donderdag 19 juni 2014

Maartje Wortel, IJstijd

Roman. Amsterdam: De Bezige Bij 2014. Digitale editie naar de eerste druk, 2014.
[Verklaring vooraf, geen excuus, alleen uitleg. De afgelopen weken was ik gelukkig weer eens docent van de BA-cursus 'Instituties: Literatuurkritiek' aan de UU, dit jaar voor het laatst. Na een paar weken theorie volgden drie weken praktijk: studenten moesten een recensie schrijven over drie romans; eerst over Schuim van Robert Anker, daarna over De vrouw die de honden eten gaf van Kristien Hemmerechts, en tot slot over IJstijd van Maartje Wortel. Al de recensies werden behalve door mij ook door de studenten zelf onderling besproken, becommentarieerd en becijferd.
Toen ik de laatste titel bekend maakte, opperden de studenten: 'Schrijft u dan ook maar eens een recensie, en doe die, eveneens geanonimiseerd, tussen die van ons.' Tekenend voor de goede sfeer in de groep. Maar ik dacht natuurlijk wel: '[...], ik was van plan hèn het werk te laten doen, [...]!'
Lang verhaal kort: ik schreef die recensie, jaste hem anoniem tussen die van de studenten voor de peer review, en wachtte af.
Vet. De een had na twee woorden door dat deze recensie van mij was, de ander niet en ging vol op het orgel en hakte het hele stuk aan spaanders: een vijfje kon er, met moeite, aan worden toegekend. Zeer leerzaam. De suggestie, die de studenten deden, om de recensie dan ook maar op m'n blog te zetten, volg ik bij deze op, niet zonder enkele kleine smetjes, waar ze me op wezen, verwijderd te hebben. De echte onvolkomenheden, ach, die zijn maar een kwestie van smaak.]
‘Ik kan verdomme helemaal geen boek schrijven’
Maartje Wortel, IJstijd; roman
De Bezige Bij, Amsterdam 2014
Digitale editie naar de eerste druk, 2014
Prijs: € 12,99
Gortdroog, niet gespeend van humor, en kraakhelder is de tweede roman van Maartje Wortel. Er gebeurt vrijwel niets in, zeker niets spectaculairs; wel krijgt de hedendaagse literaire wereld een veeg uit de pan.
De eerste zin van IJstijd luidt: ‘Ik verblijf in een hotel in Amsterdam-Oost als Monica in mijn leven komt.’ Op het moment van vertellen is Monica, redacteur van uitgeverij Gibraltar (‘Monica weet waarover ze praat als ze over de markt praat’), alweer verdwenen en heeft James Dillard, de ik-verteller, het boek dat zij hem vroeg te schrijven, niet geschreven. ‘Zo gaan die dingen.’
In de tweede zin wordt de huiskat van het hotel geïntroduceerd: Zieck III. Tsja, een kat kán Zieck III heten (of Muis, zoals in Christoph van Gerreweys Op de hoogte). Wortel gebruikt meer van dit vederlichte soort absurdisme, zoals het gegeven dat Dillard op zijn negentiende door zijn moeder het huis uit wordt geholpen en zelfstandig gaat wonen, maar dan wel in ‘het beste hotel van Nederland’; ze heeft geld in overvloed. Als Dillard naar een volgend onderkomen verhuist, ontvoert hij Zieck III in zijn koffer; het beest pist die vol, en weigert het valies te verlaten.
Ook dat Monica Dillard zonder enige heldere motivatie vraagt een boek te schrijven, lijkt absurd, totdat duidelijk wordt dat hierin kritiek verscholen ligt op de overdadige aandacht die de literaire wereld tegenwoordig niet voor het literaire, maar voor het persoonlijke heeft, voor het mediagenieke, commerciële, kortom voor ‘de markt’. Monica vraagt Dillard niet om een boek omdat hij een literair talent is en een oeuvre heeft (hij heeft nooit iets geschreven): ‘we zijn geïnteresseerd op basis van wat we van je weten. Het lijkt ons heel leuk om een boek over jou te lezen.’ Wat er zo interessant aan hem is, zegt ze nergens.
Pas in de derde zin komt Marie ter sprake, Dillards vriendin die hem ‘net heeft verlaten.’ Dillard is een man met een gat in zijn hart. Zijn relatie met Marie was innig, maar ze gingen ‘van winter naar winter, twee mini-ijstijden zonder dat de kou een doorbraak beleeft. Ik durf het bijna niet te zeggen, omdat het zo ongelooflijk soft klinkt, maar we houden elkaar warm, zij en ik.’ Hoogte- en eindpunt van hun liefde beleven ze op het door ijs omgeven Zweedse eiland Irmgard, dat Dillard op haar verzoek voor haar had gekocht.
Deel I van de roman heet ‘Hotel Arena/Winter’, deel II ‘Stayokay/Winter’. De naam van de tweede locatie is, voor de Hineininterpretierder, bedrieglijk, want Dillard dénkt slechts dat zijn toestand okay wordt als Monica hem benadert. Zonder haar een voorschot te vragen, ziet hij af van verdere ondersteuning door zijn moeder. Verbleef hij eerst in het Amstel Hotel en na Maries vertrek in wat hij steevast aanduidt als ‘Hotel Arena (****)’, als beginnend schrijver huist hij in een hostel.
Dat hij ‘een man met pijn’ is, zegt Dillard expliciet. Hij verhult het anderzijds door alles in de tegenwoordige tijd te vertellen, of het nu gaat over het heden of over een nabij of een verder gelegen verleden. Marie blijft zo actueel. Slechts in één overmoedige passage gebruikt hij de onvoltooid verleden tijd, in een persoonlijke e-mail aan Monica. Dit duidt erop dat Dillard er niet in slaagt het gat in zijn hart te dichten. De wond blijft open. Uiteindelijk is Dillard een illusie armer. Heel stoer schrijft hij: ‘Hier ben ik.’ Maar hij ondertekent de roman met: ‘James Dillard.
Dillard is geen onbekende voor de Wortel-lezer. Hij was al de kaderverteller in Wortels voorgaande roman, Half mens (2011). Hij is daar ongeveer tien jaar ouder, maar heeft ook dan stinkend rijke ouders, is praktisch gezien een nieuwe Oblomov, die weinig meer doet dan dure kazen en wijnen bestellen en verorberen. Verveling ligt op de loer voor de oeuvre-lezer. Gelukkig pareert Wortel die in IJstijd op prikkelende wijze, onder andere door de schrijver Chuck Palahniuk op te voeren (in de roman een zelfingenomen venter van tegeltjeswijsheden); door voorin het boek te noteren dat ‘Iedere gelijkenis of overeenkomst met bestaande personen berust op louter toeval. En anders maar niet’; en doordat de roman als opdracht heeft: ‘Voor Marie’.
Recent is Wortel opgenomen in De tien, het pantheon van de meest belovende schrijvers volgens Das Magazin. Wat mij betreft terecht. Ironisch genoeg laat Wortel de literair niet erg bekwame Monica in deze roman zeggen: ‘Er wordt momenteel veel interessant werk gemaakt door een paar jonge auteurs.’
Gelukkig maar; er verschijnen immers ook veel romans waarin ‘de roman’ geproblematiseerd en/of geïroniseerd wordt, waarin de illusieloze en nietsnuttende hoofdpersoon, tevens de kennelijk onvermijdelijke ik-verteller, schrijver wil zijn of is en dan liefst met een existentieel verankerd writer's block. Al deze Brusselmans-achtige flauwiteiten zijn aanwezig in IJstijd, maar Wortel pepert ze krachtig met een licht absurdisme, een eigenzinnige stijl en een grondeloos mooie, droeve liefdesgeschiedenis.

donderdag 29 mei 2014

Annemarie Estor, De oksels van de bok
Alfred Schaffer, Mens dier ding


Annemarie Estor, De oksels van de bok. Een gedicht. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2e dr. 2014 [2012], paperback, 60 blz.

Alfred Schaffer, Mens dier ding. Amsterdam: De Bezige Bij 2014, paperback, 141 blz.

Zeldzaam in de Nederlandse poëzie: de bundel bestaat uit één lang gedicht, dat alleen daarom al kansarm is om tot zijn recht te komen in bloemlezingen.
Dat schrijft Achille van den Branden op zijn blog over Estors De oksels van de bok.

Is niet echt waar, dat "zeldzaam", want plusminus gelijktijdig las ik Mens dier ding van Allard Schaffer. Ook dat is in wezen een lang gedicht, ook dat is een mythische vertelling, eveneens opgedeeld in (hoofd)stukken, waarvan er best een paar in bloemlezingen passen.

Maar: het zijn des niet tegenstaande zeer verschillende epische gedichten, een genre waarvan er in de Nederlandstalige literatuur van de afgelopen en de huidige eeuw heel veel te vinden zijn; zoals er ook heel veel fietsen met plingplongbellen te vinden zijn rond treinstations, zodra je erop begint te letten.

Veel epische gedichten uit de recente literatuur vind ik intrigerend omdat er wel een verhaal in lijkt te worden verteld, maar dan een verhaal dat niet duidelijk, opzichtig, evident is, wat inhoud noch wat structuur betreft. Charme bijvoorbeeld, van Beurskens. Komt misschien doordat ze ook poëzie zijn, en dichters voor wat ze willen zeggen gebruik maken van een andere structurering dan romanciers, eerder een talige en associatieve dan een narratieve. Of, wat ook veel voorkomt in dit genre (neen, er volgt nu noch later een kwantitatieve onderbouwing van deze boude bewering): epische annex verhalende gedichten waarin verteltechnische experimenten worden uitgevoerd (denk aan die zwalkende verteller(s) in Ankers Goede manieren). Maar er zijn ook gewonere versvertellingen, die formeel wat saaier zijn en die het vooral van de intrige of bijzondere gebeurtenissen moeten hebben (Boskma's De aardse komedie gaat die kant op, en Ottens epyllion De eend, maar dat is weer een heel ander verhaal).

Interessant in dit verband is dat voorin het boek van Schaffer te lezen staat dat "de auteur" (niet: de dichter) een werkbeurs kreeg voor het schrijven van "deze bundel". Door die paratekst wordt het werk teruggebracht tot een ander, inmiddels meer traditioneel dichterlijk genre. Ten onrechte: ook al is er een afwisseling van verhaalonderdelen en dag(dromen) die meer lyrisch, en dus meer post-eind-negentiende-eeuws poëtisch zijn te noemen. Doorheen de onderdelen loopt evenwel een verhalende, zij het zowel inhoudelijk fragmentarische als formeel bijzonder gevariëerde lijn, die van de lotgevallen en de zelfreflecties van Sjaka. Zijn dag(dromen) zijn in hun titels numeriek met elkaar in verband gebracht; dus van een lijn en samenhang en tijdsverloop en personages en tekstinbedding ergo van epiek is wel sprake.

De oksels van de bok (een "dichtwerk" dat eveneens tot stand kwam met subsidie) wordt zowel op het omslag als op de titelpagina in de ondertitel nadrukkelijk gepresenteerd als "een gedicht". Nochtans is deze tekst verdeeld in acht Romeins genummerde en ook getitelde onderdelen (hoofdstukken). Het is een ik-vertelling waarin naast de ik-hoofdfiguur ook de satyr Izem optreedt en de Zwijger, zijnde de echtgenoot van de ik; de een speelt direct en nogal actief mee, de ander indirect en passief (ingebed in de tekst van de ik-figuur).

Waar de vertelling van Schaffer een postmodern 'gestructureerde', caleidoscopische, a-historische vertelling is over de beroemde verzetsheld, koning, tiran Shaka Zoeloe, presenteert Estor een chronologische maar overigens tijdloos gehouden neo-mythische vertelling over een ik-figuur en een mense-/dier-/goddelijk wezen, dat, als je door de nogal dichterlijke beeldspraak heen leest, zo potent en viriel als een satyr is.

In Estors werk zit een soort metriek, die echter gelukkig geen dreun wordt, maar wel verraadt dat de dichter zich zeer bewust is van de taal, de versregels en de woordvormen (tot en met epenthese); Schaffer daarentegen presenteert - onaardig gezegd - gehakt proza, en aardiger: schijnbaar willekeurige, eclectische fragmenten en citaten uit tal van stijlregisters en tekstsoorten. Mens dier ding is verteltechnisch veel interessanter, en ook politiek, historisch, ideologisch. Schaffer kan door zijn vorm alle woorden gebruiken die hij maar tegenkomt - en dat doet hij ook - terwijl Estor selectiever moet zijn, denk ik, maar daarbij soms miskleuntjes plaatst, zoals - en dat is best erg - op de eerste pagina driemaal een regel met het niets zeggende, vage, onbeduidende, zweverige "iets". Eén citaat, omdat het ook weer niet heel erg storend bleek doordat de frequentie afnam, het geheel in ogenschouw nemend: "Hij leek iets te bezweren." "Wat dan???", gilt de lezer, "Leek-ie het alleen maar te doen, of deed-ie het echt???" Dat daar geen redacteur dood op is neergevallen, verbaast me. Bij Schaffer valt het niet op als hij dat soort talig maïzena zou gebruiken.

Estor laat zich heel goed hardop lezen. Je bespeurt er het verhaal in, maar het is mijns inziens moeilijk te preciseren (en als je het probeert, wordt het een beetje een banaal overspelverhaaltje). Schaffer zet inhoudelijk meer op het spel, maar ik vind zijn vorm niet mooi; maar om zo'n soort mooi is het hem, denk ik, niet te doen. Waar het boek om draait, en wat Schaffer veel beter lukt dan Hemmerechts in platte, niets zeggende boekje over de ex van Dutroux, is het creatief peilen en reconstrueren van de troebelen van een angstaanjagende historische figuur.

Dus: aan den slag, lieve lezer: lees en oordeel! Zelf! En dan niet, zoals Van den Branden, beginnen te zeuren over het papier of de letter; zijn ze niet mooi, dan heten wij dat jammer, maar we lezen er lekker langsheen op zoek naar de echte poëtische vorm en de inhoud.

zondag 18 mei 2014

J.J. Abrams and Doug Dorst, S.

Mulholland Books, 2013. 456 plus blz.

Een uitzonderlijk boek. Een uiterst materieel boek, waarvan ik me niet kan voorstellen dat er een goede digitale editie van is gemaakt; die schijnt er wel te zijn; ik betwijfel of dat zinnig is qua leeservaring.

Van de beide auteurs had ik, eerlijk eerst, nog nooit gehoord. Abrams is onder andere de regisseur van Star Trek uit 2009, een film uit het genre semi-science fiction, en/of suspense fiction waar ik, zeker wat betreft uitingen ervan op het gebied der letteren, uit vrije wil geen kennis belief te nemen; boeit niet. Ja, ja, dat stoelt op een grondig, evidence based vooroordeel. Abrams leverde het idee voor deze roman, dat werd uitgewerkt door Dorst, die schrijver schijnt te zijn.

Dat het boek in 2013 verscheen, staat alleen in de achterplattekst van het kartonnen foedraal, samen met de auteursnamen en die van de uitgever, die ik al evenmin ken. Ik begaf me dus op geheel onbekend terrein, maar toen een studente, die voor iets heel anders langskwam, me vertelde over het boek en het me toonde, dacht ik, nee: impulsde ik: h e b b e n.

Om het te kunnen lezen, dien je het papieren zegel van het omslag te verbreken. Je kan dus niet 'gewoon' beginnen met lezen, je moet dat als een welbewuste handeling verrichten. Zodra je dat wilt doen, zie je dat er een verkeerd boek in het foedraal zit, namelijk Ship of Theseus van V.M. Straka, een uitgave van Winged Shoes Press. En er zit een bibliotheekcatalogussticker op de rug geplakt: '813.54 | STR | 1949'. Het omslag van dat boek in het foedraal heeft inderdaad veel kenmerken van wat ik denk dat een boek uit de late jaren veertig is, afgaand op het linnen en de typografie en de illustratie voorop.

Sla je het open, een gebonden pil van meer dan 450 bladzijden, die er nog dikker uitziet, dan zie je op het schutblad een rood gestempelde tekst: 'BOOK FOR LOAN'. Dat dacht ik dus niet, na er dik 39,95 euri voor neer te hebben geteld aan de balie van Waterstone's in Amsterdam.

Op het schutblad achter in het boek is een uitleenformulier aangebracht, met datumstempels vanaf 'OCT 6-1957' tot en met 'OCT 14 2000'. Achter in het boek ligt ook een tweedelige windroosachtige set roteerschijven. Verder staat achterin de oproep aan de leners gestempeld om de bibliothecaris op de hoogte te stellen als er aantekeningen in het boek gemaakt zijn. Voorin, op de titelpagina staat een stempel dat aangeeft dat het boek eigendom is van de Laguna Verde H.[igh] S[chool]. Mooi van niet; dit is van mij!

Vergeefse moeite van die bibliothecaris: van vrijwel alle bladzijden zijn de ruime marges minder of meer volgeschreven met kant- en aan- en andere tekeningen in allerlei kleuren inkt, en ook een serie in potlood; het is zelfs voor een amateurfiloloog niet moeilijk om er  zoals de paleografen zeggen  twee 'handen' in te onderscheiden en verschillende tijdslagen. Niet alleen de marges zijn bezwadderd, ook in de gedrukte tekst van de roman zijn aantekeningen en markeringen en onderstrepingen aangebracht (gruwels die mij er doorgaans van weerhouden romans uit de UBU te lenen en lezen). En tot slot  en daarom kan ik me niets voorstellen bij een digitale uitgave  is het boek doorregen van fotokopieën, krantenknipsel, brieven, ansichtkaarten, foto's, bladen uit een collegenotitiebloc, zelfs een papieren servetje met de schets van een plattegrond, en wat al niet. De marges waren duidelijk te klein voor de zich documenterende, glossen aanbrengende lezers die dit boek bezoedelden; vochtvlekken zitten er ook in.

Het gaat hier om de 19-de en laatste roman van V.M. Straka, als gezegd uitgegeven in 1949 door Winged Shoes Press, niet Straka's reguliere uitgever, maar een gelegenheidsuitgeverij, opgezet door de vertaler van deze roman, F.X. Caldeira, die ook een voorwoord heeft geschreven en in de roman tal van annoterende, commentariërende, interpreterende en biografische, contextualiserende en tekstgenetische voetnoten heeft aangebracht. Wie Straka is, weet niemand. Ook voor Caldeira is zijn identiteit een probleem. Roemrucht en revolutionair schijnt hij wel te zijn. En niet minder geheimvol is hij voor de twee academici die de marges van het boek volschreven, een promovendus, Eric, en een studente, Jenny. In meerdere leesrondes maakten zij hun notities, onderwijl het boek steeds terugleggend in de bibliotheek, waar de ander het dan weer leende, verder las, er aantekeningen in maakte en teruglegde.

De identiteit van de hoofdfiguur van de roman is al niet minder problematisch. Deze S. is het zicht op zijn eigen zijn, inclusief zijn geheugen, geheel kwijt; zijn geliefde is ook spoorloos; en dat alles wil hij gaarne terugvinden, maar hij raakt verwikkeld in een bizar verhaal vol kidnapping, kapitalistische uitbuiting, wapenhandel, geweld, revolutie en verdwijningen. Daarmee neemt dat verhaal genretrekjes aan die mij eigenlijk niet zo erg aantrekken in literatuur; ik heb mijn portie James Bond en fantasy wel gehad, maar dan vooral in de bios. Hoewel de griezelige bemanning van het schip waarop S. geshanghai'd wordt, wel 'geinig' is, met hun met naald en draad dichtgenaaide monden; ook S. valt dit onderwerpingsritueel ten deel; puike vermomming.

Dat de ontrafeling van de fabel van de eigenlijke, gefoudraleerde roman over S. (me) niet boeit, lijkt me geen probleem: zijn zoektocht naar identiteit, verleden en geliefde, kortom naar de structuur en betekenis van zijn leven, is als motief erg werkzaam doordat eenzelfde zoektocht centraal staat in het vertaal- en annoteerwerk van Caldeira, en nog meer in het lees- en speur- en marginaal annoteerwerk van de twee academische lezers, wier beider toekomst overigens ook nog eens in raadselen en vooral vijandige nevelen gehuld is.

In die meerlagige interferentie schuilt (wat mij betreft) de lol van het lezen van dit boek. Terwijl je met een nadrukkelijk materieel boek in handen zit  als je niet oppast, zoals mij meerdere keren gebeurde, duvelen er een paar van die realia uit, die je dan toch liefst op de oorspronkelijke plek wilt terugsteken, waarvoor je dan een website kunt raadplegen  terwijl je dus met een uiterst materieel boek in handen zit,  waarvan het tegelijkertijd evident is dat het een facsimile is, maar dan wel een facsimile van een boek waarvan het origineel nooit bestaan heeft  terwijl je dat dus leest, ben je, daartoe door het verhaal gedwongen, nadrukkelijk bezig met betekenisgeving van minstens drie lagen fictionaliteit, waarvan er twee zelf al object van duiding zijn in de roman. Daar komt nog bij dat Eric en Jenny overal aanwijzingen voor geheime betekenissystemen zien en daarnaast sterk met oogkleppen lezen, want ze zien in de roman vaak parallellen met hun eigen situatie, hun precaire academische status en hun zich gaande weg ontwikkelende gevoelens voor elkaar.

In de roman en in de marginalia, ik bedoel dus in SOT en in S., spelen overal opduikende vogels en vogelnamen en andere ornithologia een rol van (mogelijke) betekenis, net als de letter S, als ook het getal 19. In een wereld vol verhalen, achterdocht, samenzwering en onbegrip kan alles een betekenis (blijken te) krijgen.

Inderdaad, deze roman heeft generische overeenkomsten met onder andere Pale Fire van Nabokov, met Ansichten uit Amerika van Brakman, met House of Leaves van Danielewski, met De avonturen van Henri II Fix van Jongstra. Leugen en bedrog, schijn en werkelijkheid, feit en fictie; je interpreteert je wezenloos, en tegelijk ervaar je dat je ermee bezig bent, samen met de personages. En met andere lezers, want er is een discussiewebsite gewijd aan de geheimzinnigheden van dit boek; al ben ik na een paar bezoekjes gaan twijfelen aan de echtheid van dat forum; het kon zomaar een extensie van de roman zijn, de roman waarin trouwens uiterst zelden aan het internet wordt gerefereerd door de marginalisten.

Fantastisch mooi vind ik Jenny's aantekening op de laatste bladzij van het boek, de bladzij ná de pagina waar 'END' staat. Daar schrijft ze: 'Hey, put the book down. / Come in here + stay.' Ja, ja: ' in here' is voor de lezer juist weer in 'the book'. Mooie loop. Bevreemdend is dan weer dat zij noch Eric enige aandacht besteedt aan het gegeven dat alleen in hoofdstuk 8 er iets mis is met het zetsel van de voetnoten: er staan op allerlei plekken letters niet goed op de regel. Zit daar dan niet een boodschap in? Een uitdaging, lijkt me, voor iedere hermeneut. Ik werd heel vrolijk van dit boek. En het verontrustte me ook, trouwens.

P.S.

Dat gedoe in die voetnoten is al opgelost (?):

zaterdag 3 mei 2014

Fleur van Greuningen, 'Parijse mannen'

In: De Internet Gids, vanaf 3 mei 2014.

Deze blogpost behoort - naar mijn mening - niet tot 'de verzameling teksten waarin, zonder opgelegd eindoordeel, subjectief, publiekelijk en op schrift - of anderszins geboekstaafd en raadpleegbaar - recent verschenen publicaties becommentarieerd zijn die in aanmerking komen voor het predikaat "literair".' Zo althans definieert Jos Joosten in zijn oratie Niet wat de criticus moet, maar wat hij[/zij] doet (Nijmegen 2007: 12-13) 'literaire kritiek', een tekstsoort die ik liever 'literatuurkritiek' noem. En ik vind dus niet dat deze schrijfsels hier de naam literatuurkritiek mogen dragen. Het zijn hooguit leesverslagen. Ik denk hier nu aan, doordat ik, dit jaar samen met collega Jeroen Dera (ook uit Nijmegen), weer een collegereeks geef over literatuurkritiek. En men moet praktiseren wat men preekt, nietwaar?!

En als ik nog eens goed naar die definitie kijk en me realiseer wat en hoe ik hier schrijf, dan zijn mijn blogpostjes op Klasse! misschien toch wel zowel subjectief als publiekelijk toegankelijk en raadpleegbaar en gaan ze doorgaans inderdaad over publicaties die in mijn optiek althans in aanmerking komen voor het predicaat 'literair'; en ik ben mij bij het schrijven niet bewust van een opgelegd eindoordeel over die voor dat predicaat in aanmerking komende publicaties.

Welnu, als het literatuurkritiek zou zijn, wat ik hier bedrijf, dan zou ik me aan de geschreven en ongeschreven regelen en richtlijnen van dat genre en dat métier moeten houden, geplogenheden die zo nu en dan onder woorden worden gebracht door al wie ideeën daaromtrent heeft, zoals de door Joosten enigszins verguisde (bijzondere) hoogleraren literatuurkritiek en literatuurwetenschap (onder andere) die zich meer of minder schoorvoetend op dat terrein begaven vóór hij het - voorzien van kersverse, stevige wetenschappelijke stappers, een baret en een toga - deed in dat reeds genoemde jaar van zijn oratie.

Ik zou, om korter te gaan, mij dus niet moeten uitlaten over werk van mensen die ik ken langs andere dan alleen die strak afgebakende paden der literaire werken, om de mogelijke schijn van belangenverstrengeling en/of vooringenomenheid dan wel partijdigheid te vermijden.

Welaan, omdat ik vind dat ik hier geen literatuurkritiek in strikte zin bedrijf, hoef ik mij niet aan die mores te houden, en kan ik hier vrijelijk werk aanprijzen dat gemaakt is door een alumna van de BA-opleiding Nederlandse taal en cultuur van de Universiteit Utrecht, meer in het bijzonder van een oud-studente die bij mij onder andere het college Literatuurkritiek heeft gevolgd, en die ik begeleid heb bij het schrijven van haar eindwerkstuk voor die opleiding, in de hoofdrichting Moderne Nederlandse Letterkunde. Bedoelde oud-studente is inmiddels bijna afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld-Academie te Amsterdam.

Nog korter: lees 'Parijse mannen', het wekelijks feuilleton dat Fleur van Greuningen vanaf vandaag schrijft op De Internet Gids, en oordeel zelf (maar niet voordat het feuilleton voltooid is, natuurlijk, want zelfs als niet-literatuurkritiserend lezer moet je wel netjes volgens de regels werken, vind ik).

woensdag 2 april 2014

Hanneke Hendrix, @AMHHendrix

Ondertussen ontplooit zich op Twitter een heel glanzende reeks UKV's, ultrakorte verhaaltjes, notities meer, van Hanneke Hendrix. Zoals deze:

'Naast me in de trein zit iemand te rochelen alsof hij een klein knaagdier heeft ingeademd en vanochtend viel op de badkamer 'n sok in de wc.'

Uitermate curerend, andermens' ochtendweerbarstigheden.

vrijdag 28 maart 2014

Robert Anker, Schuim

Roman. Amsterdam-Antwerpen: Querido, 2014. 302 bladzijden.

Maar vergis je niet. Ankers vorige roman, Oorlogshond (2011), telt 334 pagina's, maar is uit een kleinere letter gezet, maar Schuim is van een groter formaat. Oorlogshond meet van buiten, net als de eerdere romans (bij benadering, ik heb ze niet allemaal langs de liniaal gehouden), 135 x 215 mm, Schuim meet 155 x 235 mm. De zetspiegel van Oorlogshond meet 99 x 173 mm, die van Schuim 110 x 182 mm, met 37 respectievelijk 35 regels per bladzijde.

Allemaal onzin. Ik schrijf dit alleen maar op omdat ik niet weet wat ik over Schuim moet zeggen, doordat ik de roman net uit heb en heel erg fraai vind. Nou vooruit. Schuim, geen asch, dit boek. Zo vitalistisch als Marsman op zijn beste momenten. Pure levensdrift en levensnood ook, in een klaterende liefdesroman, met drie à vier dragende personages: een onaangename havenbaron, zijn dochter die wereldberoemd violiste is, en de geliefde van de dochter, een dominee die niet (meer) gelooft dat God bestaat en schaakvriend van de vader is. Inderdaad: de zakenman, de kunstenaar en de intellectueel/filosoof. En gaandeweg wordt duidelijk dat de bedrogen echtgenote van de dominee ook zeer belangrijk is in deze verbeelding van de onkenbare veelvormigheid van de liefde.

Een liefdesroman. Achterop het boek staat onder meer: 'Het drama dat zich ontwikkelt sleept de lezer in een even heftige als ontroerende ontwikkelingen mee naar een slot dat in zijn onverwachte sereniteit zijn weerga niet kent.' Alle kans op drakerigheid. En niet ten onrechte wordt de roman in de lovende kritieken die ik las, een melodrama genoemd. Heftig, zou je er ook over kunnen zeggen. Liefde, roem, existentiële twijfel, seks, kapitalisme, overspel, rijkdom, dwarslaesie, zelfmoord, zinledigheid, muziek en veel denkwerk over het leven en de liefde en idem zo veel gesprekken.

Ik vond het een feest, het lezen van deze roman waarin Anker vol op het orgel gaat in alles waar hij als romancier goed in is: enthousiasmerende, bezielende beschrijvingen van muziek, van mensen (onder andere een eclatante, schier onberedeneerde, razende en tierende godverende woedeuitval van de violiste), van hun denkbereik, van gesprekken, van elementen uit de hedendaagse werkelijkheid ingepast in een fictionele wereld, enorme variaties in verteltempo, sprongen in de tijd, schakelingen van monologues intérieurs naar die bekende bemoeizuchtige, commentariërende vertellersstem (al is die laatste in deze roman danig beteugeld), soms opeens uit- en doorschietend in een bladzijdenlange zin. En bij al die branie toch diepe aandacht/Andacht.

Een daverende verbeelding van een uit ander werk van Anker wel al gekend, voortdurend denkwerk over hoe in het leven te staan, denkwerk dat niet in een eenduidig antwoord uitmondt maar steeds in beweging is, over 'er zijn', aanwezigheid en over wat liefde is of kan zijn. Kunst, schreef Anker op 15 februari 2014 in de NRC, is de ervaring van een dringende aanwezigheid van het vreemde. Dat heeft hij opnieuw bereikt met deze roman.

Een mooi interview met Robert Anker over Schuim, door Lex Bohlmeijer voor De correspondent.

donderdag 13 maart 2014

Tommy Wieringa, Een mooie jonge vrouw [1] en [2]

CPNB, 2014. Geplakt boek met harde kaft. 94 bladzijden.

[1] Het is lang geleden, dacht ik, maar niet geheel terecht, bij nader inzien, dat ik met plezier een boekenweekgeschenk las. Tot vandaag. Vandaag realiseerde ik me dat ik in 2012 van Heldere hemel genoot, in 2004 van Spitzen, in 2000 van Het theater, de brief en de waarheid; zo is er om de vier à acht jaar wat leesbaars in boekenweekgeschenkland. En nu is het, na nog maar twee jaar, al weer raak: nog maar een uur geleden las ik met plezier het boekenweekgeschenk van dit jaar. Ik kreeg het geschenk cadeau, van iemand die wèl een boek van minimaal € 12,50 had gekocht. Dat is aardig. (Vraagje: zou je, als je een e-boek koopt van zo duur, ook een e-boekenweekgeschenk krijgen?

[2] Antwoordje: ja, dat is zo, blijkens een berichtje van eBook.nl dat ik vandaag - 13-03-2014 - ontving).

[1] Scheelt het dat ik een positief vooroordeel heb met betrekking tot de kwaliteit van het werk van Wieringa? Vast wel. Maar het is maar een beperkt vooroordeel. De reis- en de andere verhalen las ik niet (of: daarvan ben ik vergeten dat ik ze las, wat erger zou zijn). En het 'essay' genoemde werkje De dynamica van begeerte herinner ik me als volkomen oninteressant, hoewel 'herinnering' hier een wat groot woord is. Maar ik denk toch dat ik het eens ga herlezen, want wat die Wieringa in dit boekenweekgeschenk over begeerte te berde brengt... ik weet het niet, of ik dat wel allemaal zo boeiend en correct vind.

Echter: al het andere proza van Wieringa - waarvan mijn lectuur begon met, jawel, Joe Speedboot en toen terugsprong naar Alles over Tristan (dat ik minder vaak, maar toch ook veel herlas)

[2](Wieringa's debuut, dat in het voorwerk van dit geschenk niet is opgenomen in de lijst van zijn werken, las ik nog niet)

[1] en die daarna met het verschijnen meeging - lees ik zoals een renpaard na een wedstrijd krachtvoer slobbert (ervan uitgaande dat renpaarden dat dan doen). Ook dit boekenweekgeschenk weer, waarvoor ik de lectuur van ander werk contre coeur onderbrak. Toch vind ik het boekenweekgeschenk niet héél erg goed, om de eenvoudige reden dat er wat storende 'dingen' in zitten. (Hoe formuleer je zo iets aldagelijks beter?)

[2] Inmiddels, wat wil zeggen: na herlezing van het boek, en na lezing van de recensie door Daan Stoffelsen op Recensieweb en die van Jeroen Vullings in VN, weet ik beter: het is wel degelijk een goed boek, en ik herlas het bovendien omdat het, hoewel ik na de eerste lezing misschien niet helemaal tevreden was, toch in mijn kop bleef rondgaan.

[1] De titel vind ik, om het zacht te zeggen: dom. Platte pilsreclametaal. Misschien ingefluisterd door de CPNB. ('Hé, het moet wel veel mensen aanspreken, hè, Wieringa!' 'Ja, dat kan wel wezen, maar ik wil een kèrs voorop, en iets met kersenbloesem op de schutbladen; geen mokkel op het voorplat!') Ik las in een bespreking in een krant, meen ik, dat die mooie jonge vrouw als personage niet zo best uit de verf komt. Ik kreeg, inderdaad, nauwelijks een idee wat er nou zo mooi aan die Ruth zou zijn. Ja, die kont op die bergfiets op de eerste pagina. Tweemaal nog wel. Vond ik een beetje al te simplistisch. Dat ze, Ruth dus, later wordt geassocieerd met onredelijke 'logica' onder invloed van na-weeën, dan wel moederlijke zintuiglijkheid, vind ik ook niet erg origineel. Weer zo'n hysterisch mens. Dat weten we nu wel. Re-productie van een stereotype.

[2] Ja, maar, op het gevaar af van Hinein- of Überinterpretierung, wil ik er nu toch wel bij opperen dat die titel en dat gedoe over die kont wellicht afkomstig zijn uit / representant zijn van de optiek van de niet geheel sympathieke hoofdfiguur, Edward Landauer. Zijn probleem, en het grondmotief van de tekst is een absentie van, of minstens een deficit aan empathisch vermogen.

[1] Dat er op pagina 91 staat: 'hij kon zich niet heugen wanneer hij voor het laatst op een fiets gezeten had' doet mij het glazuur van het taalgevoelig Jérôme Heldring-gebit springen. Gelukkig blijft het hiertoe wel beperkt

[2], meen ik, wat foutjes betreft, bedoel ik (de 'typefout' op pagina 80 die Jisca Cohen signaleert in haar interwiew met Wieringa in Nu.nl is zo petiterig, die zag ik pas na twee keer lezen en vier keer gericht zoeken).

[1] Dat er wel erg veel metaforen en vergelijkingen-met-'als' in het boek staan, zou me ook zijn opgevallen als Marc van Oostendorp er in Neder-L niet over zou zijn begonnen. Ik merkte op een gegeven moment dat ik er tijdens het lezen op ging wachten: wanneer komen de volgende twee vergelijkingen op deze pagina? En ze kwamen vlak erna. Beetje veel, dus.

[2] Bij de tweede lezing ben ik gaan letten op de vergelijkingen. En: het viel reuze mee. Er staan er genoeg fraaie in, maar toch echt niet te veel. Pas vanaf pagina 58 ben ik ze gaan tellen, en ik kwam niet veel verder dan een stuk of negentien in die laatste 34 bladzijden, en dat zijn lang niet allemaal snoeiharde metaforische spierballen van de verteller, maar ook veel voorzichtige pogingen tot vergelijkende omschrijving door of namens de personages.

[1] Laatste kritiekpuntje is dat die Edward al ruim voor zijn vijftigste verjaardag wordt neergezet als een door het leven murwgeslagen, fysiek uitzakkende, aan kraakbeenuitdroging lijdende ouwe zak. Nog geen vijftig is hij en kan de blik in de spiegel al niet meer verduren. Wieringa (1967) is nog geen vijftig en is, zoals te zien op het achterplat, nog lang niet onderhevig aan de door hem aan Edward toegedichte slijtage... dus waar haalt die die masculine mysogerontie-preacox vandaan?

Dat het gebeuren goeddeels in Utrecht is gesitueerd, vind ik leuk, draagt bij aan mijn (particuliere) leesplezier, maar ik tel het niet mee als positieve kwaliteit van het boek. Althans, niet hardop, misschien stiekem wel.

Dat de hoofdfiguur van de roman - want dat is het wel zo'n beetje, een roman, meer dan een novelle - door de (voor 98 % achter de schermen opererende) verteller zorgvuldig, behoedzaam en vakkundig naar de gallemiezen wordt geleid, ja, dat vind ik uitermate bekoorlijk (dat het een personage betreft van mijn leeftijd, ach, tsja, daar zet ik me dan wel overheen, omdat die ondergang zo grandioos gepresenteerd wordt; als het dan toch moet, dan maar zo).

Dat het boek leest als een tierelier kan ik niet anders dan als een pretje beoordelen (wetende dat ik niet alleen maar dit soort werk wens te lezen, en dat er gelukkig allerlei uiteenlopende werken op de wereld zijn, en dat van die soorten dit de vertegenwoordiger van één ervan is) (ik zal hier niet uitweiden over dat multi-meerlagige puzzle-boek S., dat ik eigenlijk aan het lezen ben).

Dat Wieringa zich behoorlijk uitslooft op z'n beeldspraak is ook al een pre, zeker in aanmerking genomen dat daar pracht-exemplaren uit spruiten als deze:

Morris [de kersverse boreling van held en heldin] werd schoongemaakt en gewogen, en toen ze uren later naar huis gingen met het kind in de drager, voelden ze zich bang en onoverwinnelijk als een tienerstel in een gestolen auto.

Dat Morris (ook) een automerk was, doet er even niet toe. En dat vis op de markt eerst wordt gewogen en dàn pas schoongemaakt, ook niet; daardoor weten we dat die Morris hier een mensje is. Maar die vergelijking, om dat gevoel van bangigheid mèt onoverwinnelijkheid weer te geven, 'als een tienerstel in een gestolen auto', is wat mij betreft als een knalhard doel treffende omhaal van buiten het strafschopgebied. Terwijl ik er ook bij denk: wie van de lezers van dit geschenk zal de ervaring kennen van het met je maatje rondscheuren in een gestolen auto? En dat wij lezers het toch over de betekenis ervan eens denken te kunnen zijn... Althans: dat hoop ik.

Herleesbaar, dit boekenweekgeschenk. [Q.E.D.] Dat is handig, voor als het weer acht jaar duurt voor het volgende lezens waardige geschenk geschonken wordt. Pro sit.

P.S. Zie ook De Reactor.org (http://www.dereactor.org/home/reacties/wieringas_waarheden/)