Quod non. De focus ligt niet op de essayist, maar steeds weer op de tekst, en dan niet op een tekst in een oeuvre of een tekst met een bepaald thema of een tekst met een specifieke vorm, maar, zoals op het achterplat wordt geïmpliceerd: de afzonderlijke tekst als tekst.

Deze essays zijn stuk voor stuk demonstraties van hoe verrassend intrigerend poëtische teksten zijn wanneer ze met aandacht worden gelezen. Het gaat in elk essay om de besproken tekst, niet om welk aspect van de tekst precies Middag zou raken. De intrigerende tekst zelf levert stof te nadenken, herlezen, verdere reflectie en naslag, en dan – maar altijd nog: tussentijds – een verwoording van de bevindingen tot dusver. Niet meer, en niet minder.

Middag betoont zich – als ik de blurb van T. van Deel op de achterflap mag lenen – 'een aanstekelijk lezer', waarmee ik bedoel dat hij  de, mijns inziens ideale, combinatie is van een ragfijne lezer en een kraakheldere schrijver. Misschien is hij soms een tikkeltje te veel aangeraakt door het goede oude Merlynisme: hij kan het niet laten om hier en daar zinnen en versregels en lettergrepen te tellen en wat hij noemt 'rijmsnoeren' in de teksten aan te wijzen, ook wanneer dat weinig interessante vergezichten in een tekst opent; maar soms weet hij al tellend wel een mooie samenval van vorm en inhoud te detecteren.

Middag is zijn essays, die gaan van Heytze tot Pfeijffer en van Polderman tot Fabias, een uiterst oplettende, aandachtige, nadenkende, vorsende lezer, die ruim de tijd neemt om de betekenis van  woorden, namen, referenties, concepten, kortom de betekenis van alles waar hij niet geheel zeker over is, op te zoeken in de hem daartoe ten dienste staande naslagwerken – niet in de laatste plaats de Van Dale – en een lezer die vervolgens eveneens ruim de tijd neemt om zijn bevindingen – ook, indien verhelderend, betreffende de biografie van de auteur – te selecteren, te ordenen, toegankelijk te formuleren en op te nemen in een betoog waarin hij, als het ware samen met de lezer van het essay, als een goede gids voorzichtig door de te bespreken tekst heen gaat, van boven naar beneden en van links naar rechts, woord voor woord, regel voor regel.

Nergens slaat hij de tekst plat met intimiderende betekenistoekenningen op basis van superieure betweterigheid. Bij twijfel hakt hij zijn knopen niet door maar behoudt hij de aandacht voor de ambiguïteit of complexiteit van de tekst.

Best wel voorbeeldig.


zondag 2 oktober 2022

Juli Zeh, Nullzeit

Roman. E-Book. btb, München z.j. Originalausgabe: Luchterhand, München 2012.

Daarnaast: Juli Zeh, Nultijd. Vertaald uit het Duits door Hilde Keteleer. E-boek, op basis van de 4e dr. Ambo | Anthos, Amsterdam 2014 (eerste dr. 2013).

Het ging weer zo: gretig aan een (voor mij) nieuwe Zeh begonnen en blijven lezen, en dan achteraf denken dat het toch iets te gretig was. Gelukkig is er dan de online-bibliotheek waar voor gratis de Nederlandse vertaling ter beschikking staat, zodat je ‘hetzelfde’ boek niet tweemaal hoeft te kopen.

Herlezen was gewenst, zo niet noodzakelijk, om me een goed beeld van het boek te vormen. Dat ligt aan mijn niet heel geweldige beheersing van het Duits en daarbij komt dat de personages in deze roman heel gewoon lijken terwijl er aan alle wel een schroefje los zit waardoor ieders kijk op en weergave van de werkelijkheid niet spoort met die van de anderen. De finesses van die (focalisatie-) verschillen ontgaan me, denk ik, als ik al blij ben dat ik de grote lijn van de gebeurtenissen volgen kan.

Dat verhaal is, als je het gaat navertellen, niet zo heel erg bijzonder (samenvattinkjes staan in iedere recensie of promotekst op het internet). De literatuur zit niet in het verhaal, maar in die verschillen, denk ik. Daar, tussen die uiteenlopende focalisaties, zit ’m de kneep. Had ik meteen al moeten weten. Ik had beter op moeten letten, de eerste keer al. Ik weet toch ook dat er in een Zeh-roman vaak een who-dunnit-element verscholen ligt? Nou dan!

Dus pas bij de herlezing van de roman, maar dan in het Nederlands, vielen me onder andere allerlei vooruitwijzingen op, zoals dat hoort bij zo’n soort roman. Toen pas ook viel me op hoe schijnbaar gewoon maar wezenlijk verknipt Theo, Jola en Sven zijn (Antje, de partner van Sven, komt weinig in de kijker). Toen pas kwam er echte dynamiek in de lectuur. En viel me weer op hoe goed Zeh de informatie weet te doseren, waardoor je tot het einde aan het verhaal gekluisterd blijft.

Omdat Zeh zorgvuldig schrijft, denk ik dat haar teksten ook secuur vertaald moeten worden. Voor wat betreft de grote lijnen heeft Hilde Keteleer mijns inziens heel goed werk geleverd. Maar op een enkel vocabulair slakje zou ik toch wat zout willen strooien.

‘Du bist ein großer Schwanz, an dem ein Feigling hängt. Das bist du.’ Aldus klant Theo, in hoofdstuk 8 tegen de duikleraar Sven, die het in hoofdstuk 7 met zijn vrouw gedaan heeft (wat hij niet erkent, maar zij wel). In de Nederlandse vertaling is dat geworden: ‘Je bent een grote lul waar een lafaard aan hangt. Dat ben je.’ Lijkt met een prima vertaling.

Vlak daarvoor heeft Theo al gezegd: ‘Du hast Schiss vor mir.’ De vertaling daarvan is mij wat te bleekjes: ‘Je bent bang voor me.’ Als Theo Sven aanspreekt met, of uitmaakt voor: ‘Du verdammter Schisser’, wordt dat wel sterk vertaald met: ’Verdomde schijtluis.’ Omdat er wat gevogeld is, lijkt me ‘schijtlijster’ overigens nog beter.

Hoe dan ook, in het vervolg duidt Theo Sven aan als, of met: ‘kleiner Scheißer’. En dat wordt vertaald met ‘kleine klootzak’. Dat allitereert wel lekker, maar volgens mijn woordenschat en interpretatie van de roman ontbreekt aan ‘klootzak’ de centrale notie ‘angst/lafheid’ die juist wel met ‘Schiss/er’ en ‘Scheiß/er’ uitgedrukt wordt, en die notie is de kern van Theo’s kritiek op Sven, die zichzelf heel wat mans voelt alleen al omdat hij veertien jaar geleden het kapitalistische en competitieve Duitsland heeft verlaten (het liep hem daar dun door de broek) en op een (Canarisch) eiland is gaan wonen maar veel liever nog onder water vertoeft, ver, ver weg van het menselijk gewoel. Theo, woonachtig in Berlin, is werkelijk een onaangenaam romanpersonage, en juist hij steekt die bubbel feilloos lek, met krachtige termen.

De woordromp ‘S/scheiß’ komt 27 keer voor in de roman, ‘S/schiss’ vijfmaal, waarvan eenmaal in deze zin van Theo: ‘Schiss is das Stichwort.’ :))

In de vertaling blijft van dat woordspel van Svens rivaal helaas weinig over: ‘Jawel, bang is het woord.’ En Theo voegt er nog wel aan toe: ‘Hast du wohl gedacht, ich steh’ nicht zu meinem Wort?’

zondag 28 augustus 2022

Timur Vermes, Die Hungrigen und die Satten


Roman
. Eichborn, Köln 2018. Hardback met leeslint, 509 blz.
Vanaf hoofdstuk 26 (p. 241) verder gelezen in: De hongerigen en de verzadigden. Vertaald door Elly Koets en Liesbeth van Nes. E-boek. De bezige bij, Amsterdam, 2019.

Dit, ook volgens het colofon fictionele, verhaal over de uitzinnig door de media uitgebuite mars van 300.000 vluchtelingen uit een kamp bezuiden de Sahara richting Duitsland speelt zich af in de nabije toekomst (er is sprake van 'der neue Merkel'); gerekend vanaf het verschijnen van deze tweede roman van Timur Vermes is dat ongeveer in 2022. Wrang genoeg zet deze maatschappij-kritische roman de huidige Nederlandse vluchtelingen- of asielzoekerscrisis, die daarbij ook nog een statushouderscrisis is, in de schaduw omdat het daarbij 'maar' om 700 mishandelde mensen gaat. Maar hoewel de Nederlandse commerciële media geen munt slaan uit 'Ter Apel' (denk ik), schetst Vermes wel een mechaniek dat ook hier speelt: door laakbaar beleid is een situatie ontstaan die onhoudbaar wordt en tot enorme gevolgen leidt of kan leiden waar werkelijk niemand op bedacht was.

Die Hungrigen und die Satten gaat over die gigantische exodus van vluchtelingen, maar zij spelen alleen als anonieme, dagelijks vijftien kilometer voortschrijdende massa een rolletje. Centraal staan de zelfgenoegzame, quasi-humane tv-makers en politici en show-'journalisten'. Het is de zender Mytv met de tv-'persoonlijkheid' Nadeche Hackenbusch en haar programma Engel im Elend een kip met gouden eieren heeft. Hackenbusch is een volkomen lege huls, een modepop met zaagsel in haar kop (het steenkolen-Engels dat ze spreekt, is daar een zeer goed blijk van) die toch compassie met de vluchtelingen ontwikkelt wanneer ze bezig is met een op locatie – nota bene: in een vluchtelingenkamp – op te nemen modeshow voor en met vluchtelingen (ook haar lingerie-lijn met de Hackenpush-up probeert ze er te slijten). Maar het echte idee voor de live uit te zenden mars van vluchtelingen naar Duitsland is afkomstig van van iemand die we niet anders leren kennen dan als 'Der Flüchttling', die vervolgens 'Lionel' wordt genoemd door de tv-mensen, omdat hij een soort filosofische uitspraak doet (in de geest van Jerzy Kosinski's Being There) waar een leeuw in voorkomt. Om deze satire te vervolmaken is er nog de reporter van het show-blad Evangeline, Astrid von Roëll, die Hackenbusch op de voet volgt en haar daden en gedachten lyrisch beschrijft in columns die in de roman af en toe worden weergegeven (typografisch onderscheiden van de rest van de tekst).

Naast Hackenbusch, Von Roëll en Lionel krijgen nog veel politici het woord en de nodige bobo's van de tv. En Lionel is natuurlijk de uitzonderlijke onder de vluchtelingen; enkele maatjes van deze fixer komen ook nog aan het woord, voor zover ze hem van dienst zijn bij de uitvoering van zijn plan, maar van enige werkelijke aandacht voor de vluchteling als zodanig, voor het perspectief van de ontheemde mens is geen ruimte in deze des ondanks boordevolle roman. Het boek is verzadigd van verzadigden. En zij worden op de korrel genomen door in te zoomen op ieders eigenbelang als fundamentele motivatie voor hun handelen.

Zeker het eerste deel van de roman is vol humor, satire en geestigheid. Zo lang het circus nog wordt opgetuigd, is er veel te genieten, maar wanneer het spel op de wagen staat, is de lol er af. Vermes moet dan zijn toevlucht nemen tot excessen (de primaire groep groeit van 150.000 tot 300.000 en zelfs 400.000 mensen) waarbij hij zijn personages steeds meer rekenkundige capriolen moet laten uitvoeren om het verhaal nog een beetje realistisch te houden. Het wordt dan eigenlijk heel saai, ondanks het per hoofdstuk (het zijn er 59 in totaal) wisselende perspectief (naast Hackenbusch, Von Roëll, Lionel, diens maten ook nog ministers, de staatssecretaris, ambtenaren en meerdere tv-managers; te veel om op te noemen – ook daardoor steken verveling en desinteresse de kop op bij deze lezer). Een nauwkeurige beschrijving van ernstig menselijk leed aan het slot van de roman, valt daarbij weer uit de toon.

Het lijkt erop dat Vermes zich geen raad meer wist met zijn eigen tekst. De mars naar het beloofde land eindigt in een huiveringwekkend, schier apocalytisch debacle, maar Vermes weet dat niet tot een narratief overtuigend einde van de roman te smeden. Er volgt nog een pastiche van een nieuwsbericht met een kop in grote letters, een lead, de hoofdtekst in kolommen, en onderaan: '(ap/dpa/Reuters)', en daarna komt zelfs nog een even overbodige facsimile van een gecorrigeerde tekst van een studente van de 'Astrid-von-Roëll-Akademie für Qualitätsjournalismus' over de weduwnaar van Hackenbusch die haar liefdadigheidswerken en de Nadeche-Hackenbusch-Foundation for the Humans voortzet.

donderdag 28 juli 2022

Robert Anker, Volledig ontstemde piano

Verhalen[?]. Paperback. 200 bladzijden. Querido, Amsterdam 1994.

Als gezegd ben ik, na noodgedwongen voortijdig gestopt te zijn met de lectuur van Ali Smiths Companion piece, overgestapt op de herlezing van deze verhalenbundel van Robert Anker. Maar het is het wel een verhalenbundel? Is het niet een roman? Het is minstens een thematisch samenhangend vlechtwerk van verhalen met verschillende hier en daar opduikende personages, gesitueerd in een betrekkelijk duidelijke speelruimte: een voor de hoofdpersoon of hoofdpersonen in allerlei opzichten onoverzichtelijk stukje west-Amsterdam vol niet-verburgerlijkte figuren, met stevig op de achtergrond een veilig en begrijpelijk en samenhangend jeugddorp op het platteland.

Ik kocht het boek op 5 mei 1994 en noteerde, in het pre-sociale-media-tijdperk, er vier dagen later iets over in mijn tweede papieren boeken-notitieboek (van 11-10-1992 tot en met 29-11- 1996) op pagina 84:

[op omslag (niet op (Franse) titel) 'ondertitel' / genreaanduiding: Verhalen.]

Achterop staat: '[...] zeven verhalen die gaandeweg steeds meer verstrengeld raken.'

Da's wel zo. Zelf-plagiërend en wellicht wat tè bombastisch, maar toch had dit boek best een 'episodische roman' kunnen heten wat mij betreft.

Het merendeel kende ik al (soms onder andere titel, geloof ik) uit Tirade. Maar het samengaan in éen band maakt 'r wat bijzonders van.

Al die hoofdfiguren (of toch: één) die zich uit de wereld terugtrekken, levend in de stad en rond of in een kraakpand, met een alles behalve schokvrij opgehangen kompas in hun borst (WFH, Preambule van Paranoia) en alles in een sneltreinstijl geschreven.

Als immer met een hoge graad van onvolledigheid, diffuse beelden maar met àl die parallellen: natuurlijk het zich onherstelbaar opdringende jeugddorp; maar ook dat kraakpand; steeds weer de vervoerende roep van de merel; jonge meisjes die de held met 'n slag uit zijn zwevende staat sleuren. Dat wordt: herlezen. Nu al. Al word ik er, geloof ik, wat onrustig van.

Maar hier en daar een scheldkanonnade om van te smullen.

Met die scheldkanonnades valt het (bij herlezing) erg mee; eentje kwam ik er nu maar tegen, in het verhaal 'Wilde beelden', als de hoofdfiguur zijn onvrede uit met betrekking tot 'de rectrix, die [z]ijn ondergang voorbereidde'. Reden genoeg om te fulmineren, toch? Maar verderop worden er nog wel wat bij-figuren (sociale typen) krachtig beschimpend neergezet. Overigens zie ik in mijn boeken-boek geen aantekening die duidt op een gerealiseerde herlezing in die jaren. Maar streepjes in de marge van de romans zelf wijzen er wel op.

Grappig vind ik het toeval dat ik dit oude leesverslagje herlees net nadat ik in het voorlaatste verhaal, 'De taper getapet', een aantekening maakte over de wederverschijning van de rubriek 'Opgeheven' die een personage in een ander verhaal ook al onderhoudt in de wijkbode De Kring. De verhalen raken inderdaad gaandeweg steeds meer verstrengeld, maar ze raken of zijn zelfs van meet af aan ook zeer vervlochten met veel van Ankers andere proza en niet minder met zijn poëzie. Maar ook gaan er soms verder weg opgehangen intertekstuele belletjes rinkelen, zoals een schelletje Nijhoff, en – vooral door de merel – een steviger bel P.N. van Eyck, hoewel ik me voor kan stellen dat Anker gruwde van diens qua vorm al te ouderwetse en qua inhoud zelfingenomen en vooral te zelfverzekerde poëzie.

Bombastisch vind ik de bundel nu niet, laat staan tè bombastisch. Wel trekt Anker als het hem zo uitkomt het verheven register welbewust wagenwijd open, maar dat is dan om de hoogdravendheid van de begeestering van zijn personage(s) tegelijk uit te beelden en enigszins te ironiseren. Voortdurend zwalkt de verteller of vertelinstantie aldus heen en weer tussen het personale en het auctoriale vertellen, en steeds moet dus de lezer zelf ook een positie innemen tegenover het verhaal en het verhaalde.

Interessant vind ik de in deze bundel (al?) duidelijke aanwezigheid van het motief van de neiging van de hoofdpersoon tot wereld-afgewendheid, het kloosterlijke zich terugtrekken (hier kan wel een moppie van Mahler) om zich des te beter bezorgd over deze wereld te kunnen buigen, en tegelijk het zich daar weer schuldig over voelen omdat het gepaard gaat met een niet actief deelnemen aan diezelfde wereld, die daar toch erg mee gebaat zou kunnen zijn. De hoofdfiguur van 'Wilde beelden', een niet geheel over gebaande rails doordenderende leraar maatschappijleer, die toch ook een zegen voor de jeugd zou of had kunnen zijn, maar door zijn streberige rectrix van school weggewerkt wordt; niet geheel onvergelijkbaar met wat de leraar geschiedenis Daan Hollander in Hajar en Daan overkomt; in Oorlogshond figureert een leraar klassieke talen die op of voorbij de rand van het betamelijke opereert met betrekking tot zijn leerlingen. Zeker komt hier, wat betreft het al dan niet afzijdig-zijn, ook Ankers laatste roman om de hoek kijken: In de wereld (2017), het boek waarvan hij de presentatie net niet meer mee zou maken.

Met Hajar en Daan en onder meer 'Wilde beelden' komt een aspect van Ankers oeuvre om de hoek kijken dat anno hodie steeds problematischer zou kunnen worden (of: al lang problematisch is, maar het werd door mij nog niet aldus ervaren): de onverholen macho-hetero-seksistische portrettering van menig vrouwelijk personage door zijn vertellers. Ik zou hier standaard-literair sussend te berde kunnen brengen dat een en ander wellicht gerelateerd is aan Nabokovs Lolita, ware het niet dat ik die roman juist niet te pruimen vond en niet heb uitgelezen en er dus beter maar over kan zwijgen. Anker heeft niet alleen een speelse neiging tot pathetiek en bombast, hij wil ook nog graag de burger in zijn lezend publiek prikkelen door hier en daar net een schepje bovenop te doen. In 'Juju of de terugtocht' blijkt zijn vlammendste vlam Irene geen zeventien maar slechts veertien jaren oud te zijn.

En dan lees ik net in een recensie van Arnold Heumakers dat die Irene uit het slotverhaal misschien de inbreekster is uit het eerste verhaal... Goede suggestie; maar dan moet ik het boek dus toch nog een keer lezen. En dan meteen ook erop letten waar dat motief van het verdwijnen (van onder andere die veilige jeugdwereld) zich aandient en te verbinden is met een conceptuele transcendentie die in enkele verhalen gevat is in het woord 'Opgeheven' (de titel van de rubriek in De Kring), dat net als 'aufheben' in de filosofie van Hegel ambigue wordt gebruikt, zowel in de zin van '(doen) verdwijnen' als in de betekenis 'verheffen, op een hoger plan brengen'. Even Wikipediëren:

Die dialektische Aufhebung ist ein zentraler Begriff der Philosophie G. W. F. Hegels. Er bezeichnet den Vorgang der Überwindung eines Widerspruchs, wobei die positiven, wertvollen Elemente erhalten und fortgeführt werden und die negativen entfallen. Hegel sah in dem deutschen Wort Aufhebung den spekulativen Geist der Sprache, der in der Lage ist, gegensätzliche Bedeutungen in einem Wort zu vereinen. 

Die twee betekenissen worden, in ieder geval bij Anker, verbonden in en door de verbeelding en het schrijven.


woensdag 20 juli 2022

Ali Smith, Companion Piece

Hamish Hamilton, z.p., 2022. Hardback met stofomslag, 227 blz.

Weer ben ik eringestonken: ik begin aan een Smith (nadat ik een wat gewonere roman gelezen heb, een rechtlijniger verhaal) en denk bij een zijspoortje, dat het verhaal strakjes wel weer op de hoofdroute aansluit… mooi van niet: Smith stapt stevig associërend door op het veronderstelde zijpad. Haar romans zijn zo veel meer dan alleen verhalen; ze zijn ook taalwerkplaatsen voor een schrijfster met een voortdurend afwijkend hoofd. Het kost me steeds weer een hoofdstuk voor ik weer bij haar poëtica ben, maar ondertussen was het leesplezier er niet minder om. De etymoloog in me glundert bij het lezen van Smith.

Leuk is dat de vertelster op pagina 4 noteert: ‘I didn’t care what season it was.’ Als je dan het omslag van deze roman ziet en je hebt haar eraan voorafgaande seizoenencyclus gelezen, weet je dat deze roman er wel en niet bij aansluit. Leuk is ook dat het taalspel weer niet van de lucht is; nu gaat het onder andere over ‘curlew or curfew’, wulp of avondklok (benieuwd wat dat in de vertaling is geworden), een vogel en tijd, misschien metaforisch verbonden door dat ook van de tijd wordt gezegd dat ze (voorbij) vliegt.

Ondertussen in het ziekenhuis gaat het niet goed met de vader van Shifting Sand, zoals een onbekende bekende van de vertelster de vertelster noemt. Maar voor het weer over haar vader gaat, schiet er al een herinnering tussendoor en een gedicht van e.e. cummings. En dat alles in die merkwaardige bladspiegel zonder woordafbrekingen, en met ieder ‘would’ en ‘had’ en ‘should’ na ‘I’ en ‘he’ en ‘she’ teruggesnoeid tot een apostrof plus ‘d’, maar bij elk stukje personagetekst wel een volledige inquitformule.

Een tijdje later

Vakantievoorbereiding, hittegolfje, kortom: al te brokkelige lectuur. Op pagina 197 moet ik concluderen dat ik van meet af aan moet en wil herlezen. Ik ben totaal de weg kwijt in dit boek. Zou misschien een reading companion moeten hebben, maar wil het zelf doen.

Het boek dat ik bestelde voor de vakantie (de tijd dringt) wordt maar niet geleverd... Moet ik dit jaar dan toch De man zonder eigenschappen gaan lezen, van Robert Musil? (ik lees namelijk geen Engels als ik in Duitsland/Oostenrijk ben, en dat ben ik binnenkort; maar ook weer niet zo lang dat ik dat ik DMZE, al is het maar de vertaling, uit kan lezen).

Herlees inmiddels Volledig ontstemde piano (1994) van Robert Anker, die bepaald niet onbekend was met het concept van wat hij dan noemt ‘de lege man’, zoals wel blijkt uit zijn dichtwerken Nieuwe veters (1987) en Goede manieren (1989). Zijn Volledig ontstemde piano-verhalen hebben elk ook van die Smith-achtige narratologische ontsporingen, lijkt het. Wel passend in deze context dat het vijfde verhaal ‘Wilde beelden’ heet (staat integraal op de webstek van Van Oorschot, omdat het in 1993 in Tirade stond).

Het is bijna dertig jaar geleden dat ik de bundel voor het eerst las. Ik meen dat Ankers zijpaden en dwaalwegen iets meer richting surrealisme gaan soms, het psycho-soort van Bordewijk waar ik meestal met een bochtje omheen las – vertel mij wat over de complexiteit van smaak en voorkeuren, gewoontes en favorieten: Anker gaat erin als gesneden koek omdat hij me ik-weet-niet-waar, maar daar dan wel precies weet te raken.

zaterdag 9 juli 2022

Andreas Burnier, Het jongensuur

Salamander, Querido, z.p., z.j. (maar na 1970, afgaand op het ander werk van Burnier dat voorin genoemd wordt; blijkens een artikel van Saskia van Rijnswou in het Lexicon van literaire werken de 4e druk, uit 1972). Paperback, houthoudend papier, 124 bladzijden. Aangetroffen in een meeneemboeken-kastje in de buurt (Arnhem).

Op Instagram, meer in het bijzonder Fixditnu, had ik gezien dat Yra van Dijk in De gids het ‘ronduit verbijsterend’ vindt ‘dat Andreas Burniers [debuut]roman Een tevreden lach niet tot de canon van de Nederlandse literatuur wordt gerekend.’ Ik realiseerde me daardoor dat Burnier in mijn canon nog niet eens voor kon komen doordat ik – eerlijk is eerlijk – nog nooit iets van haar gelezen had. Nu dus wel.

Het jongensuur is een bizar goed boek, in zekere zin een bizarre roman (of novelle) en sowieso een goed boek. Opeens, op pagina 83-84 van de Salamander-uitgave die ik lees, komt, terwijl de hoofdpersoon een jaar of elf is (echt duidelijk is dat niet in mijn lectuur van dit retro-chronologisch vertelde verhaal) De mijn (1885) van Émile Zola ter sprake in de herinnering van de ik-figuur in de rol van volwassen, maar als zodanig nogal ‘verdekte’ extradiëgetische verteller, een vertelinstantie die zich vrijwel nergens expliciet als de verteller van het verhaal manifesteert, zoals Willem Termeer dat in Emants’ Een nagelaten bekentenis wel doet. 

De referentie aan De mijn is een bijzonder en indrukwekkende casus voor de receptie-esthetica (als die tak van onderzoek nog bestaat in litteris). De opening van de passage is: ‘Het is meermalen bewezen dat kinderen niet lezen wat er staat.’ Referenties aan relevante vakliteratuur ontbreken, begrijpelijk, maar wel jammer. De afsluiting is: ‘De mijn gaat over de afdaling en kruisiging van een vrouwelijke god.’ Ik las De mijn (in vertaling eveneens, lang geleden, voor een literatuurtentamen Naturalisme bij A.L. Sötemann) maar dít las ik er toen niet in. Ik ben benieuwd wat me overkomt als ik aan het herlezen sla, want aan het einde heb ik een van de symbolische lente-referenties erin aangestreept (met potlood, want het is een boek uit 1941, uit de boekerij nog van mijn vader): Nu straalde de Aprilzon in haar volle glorie aan de wijde hemel en verwarmde de vruchtbare aarde. (554) en vier bladzijden ervoor: Zijn leertijd was voorbij, hij ging goed gewapend de wereld tegemoet, een vastberaden soldaat van de revolutie’. (550) 

Het jongensuur slaat een grote metaforische brug doordat hoofdpersoon Simone, meer dan een halve eeuw na het verschijnen van Zola’s roman, een afdaling en een initiatie ondergaat. Dat wist ze destijds niet, en zo noemt ze het als verteller later ook niet, maar het is wel in de roman te lezen. Opmerkelijk weer voor de receptie-esthetica is deze mededeling van de verteller: Ik heb De mijn later nooit durven herlezen. (83) 

Zo’n brug kan natuurlijk alleen maar aangelegd worden door de volwassen vertelster. Maar toch is het onvermijdelijk dat je dat waagstuk ook associeert met de elf-jarige Simone, die er verderop in het verhaal blijk van geeft dat ze reeds op jongere leeftijd belangstelling had voor (buitenlandse) literatuur. De Grünbergs, bij wie ze in 1941 ondergedoken is, hebben er zo hun bedenkingen bij dat ze de boeken leest die zij in huis hebben, en zullen weinig weerwoord hebben gehad op Simones gedachten aangaande Nietzsche, net zoals op haar onuitgesproken beroep op ‘hun bewonderde Rudolf Steiner’ volgens wie het denken de poort [is] tot de geestelijke werkelijkheid. (100).

Je kunt ook zeggen dat de weergave, de uitbeelding van de lagere-scholiere Simone (voorzover ze nog naar school gaat in de oorlog) verre van realistisch is. Maar juist dat maakt deze roman of novelle zo veel interessanter dan suffere boeken als Het bittere kruid waarin het jonge hoofdpersonage zonder een spoor van distantie door de verteller in al haar naïeve gedachtetjes en waarnemingen van de grote mensen-wereld klakkeloos wordt gevolgd. Steeds kan je als lezer van Minco’s topstuk meewarig het hoofd schudden en als een leeftijdgenootje van de heldin bij de poppenkast roepen: ‘Kijk uit, achter je!’ Niets van dat sentiment in Het jongensuur, waar het naïef-associatieve droomdenken van Simone zeker niet uit de weg wordt gegaan, maar nergens als alleen zaligmakend wordt gepresenteerd. 

Door die afstand (en de brug) tussen personage en verteller is er ruimte voor allerlei vormen van humor, ironie, sarcasme, sociale, politieke en culturele kritiek, die van het verhaal veel meer maken dan de persoonlijke lotgevallen van een Joods meisje in de Tweede Wereldoorlog, ook al speelt het verhaal zich af tussen 1945 en 1940 zoals bijvoorbeeld expliciet is weergegeven in de hoofdstuktitels. In beschouwingen wordt er terecht op gewezen dat de retro-chronologische ordening de lezer kan helpen verder te kijken van dat persoonlijke historische lotgeval: het verhaal van uitsluiting en discriminatie en van het zoeken naar gelijkheid heeft immers ook betrekking op Simones ervaringen en ontdekkingen op het gebied van (trans)sexualiteit en gender(on)gelijkheid, die Burnier klip en klaar presenteert.