zaterdag 29 november 2014

Esther Gerritsen, Roxy

Tweede druk. Colibri-bibliotheek. World Editions - De geus, Breda, 2014. Hardcovertje met leeslint, 285 blz.

Noteerde ik pas nog dat ik eigenlijk niet zo heel erg houd van psychologisch realistische romans, lees ik er toch weer een. Dit boek werd me aangeraden, vandaar; en ik mocht het lenen, en ik vind het materieel zo'n mooi boekwerkje: prettig (meeneem-)formaat (14,5 x 9 cm), mooi papier, goede blad- en zetspiegel, fijne letter, leeslint.

Het verhaal valt met de deur in huis, midden in de zaak, zoals de Romeinen dat noemen, met twee agenten die de 27-jarige, niet heel erg met haar eigen oeuvre en leven in haar sas zijnde schrijfster Roxy midden in de nacht komen vertellen dat haar man Arthur op de vluchtstrook is doodgereden, met zijn stagiaire, beiden naakt. Dit alles verteld in de derde persoon, personaal perspectief van Roxy, maar toch met de nodige distantie. En precies die distantie domineert in het begin en is de demonstratie van de afgestompte toestand waarin Roxy verkeert, wellicht al langer, maar mogelijk pas met directe ingang bij het vernemen van het nieuws: onmiddellijk dempen die ellende; overlevingsstrategie. Komt mij althans wel aannemelijk voor. Gaandeweg lijkt het ook de matheid van de droefenis of ontreddering te zijn, die schijnbare onaangedaanheid.

Hoewel het vertelperspectief gehandhaafd blijft, verandert de toon, de sfeer, het ritme van de vertelling zodra Roxy en de begrafenisondernemer neuken op de bank bij haar thuis. Van alle mensen die haar willen bijstaan, neemt ze weinig hulp aan, en van deze man neemt ze vooral wat zij wil, niet zozeer wat hij professioneel te bieden had. Klinkt, zo samengevat, wellicht wat banaal, maar Gerritsen heeft meer schrijfkracht dan ik hier zomaar kan weergeven. Citaat dan maar: 'Heel langzaam zegt ze: "Ik heb nog nooit zo veel verschillende handvatten voor doodskisten bekeken', en het is de geilste zin die ze ooit heeft uitgesproken."

Het is precies dit soort licht excentrisme in het gedrag en het denken van het personage dat deze roman vleugels geeft en ver opheft boven het niveau van het gewone psychologisch realisme. Daarbij hoort ook dat Roxy na een tijdje de benen, of beter: de SUV neemt, samen met haar driejarige dochter, de kinderoppas en de assistente van wijlen haar man. Van een gezinsdrama verandert het verhaal in een road novel, beter: un roman routier, want die kant gaat het op.

Vreemd genoeg lijkt Roxy met haar betrekkelijke of schijnbare onverstoorbaarheid aanvankelijk uit één stuk gehouwen, terwijl dan juist de wereld om haar heen instort. Sinds Oscar echter, die begrafenisondernemer, lijkt ze de ondersteunende bemoeienis van de mensen om zich heen meer te gaan waarderen, steun en hulp van Jane, de assistente, Feike, de oppas, Louise, haar dochter, en zelfs van haar ouders wier huis, opvoeding en goedbedoelde zorgen ze tien jaar eerder als zwaar verongelijkte puber rücksichtlos weggedaan heeft door samen te gaan wonen met Arthur; maar naarmate die hulp beter lijkt aan te slaan (net als Jane zegt ze soms zelfs: I appreciate that), begint Roxy toch ernstig te desintegreren, alsof ze door die omgeving daarvoor de ruimte krijgt, daartoe in staat wordt geteld.

Uiteindelijk, na een forse crisis en wanneer ze zich uit haar wanhopige vlucht met de SUV lijkt te gaan laten redden door haar vader, komt ze tot het inzicht dat zij zelf omgeving moet zijn, voor Louise. Die tegenstellingen, die paradoxen, die wendingen ('Hoe vaak kan een mens zich vergissen?'), naast het al genoemde excentrisme (de bijna absurde vorm waarin de crisis is gegoten, ga ik hier niet verklappen) maken deze roman tot een zeer boeiend boek.

woensdag 26 november 2014

Griet op de Beeck, Kom hier dat ik u kus

Amsterdam 2014. Paperback met flappen, 382 bladzijden.

Nieuwsgierig aan begonnen, want Op de Beecks debuut (Vele hemels boven de zevende, 2013) was een interessante roman wat betreft opbouw en taal. De taal van Kom hier dat ik u kus is ook goed, zeker in de dialogen, maar de opbouw is zo plat als een dubbeltje. We beginnen bij het begin en gaan in drie stappen naar het eind. In het begin gaat de moeder van Mona dood, als Mona negen jaar oud is, aan het eind, als ze vijfendertig is, sterft haar vader. Tussendoor, rond haar vierentwintigste ook veel ellende. Dat het ook anders kan, liet Gustaaf Peek onlangs goed zien.

Het eerste deel, dat 135 bladzijden beslaat, is heel erg vervelend. We hebben te maken met een ik-vertelstertje, een tikkeltje een wijsneus, maar natuurlijk doorziet ze niet alles wat de volwassen lezer wel doorziet, al was het maar omdat de volwassen auteur dat zo wil. Maar dat kinderperspectief in een volwassenenboek, het is zo erg uitgekauwd (De kleine Johannes, Het bittere kruid) vooral doordat het zo simplistisch is: 'Haar vader is cardioloog, dat is een dokter die zich bezighoudt met het hart.' Anderzijds is zo'n perspectief moeilijk vol te houden, waardoor er nogal wat wijsneuzerigheden door de kindertaal heen steken, in de trant van '"Oké," zeg ik zo nonchalant mogelijk'.

Dat bezwaar valt gelukkig weg als Mona als vierentwintigjarige verder vertelt, maar was het niet dat ik het debuut van Op de Beeck kende, dan had ik dit tweede boek van haar al lang vóór pagina 138 definitief dichtgeslagen. Vanaf deel twee leest het boek als een tierelier, al blijft het maar een realistische psychologische roman over een geblutste ziel met veel zelftwijfel ten gevolge van opgelegde verantwoordelijkheid voor al de andere geblutste zielen waardoor ze omgeven is, en dan vooral de mannen, die, afgezien van haar broer dan, allemaal aandachtsmekende egocentrische zakken zijn. Als gezegd, het is een realistisch boek. Je zou met een van de personages kunnen zeggen: 'dat vinden we normaal, hebben we ooit beslist'.

Natuurlijk is het heel aandoenlijk, al dat leed, dat onbegrip in het hier geschetste sadistische universum, maar het had wat spannender, gewaagder, onconventioneler, weidser dan alleen maar psychologisch mogen zijn wat mij betreft. En met veel minder van dat al te eenvoudige afgeven op de ongezellige sfeer die er in ziekenhuizen kan hangen. Meer drama, in de zin van ontwikkeling in de handeling in plaats van alleen maar het braaf volgen van de levenslijn. Tsja, aan het eind wordt Mona ontslagen, haar vader sterft en ze gaat weg bij Louis. Goh.

De titel is een mooie vlag die de thematiek van het boek goed dekt. Het is in diepste wezen en in opperste vlakte de kenmerkende uitspraak van de egocentrische Louis, maar is ook kenmerkend voor de relatie die bijna alle andere personages tot Mona onderhouden: zij willen dat zij er is voor hen en pas dan zijn ze geneigd genegenheid voor haar te tonen. Da's wel wrang.

In zijn soort een goed boek, maar ik houd niet erg van dit soort lectuur.

woensdag 29 oktober 2014

Gustaaf Peek, Godin, held

Tweede druk [sic] (e-book), Amsterdam 2014. 287 pagina's (of 12738, maar dat alleen als je de letter randdebielgroot instelt).

Zo, die Peek. Die durft. Die ramt me er een roman uit waarin werkelijk ongegeneerd wordt gepijpt, - beft en -neukt zoals in geen jaren meer in de echte (!) literatuur werd gedaan. Niet dat ik dat nodig vind, maar het mag wel opgemerkt worden. Dat wordt het dan ook in de recensies die ik zag. Dus hoeft het niet meer. Bovendien: daar gaat het volgens mij niet om / daar gaat deze roman niet over.

Wat de twee hoofdpersonages, Tessa en Marius, doen, dat kan wel zo en met deze woorden aangeduid worden, met die plompe woorden, maar wat zij eigenlijk doen, qua fabel, is, denk ik: uiting geven, vorm geven aan een oer-gedrevenheid, die der liefde. Voor het eerst dacht ik, deze roman lezende, dat de uitdrukking 'de liefde bedrijven' waarlijk tot leven is gekomen.

Ondertussen is het niet goed als de aandacht alleen maar uitgaat naar dat getamp en -lik en -vinger en -zuig. Van wie wil een mens dat nou eigenlijk wel precies weten? En het zijn geen machines, de personages waar het hier om gaat, geen stupide vunzeriken. Het zijn diepzielshartstochtelijke mensen die tegen alle maatschappelijke klippen op (ze hebben elk een eigen leven en huwelijk) steeds maar van elkaar blijven houden. Het kan en mag eigenlijk allemaal niet, van de omgeving, waar we overigens maar weinig van te lezen krijgen, maar het is, het blijkt ontegenhoudelijk te zijn. Steeds weer, heel hun lange leven lang, komt de onderdrukte, intolerabele liefde, begeerte tot een extatische ontlading. En die is steeds weer op papier gezet in volle eerlijkheid, als je dat zeggen kunt met betrekking tot fictie.

En dan komt er zo'n Volkskrantchagrijn van een juffrouw Serdijn op de proppen met een recensie waarboven de domste kop aller tijden prijkt: 'Goed opgebouwd liefdesverhaal had met een paar seksscènes minder toegekund'. Lulkoek van het kaliber: Goed doordachte Victory Boogie Woogie had met wat minder kleurvlakjes toegekund. Wat zeg ik? Goed gecomponeerde De avonden had met wat minder kale plekken toegekund. Om het luid uit te janken. Nooit van begeerte gehoord. Of passie. Drift.

Dat de roman begint bij het eind van de geschiedenis en vandaar uit (deel V, hoofdstuk 50) terugverteld wordt naar het begin (dat dan niet deel I, hoofdstuk 1, maar hoofdstuk 0 blijkt te zijn) is een prachtige kunstgreep die mij in een alerte houding zette en hield, denk ik. Eigenlijk zou ik een experiment willen uitvoeren: de roman van achter naar voren, dus de geschiedenis-chronolochisch lezen; kijken wat de ervaring dan is. Maar dient nergens toe, omdat ik de roman al gelezen heb: ze krijgen, weet ik, elkaar niet aan het eind. Tessa sterft alleen, vijfentwintig jaar na Marius, denkend aan Marius, die even eenzaam stierf. Het is maar de vraag of ze dat überhaupt wel wilden, elkaar krijgen. Soms de een wel, dan weer even de ander. Maar echt drijvend, aandrijvend, moverend is die vraag/behoefte niet geweest, denk ik, na enkele lezing van de roman. Dat geeft het verhaal een merkwaardig rauw randje. Het motto wordt gevormd door de twee slotregels, van het 87e sonnet van Shakepeare; de openingsregel ervan luidt: 'Farewell, thou art to dear for my possessing'.

Eindelijk weer eens een betrekkelijk epische, levensomspannende vertelling. Niet van dat kleinzielige en navelstaarderige puberleed in een ik-verhaaltje met amechtige zinnetjes. Nee, een voluit gedragen tragiek schuilt er onder deze stilistisch gevarieerde zinnen. En dan ook nog eens een vertelling die ergens eindigt in - als ik het me goed herinner - 2059 (of, minder in de buurt van het pensioen van Ramsey Nasrs remi da rimpel, 2026? Es lebe das e-Buch: even zoeken en daar was de einddatum: 2039) en begint in het gulden-tijdperk (bij nader inzien: de roman bestrijkt ongeveer mijn levenstijdperk, als ik 81 word). Een maatschappelijk relevant, economico-socio-cultureel tijdsbeeld wordt er niet ontworpen. Doeterniettoe. Mensen, individuen, ja: niet verder te verdelen mensen, daar gaat deze roman over. Aarde, water, lucht en vuur. En alle spieren en klieren die hen verbinden. Een roman die ik zo snel mogelijk gelezen wilde hebben, met al snel het plan om hem daarna te herlezen, en dat terwijl ik al maaaanden bezig ben in een andere roman, een alle verdere lectuur belemmerende roman waarvan ik niet weet of die de aandacht wel waard is, 2666 van Roberto Bolaño. De contrasten kunnen niet groter zijn. Bloedstollend saai en monotoon de ene, bloedenerverend de andere. Oeverloos versus dondersgoed en strak gecomponeerd. Lui versus actief. Doods versus pulserend. Gensters tegenover laaiend vuur.

woensdag 1 oktober 2014

La rentrée des classes / Apologie

Het is al week week vijf van blok één. Nog twee onderwijsweken na deze en dan tentamens en herkansingen, en finito basta ten einde is de eerste van de vier collegeperioden. Tijd vliegt als een schaap door 't veen.

Braaf tracht men al zijn colleges voor te bereiden (tien werkgroepuren per week, plus twee bij te wonen hoorcollege-uren) en zijn bibliotheek-, examen- en opleidingscommissievergaderingen, en zijn toetsen op te stellen en te corrigeren en te administreren, en ongemerkt rekt men de werkweek op tot het dubbele van wat de baas denkt dat nodig is voor een en ander, en de tijd vliegt als de schim van een vermagerd schaap door het door verzuurde regen verdunde veen. Zelfs de verbasterde vergelijkingen lijden eronder.

Dit kent men. Men leest handboeken, te bespreken literaire werken, en stukken, natuurlijk, veel stukken, notulen, rapporten, verslagen, jaarroosters. Men denkt aan een feuilleton op Neder-L, 'De verleden tijd van lijken', dat men al lang niet meer las, en men denkt eraan dat er een stapel ligt te wachten en popelt, de nieuwe Hendrix, de nieuwe Gerritsen, de eerste Riem die herlezen moet, Wide Vercnocke, Gadamer die maar stof ligt te verzamelen, maar men is sinds terugkeer van vakantie bezig in een veel te dikke pil, een baksteen, een verkapte quintologie en men bedenkt weer hoe lastig het is om een boek te lezen waarvan men niet bevat hoe omvangrijk het is doordat men er een digitale editie van in/op het dunne e-leesapparaatje heeft staan. Misschien dat men deze maand 2666 van Roberto Balaño ten einde kan lezen, want men is nu zo ver gevorderd dat afhaken heen optie meer is, al komen de verkrachte lijken nu wel zo'n beetje mens neus uit. Men hoopt dat het slotdeel net zo gortdroog maar des niet tegenstaande zo hilarisch is als het eerste. En dat men daarna weer tijd vindt om er iets over te schrijven.

dinsdag 5 augustus 2014

Vakantielectuur

(ruim twee weken in Dordogne, Midi-Pyrénées en Auvergne, in lectuurvolgorde)

Peter Terrin, Monte Carlo; roman. Amsterdam, De Bezige Bij 2014, digitale editie op basis van de eerste druk uit 2014. 201 pagina's.

In stilistisch opzicht een zeer apart boek, of boekje, want de eigenlijke tekst stopt op pagina 189 en is opgebouwd uit veel, veelal korte hoofdstukken (dus met veel staartwit) (hoewel ik het moeilijk blijf vinden werkelijk goed zicht te krijgen op de inhoudsopbouw van een digitale editie; als ik het goed begrijp bestaat de roman uit drie delen met respectievelijk 15, 54 en 12 'items', zoals het dan heet in dit ding). Doordat het verhaal zich deels afspeelt in de Monte Carlesque autosportwereld en doordat de stijl zo opmerkelijk is, moest ik voortdurend denken aan Bordewijk; maar let op: Terrins stijl is alles behalve Bordewijks.

Daarnaast doet deze auctoriale vertelling, die alleen het perspectief van de hoofdfiguur weergeeft, heel erg denken aan Hermans, die immers ook wel eens een roman schreef waarin een hoofdfiguur dacht dat hij alles goed zag en niet inzag dat hij alles fout dacht; een hoofdfiguur die niet weet dat zijn wereld niet de echte is, dat deze wereld niet de zijne is.

Het boek eindigt abrupt via wat niet eens een nevenintrige is. Daardoor viel het uiteindelijk toch een beetje tegen.

Olivier Benyahya, Si le froid est rude. Arles, Actes Sud 2014. 84 bladzijden.

Aangeschaft in Tours, omdat het zo'n mooi boekje is (papierkleur en -gewicht, letter, bindwerk, formaat).

Gortdroog verteld relaas van een ik-figuur, Joseph, wiens vader te sterven komt. Syd (die naam alleen al: "Sa mère était fan de Cyd Charisse, et son père de Syd Barret [...]. Le père et la mère avaient tiré la première lettre à pile ou face"), die nog maar net zijn ex is, komt ervoor terug uit New York, waar zij aan een eigen leven als kunstenares begonnen is; nee, zij komt niet voor dat sterven terug, maar voor Joseph, om hem. Over hen, over hun relatie kom je maar weinig te weten, maar in twee bijzonder innemende dialogen krijg je te horen, in de woorden van Syd, dat het niet ging, niet kon, niet werkte, ook al "T'es la meilleure chose qui me soit arrivée." Doordat het meeste daar niet over gaat, doordat het verhaal eigenlijk heel indirect is verder, is het toch mooi. Vind ik.

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba, een roman. 9e dr. Utrecht-Amsterdam-Antwerpen 2014 (1e dr. 2013). Winnaar Libris Literatuurprijs 2014. 384 pagina's.

Veel Genuese straatnamen, drank, sigaretten, sexisme, zelfreflexief geëssayeer en hier en daar een vluchteling omwille van de actualiteit of zo.

Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn; roman. 15e dr. Amsterdam, De Bezige Bij 2014 (1e dr. 2013). 334 blz.

Druk bejubeld boek. Wederom in het boek reflectie op het boek. Wat het epitheton 'roman' wel kruidt, te meer daar de kern annex de bron van de roman de memoires van 's auteurs grootvader zijn, in de ik-vorm verteld, maar dat is dan wel een relaas dat door de kleinzoon is bewerkt. Dat opa van eenvoudige komaf was, die in het eerste deel van het boek omstandig wordt geschetst (wederom op basis van grootva's eigen aantekeningen), is merkbaar aan de eenvoudige vertelstijl van het middendeel ("Een aantal mensen sprong overeind en verdrong zich"); dat deel bestaat vooral uit de descriptie van krijgshandelingen en dat is toch echt een métier apart; en daar had des vertellers moeders vader dus net zo min voor doorgeleerd als voor de schilderkunst.

In deel drie weet de kleinzoon nog wat biografische geheimen te ontraadselen en bespreekt hij het integrale oeuvre van zijn voorouder die niet alleen soldaat in de Groote Oorlog was, maar vooral schilder had willen zijn.

De achterflaptekst is wat merkwaardig. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, zo staat daar, kreeg Hertmans dat 'paar volgeschreven oude cahiers' van zijn opa. "Jarenlang durfde Hertmans de schriften niet te openen - tot hij het wél deed" (zo, die zit). Daarna staat er nog iets over "Hertmans' jarenlange fascinatie voor zijn grootvaders leven". Hoe gefascineerd ben je als je dergelijke cahiers zo'n dertig jaar lang niet inziet?

Kortom, anders dan de vakantie was dit jaar de lectuur omgekeerd evenredig aan de duur: hoe korter hoe beter.

Aan Le confident van Hélène Grémillon (Folio 5374, 2014, 1e dr. 2010) ben ik wel begonnen, maar toen begon het te regenen.

donderdag 19 juni 2014

Maartje Wortel, IJstijd

Roman. Amsterdam: De Bezige Bij 2014. Digitale editie naar de eerste druk, 2014.
[Verklaring vooraf, geen excuus, alleen uitleg. De afgelopen weken was ik gelukkig weer eens docent van de BA-cursus 'Instituties: Literatuurkritiek' aan de UU, dit jaar voor het laatst. Na een paar weken theorie volgden drie weken praktijk: studenten moesten een recensie schrijven over drie romans; eerst over Schuim van Robert Anker, daarna over De vrouw die de honden eten gaf van Kristien Hemmerechts, en tot slot over IJstijd van Maartje Wortel. Al de recensies werden behalve door mij ook door de studenten zelf onderling besproken, becommentarieerd en becijferd.
Toen ik de laatste titel bekend maakte, opperden de studenten: 'Schrijft u dan ook maar eens een recensie, en doe die, eveneens geanonimiseerd, tussen die van ons.' Tekenend voor de goede sfeer in de groep. Maar ik dacht natuurlijk wel: '[...], ik was van plan hèn het werk te laten doen, [...]!'
Lang verhaal kort: ik schreef die recensie, jaste hem anoniem tussen die van de studenten voor de peer review, en wachtte af.
Vet. De een had na twee woorden door dat deze recensie van mij was, de ander niet en ging vol op het orgel en hakte het hele stuk aan spaanders: een vijfje kon er, met moeite, aan worden toegekend. Zeer leerzaam. De suggestie, die de studenten deden, om de recensie dan ook maar op m'n blog te zetten, volg ik bij deze op, niet zonder enkele kleine smetjes, waar ze me op wezen, verwijderd te hebben. De echte onvolkomenheden, ach, die zijn maar een kwestie van smaak.]
‘Ik kan verdomme helemaal geen boek schrijven’
Maartje Wortel, IJstijd; roman
De Bezige Bij, Amsterdam 2014
Digitale editie naar de eerste druk, 2014
Prijs: € 12,99
Gortdroog, niet gespeend van humor, en kraakhelder is de tweede roman van Maartje Wortel. Er gebeurt vrijwel niets in, zeker niets spectaculairs; wel krijgt de hedendaagse literaire wereld een veeg uit de pan.
De eerste zin van IJstijd luidt: ‘Ik verblijf in een hotel in Amsterdam-Oost als Monica in mijn leven komt.’ Op het moment van vertellen is Monica, redacteur van uitgeverij Gibraltar (‘Monica weet waarover ze praat als ze over de markt praat’), alweer verdwenen en heeft James Dillard, de ik-verteller, het boek dat zij hem vroeg te schrijven, niet geschreven. ‘Zo gaan die dingen.’
In de tweede zin wordt de huiskat van het hotel geïntroduceerd: Zieck III. Tsja, een kat kán Zieck III heten (of Muis, zoals in Christoph van Gerreweys Op de hoogte). Wortel gebruikt meer van dit vederlichte soort absurdisme, zoals het gegeven dat Dillard op zijn negentiende door zijn moeder het huis uit wordt geholpen en zelfstandig gaat wonen, maar dan wel in ‘het beste hotel van Nederland’; ze heeft geld in overvloed. Als Dillard naar een volgend onderkomen verhuist, ontvoert hij Zieck III in zijn koffer; het beest pist die vol, en weigert het valies te verlaten.
Ook dat Monica Dillard zonder enige heldere motivatie vraagt een boek te schrijven, lijkt absurd, totdat duidelijk wordt dat hierin kritiek verscholen ligt op de overdadige aandacht die de literaire wereld tegenwoordig niet voor het literaire, maar voor het persoonlijke heeft, voor het mediagenieke, commerciële, kortom voor ‘de markt’. Monica vraagt Dillard niet om een boek omdat hij een literair talent is en een oeuvre heeft (hij heeft nooit iets geschreven): ‘we zijn geïnteresseerd op basis van wat we van je weten. Het lijkt ons heel leuk om een boek over jou te lezen.’ Wat er zo interessant aan hem is, zegt ze nergens.
Pas in de derde zin komt Marie ter sprake, Dillards vriendin die hem ‘net heeft verlaten.’ Dillard is een man met een gat in zijn hart. Zijn relatie met Marie was innig, maar ze gingen ‘van winter naar winter, twee mini-ijstijden zonder dat de kou een doorbraak beleeft. Ik durf het bijna niet te zeggen, omdat het zo ongelooflijk soft klinkt, maar we houden elkaar warm, zij en ik.’ Hoogte- en eindpunt van hun liefde beleven ze op het door ijs omgeven Zweedse eiland Irmgard, dat Dillard op haar verzoek voor haar had gekocht.
Deel I van de roman heet ‘Hotel Arena/Winter’, deel II ‘Stayokay/Winter’. De naam van de tweede locatie is, voor de Hineininterpretierder, bedrieglijk, want Dillard dénkt slechts dat zijn toestand okay wordt als Monica hem benadert. Zonder haar een voorschot te vragen, ziet hij af van verdere ondersteuning door zijn moeder. Verbleef hij eerst in het Amstel Hotel en na Maries vertrek in wat hij steevast aanduidt als ‘Hotel Arena (****)’, als beginnend schrijver huist hij in een hostel.
Dat hij ‘een man met pijn’ is, zegt Dillard expliciet. Hij verhult het anderzijds door alles in de tegenwoordige tijd te vertellen, of het nu gaat over het heden of over een nabij of een verder gelegen verleden. Marie blijft zo actueel. Slechts in één overmoedige passage gebruikt hij de onvoltooid verleden tijd, in een persoonlijke e-mail aan Monica. Dit duidt erop dat Dillard er niet in slaagt het gat in zijn hart te dichten. De wond blijft open. Uiteindelijk is Dillard een illusie armer. Heel stoer schrijft hij: ‘Hier ben ik.’ Maar hij ondertekent de roman met: ‘James Dillard.
Dillard is geen onbekende voor de Wortel-lezer. Hij was al de kaderverteller in Wortels voorgaande roman, Half mens (2011). Hij is daar ongeveer tien jaar ouder, maar heeft ook dan stinkend rijke ouders, is praktisch gezien een nieuwe Oblomov, die weinig meer doet dan dure kazen en wijnen bestellen en verorberen. Verveling ligt op de loer voor de oeuvre-lezer. Gelukkig pareert Wortel die in IJstijd op prikkelende wijze, onder andere door de schrijver Chuck Palahniuk op te voeren (in de roman een zelfingenomen venter van tegeltjeswijsheden); door voorin het boek te noteren dat ‘Iedere gelijkenis of overeenkomst met bestaande personen berust op louter toeval. En anders maar niet’; en doordat de roman als opdracht heeft: ‘Voor Marie’.
Recent is Wortel opgenomen in De tien, het pantheon van de meest belovende schrijvers volgens Das Magazin. Wat mij betreft terecht. Ironisch genoeg laat Wortel de literair niet erg bekwame Monica in deze roman zeggen: ‘Er wordt momenteel veel interessant werk gemaakt door een paar jonge auteurs.’
Gelukkig maar; er verschijnen immers ook veel romans waarin ‘de roman’ geproblematiseerd en/of geïroniseerd wordt, waarin de illusieloze en nietsnuttende hoofdpersoon, tevens de kennelijk onvermijdelijke ik-verteller, schrijver wil zijn of is en dan liefst met een existentieel verankerd writer's block. Al deze Brusselmans-achtige flauwiteiten zijn aanwezig in IJstijd, maar Wortel pepert ze krachtig met een licht absurdisme, een eigenzinnige stijl en een grondeloos mooie, droeve liefdesgeschiedenis.

donderdag 29 mei 2014

Annemarie Estor, De oksels van de bok
Alfred Schaffer, Mens dier ding


Annemarie Estor, De oksels van de bok. Een gedicht. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2e dr. 2014 [2012], paperback, 60 blz.

Alfred Schaffer, Mens dier ding. Amsterdam: De Bezige Bij 2014, paperback, 141 blz.

Zeldzaam in de Nederlandse poëzie: de bundel bestaat uit één lang gedicht, dat alleen daarom al kansarm is om tot zijn recht te komen in bloemlezingen.
Dat schrijft Achille van den Branden op zijn blog over Estors De oksels van de bok.

Is niet echt waar, dat "zeldzaam", want plusminus gelijktijdig las ik Mens dier ding van Allard Schaffer. Ook dat is in wezen een lang gedicht, ook dat is een mythische vertelling, eveneens opgedeeld in (hoofd)stukken, waarvan er best een paar in bloemlezingen passen.

Maar: het zijn des niet tegenstaande zeer verschillende epische gedichten, een genre waarvan er in de Nederlandstalige literatuur van de afgelopen en de huidige eeuw heel veel te vinden zijn; zoals er ook heel veel fietsen met plingplongbellen te vinden zijn rond treinstations, zodra je erop begint te letten.

Veel epische gedichten uit de recente literatuur vind ik intrigerend omdat er wel een verhaal in lijkt te worden verteld, maar dan een verhaal dat niet duidelijk, opzichtig, evident is, wat inhoud noch wat structuur betreft. Charme bijvoorbeeld, van Beurskens. Komt misschien doordat ze ook poëzie zijn, en dichters voor wat ze willen zeggen gebruik maken van een andere structurering dan romanciers, eerder een talige en associatieve dan een narratieve. Of, wat ook veel voorkomt in dit genre (neen, er volgt nu noch later een kwantitatieve onderbouwing van deze boude bewering): epische annex verhalende gedichten waarin verteltechnische experimenten worden uitgevoerd (denk aan die zwalkende verteller(s) in Ankers Goede manieren). Maar er zijn ook gewonere versvertellingen, die formeel wat saaier zijn en die het vooral van de intrige of bijzondere gebeurtenissen moeten hebben (Boskma's De aardse komedie gaat die kant op, en Ottens epyllion De eend, maar dat is weer een heel ander verhaal).

Interessant in dit verband is dat voorin het boek van Schaffer te lezen staat dat "de auteur" (niet: de dichter) een werkbeurs kreeg voor het schrijven van "deze bundel". Door die paratekst wordt het werk teruggebracht tot een ander, inmiddels meer traditioneel dichterlijk genre. Ten onrechte: ook al is er een afwisseling van verhaalonderdelen en dag(dromen) die meer lyrisch, en dus meer post-eind-negentiende-eeuws poëtisch zijn te noemen. Doorheen de onderdelen loopt evenwel een verhalende, zij het zowel inhoudelijk fragmentarische als formeel bijzonder gevariëerde lijn, die van de lotgevallen en de zelfreflecties van Sjaka. Zijn dag(dromen) zijn in hun titels numeriek met elkaar in verband gebracht; dus van een lijn en samenhang en tijdsverloop en personages en tekstinbedding ergo van epiek is wel sprake.

De oksels van de bok (een "dichtwerk" dat eveneens tot stand kwam met subsidie) wordt zowel op het omslag als op de titelpagina in de ondertitel nadrukkelijk gepresenteerd als "een gedicht". Nochtans is deze tekst verdeeld in acht Romeins genummerde en ook getitelde onderdelen (hoofdstukken). Het is een ik-vertelling waarin naast de ik-hoofdfiguur ook de satyr Izem optreedt en de Zwijger, zijnde de echtgenoot van de ik; de een speelt direct en nogal actief mee, de ander indirect en passief (ingebed in de tekst van de ik-figuur).

Waar de vertelling van Schaffer een postmodern 'gestructureerde', caleidoscopische, a-historische vertelling is over de beroemde verzetsheld, koning, tiran Shaka Zoeloe, presenteert Estor een chronologische maar overigens tijdloos gehouden neo-mythische vertelling over een ik-figuur en een mense-/dier-/goddelijk wezen, dat, als je door de nogal dichterlijke beeldspraak heen leest, zo potent en viriel als een satyr is.

In Estors werk zit een soort metriek, die echter gelukkig geen dreun wordt, maar wel verraadt dat de dichter zich zeer bewust is van de taal, de versregels en de woordvormen (tot en met epenthese); Schaffer daarentegen presenteert - onaardig gezegd - gehakt proza, en aardiger: schijnbaar willekeurige, eclectische fragmenten en citaten uit tal van stijlregisters en tekstsoorten. Mens dier ding is verteltechnisch veel interessanter, en ook politiek, historisch, ideologisch. Schaffer kan door zijn vorm alle woorden gebruiken die hij maar tegenkomt - en dat doet hij ook - terwijl Estor selectiever moet zijn, denk ik, maar daarbij soms miskleuntjes plaatst, zoals - en dat is best erg - op de eerste pagina driemaal een regel met het niets zeggende, vage, onbeduidende, zweverige "iets". Eén citaat, omdat het ook weer niet heel erg storend bleek doordat de frequentie afnam, het geheel in ogenschouw nemend: "Hij leek iets te bezweren." "Wat dan???", gilt de lezer, "Leek-ie het alleen maar te doen, of deed-ie het echt???" Dat daar geen redacteur dood op is neergevallen, verbaast me. Bij Schaffer valt het niet op als hij dat soort talig maïzena zou gebruiken.

Estor laat zich heel goed hardop lezen. Je bespeurt er het verhaal in, maar het is mijns inziens moeilijk te preciseren (en als je het probeert, wordt het een beetje een banaal overspelverhaaltje). Schaffer zet inhoudelijk meer op het spel, maar ik vind zijn vorm niet mooi; maar om zo'n soort mooi is het hem, denk ik, niet te doen. Waar het boek om draait, en wat Schaffer veel beter lukt dan Hemmerechts in platte, niets zeggende boekje over de ex van Dutroux, is het creatief peilen en reconstrueren van de troebelen van een angstaanjagende historische figuur.

Dus: aan den slag, lieve lezer: lees en oordeel! Zelf! En dan niet, zoals Van den Branden, beginnen te zeuren over het papier of de letter; zijn ze niet mooi, dan heten wij dat jammer, maar we lezen er lekker langsheen op zoek naar de echte poëtische vorm en de inhoud.