maandag 18 mei 2020

Maxim Februari, De maakbare man

Notities over transseksualiteit. 3e dr. Prometheus, Amsterdam, 2013. Paperback,  128 bladzijden. Oorspr. 2013.

Vorige week ben ik voor het eerst sinds de afkondiging van de Corona-toestand weer eens over de drempel van een boekhandel gestapt. Wat een weldaad. Lekker langs al dat drukwerk slenteren, beetje koekeloeren, beetje bladeren, beetje lezen, boek terugleggen, heerlijk ("...shit, zo wel weer m'n handen wassen...") en almaar denken aan wat er nog op de plank ligt thuis, en virtueel in de e-lezer, wat er nog gelezen 'moet' voordat er ook weer wat mag... eeuwig dilemma... En opeens: een boekje van Februari dat ik nog niet las.

Ik had net een heel dik boek gelezen dat wel interessant is, maar ernstig lijdt aan een gebrek aan betoogkracht, visie, humor, eruditie en stijl; een boek, kortom, dat geen enkele  van de bundel eigenschappen heeft, die al de teksten van Februari (essays, romans, columns, interviews) zo ver boven het literair-culturele maaiveld doet uitsteken. Welnu: De maakbare man is een klassieke Februari.

Het bestaan van het boekje was me bekend, maar ik was er eerlijk gezegd schoorvoetend omheen gelopen omdat de teksten van Februari me dierbaar zijn en ik het bijzonder waardeer dat hij zich altijd onttrok aan het gebruikelijke schrijversspektakel, dat onvermijdelijk een overdreven en vaak ook overbodige aandacht voor de persoon van de schrijver meebrengt, ten koste van die voor de inhoud van het werk. Februari's optreden in DWDD naar aanleiding van het verschijnen van dit boek was aan me voorbijgegaan doordat ik televisie het medium bij uitstek vind dat op een verkeerde manier met boeken en schrijvers omgaat (uitzonderlijke programma's daargelaten). Ik kijk geen tv meer.

Een uitzondering maakte ik afgelopen zomer voor Zomergasten, althans voor de uitzending met Hannah Bervoets en die met Februari, die ik terugzag via internet. Februari vond ik in dat programma gelukkig sprekend lijken op de implied author annex implied philosopher die ik tijdens het lezen van zijn werk steeds op mijn geestesnetvlies krijg. Iemand met een heldere, rustige betoogtrant, een afgewogen, genuanceerde visie op kwesties van bovenpersoonlijk belang, goedgeïnformeerd, uitstekend formulerend en rijk aan subtiele humor.

De maakbare man, hoezeer ook geworteld in een persoonlijk lotgeval, past, zoals ik al aangaf, naadloos in dit beeld. Op intelligente wijze bespreekt Februari transseksualiteit als een maatschappelijk en socio-cultureel onderwerp en ontwart de terminologische (spraak)verwarring die eromheen is ontstaan, waardoor zijn hier verzamelde notities een grotere reikwijdte krijgen dan de ondertitel van het boekje doet vermoeden. Het gaat, vaak prikkelend humoristisch, subtiel schakelend van serieus en ernstig naar sprankeltjes superieure lichtvoetigheid, onder meer over wederzijds begrip, beschaving, rechten, fatsoen.

zondag 17 mei 2020

Kate Kirkpatrick, Simone de Beauvoir; een leven

Ten Have, Utrecht 2020. Vert. door Karl van Klaveren Indra Nahoe en Michel Meynen. Oorspronkelijke uitgave: Becoming Beauvoir; A Life.

Het is een mooi boek, maar/en omdat uitgeverij Ten Have het belangrijk vindt 'om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan' (blijkens het colofon), en ik in vrijheid kon kiezen, heb ik de digitale versie gekocht en gelezen (waarmee tegelijk het belang van mijn portemonnaie gediend was).

Du moment ik hoorde van het bestaan van deze biografie, was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Beauvoir had in mijn hoofd mythische proporties aangenomen, hoewel ik me alleen herinner van heel haar oeuvre de Nederlandse vertaling van Le deuxième sexe gelezen te hebben; dat was in een tijd en een omgeving waarin iedereen dat boek las. Beauvoir leefde toen nog, denk ik. Of die vertaling compleet en integraal was, weet ik niet meer. Ik schrok toen ik in deze biografie las dat het origineel uit twee delen en meer dan duizend bladzijden bestaat. Maar de catalogus van de KB vertelt me dat Bijleveld, na de eerste, tweedelige druk uit 1965 en 1968, een 'complete' een-delige pocketuitgave van dik 830 bladzijden op de wereld heeft gezet; en die las ik, die rode baksteen. In de tijd van de tuinbroeken moet dat geweest zijn. De mythe leefde  evenwel voort en al een tijd staat Malentendu à Mouscou in de e-lezer op aandacht te wachten, de pas zes jaar na haar dood gepubliceerde novelle.

Misschien leefde Sartre ook nog wel toen ik De tweede sekse las, om maar eens een thema aan te snijden waar deze biografie van doortrokken is - de onverbrekelijke eenheid van deze twee filosofen die elk voor zich hun vrijheid en autonomie welhaast opeisten, hoewel ze er al van doordrongen waren dat er ook op dat terrein niks te eisen viel, omdat ze ertoe veroordeeld waren. Desniettegenstaande werden ze door de anderen vooral als stel gezien, en wat veel erger is: vooral Beauvoir werd gezien als partner, leerling, volgeling, profeet, satelliet etcetera van JPS, niet andersom.

Kirkpatrick heeft het op zich genomen om een kleine duizend bladzijden lang te hameren op het aambeeld van Beauvoirs autonomie, zelfstandigheid en oorspronkelijkheid. Het is misschien tekenend voor het leven en de reputatie van Beauvoir dat haar biografe dit onderwerp niet in een enkel hoofdstuk heeft weten samen te ballen om er daarna eens en vooral vanaf te zijn en zo de ruimte veroverd te hebben om inderdaad over alleen Simone de Beauvoirs leven en werken te schrijven, al dan niet in conjugatie met het leven en denken van Sartre waar het onvermijdelijk is; want hun samenleven en samendenken is de facto domweg niet te omzeilen of te ontkennen. 

Prachtig vind ik Beauvoirs typering van Sarte als 'l'ami incomparable de ma pensée', de onvergelijkbare vriend van mijn denken. Wat en wie zij ook nog meer deelden, al dan niet bij tijd en wijle, dat samenwerken en -leven in denken stond voorop en bovenaan. Ook van de kant Sartre, die geen letter publiceerde voordat 'Castor' zijn werk gelezen en met hem besproken had.

Leerzaam vond ik het om te vernemen dat Beauvoir lang niet altijd even duidelijk en eerlijk was over die relatie met Sartre, zo min als over talloze andere relaties die zij aanging. Kirkpatrick heeft er heel wat moeite mee om de verschillen uit te leggen tussen tussen wat 'men' hierover schreef en wat Beauvoir er zelf over noteerde in dagboeken, brieven, memoires en autobiografische teksten; daarbij besteedt ze ook aandacht aan het diachronische perspectief, want het is wel duidelijk dat Beauvoir niet altijd hetzelfde zei of dacht over een onderwerp. Dat past dan weer in haar door existentialistische premissen gedomineerde denken.

Centraal in haar filosofie staat in mijn optiek een algemene these waarvan ze een specifieke vorm formuleerde in Le deuxieme sexe formuleerde: 'On naît pas femme, on le devient'. Daarbij is het goed te bedenken dat het  om een voortdurend, nooit afgerond proces gaat. Voeg daar weer bij de existentialistische notie van de contingente aard van het menselijk bestaan, en je kunt denken dat een en ander Kirkpatrick er misschien toe gebracht heeft weinig aandacht te schenken aan het schetsen van een duidelijke lijn in het leven van Beauvoir, aan het vertellen van een levensverhaal, met een rode draad, een centraal narratief (anders dan: wat men over haar dacht, klopte niet).

Het boek gaat schokkend en hortend en stotend van de ene periode naar de andere. Pas achteraf vertelt de biografe dat iets ook al eerder het geval was (vooral als het gaat over ideeën waarvan de critici vonden dat Sartre er de bedenker van was) of ze geeft op onverwachte momenten een kijkje in de contemporaine ontwikkelingen elders zonder een helder verband met het leven van Beauvoir te leggen, zoals ze ze soms ook een waslijst van boeken geeft die Beauvoir in een jaar had gelezen, zonder er ook maar één voor een nadere verkenning uit te lichten.

Het boek wekt daardoor bij mij de indruk van een betrekkelijk onsamenhangende opsomming van faits divers. En hoewel dat een passende vorm lijkt voor een beschrijving van een bestaan in den blinde, is het in mijn optiek een biografische zwakte, vooral omdat nergens blijkt dat deze structuur van los zand (bijeengehouden door weinig meer dan chronologische voortgang) een welbewuste opzet is. Een coherent levensverhaal is misschien niet per se belangrijker dan het leven zelf, zoals Maxim Februari noteerde in zijn NRC-column van dinsdag 12 mei jongstleden; maar ik denk dat dat vooral geldt voor het leven dat geleefd wordt, minder voor een leven dat je moet beschrijven. De mooie Engelse titel, Becoming Beauvoir, suggereert wel een dergelijke lijn. Ze is in de vertaling helaas gesneuveld. Terecht, wellicht. 




donderdag 16 januari 2020

Peter Buwalda, Otmars zonen


Paperback met flappen, 607 pagina's. Amsterdaam: De Bezige Bij, 2019.

14-01-2020 10:21
Otmars zonen

Hallo Fabian,

Dat ik je e-mail, is impulsief. Misschien schrijft de etiquette voor dat ik me beter opnieuw voorstel, maar ik stel wat vertrouwen in het feit dat mijn zeldzame naam vaker blijft hangen. Ik zoek een klankbord en kan er geen vinden. De kwestie: ik heb Otmars zonen gelezen. Jij hebt voor de Academica Literatuurprijs Bonita Avenue gelezen en herlezen. Je was er behoorlijk enthousiast over. Heb je 'de nieuwe Buwalda’ ook gelezen? En zo ja, wat vond je ervan?

Vriendelijke groet,

JoJanneke van der Kaa


14-01-2020 10:49
Re: Otmars zonen

Beste JoJanneke,

Ze zeggen wel eens dat je je dag niet moet beginnen met mail lezen (ik was wat laat op kantoor vandaag, ik wilde eerst thuis verder lezen in een roman en aan een blogje werken), maar dit geeft wel aan dat dat niet klopt.

Ah, ja, Bonita Avenue, dat was meteen een favoriet van me en Buwalda won er die prijs mee in de jury waarvan ik toen voor het eerst zitting had. Ik heb de roman meerdere keren gelezen en werd er niet minder enthousiast over.

Otmars zonen las ik ook, en gretig, zodra het verschenen was, maar in heel veel korte zittingen, te veel om er echt goed in te komen, denk ik; dat is niet handig met een roman die uit zo veel en zich zeer langzaam ontwikkelende en gluipenderwijs verstrengelende verhaaldraden bestaat. Het boek staat nu dus hoog op de lange lijst ‘Herlezen!’ Ik denk dat ik het goed vind, maar ben er nog niet zeker over; daarom heb ik er nog geen blogpost aan gewijd.

Ik houd van de stijl van Buwalda, dat drieste, dat zeer verzorgde en tegelijk soms ook lompe, met overdrijvingen, die soms net niet en dan weer wel ontsporen, wat in beide gevallen aangenaam is. Anderzijds ben ik gestopt met het lezen van zijn columns, omdat me daarin ging opvallen dat hij daarin weinig te melden heeft (heel anders dan Wieringa en vooral Februari in hun columns) terwijl hij wel blijft ronken met die beeldenrijke taal-hypertrofie. Maar ik denk dat Otmars zonen een  goed en intrigerend bouwwerk is, in de geest van A.F.Th. van der Heijden (maar dan zonder diens opzichtige pronken met uit Wikipedia getrokken mythologische quasi-kennis), ook doordat er referenties aan lijnen en personages uit zijn debuut in zitten.

Dat herlezen gaat denk ik wel op zich laten wachten, want er verschijnt veel dat mijn aandacht trekt en er ligt nog zo veel ander ongelezen werk te wachten. Ali Smiths romans bijvoorbeeld, Pastorale van Stephan Enter, en momenteel ben ik nog bezig in Schilf van Juli Zeh, een zeer getalenteerd schrijfster, met enkele stilistische Buwalda-trekjes.

Het lastige aan Otmars zonen is dat het (mij, uiterst trage lezer) veel tijd kost om zo’n baksteen te (her)lezen, en dat ik zo'n werk met grote aandacht wil lezen, terwijl de ontwikkeling van de verhaallijnen heel erg langzaam gaat, zo langzaam, dat deze hele roman alleen nog maar de aanzet is tot iets, wat misschien in deel twee volgt, of pas in deel drie.

Onlangs zag ik The Irishman van Martin Scorsese, enigszins vergelijkbaar misschien: duurt heel lang, gaat traag, refereert voortdurend aan de werkelijkheid (een historische werkelijkheid die nabij genoeg is om nauwe banden met het heden te hebben) en wordt gekenmerkt door een behoorlijk fors aangezette stijl, maar niet het absurdistische van een Buwalda heeft.

Dat dus 😊

Hartelijke groet,

Fabian


15-01-2010 07:27
Re: Otmars zonen

Beste Fabian,

Ze zeggen ook wel eens dat je je dag niet moet afsluiten met mail lezen, maar dat heb ik gisteren toch gedaan. Gelukkig maar. Mijn reactie nu is vroeg en hopelijk uitgeslapen.

Bonita Avenue staat nog steeds hoog op mijn lijstje met favorieten. Ik kwam er niet eerder toe om Otmars zonen te lezen, omdat de omstandigheden er moesten zijn om me echt aan dat vuistdikke boek te wijden. Die omstandigheden waren er afgelopen weekend: ik las het in vier dagen uit.

De constructie met al die flashbacks maakt dat het verhaal in het ‘nu’ inderdaad langzaam op stoom komt, maar geeft het boek wellicht ook een anekdotisch karakter. Misschien is het te veeleisend bij deel 1 van een trilogie, maar Buwalda heeft in een interview – VPRO Nooit meer slapen – zijn voorgenomen drieluik vergeleken met The Lord of the Rings en dat valt hem wel een beetje kwalijk te nemen. Otmars zonen heeft geen opzichzelfstaande plot, in tegenstelling tot de boeken van Tolkien, maar lijkt inderdaad een opmaat tot de volledige cyclus, die we vooralsnog moeten ontberen. In dat opzicht gaat een vergelijking met The Irishman – onlosmakelijk verbonden met drieënhalf uur lang, zonder pauze in een zeer oncomfortabele bioscoopstoel genieten – mank: de broeierige, trage ontwikkeling van de verhaallijnen akkoord, maar er is in die film wel degelijk sprake van afronding.

Niettemin is het in Otmars zonen op iedere pagina feest: haast iedere zin is een hoogstandje, het inktzwarte cynisme van Ludwig is hoogst vermakelijk, de perspectiefwisselingen zijn interessant, er zijn verwijzingen naar de werkelijkheid en de verhaalwereld in Bonita Avenue, de besproken muziek is onlosmakelijk verbonden met de opzet en inhoud van het boek, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Die columns lees ik ook niet meer: stilistisch interessant, maar inhoudelijk...

Psychologisch vind ik dit een veel sterker boek dan Bonita Avenue. De kenschetsing van de personages is stukken beter, hun keuzes zijn daardoor meer invoelbaar, al roepen ze nog weinig sympathie op. Ik heb gewalgd van de passages waarin De Sade een rol speelt. Toen het boek uit was, was ik boos: afhaken voor een kernpunt, en het skiën dan, en het interview dan, heb ik verdorie al die jaren op gewacht, moet ik voor deel 2 weer zo lang wachten, en voor deel 3?! Toen dat zakte, heb ik je gemaild. Dit is dan literatuur: een wereld op papier die aankomt alsof je een stomp in je maag hebt gekregen, waarover je vervolgens in therapie kunt bij een oud-docent.

Enfin, op mijn lijstje ‘nog te lezen’ nu eerst Let op mijn woordenPastoraleDubbelliefde (tja, ik was pas 12 toen dat boek uitkwam) en zo kan ik ook nog wel even doorgaan. Herlezing van Otmars zonen was eigenlijk van dat lijstje af, maar komt er toch weer op. Ik kijk uit naar je blogpost. Houd je me op de hoogte?

Vriendelijke groet,

JoJanneke


15-01-2020 09:21
Antw. Otmars zonen

Zo, dat is een ‘goedemorgen’, JoJanneke.

Onmiddellijk na het lezen van je mail kon ik maar aan één ding denken: vind je het goed als ik onze mails samenvoeg, redigeer en op mijn blog plaats als bespreking van Otmars zonen? Je opmerkingen bij het boek vind ik te mooi – om niet te zeggen: Klasse! – om voor me te houden. Ik zal je sowieso binnenkort een concept sturen.

Hartelijke groet,

Fabian

P.S.
Ik keek The Irishman heel op m'n gemak, in bed, op de computer.
Walgen van De Sade? En niet van die decoupeerzaagscène in Bonita Avenue?


15-01-2020 20:17
Antw: Otmars zonen

Goedenavond dan maar, beste Fabian,

Bedankt voor het compliment; ik voel me vereerd! Wie had gedacht dat zo'n impulsieve e-mail zou leiden tot een blogpost van Fabian Stolk, tegen wie ik zo veel jaren heb opgekeken vanuit de collegebanken en met wie ik nog wel eens een stevig verschil van mening heb gehad. 

Nu zie ik dus het concept van een geredigeerde versie van onze mailwisseling tegemoet. Ik heb een hekel aan "leuk", maar leuk, dus, of - om het op z'n Brabants te zeggen - gezellig!

Hartelijke groet, 

JoJanneke


15--1-2020 21:53
Antw: Otmars zonen

Beste JoJanneke,

Aangehangen de concepttekst. Je zult zien dat ik er weinig aan geredigeerd heb. Het geheel past mijns inziens prima op m’n blog, omdat het meer een leesverslag is vol impressies en waardeoordelen, dan een zakelijke recensie met een grondige analyse en interpretatie, voorzien van een gemotiveerde plaatsbepaling binnen de actuele literatuur.

In mijn leesdagboek – een roman-dummy waarin ik probeer te documenteren wat ik wel gelezen heb  maar niet op Klasse! plaats – staat: “8.7.19 Achterstallig / Buwalda, Otmars zonen / Smith, Spring / [naam vergeten], Norman People”. En meteen daarna staat: “Intermezzo: / C.C.S. Croneprijs en -stipendia 2019”; indicatie van een berg – inmiddels voltooid – leeswerk, die herlezing van wat dan ook in de weg stond.

Maar nu die berg weg is en ik het eerste dikke deel van Buwalda's roman fleuve weer van de plank heb gepakt en de terugtellende hoofdstuknummering terugzie, de forse broodletter en de paginanummers die alleen op de rechterpagina’s staan, krijg ik verse kriebels om ook weer in de inhoud te duiken. 

Enfin, ik wacht je “fiat” af c.q. je “imprimatur” of “nihil obstat".

Wees gegroet
       door
     Fabian


16-01-2020 09:35
RE: Otmars zonen

Hallo Fabian,

Nog een reactie op je twee toegevoegde PS’en: The Irishman in bed kijken is voorbehouden aan mensen die behept zijn met een Netflix-abonnement. Aangezien ik meer boeken koop en die lees dan dat ik tv kijk – en het moet doen met een bescheiden lerarensalaris – behoor ik niet tot de gezegenden en zat ik ‘gewoon’ in de bioscoop. Wat (of wie) is decadenter?

De decoupeerzaak in Buwalda’s eerste vond ik een stuk minder onsmakelijk dan de passage waarin vader zijn dochter anaal verkracht onder dwang en onder toezien van De Sade en consorten, waarna het meisje alsnog op gruwelijke wijze verkracht en vermoord werd onder het toeziend oog van de vader in kwestie. Kleine analyse daarvan: mensen schuiven de verantwoordelijkheid voor hun fouten liefst af op anderen en schaamte komt juist tot stand in relatie tot anderen. In de decoupeerzaag-scène zijn geen toeschouwers: niemand om op af te schuiven, niemand om zich voor te schamen. In de walgelijke De Sade-scène waaraan ik zojuist refereerde, zijn die ingrediënten er wel: vader kan zijn gedrag afschuiven op De Sade en zich tegelijkertijd voor datzelfde gedrag kapot schamen ten overstaan van het publiek. Zijn ondergeschikte positie aan De Sade leidt ertoe dat hij een onmiskenbare nederlaag lijdt. Als lezer identificeer ik me met hem ten overstaan van die toeschouwers: ik wil hieraan ontsnappen, maar dat kan niet. Ik ben een onmachtige voyeur – meer dan in Bonita Avenue  en dat geeft mij een hoogst ongemakkelijk gevoel, om niet te zeggen ‘zum Kotzen’.

Op de een of andere manier doet dit mij denken aan Ludwigs zoektocht naar zijn oordopjes: de neuroot die over de grond kruipt en die ik van bovenaf bezie. Het gevoel van walging is nabij – beste Ludwig, ga je schamen en ga alsjeblieft gewoon slapen – maar meer nog is er medelijden. Enfin, ik weet niet waar deze uitweiding vandaan komt, dus laat ik er maar over ophouden.

Mijn fiat krijg je.

Hartelijke groet,

JoJanneke


16-01-2020 13:17
Noot van de redactie

Ik ben behept met een tv noch een Netflix-abonnement; ik keek per laptop via-via mee met een abonnee; voel me daardoor bescheiden gezegend.

woensdag 27 februari 2019

Sally Rooney, Normal People

Ebook edition. Faber & Faber, London 2018.

Weer zo'n boek dat door recensies opviel. En vervolgens in de poll van de leesclub kwam en geselecteerd werd.

Wonderlijk aangename leeservaring, terwijl deze roman eigenlijk niet voldoet aan wat ik doorgaans van dit genre verwacht of eis: taalrijkdom. Qua taal vind ik het een uitzonderlijk oninteressant boek. Er staat geen zin in die ik in stille bewondering herlas alleen maar om de formulering. Eerder het tegendeel, zoals: 
He writes these things down, long run-on sentences with too many dependent clauses, sometimes connected with breathless semicolons, as if he wants to recreate a precise copy of Marianne in print [...].
Bij de laatste twee woorden stort de hele zin in elkaar onder mijn lezend oog. En er blijft weinig meer van over als je bedenkt dat er een erg dom vrouwbeeld in gereproduceerd wordt, dat ook nog eens niet aansluit bij wat de roman verder over Marianne vertelt.

Maar een groter probleem is dat dit boek zo enorm fel-realistisch (bedoeld) is, of meer nog 'filmisch', dus nep-realistisch, alsof hele scènes zijn overgeschreven van het witte doek, of van een zwart-wit televisiescherm; het is voortdurend heel sit- en komkommerig. Zoals wanneer er staat: 
Connell says nothing then. He just kneads the steering wheel with his hands.
Dat stuur wordt hierna nog vijf keer bepoteld (expliciet met de handen, wel te verstaan, stel je voor) als een situatie Connell emotioneel te machtig wordt - en als een voldragen stereotype kan híj wel rijden, zìj kennelijk niet; het kneden, bekloppen, knijpen, betokkelen en klam omklemmen van het stuurwiel is slechts hem gegund. Haar worden andere beelden toebedeeld, zoals:
She feels like a soft cloth that is wrung out and dripping.
En terwijl de focalisatie alle kanten op en uit en weer terug schiet - wat echt een aangenaam aspect is van deze roman, dat de aandacht van deze lezer steeds weer prikkelt - staat er soms zoiets als dit:
But now she has a new life, of which this is the first moment, and even after many years have passed she will still think: Yes, that was it, the beginning of my life.
Of je in een aftandse, op opdikkend en ezelsorig esparto-papier gedrukte kasteelroman verzeild bent geraakt. Net zoals wanneer een verhit gemoed als volgt wordt gerepresenteerd:
Alan's face takes on a wild expression of fury, with the whites of his eyes showing all around.
Deze Alan is ook tot het volgende in staat: hij 'bites down on the knuckle of his index finger.' De Kameleon meets Harry Potter. Maar een heel enkele keer staat er op zinsniveau iets interessants, mijns inziens:
If anything, his personality seemed like something external to himself, managed by the opinions of others, rather than anything he individually did or produced.
Maar ook dat is minder een mooie zin dan een sterk inzicht, passend bij een personage in een coming of age-roman; want dat is dit wel, denk ik, bijna een high school-roman, vol cijferstress, sigaretten, dronkenschap, vechtpartijen, studiekeuzegezeik, bindings- en verlatingsansgt, verstoorde zelfbeelden, liefderijke en vuige seks en lastige of juist argeloze of schijnbaar argeloze ouders; noem het maar op.

Bijzonder vind ik, naast de constructie van een voortdurend voortschrijdend verhaal dat is doortrokken van terugblikken vanuit allerlei perspectieven, dat het hele gebeuren zich afspeelt in Ierland, deels aan de westkust, deels in Dublin (eet je hart uit, Joyce). Maar het bijzonderst en aantrekkelijkst is dat de relatie tussen Marianne en Connell, die zielkervend getekend is door klasse- en persoonlijkheidsverschillen en door langzamerhand duidelijker wordende persoonlijke problemen, zo enorm intens gevolgd wordt in al zijn hoogte- en dieptepunten, al de onwaarschijnlijke gebeurlijkheden en onverwachtheden en irrationaliteiten en weemoedigheden des normalen levens die des avonds en op andere ongelegen momenten komen en die niemand kan verklaren. Het is een kalverachtig schokkerige en tegelijk zinderende love story van jewelste, een juweel van een liefdesgeschiedenis.

De vertelling duurt alleen wat lang, en het eind is geen echt eind; het verhaal had nog veel langer, maar ook veel korter gekund, met wat meer kunstgrepen. Het emmert maar door, net als het leven zelf.

zondag 13 januari 2019

Nathalie Heinich, Ce que n'est pas l'identité

Gallimard - le débat, z.p. 2018 (édition électronique).

De titel vind ik een pracht van een lokker, want bij identiteit denk ik in allereerste instantie aan iets wat juist is. Het boekje is een prachtige, korte, heel heldere uiteenzetting in zeven hoofdstukken van wat 'identiteit' niet is, gevolgd door een voorzichtige, abstracte omschrijving van wat het wel is; en die omschrijving, dat kan je op de vingers van één hand uittellen, is niet simplistisch.

De zeven negaties (hoofdstuktitels) zijn achtereenvolgens:

L'identité n'est pas une notion de droite (ni de gauche, d'ailleurs)
L'identité n'est ni une réalité objective ni une illusion
L'identité ne se réduit pas à l'identité nationale
L'identité n'est réductible ni à l'assimilation ni à la différenciation
L'identité n'est pas unidimensionnelle (ni même bidimensionnelle)
Il n'y a pas de sentiment d'identité sans crise d'identité
Les troubles identitaires ne sont pas incurables.

Een interview van Bas Heije met Heinich maakte me attent op dit essay. Dat interview is ook al informatief en monter. Dit boekje, dat ik vast na één keer lezen nog niet geheel doorgrond heb, is echt een wonder van helderheid; Heinich heeft een heel lucide betoogtrant, terwijl ze toch bijna geen mogelijkheid voor een nuancerende bijzin ongebruikt laat. Ze voert de lezer heel rustig en docerend mee langs de - als ik dat zo mag zeggen - veelkantige aspecten van 'identiteit'. Een welsprekende  verademing te midden van de hedendaagse botte hijgerigheid die publiek debat heet.

Centraal in het essay staat wat mij betreft de driedimensionaliteit van identiteit: '[d]ésignation (par autrui), présentation (pour autrui), autoperception (de soi en soi)', het onderscheid tussen 'se sentir', 'se dire' en 'être dit' en de wijze waarop die drie op elkaar inwerken. In het nawoord, met de titel 'L'identité à l'épreuve de la judéité', demonstreert Heinich de kracht van haar analyse met een bespreking van de persoonlijke grondslag van haar lange interesse in dit onderwerp.

Al met al is dit boek een kraakhelder geformuleerde vermenging van sociologische, filosofische, en semantische analyse in persoonlijk gefundeerde essayistiek. De enorme hoeveelheid bronnen achter ieder hoofdstuk wijzen er evenwel op dat het boek meer is dan een essay.

zondag 23 december 2018

Bregje Hofstede, Drift

Roman. Das Mag Uitgevers, z.p. 2018. Paperback. 397 bladzijden. Gratis e-book-versie erbij, of andersom - wat wil zeggen: je mag van Das Mag niet kiezen. Misschien maar goed ook: ik wilde het e-book hebben, omdat mijn kasten echt overvol zijn, maar heb uiteindelijk de papieren versie gelezen... wel weer eens lekker, immers, zo'n dikke emo-pil in handen. Bovendien qua binnenwerk mooi verzorgd. Fijne blad- en zetspiegels (ja, meervoud), goede letter, zowel het grotere als het kleinere romeinse corps, als ook het cursieve. In het e-book gaat dat zetspiegel- en corpsonderscheid, het onderscheid tussen hoofdtekst en ingebedde tekst, helaas goeddeels verloren.

De gelaagdheid van de vertelling, en de inter- of intra-tekstualiteit ervan en de tekstualiteit of schriftuurlijkheid van de ervaringen van de hoofdpersoon, die schrijfster is, en Bregje Hofstede heet, en een romandebuut achter de rug heeft, die gelaagdheid wordt mooi uitgebeeld door het gevarieerde zetwerk.

Leuk is dat het personage Bregje Hofstede gedebuteerd is met de roman De welp, wat dus niet het debuut is van Bregje Hofstede, want dat is De hemel boven Parijs (2014), en dat delen van die roman in deze roman zijn opgenomen, in een kleinere letter dan de rest en met behoud van zijn 'oorspronkelijke' paginanummering. Maar na zo'n De welp-passage blijkt ondertussen de numeroteur van de Drift-pagina's ook door te hebben geteld. Dat spel met paginanummers ben ik, als mijn opmerkzaamheid en herinnering me niet in de steek laten, nog niet eerder tegengekomen in een roman.

In een interview met Hofstede (excuus, geen link) las ik dat De welp wel een roman-in-aanbouw was van de echte Bregje Hofstede, maar dat die integraal in de prullenmand terecht is gekomen, alhoewel blijkens de 'Verantwoording' achterin Drift onderdelen ervan zijn voorgepubliceerd in Revisor en Das Magazin. Met een hoofdpersonage, een auteur en twee debuten zitten we, nog afgezien van al de andere citaten en quasi-citaten, lekker tussen de feit- en fictiepuzzelstukjes.

Een beetje slordig is dat het eerste deel (hoofdstuk?) uit De welp begint op een pagina met nummer 1. Boeken beginnen in het echt meestal op pagina 7, of, zoals Drift, op pagina 9.

Maar mooi weer vind ik dat de roman eindigt met het hoofdstuk 'Blik' uit die ingeblikte roman, waarin een jeugdiger heldin (tussen basis- en middelbare school), die nog geen dagboeken bijhield, zich een weg baant naar haar eigen identiteit.

Over de inhoud van Drift kan ik kort zijn. Op de binnenkant van het voorkaft staat die als volgt weergegeven: 
een onverbloemd verhaal over iemand die wegloopt van huis omdat ze jarenlang wegliep van zichzelf. Over hoe overweldigend een eerste liefde is, totdat die je benauwt. En hoe elk liefdesverhaal uiteindelijk draait om bedrog.
Dat verhaal, dat paradoxaal genoeg onverbloemd heet te zijn, waarin die liefde, die volgens het hoofdpersonage mythisch is, wordt gere- en gedeconstrueerd, beslaat een periode van een bijbels aantal van veertig dagen waarin de wegloopster doolt, op drift is, van haar ankers geslagen. Dat hadden er voor de waarschijnlijkheid best 39 kunnen wezen, lijkt me. De mythe is nu wel heel hecht doortimmerd.

Aan de binnenzijde van de achterflap wordt een zin geciteerd, die me intrigeert: 'Door mijn hele lichaam heb ik het gevoel als na het missen van een trede.' Die deed me denken aan: 'In plaats van fantastisch en benijdenswaardig voelde ik me in Londen zoals wanneer je één stap te veel zet onderaan een trap'. Die laatste is uit de Nederlandse vertaling van Lisa Halliday's Asymmetry, een roman die - gedeeltelijk - ook over een mythisch te noemen en mislukte liefde gaat en waarin ook een roman geschreven wordt, maar die daarnaast nog veel meer biedt en meer open van structuur is, avontuurlijker, en meer nadenkt over de wereld van nu buiten de domeinen waar het navelpluis zweeft.


zaterdag 1 december 2018

Lisa Halliday, Asymmetry

Granta, London 2018 [oorspr. Simon & Schuster, New York, 2018]. Pocket, 271 blz.

Van sommige boeken, romans, en zelfs (?) van sommige debuten, lees je (en dat is mijn generalisering) recensies en denk je... denk ik: 'Interessant... heel aantrekkelijk... kopen!'

Achteraf weet je (weer een rare generalisering; ik bedoel: weet ik) van die recensies niet eens de strekking, qua inhoud, alleen: dat het boek goed, beter, best beoordeeld werd, en wel op grond van criteria die (of: waarvan je er enige) herkent als de jouwe, dan wel deel uitmakend van jouw scala van kerncriteria.*

*En nu valt het me - dit geheel ter zijde - op hoe penetrant het Latijn in onze cultuur is; dat  we afgesproken hebben wel criteria en niet kriteria, wel scala en niet skala te schrijven... en bios af te breken voor koop in plaats van na bio en voor skoop.

Inmiddels heb ik het driedelige Asymmetry in het Engels uit. En ben een beetje verbijsterd.

Nog inmiddelser begonnen aan de herlezing van het boek in de Nederlandse vertaling (de Engelstalige pocket heb ik uitgeleend) in e-boek-uitgave (op basis van de eerste druk, een uitgave van Atlas Contact, 2018).

En jawel, dan vallen er dingetjes op hun plaats. Zoals de referentie aan de uitspraak van Tsjechov, dat wanneer er in hoofdstuk 1 een geweer aan de muur hangt, het in een volgend hoofdstuk wel af moet gaan moet zijn (een Russische bron van Hermans' mus). Hoewel ik nu nog niet precies weet hoe een en ander in elkaar steekt, zie ik wel dat er veel verbindingslijntjes tussen de delen bestaan, en dat ik onder invloed van het leesplezier weer eens de quasi-academische lees-accuratesse uit het oog ben verloren. Signaal van genoegen, inderdaad.

Die Nederlandse vertaling, door Lisette Graswinckel, lijkt me trouwens echt heel erg goed. Dat zeg ik op basis van het gesmeerde leesplezier dat ik eraan beleef en dat, mijns ervarens, vergelijkbaar is met dat van het origineel. En omdat de vertaalster soms heel lepe keuzes maakt, zoals in de volgende zinnen, wanneer Ezra en Alice een afspraak proberen te plannen:
'Misschien in juli. Misschien het weekend van de Fourth of July. We zien nog wel.'
In de bron:
"Maybe in July. Maybe Fouth of July weekend. We'll see." 
(p. 46, in een versie op internet). Dat 'weekend' niet vertaald wordt tot 'weekeinde' is onvermijdelijk in het tijdperk-Van Engelshoven, maar de keuze om in deze context 'Fourth of July' niet om te zetten naar een Nederlandstalige frase is slim, omdat anders de referentie aan de Amerikaanse feestdag Independence Day verloren zou gaan (en dat in een tijd waarin inmiddels volkomen klak- en contextloos het afschuwwekkende 'Black Friday' in het straatbeeld en via advertenties in al de de media verschenen is).

Hier staat tegenover dat ik een beetje teleurgesteld was door de vertaling van een heel mooie zin uit de roman (mede door de context waarin die zin staat opgenomen, dus lees vooral het geheel, de zin staat aan het eind van een een betrekkelijk lange passage waarin beschreven wordt hoe Alice de sensatie ondergaat van een zowel qua beweging als geluid stilvallend New York ten gevolge van een stroomstoring):
A fire engine Dopplered north.
(p. 63, in een versie op internet).  Dat werd in het Nederlands:
Een brandweerauto snelde met dopplereffect uptown.
Dat kon spitsvondiger, denk ik dan. Maar daar staat tegenover dat de vertaling van de zesmaal voorkomende frase 'Shave and a haircut, two bits' weer heel erg goed is: 'Die zien we nooit meer... te-rug.' Lees maar na. Ik noteer er meteen de bekentenis bij dat ik (het beoogde effect van) deze passages in het Engels in het geheel niet begreep, maar in het Nederlands in één keer, en daarna niet begreep dat ik dat Engels niet doorhad.

Des niet tegenstaande: op dit moment van tikken heb ik deel I van de roman in vertaling gelezen; en weer ben ik geroerd door het diep-melancholische sentiment dat daaroverheen ligt, mede tot uitdrukking gebracht door een betrekkelijk slordig ogende vertelwijze. Dialogen, psychologische portretten, sfeerschetsen, gebruiksaanwijzingen, verkiezingstoespraken, honkbalwedstrijdverslagen en wat al niet buitelen over elkaar heen zonder expliciete, lezersvriendelijke overgangen. En opeens, zonder uitzicht op een werkelijk duidelijk afgehechte verhaaldraad is dat deel, 'Zotternij' ('Folly'), ten einde en begint deel II, 'Waanzin' ('Madness'), met een  volkomen nieuw hoofdpersonage, de Iraaks-Amerikaanse econoom Amal Ala Jaafari, als ik-verteller (terwijl deel I een anonieme vertelinstantie heeft die de focalisatie bij de Amerikaanse redactrice Alice Dodge legt), een nieuwe setting en en nieuwe verhaallijn, zo die er al is, maar wel, zie ik nu, met een zekere climax. Dat is  lol van deze roman: je weet nooit waar de verbindingen liggen. En eerlijk gezegd was ik bij de eerste lezing daar niet eens nieuwsgierig naar, het boek boeit sowieso.

Achteraf en bij herlezing (in mijn geval, althans, ik lees van nature in eerste instantie veel te argeloos) valt op hoe strikt de referenties zijn; dat bijvoorbeeld het personage Alice in deel I mogelijk de niet met name genoemde schrijfster is, aan wie waaraan Blazer refereert in deel III, waarin een interview wordt uitgeschreven uit een BBC-radioprogramma The Desert Island Discs, waarin Ezra Blazer in werkelijkheid natuurlijk nooit te gast is geweest, en dat deze roman, Asymmetry, waarover in deze roman al wordt gesproken, de vrucht is van haar verbeelding. Een zeer geslaagde, natuurlijk overkomende, niet-geposeerde vorm van literaire inter- dan wel intra-tekstuele gelaagdheid. Blazer zegt in het interview:
Een jonge vriendin van me [Alice is decennia jonger dan Blazer] heeft trouwens een zeer verrassende roman over dit onderwerp geschreven. Over de mate waarin we in staat zijn door de spiegel heen te stappen en ons een leven, of eigenlijk een bewustzijn, voor te stellen dat de blinde vlekken in ons eigen bestaan grotendeels invult.
En Blazer benadert de interviewster in deel III met dezelfde woorden als waarmee hij Alice in deel I benaderde: 'Are jou game?'

Of het altijd zo is, weet ik niet, maar het het komt voor dat in een roman op onopvallende manier wordt gereflecteerd op de roman, zoals in de passage uit het net genoemde interview waarin Ezra Blazer uiteenzet dat je als schrijver soms
je personages gewoon hun gang [moet] laten gaan, waar ik mee bedoel, naast elkaar laten bestaan. Als ze elkaars pad kruisen en iets van elkaar kunnen leren, prima. Zo niet, dan is dat ook interessant. En als het niet interessant is, moet je je misschien eens achter je oren krabben en opnieuw beginnen, maar dan heb je de geloofwaardigheid tenminste geen geweld aangedaan.
Geloofwaardig is deze roman zeker. Niet alleen doordat ze volgestouwd is met (referentiële) feiten en gegevens en visies van personages; niet alleen doordat deel twee een benauwende, uiterst breed uitgesmeerde en met terzijdes doorspekte beschrijving is van de Kafkaeske terreur van een moderne, althans post-9/11, douane of grensbewakingsdienst die er maar niet in slaagt te geloven dat de Iraaks-Amerikaanse Jaafari, op weg voor een familiebezoek en op zoek naar zijn broer, eenvoudigweg een tussenstop in London maakt om daar een vriend te bezoeken; niet doordat er zo veel details blijken te kloppen met de werkelijkheid; maar ook en misschien vooral doordat Halliday alle ruimte biedt aan toeval en willekeur, die soms minder toevallig en minder willekeurig blijken te zijn, zonder dat er sprake is van (de illusie van) een hecht doortimmerde en strak geregisseerde literaire 'mythe' om aan alles een diepere zin te geven (die er dus eens te meer is, en wat weer in overeenstemming is met het mensbeeld en de literatuuropvatting die Blazer in deel III formuleert).

Zo, nu ga ik snel de laatste bladzijden van de vertaling her-lezen.
En de bespreking door Jamal Ouariachi in De morgen.

P.S.
09-12-2019
De vertaling ten tweeden male gelezen. Allemachtig, wat een parallellen tussen al die delen. Neem alleen al de opening, waarin Alice een boek leest dat 'vrijwel geheel' bestaat 'uit lange alinea's, met nergens een aanhalingsteken te bekennen', en zich een beetje boos afvraagt 'wat heeft een boek zonder aanhalingstekens nou voor zin'... en dan lees je deel II en ja hoor: geen aanhalingstekens. Maar dat is dan hoogstwaarschijnlijk wel mooi het boek dat Alice zich verderop toch voorneemt te schrijven.