dinsdag 8 maart 2022

Amy Liptrot, The Instant

Digital edition. Canongate Books, Edinburgh 2022.

Wellicht ben ik als e-lezer een te willig slachtoffer van algoritmes, wellicht heb ik echt een recensie of aankondiging op papier gelezen van The Instant terwijl ik nog bezig was in Tekenen van het universum (2022) van Emy Koopman. Hoe dan ook dacht ik dat dit (tweede) boek van Amy Lipton interessant kon zijn omdat het ook over een obsessie zou gaan, en daarnaast over Berlijn, een stad waar ik graag vertoef (terwijl ik Canada, waar Koopmans boek zich goeddeels afspeelt, nog nooit bezocht). Daar komt bij dat The Guardian Liptrots boek, net als haar eerste, een memoir noemt, en die genreaanduiding past, als er een Nederlands equivalent voor zou zijn, ook op Tekenen van het universum, ware het niet dat dat boek heel veel lijkt op een echte roman, en dat het genre de facto niet genoemd wordt. Bovendien is Liptrot naast schrijver ook journalist, net als Koopman, en is de Schotse geboren in 1986 (de ik-figuur van Lipton noemt zichzelf ‘about as old as a millennial can be’) en de Nederlandse in 1985. Ik was nieuwsgierig of ik meer van hetzelfde te lezen zou krijgen maar dan toch heel anders.

Het werd, stelde ik al vast toen ik nog maar op de helft was van het boek, alleen het laatste. Of ietwat scherper gesteld: alles wat het boek van Koopman interessant en aantrekkelijk maakt, ontbreekt in dat van Liptrot. Of: alles wat in Tekenen van het universum gelukkig afwezig is, staat helaas wel in The Instant. Onder meer een overdosis aan korte, simplistische zinnen; een even moordende hoeveelheid zinnen die met ‘I’ plus persoonsvorm beginnen; loutere opsomming in platte telling van zogenaamd heftige emoties, die vooral neerkomen op het uitventen van een kleinzielige, zelfgenoegzame eenzaamheid; een bloedeloos repetitieve vermelding van een zich blind staren op het internet (waarmee de ik-figuur een praktijkvoorbeeld wordt van The Shallows van Nicholas Carr); een uiterst doorzichtige thematische verantwoording van de binaire speelruimte (guur eilandje voor de Schotse kust vs. wereldstad op het continent); nauwelijks een blik over de rand van het eigen wereldje van de ik, tenzij via het internet, waarvan ook eindeloze ornithologische ditjes en datjes lijken te worden opgelepeld, en losse feitjes als hoeveel minuten het duurt voor het zonlicht de aarde bereikt.

Andersom is het grotere plan waarbinnen het verhaal zou passen, zoals de tekenen van het universum dat bij Koopman vormen, bij Liptrot niet veel verder ontwikkeld dan een gortdroog noemen van allerlei verschijningssoorten of benamingen van de maan bij ieder nieuw hoofdstuk. Er is weinig in The Instant dat de indruk weet te weerleggen dat dit boek inderdaad niet meer dan een memoir is, een document humain, een uitgewerkt dagboek. Het is autobiografische non-fictie zonder een greintje literaire, stilistische of compositorische brille. Vond ik het eerst nog wel grappig dat de tegenspeler van de ik-figuur hier niet A heet, maar B, vervolgens vond ik het irritant omdat Liptrot alle andere personen, vooral vrienden en vriendinnen, aanduidt als 'B'. Die anderen krijgen mede daardoor nauwelijks contour, geen karakter, want ze verdwijnen ook direct nadat ze verschenen; ze worden slechts aangestipt.

Al vroeg in de tekst refereert Liptrot tussen neus en lippen aan de AA en aan de rehab en aan een (andere) drugsverslaving, maar daar 'doet' ze verder niks mee, behalve tegen het einde aangeven dat verslaving ook een vorm van obsessie is. De eigenlijke obsessie die in het boek centraal staat, komt pas laat op gang: het gemis van de geliefde. Eer die geliefde, B, er is, is het boek al halverwege, en eenmaal daar, is hij in een mum van tijd alweer verdwenen, zonder dat De Grote Liefde nu echt lekker uit de verf is gekomen. Zielig voor haar dat hij haar dumpt, maar wat moet een lezer met zo'n vaag figuur?

Vaag is niet alleen B, maar ook de ik-figuur zelf, die een opmerking maakt als: 'The same technology that allows my lifestyle – the flexibility, the short-term, the instant – also enables me to be detached and uncommited.' Maar ook deze: ' In six weeks I've made friends and been lonely and had new ideas', zonder dat er van enige vriendschap, van eenzaamheid of van een nieuw idee zelfs maar een flinter is gebleken. De Grote Ontmoeting vertrouwt ze als volgt aan de digitale inkt toe: 'He pays me compliments and we go for a walk and a curry and I feel happier, more relaxed and hungrier than I have in a long time. On the way out of the restaurant, we hold hands, easy.' En, om een eind aan te breien aan de eenvoudig aan te leggen collectie oppervlakkige taaluitingen: 'There is still so much to learn. There are many different ways of living in the same city.'

donderdag 3 maart 2022

Emy Koopman, Tekenen van het universum

Verslag van een obsessie. Prometheus, Amsterdam 2022. E-Book naar de eerste druk.

Niet alleen dankzij een paar dagen isolatie (met slechts milde klachten), schoot ik als een speer door dit geschrift over een obsessie. Dit boek moet wel literaire non-fictie zijn. Non-fictie, omdat er tal van referenties zijn aan min of meer bekende realia, en omdat het ik-personage Emy heet en haar carrière duidelijke overeenkomsten heeft met die van de schrijfster; bovendien wordt het boek nergens op of tussen de kaften aangeduid als roman, novelle, verhaal of iets dergelijks, maar wel als 'verslag'. Literair, omdat het taalgebruik van hoog niveau is, en omdat de structuur bijzonder weinig gemeen heeft met die van een zakelijk en chronologisch verslag, logboek of rapport, maar meer met die van een complexe roman of een tragedie (wel een met een paar eindnoten).

Er zijn vijf grote onderdelen in te onderscheiden: Voorspel, Onderweg, Een lange hete zomer, Tijden van afstand en Naspel, elk op een eigen titelpagina voorzien van een motto ontleend aan Andersens De kleine zeemeermin. De delen bevatten respectievelijk negen, vijf, 29, twaalf en drie hoofdstukken, zodat de structuur in ieder geval rekenkundig/qua omvang van de delen duidelijk, zo niet klassiek is, met een kern die tweemaal zo groot is als de vier flankerende delen.

Tijdens het lezen had ik niet de ervaring dat ik een rationeel uitgebalanceerd geheel in handen had. De hoofdstukken zijn namelijk zeer divers van omvang, inhoud, vorm en houden zich niet alle erg streng aan een chronologisch eenduidige lijn. Er zijn zo veel uitstapjes weg van de kern van de geschiedenis, dat het geheel op mij de indruk maakt van een – welja, waarom niet – sterrenhemel: talloze fragmenten in een ogenschijnlijk willekeurige samenstelling die echter toch verbonden zijn, of kunnen worden, tot een zinvolle configuratie, maar zelden langs die klinkklare, heldere rechte lijn.

Dat vlechtwerk van verhalen, kanttekeningen, terugblikken op het leven van Emy, dat niet vrij is van ernstige troebelen (uiteenlopend van mislukte relaties, automutilatie en anorexia tot pesterijen en kanker aan toe), notities, weergaven van  app-gesprekken en -monologen, uitweidingen over literaire, muzikale, filosofische en andere interteksten, dat alles maakt het boek juist zo interessant, zo boeiend als het mijns inziens is. Ook al duurt het lezen lang, het boek laat zich maar moeilijk wegleggen voor een pauze.

De kern van de geschiedenis, en de aanleiding tot het schrijven van het boek, is in wezen niet zo boeiend; je zou dat deel zelfs een genrestuk kunnen noemen, het verhaal van un amour fou, een onmogelijke of verboden liefde, maar hier geframed als in de sterren, de kosmos, het universum voorbeschikt: intelligente, autonome, jonge vrouw raakt tijdens werk aan documentaire-reeks in Canada binnen een week totaal verslingerd aan een local, krijgt hem, of: haar eigen aandacht voor hem, niet meer uit haar systeem. Ze heeft hem eigenlijk alleen maar gezien en gesproken (en een keer aangeraakt, en een deel van een nacht naast hem geslapen, netjes met iets aan allebei) maar alles in haar dwingt haar ertoe hem aan te (willen) aanraken. Kortom: ze raakt geobsedeerd door deze A (een andere aanduiding krijgt de antagonist niet) terwijl ze weet welke praktische drempels er in de vorm van conventies en eigen overtuigingen tussen hen liggen: zijzelf, en ook de door haar begeerde A, heeft een relatie, en geen van beiden wil die relatie offeren aan de obsessie, die volgens Emy bij A waarschijnlijk niet minder is, zeker niet in het begin. Het bewustzijn van de onmogelijkheid van de liefde maakt die obsessie nog niet ongedaan, natuurlijk. Integendeel. Hun onderlinge aantrekkingskracht is, als gezegd, niet gewoon, niet aards, maar lijkt van een schier kosmische intensiteit en onvermijdelijkheid. Zie daar meteen een aanzet tot verklaring van de titel.

Het zijn de zeer veelkantige, niet aflatende en in intensiteit variërende rationele en emotionele spartelingen van Emy in dit net van begeerte, die het kernverhaal naar een niveau vijzelen dat ik in de recente Nederlandse literatuur niet vaak bereikt heb zien worden. Nou, vooruit, Gustaaf Peeks Godin, held (2015) haalt het met gemak; en dan nog heb ik ook niet alles gelezen, dus ik kan beter alleen maar zeggen dat ik Tekenen van het universum heel erg mooi en interessant vind. En in dit geval komt dat door de associatieve combinatie van het kernverhaal met al die andere meer (zelf)reflexieve, essayerende, filosoferende en soms bijna schotschriftelijke satellietteksten.

Ja, soms dacht ik wel: 'Wat duurt het lang'; soms kreeg ik de neiging tegen het boek te roepen: 'Mens, kijk toch uit je doppen, je bent slimmer dan dit, dat blijkt uit alles. Drop die gast. En wel nu. Dit wordt niks. Nooit.' Ja, ja, makkelijk roepen vanaf de wal. Maar die lengte, die duur is natuurlijk een index van de ellende van een echte obsessie.

Het boek is bijzonder rijk aan interteksten. Referenties aan en citaten uit literatuur, filosofie, film, theater, (pop)muziek, inclusief songteksten spatten van de pagina's zonder dat ze storen of afleiden of geleerderig aandoen. Hierdoor, en door als die schijnbare zijpaden, is Tekenen van het universum, denk ik, vergelijkbaar met Lieke Marsmans Het tegenovergestelde van een mens, dat overigens wel als 'roman' te boek staat.



donderdag 10 februari 2022

Geert Buelens, Wat we toen al wisten

De vergeten groene geschiedenis van 1972. Querido Facto, Amsterdam 2022. Paperback, 323 blz. inclusief noten, bibliografie en registers.

Te zeggen dat het niet mijn gewoonte is om hier mijn ervaringen te delen met het lezen van publicaties van mijn directe collega's, is een understatement. Ik zwijg over hun werken. En omdat het hier gaat om een boek van mijn leidinggevende, is er al helemaal geen reden om een uitzondering te maken op die ongeschreven regel. Het verwijt 'wiens brood men eet, diens woord men spreekt', zou op de loer kunnen liggen, zeker in onze hoog-sensitieve tijd, waar het gaat om machtsverhoudingen en hoe daarmee om te gaan. Maar, hier en nu liggen de zaken toch een tikkie anders: de auteur en deze lezer van dit boek, eten gezamenlijk uit dezelfde ruif. Daar komt bij dat op het achterplat staat vermeld: 'Geert Buelens (1971) is hoogleraar in Utrecht, dichter en essayist.' Dat wij beiden werkzaam zijn op het gebied van de moderne Nederlandse letterkunde (ja, ja, #wijzijnneerlandici), doet er hier inderdaad helemaal niet toe.

Zo, genoeg gedraald. 

Werkelijk ademloos (nou ja: metaforisch dan) heb ik dit overrompelende boek gelezen, althans de eerste 251 bladzijden; de overige 121 bevatten de noten, vooral een enorme bibliografie, en registers. Het is een imponerend werk, in de goede zin van het woord: indrukwekkend; maar ook verontrustend. En al lang voor ik het ten einde had gelezen en dichtsloeg, dacht ik: onbegrijpelijk dat we dit, wat Buelens nu beschrijft, toen allemaal al wisten of minstens konden weten, en dat het nog steeds nodig is ons dit allemaal grondig ter harte te nemen - want de toestand van de wereld, de staat waarin de planeet aarde verkeert, is er de afgelopen halve eeuw bepaald niet beter op geworden, terwijl het rapport Grenzen aan de groei (1972) dat wel als oogmerk had.

Het is niet zo dat er in de tussentijd niets ondernomen is om niet van kwaad tot erger te geraken, maar het totaal-resultaat van alle goede bedoelingen en intenties en oproepen en acties en manifestaties en initiatieven is op z'n zachtst gezegd ver onder de maat gebleken en gebleven. Onze aarde is uitgewoond. Beter: wij hebben onze aarde uitgewoond, bedorven, verwaarloosd, uitgeput.

Verbijsterend is het hoe Buelens deze ingewikkelde, samengestelde en zeer omvangrijke materie – en dan bedoel ik zowel het onderwerp van zijn boek als de vele, vele bronnen die hij geraadpleegd heeft –  weet te vatten in een zo toegankelijk, lucide gesmeed verhaal. En dat zonder een uitleggerig of betweterig toontje. De betrokkenheid spat ervan af. Ik wist, dit met betrekking tot het begin van het boek, niet dat zelfs de aanloop naar het verschijnen van een vijf decennia oud rapport een spannend verhaal kon zijn. Daarnaast is de slingerslag die Buelens steeds maakt tussen het mondiale en het persoonlijke perspectief op de kwestie, briljant en zeer overtuigend. Aan het begin en/of het eind van een hoofdstuk schets hij vaak een voorval uit zijn eigen geschiedenis in het Vlaamse dorpje Duffel in het laatste kwart van de vorige eeuw. De impact en de complexiteit van de mondiale vervuiling komt daardoor sterk, maar wrang, tot uitdrukking. Een van de hoofdlijnen van zijn betoog is dat de oplossing van onze ecocrisis nog steeds, al een halve eeuw, ligt in een evenzeer complexe ingreep, waarbij niet alleen ecologie en economie, maar onder andere ook sociologie, demografie, biologie, post-koloniale verhoudingen en cultuurverschillen in het geding zijn. Het probleem, maar ook de oplossing, is niet af te schuiven op één enkel bordje.

Het standpunt en de visie van Buelens zijn evident, maar hij perst ze nooit drammerig of pathetisch door des lezers strot. Zijn betoog is overtuigend, wat onder meer komt door de bijzonder grote hoeveelheid internationale literatuur die hij in zijn onderzoek heeft verwerkt. Illustrerende details doen het daarbij heel goed; ik noem hier alleen zijn opmerking over fossiele brandslof slurpende SUV's die overal glunderend van de lifestyle rondrijden maar vrijwel nergens een wezenlijk zinnige functie hebben; en de paradox dat we, om onze binnenkamers in de winter warm te stoken, onbedoeld ook de gehele buitenlucht verhitten.

Ik heb het boek gelezen met een gretigheid waarmee ik een goede roman lees. Dat het onderwerp alles behalve prettig of aangenaam of opbeurend is, past (helaas) ook bij de echte meesterwerken van het genre.

woensdag 2 februari 2022

Juli Zeh, Adler und Engel / Adelaars en engelen



Roman
. btb Verlag, München 2018, E-Book naar de eerste druk, Schöffling & Co, Frankfurt am Main, 2001 / Roman. Vertaald door Gerda Meijerink. Van Gennep, Amsterdam 2002. Paperback, 382 blz.

Normaal gesproken loop ik met een boogje om thrillers heen. Maar voor een thriller van Juli Zeh maak ik graag een uitzondering. En ik ben plompverloren in de digitale uitgave gedoken van de oorspronkelijke tekst van dit indrukwekkende debuut. Maar na een bladzij of honderd begon het lezersgeweten te knagen: kreeg ik het verhaal wel werkelijk goed door? Er haperde iets.

Toen heb ik alsnog de Nederlandse vertaling aangeschaft, een papieren uitgave, en ben opnieuw gaan lezen. Vervolgens kwam ik erachter dat wat ik in de Duitse versie maar vreemd of verwarrend of onduidelijk vond, in de vertaling ook daadwerkelijk van dien aard was. En nu werd me tevens duidelijker waardoor dat kwam: de focalisatie ligt geheel bij een personage dat, door de ellendige zelfmoord van een vriendin en ten gevolge van overmatig cokegebruik, zijn frisse en niet vertekende blik op de werkelijkheid verloren is. Daar komt nog eens bij dat die werkelijkheid in hoge mate gedomineerd wordt door subversieve handelingen van ambtenaren en juristen  (meer in het bijzonder volkerenrechtdeskundigen – onder wie de centrale focalisator, Max Cooper) – annex criminelen, die er alle belang bij hebben dat hun illegale handel en wandel voor zo veel mogelijk anderen verborgen blijven. En daar komt bij dat heel het leven voor Max eigenlijk geen ruk zin meer heeft.

Hoe al dat gedoe in elkaar steekt, ga ik hier niet beschrijven, want dat is de ellende met thrillers: ze zijn gevoelig voor spoilers. Wat mij betreft zit in die hoek trouwens niet eens de aantrekkingskracht van deze roman. Die zit veeleer in de basale, uitbundige overgave van Max aan zijn bijzondere en bijzonder ongenaakbare geliefde, en niet minder in het gegeven dat Max een uitvoerige terugblik op zijn moeilijke en pijnlijke leven geeft door talloze cassettes vol te spreken voor een studente psychologie, tevens presentatrice van een nachtelijk praatprogramma op de radio, die op zijn geval wil afstuderen. Daar komt bij dat Max ook niet ongevoelig is voor de aandacht die Clara aan hem schenkt en ook aan zijn geliefde, die voor haar minstens zo ondoorgrondelijk is, en die zij beter probeert te begrijpen door op haar te proberen te lijken. Aldus vloeien heden en in het heden vastgelegd verleden gaandeweg in elkaar over, zo niet voor Max, dan wel voor de lezer.

Er ligt objectief nogal wat tijd tussen Max' voorbije leven met zijn geliefde Jessie en het vertel-heden waarin hij leeft met Clara-van-de-radio, en door de audio-opnames die hij voor haar maakt, krijgt, naast Max zelf, ook de lezer steeds meer zicht op wat er aan de hand was (dan wel: wat er allemaal aan geheims aan de knikker was) in zijn leven en in de wereld; let wel: een roman van Zeh heeft altijd ook betrekking op morele en andere kwesties in de buitenliteraire werkelijkheid, in dit geval de voorgenomen uitbreiding van de EU. En als er dan ook nog een hond door het verhaal dwaalt die getooid is met de naam Jacques Chirac, heeft een roman mijn hart veroverd.

De eerste keer dat het beest genoemd wordt (in het derde hoofdstuk), weet je niet eens dat het over een hond gaat: 'Man kann seelische Zustände verdrängen, aber nicht Jacques Chirac.' Zeh grossiert in dit soort lijpe frases. Dat de vertaling en de redactie van de Nederlandse uitgave niet geheel vlekkeloos zijn, doet aan het leesplezier niets af.






dinsdag 21 december 2021

Damon Galgut, De belofte


Vertaald door Rob van der Veer. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2021 (The Promise, 2021). Digitale uitgave.

De vier hoofdstukken waaruit deze roman bestaat, heten naar de personages wier dood en begrafenis erin beschreven wordt, achtereenvolgens 'Ma', 'Pa', 'Astrid' en 'Anton'; die laatste twee zijn de oudste dochter en de enige zoon van ma en pa. De jongste dochter, Amor, blijft het gehele boek door in leven, van haar eerste menstruatie, in haar dertiende levensjaar, tijdens de begrafenisdienst van ma, tot en met het einde van haar vruchtbaarheid, zo'n veertig jaar later. In het geheel omspant de roman (ook) de recente geschiedenis van Zuid-Afrika, vanaf de opstanden in de townships, meer in het bijzonder in 1986, via het einde van de Apartheid en de vrijlating en de verkiezing tot president van Nelson Mandela (1990, 1994), vervolgens het jaar van de inhuldiging van Mbeki en Zuid-Afrika's wedstrijd in de halve finale van het wereldkampioenschap rugby (1999), tot ongeveer het heden. Gek genoeg, in zekere zin, staat die maatschappelijke context alles behalve centraal in het verhaal.

De titel van de roman kan verklaard worden door een samenvatting van het verhaal zoals die in de NRC wordt gegeven, een samenvatting die ook in andere bronnen opduikt: "Wanneer de moeder van het gezin overlijdt, dwingt ze bij haar man de belofte af dat hij hun zwarte huishoudster Salomé het huis waarin ze woont zal schenken. De jongste dochter Amor luistert het gesprek af en zal haar vader, haar zus Astrid en haar broer Anton gedurende de decennia die volgen aan die belofte blijven herinneren". Dit resumé leunt sterk op de flaptekst van de Nederlandse uitgave, die niet is opgenomen in het e-book. Gelukkig maar. Ik las het verhaal wellicht een beetje anders dan een papier-lezer. Om dat duidelijk te maken, moet ik even ingaan op de opmerkelijke vertelwijzen die Galgut in deze roman hanteert.

Er waart een soort alwetende vertelinstantie door het verhaal die diep in de personages kan kijken en hun gedachten en woorden in directe rede weergeeft en ook in die heerlijk buigzame erlebte Rede, waarbij de vertelinstantie deels de woorden van een personage direct citeert en er persoonlijke noties van overneemt maar toch zelf nadrukkelijk aan het woord blijft en het niet afstaat aan het personage, een instantie ook die het vertelde soms, al dan niet tussen haakjes, voorziet van kritisch of toelichtend commentaar, en ook met meer persoonlijke interjecties strooit als 'geloof me maar'; daarnaast is er regelmatig de suggestie dat zelfs die vertellende instantie niet weet hoe de vork aan de steel zit. Bovendien loopt er een rode stippellijn van referenties aan een dagboek en al dan niet 'onuitgewerkte aantekeningen' van personage Anton, die al vrij vroeg te kennen geeft dat zijn voornaamste ambitie is: 'het schrijven van een roman'. Een van de aantekeningen luidt: 'Is dit een familiesage of een plaasroman?', een vraag die je ook kan stellen aan De belofte. Maar als Anton de intradiëgetische verteller is, is het wel vreemd dat de roman nog doorgaat als Anton al gestorven is, en dat hij als verteller Amor soms ook heel afstandelijk aanduidt als 'het meisje'. Daar komt nog bij dat de vertelwijze zelfs binnen een zin kan overgaan van auctoriaal-personaal naar directe rede en zelfs van de derde persoon enkelvoud naar de eerste, zoals in deze weergave van de gedachten van Amor: 'Maar vanavond lijkt haar broer, vanaf zijn hoge plekje, me opgemerkt te hebben.' Opmerkelijk is ook dat de vertelinstantie of dat een personage zelf soms verrast lijkt door de ontwikkelingen: 'Ja, dat het aan het gebeuren is, valt niet te ontkennen.' En meer dan eens zaait de vertelinstantie (die trouwens ook heel vaak refereert aan 'we', en dus gaandeweg persoonlijker wordt) twijfel over zijn eigen betrouwbaarheid, door iets nadrukkelijk stellig te beweren: 'Het is beslist Astrid die dit zegt', en ook hier: 'God vergeve me, zegt de priester, of misschien denkt hij het alleen, maar soms de waarheid het beste.'

Samenvattend: ik moest bij het lezen als het ware steeds een andere bril opzetten om de boel een beetje in de gaten te kunnen houden. Bij mijn eerste lezing van de roman, bekroop me in toenemende mate de twijfel of ik wel goed had opgelet, want steeds maar weer spraken personages over die belofte, zoals in deze woorden Amor: 'Dat zeg jij. Niemand anders heeft die belofte gehoord. Maar ik wel, Anton.' Maar ik kon me die belofte niet herinneren, ik kon me niet herinneren die belofte gelezen te hebben. En tegen het eind van de roman, als Amor eindelijk in staat is eraan bij te dragen dat de belofte van haar vader daadwerkelijk gestand wordt gedaan en dat de wens van haar moeder ten uitvoer wordt gebracht, staat er: 'En op dat moment legt Amor het vel papier, dat ze met geen mogelijkheid al in haar bezit kan hebben, op tafel.'

Bij herlezing van de cruciale belofte-passage, zag ik dat ik toch goed had opgelet. Er staat:

Maar Amor ziet haar [dit is: Salomé] door het raam, dus onzichtbaar is ze toch niet. Ze zit na te denken over een herinnering, tot nu toe onbegrepen, aan een middag nog maar twee weken geleden, in diezelfde kamer, met ma en pa. Ze waren vergeten dat ik er ook zat, in de hoek. Ze zagen me niet, ik was voor hen net een zwarte vrouw. // (Beloof je 't me, Manie [dit is: pa]? // Zich aan hem vasthoudend, skeletachtige handen die grijpen, als in een horrorfilm. // Ja, ik zal het doen. // Want ik wil echt dat ze iets krijgt. Na alles wat ze gedaan heeft. // Ik begrijp het, zegt hij. // Beloof me dat je het zult doen. Zeg het in woorden. // Ik beloof het, zegt pa, met een verstikt stemgeluid.)

Wie hier de feitelijke inhoud van de belofte in kan aanwijzen, leest mijns inziens meer dan er staat. Ik zie hier vooral een idee, een ideaal ontstaan in het hoofd van Amor, een gedachte, een wens, maar geen reële, letterlijke belofte van pa om de wens van ma ten uitvoer te brengen; en ook de wens van ma (een indirecte belofte aan Salome) staat hier helemaal niet in concreto te lezen. Die is eigenlijk alleen maar in het hoofd van Amor tot stand gekomen, terwijl ze zich twee weken na dato een gesprek van haar moeder en vader, waar ze niet direct bij betrokken was, gedeeltelijk herinnert. Het beeld van dat gesprek is haar nog wel duidelijk. Maar: 'Het geluid klinkt ergens anders, hoger en afzonderlijk, en nu pas komen de woorden bij haar aan. Maar eindelijk begrijpt ze over wie ze het hadden. Natuurlijk. Hèhè.'

De rest van de roman zorgt er wel voor dat het steeds aannemelijker wordt, zowel voor de personages als voor de lezer (althans voor mij als lezer) dat ma die wens heeft geuit. Maar in (bijna) heel de rest van de roman, in al die decennia na ma's overlijden, zorgt niemand ervoor dat haar wens inderdaad uitkomt. En zelfs aan het eind van de roman lijkt me er alle reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van wat Amor denkt dat er dan toch uiteindelijk dank zij haar gebeurd is, namelijk dat Solomé, de zwarte vrouw die heel haar leven de witte familie Swart op hun boerderij heeft gediend, eindelijk de eigenaresse wordt van het verkrotte huis op hun erf waar ze al die tijd heeft mogen wonen.

Misschien is dat een neerslachtige gedachte, maar erg hoopvol is deze vertelling dan ook niet, wat de personages betreft noch wat Zuid-Afrika betreft; maar heel overtuigend door de paradoxale wijze waarop dat duidelijk wordt gemaakt.

woensdag 20 oktober 2021

Juli Zeh, Über Menschen

Roman. E-Buch. Luchterhand Literaturverlag, München, 2021.

Een nadeel van het lezen per e-lezer is dat het aantal bladzijden in/op zo'n apparaat volkomen nietszeggend is. Dat verstoort de leeservaring van een van origine  papieren lezer zoals ik nogal danig, om maar eens voorzichtig te alluderen op een cliché van Oehoeboeroe, de wijze vriend van Paulus de Boskabouter. Ik wist dat dit boek niet dun was (ik had het al gesignaleerd in de boekhandel) maar keek toch wel op van de 999 bladzijden die ik voor de boeg bleek te hebben toen ik begon te lezen. Gelukkig was er de verrassing dat het verhaal na 905 bladzijden al af was. De rest was reclame voor ander werk van Zeh, inclusief de nodige Leseproben.

De verrassing van het einde was er niet helemaal een van de prettige soort. Dat het boek domweg eindigt met de begrafenis van de ene hoofdpersoon, bijgewoond door de andere, vergezeld door al haar medepersonages, bracht een zegswijze met een koude kermis in mijn gedachten. Tegelijkertijd had ik het tegen die tijd wel gehad met deze roman.

Niet dat het onderwerp, de thematiek oninteressant is, niet dat Zeh niet geweldig goed schrijft (qua stijl, taalbeheersing, afwisseling van zinstructuren, variatie van luchtigheid en ernst), niet dat de relatie van deze roman met zowel Unterleuten als Corpus delicti niet heel prikkelend is, maar de verhaalstructuur en de grote verhaaldraad zijn toch wel een beetje van de flauwe, om dan ook Klukkluk maar te parafraseren. 

In verschillende Duitse recensies zag ik vergelijkingen met de structuur van een televisieserie. Het toeval wil dat ik al een hele tijd naar Downton Abbey kijk, terwijl het verhaal me al lang niet meer boeit, als dat er al is: het rammelt maar door van voorval naar voorval, personages kunnen dood als dat beter uitkomt, of langer leven als dat handiger is. Inderdaad, precies, of laat ik voorzichtig zijn: zo'n beetje de makke van deze roman, met vijftig chronologisch geordende hoofdstukken, ook. Ze is meer vermaak, maar wel goed vermaak, dan echt boeiend, intrigerend, tot nadenken stemmend.

Kortom: een goede roman (de samenvatting staat ergens in de krant, achterop het boek, op internet), maar niet de beste van Zeh. Maar ze kan natuurlijk ook niet steeds opnieuw de beste schrijven. Ik koop de volgende zodra die er is.

Om toch iets over de inhoud te zeggen: hoofdpersoon is Dora, werkzaam bij een verantwoord reclamebureau samenwonend in Berlijn met iemand die verslingerd raakt aan gezondheidskolder zodra de pandemische pleuris anno 2020 uitbreekt, kapt met haar stadse leven en trekt naar een dorpje op het platteland en valt daar niet met haar neus in de idyllische boter die ze er stiekem toch verwacht had, maar struikelt er over het rechtse- tot extreemrechtse en viruswaanzinnige denkwerk van haar dorpsgenoten, niet in de laatste plaats van buurman Gote, die zich aan haar voorstelt als de dorps-nazi.

Hoewel de man voor een fors geweldsmisdrijf heeft gezeten, blijkt hij toch ook zo verrot weer niet als een stereotype zou vereisen; zijn dochtertje Franzi is al helemaal een verbinding tussen Dora en Gote, zodat zich gaandeweg een soort gezinsstructuur ontwikkelt. Dan blijkt Gote een tumor in zijn kop te hebben.

Een beetje al te melodramatisch is het verhaal misschien toch wel, ook al gaat het over individualiteit en gemeenschap.


dinsdag 24 augustus 2021

Robert Seethaler, Der Trafikant

Roman. E-Buch. Kein & Aber, Zürich 2012. 

De titel is meteen al een dingetje. Liesbeth van Nes heeft uitgelegd waarom: er is niets iets vergelijkbaars in Nederland, laat staan een vergelijkbaar woord in het Nederlands. Een Trafikant en een Trafik zijn typisch Oostenrijkse verschijnselen (enigszins vergelijkbaar met le tabac in het Frans en Frankrijk). De Nederlandse vertaling van de titel is De Weense sigarenboer geworden, maar het verhaal gaat eigenlijk over een 17-jarige jongen, Franz Huchel, die van het Oostenrijkse platteland komt en in Wenen in de leer gaat bij een Eerste Wereldoorlog-invalide, Otto Trsnjek, die een tabak- en krantenkiosk uitbaat aan de Währingerstraße.

Wenen is wat mij betreft ook een dingetje. Toen ik las waar Franz uit de trein stapte en hoe hij naar de kiosk liep, spiekte ik even op Google Maps omdat ook het neunten Wiener Gemeindebezirk genoemd wordt (die Seethaler is een zeer uitbundig beschrijver van plaatsen, mensen, en gedachten). En het klopte, natuurlijk. Wie er meer van weet, had onmiddellijk opgemerkt dat de Berggasse maar een kwartiertje lopen verderop ligt, en dat daar, op nr. 19, Sigmund Freud woonde (dat wist ik dan weer wel) en dat die sigaren rookte (idem). Voor Seethaler is 1 plus 1 gelijk aan 2, dus Franz, wanneer hij hopeloos verliefd is geworden op een variétédanseres, gaat bij Freud te rade en neemt een sigaar van diens favoriete merk voor hem mee, een sigaar uit Trsnjeks doos; de jonge en de oude man kunnen het goed met elkaar vinden; beiden begrijpen niets van 'de' vrouw, geven ze elkaar toe (behalve de moeder en de geliefde van Franz treden er trouwens nauwelijks vrouwen van belang naar voren in dit verhaal, afgezien van Freuds ene dochter dan, Anna). Het was overigens Freud die Franzje had geadviseerd maar eens de liefde in de praktijk te verkennen om er beter over te kunnen oordelen.

De geschiedenis van Oostenrijk is een derde dingetje, wat mij betreft. Ik weet daar echt weinig van. Nog nooit had ik van Schuschnigg gehoord. En wanneer die Anschluss ook alweer was, wist ik niet, of: niet precies genoeg; anders was me de verdeling van deze roman in twee delen meteen duidelijk geweest, alsmede de omslag in de gebeurtenissen in de wereld buiten de Trafik.

Want dat is prettig merkwaardig aan deze roman: die Franz is een onbeschreven blad qua wereldkennis (woonde tot zijn zeventiende onder de vleugels van mama in een dorpje), en Trsnjek doet alsof het hem allemaal weinig interesseert, en met Freud over de wereld buiten de ziel praten, ligt kennelijk ook niet voor de hand; Franz' moeder vertelt hem via haar ansichtkaarten en brieven ook al niet veel. En dat terwijl Trsnjek als eerste opdracht aan Franz geeft: lees de kranten. Lees ze allemaal, en grondig, maar na een tijdje zie je dat je kunt volstaan met één, want ze verschillen niet. Er wordt veel gelezen, maar er wordt weinig over medegedeeld. Toch is deze roman ook een soort Oostenrijkse geschiedenis (juist over een periode die nadien als niet officieel, hors concours is bestempeld).

Het geeft een bijzondere sfeer aan de roman: de beschreven gebeurtenissen betreffen vooral de persoonlijke lotgevallen van individuele mensen, landschappen en liefdes. Maar als er iets van de buitenwereld doordringt, is het meteen dik hommeles. En nog opmerkelijker: wanneer Franz zich uiteindelijk daadwerkelijk actief bemoeit met de buitenwereld <spoiler> gemotiveerd door de arrestatie van en moord op Trsnjek, de emigratie van Freud en de affaire van zijn liefje met een nazi </spoiler> wordt dat door de almachtige, maar zich heel vaak ook nadrukkelijk op de achtergrond en van den domme houdende alwetende verteller heel afstandelijk verteld, als ware het een geciteerd relaas van een anonymus. Anderzijds weet diezelfde verteller over iedereen alles te vertellen, als dat zo uitkomt. En dat in een fantastisch heldere stijl, met zowel zeer korte als zeer uitgebreide, langwerpige maar bijzonder toegankelijke, zwierige zinnen, bij vlagen doorspekt van een specifiek Oostenrijks vocabulaire waar het woordenboek in m'n e-lezer bij lange na niet altijd raad mee weet.

Tot slot een stijlstaaltje:

Gestern hatte sich Schuschnigg mit einer großen Rede an sein Volk gewandt. In seiner Heimatstadt Innsbruck präsentierte er sich im zünftigen Tiroler Anzug und fragte seine Zuhörer, ob sie sich in der für den 13. März angekündigten Volksabstimmung für ein 'freies, deutsches, unabhängiges, soziales, christliches und vereintes Österreich' entscheiden wollten. Und während über zwanzigtausend Anhänger ihre Zustimmung in die klare Tiroler Bergluft hinausbrüllten, saß Adolf Hitler wahrscheinlich gerade irgendwo in Berlin vor dem Radio und leckte sich die Lippen. Österreich lag vor ihm wie ein dampfendes Schnitzel auf dem Teller.

Geen onvertogen woord, maar een scherp, ironisch beeld van twee onbetrouwbare figuren. Met een mooie vergelijking tot slot. Hoewel: Hitler at toch vegetarisch?