vrijdag 27 augustus 2010

Micha Hamel, Nu je het vraagt

gedichten. Uitgeverij Augustus, Amsterdam-Antwerpen 2010. Paperback met flappen, 72 ruim bemeten pagina's, uiterst sober maar effectief vormgegeven door Steven van der Gaauw.

Deze bundel was mijn kennismaking met het werk van Micha Hamel. Zelden zo'n mooi cadeau gekregen. Vandaag heb ik het boek voor de tweede maal gelezen; in twee zittingen. Een fors aantal weken geleden, voor de vakantie, had ik 't voor de eerste maal gelezen, in één zitting, nadat ik er al een paar keer eventjes aan dacht te kunnen beginnen; maar toen had ik ook wel doorgekregen dat 'af en toe even wat lezen' niet de goede manier was. Want dit is bepaald geen gewone poëziebundel. Dit is misschien zelfs niet eens een dichtbundel, ondanks de ondertitel. Wel is het een geheel, dat je in zijn geheel tot je moet nemen. Daardoor, en door de diversiteit van de gedichten/teksten is dit boek een aanslag op je concentratievermogen; volgens mij moet je proberen dit boek in één keer te lezen. Dan gaan die uiteenlopende gedichten lekker relaties met elkaar aan: ze botsen met, weerspiegelen en versterken elkaar. Wegleggen is geen optie. Zoals je ook een goede film niet moet onderbreken.

Er staan zesendertig teksen in verzameld, niet onderverdeeld in afdelingen. Ze zijn zeer divers, vooral van vorm. De ene bestaat bijvoorbeeld uit elf regels van één tot maximaal twee woorden, een andere beslaat bijna vier gehele, van linkerkantlijn tot rechtermarge, van onder tot boven volledig volgeschreven bladzijden zonder enige vorm van poëtische regelafbreking, strofebouw of wat ook. De bladspiegel van ieder gedicht is anders, ieder gedicht ziet er heel anders uit. Daardoor lijkt dit eerder grafische kunst dan dichtkunst soms, terwijl er nauwelijks met typografie wordt gegoocheld.

Gelèns' zet af en zweef wist me al op bijzonder aangename wijze los te weken van de traditionele poëzie - waar ik eigenlijk dol op ben - zonder pretentieus, hoogdravend, gewild moeilijk te doen. Dat doet dit werk van Hamel ook; en eveneens met een hoog gehalte aan muzikaliteit (wat nog wel even wat anders is dan metrum en rijm) door al die variaties, herhalingen en afwisselingen; bijvoorbeeld in een tekst als 'Recitatief en aria' waarin twee stemmen, romein en cursief elkaar afwisselen maar tegelijk ook onderbreken. Hamels bundel is een geheel. En het is een soort interactieve performance; door het werk te lezen, voltrek je het werk pas; je voert het als lezer uit. Zijn klassieke gedichten semantische bommetjes, deze gedichten zijn eerder scripts, lijkt het wel; ze moeten eerst uitgevoerd worden. Dan zijn ze er pas helemaal.

Nou, dat valt niet mee, zeggen wat hier zo intrigerend mooi aan is. Laat ik dan, als noodgreep, maar het laatste (evenmin als enig ander representatieve) gedicht citeren:

ZEGGEN

Vergeet je het niet?
Vergeet je het niet te zeggen?
Je moet er TIJDIG aan denken
Er echt aan denken

Vergeet je 't niet tegen de juf
/ je vrouw / Marcel / je
vader / je zoon / de werkster te zeggen?

Vergeet je het niet? Echt doen hoor,
écht niet vergeten, hoor! Denk je d'r aan?
Als je het vergeet, jongen, dan - dat zou ik

Zo zonde, zó zónde, als je het vergeet.
Je moet gewoo... beloof je dat je 't niet



- Je bent het vergeten, hè?

zondag 15 augustus 2010

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb

Vertaling Manik Sarkar. De bezige bij, Amsterdam 2010. Hardcover met stofomslag, 175 bladzijden (oorspronkelijk: Quelques-uns des cent regrets. Paris 1999).

Mooi boek. Ik had het, net terug van vakantie, in het Frans gelezen, en wilde even zien of dat een beetje goed was gegaan. Dat viel gelukkig wel mee, al komen er via de vertaling toch wel de nodige accenten bij. Maar niet in de titel, die volgens mij behoorlijk ongelukkig is omgezet, zoals ik elders opmerkte. Ook de opdracht is in de vertaling niet daverend. 'Pour celles et ceux que l'on blesse', is geworden: 'Voor iedereen die we pijn doen'; daar staat het Nederlands machteloos zonder onderscheid tussen hemmen en haren, en persoonlijk vind ik in deze context dat 'pijn doen' wat al te kras, te fysiek; ik zie dat 'blesser' hier meer als 'krenken'. Verder heb ik niet op de vertaling gelet, ik wilde het boek, het verhaal herlezen.

Het is een eenvoudig verhaal. En man keert terug naar zijn geboortedorp om er zijn moeder te begraven, die hij de zestien jaren daarvoor niet heeft gezien of gesproken, omdat hij haar op zijn zestiende verlaten heeft, omdat zij, die op haar zestiende zijn moeder werd, hem heel zijn zestienjarig leven lang belazerd en uiteindelijk diep gekrenkt heeft, zij het met oprecht de allerbeste bedoelingen. In die drie dagen schieten er allerlei brokken verleden door zijn hoofd en spreekt hij, rondom de begrafenis, natuurlijk ook met de nodige mensen. Als hij aankomt is het dorp grotendeels ten prooi aan een overstroming; dat geeft een mooi desolaat tintje aan het decor; maar als hij weggaat, is al dat water weg opeens, en dat is een beetje al te dik erop gelegd, maar voor de rest is het, als gezegd, een mooi boek.

Het heeft in de verte wel iets te maken met Bart Vercauterens Het graf van de voddenraper, in zoverre dat het ook een klein boek is, een ingetogen vertelling, en dat het een periode van enkele dagen bestrijkt waarin, in het zoeklicht van de dood, op een heel leven, althans op de crux van een heel leven, wordt teruggekeken. Maar terwijl Vercauterens René zijn eigen leven en de grote fout die hij erin gemaakt heeft, uiteindelijk tot op het bot doorgrondt, ziet de naamloze ik-verteller van Claudel er op het allerlaatst van af om de confrontatie met het antwoord op zijn grote vraag aan te gaan, de brief van zijn moeder te lezen. Die vraag is: Wie was mijn vader?

Een ander verschil met Vercauteren is nog dat Claudel zeer bloem-, beter: vergelijkingenrijk vertelt, en ook veel realia beschrijft (dat maakte het Frans wat lastig te begrijpen soms, geloof ik).

Wat de hoofdfiguur niet te weten komt, dat antwoord op de grote vraag, kan je als lezer al ver voor het einde afgeleid hebben uit allerlei kleine gegevens die tussen alle anekdotes door verschijnen. Maar eigenlijk gaat de roman niet om het beantwoorden van die vraag, maar over hoe een leven, of zelfs aan meerdere levens, naar de gallemiezen gaat wanneer er een fundamentele weeffout in zit. Alle goede bedoelingen, alle liefde, alle welwillendheid lijken dan gedoemd tot niets, of zelfs tot het tegendeel te leiden.

Het aardige van deze roman is ondermeer dat de hoofdpersoon in die drie dagen in contact komt met bizarre dorpelingen, zoals de hotelier die al jaren failliet is, de pastoor die er helemaal niet meer van houdt om hemelse troost te bieden, de jongen zonder gezicht, en, in een ingebed verhaal, de gekke oom van de hotelier, die in populieren klom om de maan te pakken, maar die ook een legende kende die deze roman zijn (Franse) titel geeft. En ook de oude Franche, die in hetzelfde huis woonde als de ik-verteller, is bizar.
De oude Franche was hier horizontaal vertokken, geveld door een bloedvergiftiging. Toen hij zich dwars door zijn broek heen in zijn dij had gesneden met een scherf van een fles, had hij een heel eigen medisch recept op zichzelf willen uitproberen door de wond te ontsmetten met een tube bandensolutie van het merk Sékal ('Sékal repareert radicaal!').
De vreemdheid van die figuren geeft een lichte toets aan de ellende waar ze in wezen allemaal over vertellen.

zaterdag 31 juli 2010

Les vacances

Ik ga op vakantie en ik neem mee... Dat was weer het probleem. Doorgaans loop ik op vakantie te koekeloeren naar allerlei (markten, mensen, bergen, vogels, slakken, bloemen, koeien, kathedralen) of ik eet, of ik slaap. Zo boeiend is het wel ongeveer. Musils Man zonder eigenschappen en Seths A suitable boy had ik in voorgaande jaren al verre van uit kunnen lezen daardoor. Die waren genomineerd voor een tweede poging. Maar ja: Musil in Frankrijk, al is het in vertaling? Seths roman viel wegens Engelstaligheid af: in het buitenland lees ik Nederlands (al dan niet vertaald) of de taal van het gastland. Kortom het roer ging om. Frans spul.

Gustave Flaubert, Madame Bovary; Provinciaalse zeden en gewoonten. Vertaling Hans van Pinxteren. 3e dr. Veen, Utrecht-Antwerpen 1988; 1e dr. vertaling 1988, oorspronkelijke uitgave 1857; 430 blz. incl. nawoord en annotaties.

Een roemrucht boek dat het, geloof ik, vooral van die roemruchtheid nog moet hebben. Het is, met andere woorden, heel erg een boek uit de historische literatuur aan het worden, literatuur die je niet zonder context moet willen lezen. Niet gek, na ruim anderhalve eeuw.

Ooit, in een minder ver, maar wel hoogmoediger verleden, heb ik geprobeerd de roman in zijn oorspronkelijke taal te lezen (ook omdat ik Franse uitgaven zo aantrekkelijk vind), maar dat was wegens de hoge graad van descriptief realisme te hoog gegrepen; bovendien haalt dat geblader in een vakantiewoordenboek je steeds uit de lijn, de vaart van het verhaal (if any). Ik moet de onderhavige vertaling al eens eerder geconsumeerd hebben, maar daarvan staat me niets meer bij. Bij de bagage dus.

Zonder de literair-historische context voortdurend in beeld te hebben, is het boek best te lezen als een vakantieromannetje. Het verhaal - met wat voorgeschiedenis, enkele verwikkelingen en een nabeschouwing - heeft niet echt heel veel (meer) om het lijf; die Emma is een sneu figuur, Charles komt als personage bepaald niet goed uit de schrijversverf, ook de overige personages zijn van bordkarton, vooral het dochtertje van Emma en Charles is romantechnisch een ondergeschoven kindje, en de beschrijving van de zelfmoord van Emma is onthutsend knullig (ik heb de passage nog eens gelezen toen ik de roman uit had, omdat ik bang was dat ik iets over het hoofd had gezien). En overal komt die zogenaamd afwezige betweterige verteller met zijn commentaren om de hoek kijken zonder dat het leuk wordt (zoals aan het begin van hoofdstuk 9 van deel drie: 'Na iemands dood ontstaat er altijd een zekere verbijstering'). Kortom: vakantielectuur; een klasse apart.


Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. 3e, herz. dr. Van Oorschot, Amsterdam 1995; 1e dr. vertaling 1995, oorspronkelijke uitgave 1857 (maar Verstegen heeft niet de oorspronkelijke tekst vertaald, doch een samenraapsel van eigen vinding uit drie drukken plus Les épaves ) (maar op vakantie neem ik nooit mijn handboek tekstkritiek en editiewetenschap mee); 588 bladzijden, inclusief alles, waarbij dient te worden aangetekend dat ik alleen de oorspronkelijke gedichten heb gelezen, dus de helft van de 441 bladzijden poëzie in deze mooi uitgegeven tweetalige editie, gezet uit de Remer van Gerrit Noordzij.

Hoe vaak ik al niet in dit boek heb zitten lezen... Maar nu was het plan om het eindelijk eens helemaal te lezen, binnen twee weken, voortdurend; absorberen maar! Chez les Français, comme les Français. Verstegen heeft zijn best weer gedaan om zijn vertalingen tot goede gedichten te smeden, met als gevolg dat je ze eigenlijk niet als lexicon bij de Franse teksten kunt gebruiken: veel is van zijn plaats gehaald, verschoven, omgezet, verenkel- of juist vermeervoudigd. Kortom: ik heb de meeste Franse noten eigenhandig moeten kraken, of laten liggen. Heerlijk.

Ook dit boek is duidelijk niet meer van deze tijd. Al die pathetiek. Ik sla het thuis met willekeur open en lees:
J'implorais ta pitié, Toi, l'unique que j'aime,
Du fond du gouffre obscur où mon coeur est tombé.
Maar ik houd daar wel van, als het wat dik is aangezet, goden in diepsten van gedachten en zo. Daar komt bij dat ik ooit eens een groot deel van mijn leven besteed heb aan het lezen van de poëzie van P.N. van Eyck, en die Van Eyck, die had wel wat met Baudelaire (nee, nee, ik stel ze hier niet op één lijn van kwaliteit, ik zou niet durven); dat zwelgen in het zwarte, de melancholie; niet voor niets staat er in deel 3 van Van Eycks Verzameld werk een essay (een eerder niet uitgegeven manuscript uit 1915) van een kleine honderd bladzijden over Baudelaire, die hij 'met eerbiedige bewondering en [z]ijn ganse liefde, een der grootste lyrische dichters der Franse literatuur noem[t].'

Dit zijn teksten die lekker denderen, maatvast en rijmend (ik geloof dat ik in een vreemde taal wat toegeeflijker ben dan in mijn moers en rijmdwang over het hoofd zie en zo); voor je het weet zit je deze gedichten hardop te lezen. Je moet ze ook horen klinken, doen klinken, en je moet moduleren, afwisselend brommen, donderen en fluisteren; het wortelt nog in een klassieke en reciterende traditie, als ik het wel heb. Anderzijds moet je goed op de structuur blijven letten, want veel van de zinnen die Baudelaire op het patroon van zijn versregels weeft, zijn van een ouderwets langdradige textuur. En daarmee zijn we ook weer terug bij de op even ouderwetse leest geschoeide bezielde retoriek van Pieter Nicolaas van Eyck. Maar Baudelaire is wat aardser, vleselijker, en nog wat lager bij de grond gestemd dan de idealist Van Eyck, die zichzelf ooit een zeloot van een pantheïst noemde, en die nooit iets zou kunnen schrijven als
Père adoptif de ceux qu'en sa noire colère
Du paradis a chassés Dieu le Père,

Ô Satan, prends pitié de ma longue misère!

vrijdag 9 juli 2010

Gerwin van der Werf, Gewapende man

Uitgeverij Contact, Amsterdam 2010. 295 bladzijden.

Een roman die ik niet weg kon leggen: moest zo snel mogelijk uit. Maar aan de andere kant is het ook wel jammer dat de leeslol zo niet langer dan twee dagen duurt. Want het lezen van deze roman is een feest. Dat zegt trouwens ook Ewout Kieft in de NRC; in de ondertitel van zijn recensie noemt hij deze debuutroman 'een lekker dik aangezet dorpsdrama'. Dat leesfeest heeft allerlei ingrediënten. Om maar iets eenvoudigs te noemen: de gehele tekst is opgebouwd uit achtenzestig korte hoofdstukken; je kunt steeds kiezen om tussendoor eventjes iets anders te doen, of er toch nog maar een hoofdstukje bij te nemen. De tekst is helder verdeeld in een prologend 'Kyrie eleison', een deel I, getiteld 'Vesting', II 'Veldtocht', III 'Vaders', en wordt afgesloten met een epilogend 'Dona nobis pacem'. Die vrede bereikt de hoofdpersoon, Gideon Boreas, inderdaad, maar niet geheel op de door hem geplande wijze. Wraak was zijn doel, wraak wegens het in zijn jeugd aangedaan leed. Maar hij verliest door onvoorziene omstandigheden de grip op zijn veldtocht. En dat is een van de charmes van de roman en van Boreas.

Deze held, met zijn wat grotesk omineuze voornaam, is een bijziende promovendus in de musicologie. Hij vertrekt (het is me niet bekend van waar precies, en dat doet er ook weinig toe) op z'n klassieke Zündapp (nou ja, de opgeknapte brommer van zijn vader) voor een tijdje naar een gat in Zeeuws-Vlaanderen, Zwinnerschans (vandaar ook dat 'Vesting' in de allitererende reeks deeltitels), om zijn spectaculaire these over een vroeg-Renaissancistisch muziekmanuscript uit te werken, maar vooral om zich te wreken op de kwelgeest van zijn jeugd, de inmiddels gevierde profvoetballer van Club Brugge, Siewert (kortweg Siep) Sipkema. Club Brugge bestaat, maar die Sipkema ken ik niet; Zeeuws-Vlaanderen bestaat, maar Zwinnerschans kan ik niet vinden in mijn antieke Bos-atlas, noch via Google Maps; en zo zijn er wel meer personages en gebeurtenissen verzonnen te midden van allerlei werkelijke feiten, zoals die uit de muziekgeschiedenis. Inderdaad, het moet gezegd, de roman vertoont punten van overeenkomst met Bert Natters Begeerte heeft ons aangeraakt. Die gelijkenissen betreffen ook de vrouw waar de held voor valt, de groteske personages, en het pandemonium waar de hele onderneming op uitloopt.

Maar goed, waarmee is de wraakzuchtige held gewapend? Met een Portastudio, een draagbare viersporen cassetterecorder. Niet gek voor iemand die geïnteresseerd is in polyfone muziek. Maar hij gebruikt dat apparaat wat eigenzinnig. Op één spoor spreekt hij zijn proefschrift in, wat hem eens te meer typeert als een eigenzinnige figuur, en op het andere spoor spreekt hij het verhaal van zijn jeugd in. Soms speelt hij beide sporen tegelijk af; soms vallen er dan stukken tekst samen die betekenis genereren. Pas terugbladerend zag ik dat de proloog van de roman de weergave is van een stukje van spoor 2 (citaten van de tape zijn uit een schreefloze letter gezet).

Er staat in dat eerste onderdeel al een fraaie zin, zoals Van der Werf er heel wat in zijn roman verzameld heeft, maar die ik hier niet kan weergeven omdat ik ze niet aangestreept heb omdat ik veel te druk bezig was met lekker de roman te lezen. De kleine Gideon heeft zijn vader, leraar Nederlands, geholpen met de correctie van een dictée en als zijn vader plots verdwijnt, naar later duidelijk wordt: voor goed, lezen we: 'Er is iets mis met deze dag, er zitten allemaal fouten in en ik heb ze laten zitten.' Het joch rekent het zich aan, en ziet niet dat hij met iets bezig is wat eigenlijk (nog) buiten zijn macht ligt. Dat inzicht heeft hij ook later niet, wanneer hij met de hybris van de held zijn oervijand te lijf wil gaan, met een cassetterecorder.

Arme Gideon, die zich in het dorp Leon Wind laat noemen om niet herkend te worden, hij doet zo zijn best, maar wordt belaagd door argwanende en enggeestige dorpsbewoners, een hitsige hospita, een automutilerende puber met grotsalamanders die hem al zeer snel door heeft, en - last, not least - zijn eermalige kwelgeest die hem niet herkent maar juist hartelijk in zijn sportief gespierde armen en ook in zijn commerciële tentakels sluit en aanzet, om niet te zeggen: dwingt tot een fors gesponsorde, openbare feestuitvoering van de incompleet overgeleverde historische muziek. Het wordt een puinhoop, maar een tragische puinhoop. Een mooie puinhoop.

Kieft vindt dat de ontkoping van de roman wat slordig is. En ene Kasper Nijsen op recensieweb.nl vindt dat de roman traag op gang komt. Maar deze roman is geen ordinaire thriller waarvan je louter tot actie bereide spanningsbogen kan verwachten (ook al staat er een recensie van op De spanningsblog). Het is veeleer een psychologische roman met een draadje detective en een draadje muziekgeschiedenis en een draadje dorpsnovelle en een draadje groteske en een draadje academische roman verweven tot een mooi, ik zou haast zeggen, al klopt de beeldspraak voor geen meter: polyfoon geheel, dat ik eigenlijk nog eens herlezen wil, om dan wel Van der Werfs mooie zinnen en stevige vergelijkingen aan te strepen, en om nog iets beter te letten op de rol van de vaders van de verschillende personages.

maandag 21 juni 2010

Bart Vercauteren, Het graf van de voddenraper

Mortsels requiem. Houtekiet, Amsterdam-Antwerpen 2010. Paperback, 136 blz.

Dit boek had me vanaf de eerste bladzijde bij de leeslurven. Beter: al vanaf het omslag, vanaf de titel; en toen wist ik nog niet eens wat 'Mortsel' te betekenen heeft.

Het graf van de voddenraper. Waarom dat een goede titel is? Misschien omdat graven het goed doen (daar gaan we immers allemaal naar toe, letterlijk of figuurlijk), en omdat een graf van een voddenraper niet een geijkt onderwerp voor een literaire onderneming lijkt. Misschien zelfs omdat 'voddenraper' een mooi woord is, mooier dan 'voddenman' zoals ik het beroep ken.

De omslagillustratie van het boek is ook mooi. Een eenvoudige foto in heel donkerbruin, met mooi over het egaal zwart van de onderste helft verstrooide letters in rood, blauw en wit (werk van Marij Hereijgers).

Het boek lijkt me in vrij veel opzichten het barre tegendeel van Dewulfs Kleinde dagen, en dus superieur. Er staat geen woord te veel in. En al helemaal ontbreekt die quasi-diepzinnige, met anaforen aan elkaar gelijmde, zogenaamd poëtische woordzoekerij. Als er eens iets 'filosofisch' in staat, is het nog waar ook, en to the point, helemaal van toepassing op de vertellende hoofdpersoon, de grafdelver: 'Een egel moet zijn buik niet tonen.'

De vertelling is gort- en gortdroog, gespeend van alle tranentrekkerij. Daar is die René veel te zeer voor vastgeroest in zijn nergens ellende genoemde verdriet. Zijn verdriet heet hij trouw. Trouw aan zijn kind en trouw aan zijn vrouw die gek is geworden van de oorlog.

En het is niet zo'n zenuwslopend chronologische opeenvolging van al te alledaagse beuzelarijen; dat komt doordat de verhaalde gebeurtenissen groter zijn, dieper gaan, wezenlijker zijn dan poppen en fietsjes. In wezen bestrijkt het verhaal (de actuele roman, zou je kunnen zeggen) drie dagen. Drie dagen waarin René het graf voor de voddenraper delft. Dat is formeel en welbewust zijn laatste graf: hij is vijfenzestig. En al die drie dagen lang kijkt hij terug op zijn leven (en op dat van de voddenraper) en dieper in zijn ziel dan hij zich ooit toegestaan heeft, en komt tot de erkenning dat hij het leven anders, dat hij het beter had kunnen aanpakken. Maar toch erkent hij geen spijt wat betreft zijn levenslang betoonde trouw. Geen moment. En al gravend denkt hij terug aan allerlei cruciale scènes uit zijn harde leven. Zonder dat er een woord aan vuil wordt gemaakt, is dat graven inderdaad metaforisch. En zo bestrijkt de roman uiteindelijk een periode van vijfenzestig jaren, van 1923 tot 1988.

Het boek is misschien evenzeer diep-sentimenteel als die prijswinnende columnpjes, maar dan niet op die larmoyante, alle kinderlijkheden verheerlijkende manier. Neen: het verhaal wordt (afgezien van de epiloog) verteld door René, wiens zoontje - niet gereduceerd met een quasi-afstandelijk 'hij' maar steevast liefderijk aangeduid als 'ons Bertje' - toen het twee jaar oud was, uit het leven werd gereten door het afschuwelijke bombardement op Mortsel, op 5 april 1943. René was toen net twintig jaar oud en nauwelijks langer dan twee jaar getrouwd met zijn jeugdliefde Janneke, ook wel Joke genoemd, de dochter van de bakker.

Het verhaalde is niet direct autobiografisch. Vercauteren is van 1962. Hij groeide wel op in Mortsel en, zoals op het achterplat staat, met de verhalen van het bombardement. Die afstand doet het boek goed. Het geeft het vertelde het patina van een oerverhaal, een mythe. Daartoe dragen die beroepen ook wel bij: bakker, voddenraper, grafdelver. C'est toute la vie. Dat weer draagt ertoe bij dat die woeste ellende die René meemaakt, behapbaar wordt, terwijl ze dat voor hem, direct betrokkene, juist niet was. Ook de afstand in tijd die René heeft tot het bombardement lijkt me goed, terwijl die mede de tragiek van het verhaalde bepaalt: al die jaren heeft hij geen afstand kunnen nemen van die vijfde april.

Ruim voorbij de helft van zijn leven is er een begin van inzicht ontstaan bij René (pas tijdens de tweede lezing van het boek realiseeerde ik me dat die naam ook symbolisch is) wanneer hij de voddenraper in Mortsel ziet, en diens jongste zoon, Gert, in wie hij veel van zijn Bertje meent te herkennen. Gert is de vrucht van het nieuwe leven dat de voddenraper zich na zijn crisis heeft weten op te bouwen; een nieuw maar tweedehands leven: hij trekt in het door het bombardement beschadigde, dus goedkope, huis van René, die er niet meer in kan blijven wonen wegens de voorgeschiedenis; de voddenraper leeft van het door anderen weggegooide oudijzer, maar hij heeft zich herpakt. René ziet dat en erkent, in eerste instantie niet eens bewust, dat dat goed is. René zelf is trouw gebleven aan zijn vrouw, ook toen ze gek werd, en toen ze in het gesticht zat en ook nadat ze 'de trein had genomen'; trouw ook aan 'ons Bertje'. Trouw ook aan andere doden, want in plaats van zelfstandig bakker is hij gemeentelijk grafdelver geworden, voortbouwend op de ervaring van de dagen, de weken graven delven na het bombardement waarbij honderden doden vielen. Met de mensen met wie hij moest leven, leefde hij nauwelijks. Dat begint pas met de voddenraper en diens Gert.

Maar ach, wat zit ik hier nou de anekdote na te vertellen. Dat heeft geen zin. Je moet het verhaal in zijn eigen vorm lezen, met alle bewegingen vanuit het heden terug naar diverse episoden uit het verleden van René; je moet als lezer meedoen met de reconstructie. En goed opletten, want als bijvoorbeeld René zijn vader, die maar wil dat hij een eigen zaak begint, op een gegeven moment uit jarenlange frustratie en vol onbegrip omtrent 's mans goede bedoelingen, in elkaar slaat, wordt dat natuurlijk niet met heel veel woorden beschreven. Het is wel duidelijk, maar tegelijk lijkt het afgevlakt te worden in die beschrijving; er ligt een matte waas van een depressie overheen.

Veertig genummerde hoofdstukken en een epiloog. Het eerste en laatste hoofdstuk hebben verder als titel: 'De put', respectievelijk 'Het graf'; en ook hoofdstuk 17 en 18 zijn getiteld: 'De liefde...' en '... en het kwaad'. Die titels hadden net zo goed, nee: beter achterwege kunnen blijven, dat is waar. Maar voor de rest: een prachtboek. En dat in slechts 133 pagina's (het dankwoord van de auteur niet meegeteld). Nasty, brutish and short.

vrijdag 30 april 2010

Minke Douwesz, Weg

Minke Douwesz, Weg4e dr. Van Oorschot, Amsterdam augustus 2009 (1e dr. april 2009). Paperback met flappen, 575 bladzijden. Douwesz ontving er de Opzij Literatuurprijs voor.

Triomf, triomf! Heft aan mijn luit
Want deze lezer zucht: het boek is uit.

Wat een bevalling. Bepaald geen vlotte partus.

Toen ik nog niet ver gevorderd was, schreef ik, bij nader inzien al te optimistisch:
het is een hyperrealistische vertelling met alle aandacht voor de psyche van vooral de hoofdfiguur, de gynaecologe Edith Heringa. Als ze ergens binnenstapt, beschrijft Douwesz ook dat eerst de deur wordt opengedaan, nadat Edith heeft aangebeld; dat de deur dan weer dichtgaat, en dat de jas van Edith wordt opgehangen, aan een haakje of een knaapje, al naar gelang de eigenaardigheid van de betreffende kapstok, en dat Edith en haar gastvrouw vervolgens door de tochtdeur de gang inlopen, gastvrouw voorop, naar de huiskamerdeur, die... Maar ondanks dat enigszins trage tempo en ondanks de breedvoerigheid en explicietheid der beschrijvingen en ondanks het totaal ontbreken van enige stilistische Schwung kan ik het boek maar niet wegleggen, ook al denk ik regelmatig: 'Edith, mens, schiet eens op, doe eens wat, ram die norse, halsstarrige vriendin van je je huis uit', en ook al geloof ik geen hout van haar overwegingen betreffende anorexia waarmee ze haar proefschrift probeert af te ronden. Het boek boeit me, hoe lang het ook duurt, en misschien wel mede doordat het zo lekker lang duurt; zonder denigrerend te willen doen: het heeft wat van de kluisterende kracht van Dallas of Dynasty (moet je van houden, ja). Ik geloof dat het proza van Douwesz wel vergeleken wordt met dat van Voskuil; zou kunnen, maar met Voskuil doe je mij geen plezier, met Douwes wel, al sta ik er tegelijkertijd versteld van dat ik zo veel tijd in het lezen van een roman stop. Belangeloos welgevallen.
Inmiddels heb ik het boek uit. En van dat welgevallen is weinig over. Heel lang dacht ik: er gaat wat gebeuren, er komt een ontwikkeling, er gaat hier iets gigantisch ontsporen, de teckel wordt hysterisch, de ezels slaan op hol, kortom: het surrealisme steekt dra zijn spokige kop op en ontketent een helse psychische terreur die de struise heldin het zwavel in stort en haar mokkige antagoniste doet zegevieren.

Maar: de roeivereniging heeft na jaren weer een plek open, papa helpt Edith een hek te timmeren, norse vriendin Nora gaat elders wonen, Edith installeert een nieuwe boekenkast en formuleert voor de vuist weg wat stellingen voor haar proefschrift dat na enig piekeren toch is afgerond, vriendin Loes besluit toch maar haar echtgenoot naar Amerika te volgen, en Edith en haar vader gaan, met de sousafoon op een extra stoel, en ondanks pa's hoogtevrees, per vliegtuig naar London om het eindexamenfeest van een nicht respectievelijk kleinkind luister bij te zetten. Triomf, triomf.

Geen peper, geen zout, geen knoflook, geen pit, geen kracht, en al helemaal geen vaart, geen prikkel, geen diepgang, geen absurdisme, geen tragiek. Burgerdramatiek, ditjes en datjes, lifjes en lafjes, geteut, geruzie en gesteggel, theetje hier, wodkaatje daar, de ezels naar binnen, de hond naar buiten, buurmeisje met brandwonden, auto met lekke band. Huiskamerrealisme van de ergste negentiende-eeuwse soort, ware het niet dat de naam Pim Fortuyn gebruikt wordt, ijdel gebruikt wordt, althans, Fortuyn wordt er - als ik dat zo zeggen kan - met de haren bij gesleept (Norma doet waarschijnlijk aan dierenwelzijnsactivisme).

Nuance: het gaat hier om een huiskamer waarin een lesbisch stel samenwoont en ruziet en op het eind gescheiden verderleeft. Maar - en dat is anderzijds wel aardig - dat het een lesbisch stel betreft, voegt niets of niemendal toe aan het boek en het doet er ook niets aan af. Het had net zo goed over Sjonnie en Anita kunnen gaan; die kunnen ook vegetarisch op een boerderijtje in het oosten des lands wonen en bekvechten.

Nuance: de focalisatie ligt volledig bij Edith, het woord heeft doorgaans de vertelinstantie, die dus voortdurend onderscheid moet maken tussen Edith en Norma (of andere vriendinnen). En die vertelinstantie doet dit niet door steeds de eigennamen te noemen, maar ook door, zeker na directe rede, heel subtiel te wisselen tussen 'ze' en 'zij'. Het werkt. Die techniek kende ik nog niet uit andere romans. Het heeft me tot de nog niet onderzochte vraag geleid: hoe lost een vertelinstantie dat op in een ruzieroman over een mannelijk homosexueel stel, want het Nederlands kent, vreemd genoeg, niet het onderscheid tussen 'hij' en 'he'.

Zo kan ik, 't was even zoeken, toch nog positief afronden op deze regenachtige Oranjedag.

dinsdag 2 maart 2010

David Pefko, Levi Andreas

Van Oorschot, Amsterdam 2009. Paperback, 376 bladzijden.

Een debuut, een debuut met het formaat van een pronte baksteen. En met dat formaat plonsde het ook in mijn leesvijver. En trekt daar nog altijd kringen, i.e. schept er raak- en afzetpunten met respectievelijk ten opzichte van andere romans. Maar de vergelijkingen houd ik voor me.

Heerlijk is het om volkomen blanco aan een roman te kunnen beginnen. Ik wilde, gezien de staat van mijn doorbuigende leesplank, een beetje vaart maken, en dat is me danig opgebroken. Ik heb het boek namelijk aanvankelijk onbehoorlijk misverstaan. Maar wat wel wonderlijk is: terwijl ik dacht dat het boek niet helemaal goed in elkaar stak, stoorde me dat niet. Ik dacht dat het boek niet deugde, maar ik nam de feilen voor lief. Ik wilde verder lezen. Ik dacht werkelijk dat zowel de auteur als de redacteur ter uitgeverij niet goed hadden opgelet en dat het hoofdpersonage al te ambivalent en tweespaltig was uitgevallen, maar ik bleef verder lezen. Vrij laat kwam ik erachter (het is echt te dol om te bekennen, maar vooruit) dat er twee verhaallijnen door elkaar lopen. Twee verhaallijnen met twee verschillende hoofdpersonages, allebei tevens ik-verteller, allebei met grootouders op de achtergrond en ouders waar het niet goed mee gaat, allebei met een 'broertje' aan wie regelmatig wordt gerefereerd met die term. En: twee personages met een Seelenverwantschaft, maar die elkaar (mag ik dit verklappen?) nooit werkelijk ontmoeten. Twee personages waar een steekje aan los is.

Ik moet echt leesblind geweest zijn, want de stukken van de verhaallijn van de een, Levi Andreas, hebben, in het eerste deel, elk een titel, de stukken van de verhaallijn van de ander, Rosa, hebben een symbool aan het begin:
Ontleend aan http://www.vanboordt.com/was.jpg


Dat ik ze des ondanks verwarde, beter: te weinig ontwarde, komt doordat de chronologische vertelling van Rosa doorbroken wordt door de a-chronologische, discontinue vertellingen van Levi. Het is als een vlechtwerk waarvan je vooral aan de achterkant ziet dat er schering en inslag is. Na het eerste deel wordt die systematiek trouwens losgelaten en gaat de vertelling anders door, alleen nog vanuit de ene hoofdpersoon, Rosa, zonder symbool, en soms met (veel explicietere) inbedding van teksten van Levi.

Wat is er nu intrigerend aan deze roman, zo intrigerend dat ik erin door bleef lezen hoewel ik dacht dat er iets aan schortte; en nog gretig door bleef lezen ook - ik las het in een persoonlijk recordtempo; en inderdaad: ik had me al vroeg in de rit in de baan vergist. Hoe verdwaasd kan je zijn, en: zou een leescoach kunnen helpen?

Het doorlezen zal onder andere gestimuleerd zijn doordat de hoofdpersonages zowel bijzonder eigenzinnig zijn, als ook lichtelijk absurd (absurd als in: overdreven normaal). En doordat ze acties ondernemen en relaties aangaan, die niet 'kunnen'; en doordat ze er allebei tussenuit knijpen. Thematisch heet dat in de roman 'vluchten'; je kunt ook zeggen dat ze zichzelf einklammern (ik weet niet of ik Husserl recht doe met dit citaat). En pas daarin gaan ze enigszins parallel aan elkaar lopen; maar dan ook als twee lijnen met dezelfde meetkundige (of heet dat: goneometrische) eigenschappen, die elkaar nimmer zullen kruisen (al dan niet Euclidisch bezien, ook dat gaat mijn perken verre te buiten).

Mijn doorlezen werd ook aangevuurd doordat de roman niet echt opzichtig evenwichtig is opgebouwd. Alleen het eerste deel heeft die afwisseling van verhaallijnstukken (W. Blok 1960); de rest niet. Er is alleen een proloog, geen epiloog, al wordt er wel een cirkel gesloten en is de pro- eigenlijk tevens de epiloog; er komen brieven in voor, maar het is geen briefroman; het verhaal speelt in Amsterdam, en in Brussel, en New York, en Zuid-Amerika. In Amsterdam goeddeels in de strijkafdeling van een wasserij; nog niet eerder vertoond mijns inziens, tenzij wellicht in een naturalistische novelle, maar daar heeft deze roman helemaal niets mee te maken.

Eenmaal aan het eind gekomen, ben ik, om het boek enigszins recht te doen, overnieuw begonnen. En voor ik het wist, was ik al weer op bladzijde 89 aangekomen (zie ik dankzij het eigenhandig uit een Leonidasstrik geknipte leeslint), zonder me een moment te vervelen. Die Pefko heeft me helemaal te pakken. En klopt het nou dat, parallel aan de titel van deel 3 - 'Levi Andreas in 24 zwarte boekjes' -, deel 1 is opgebouwd uit de even zoveel in die - geen van alle volgeschreven - zwarte boekjes opgetekende verhalen, en dat Rosa, die wel vaker Andreas citeert, die verhalen opneemt, inbedt in haar verhaal?

Ga naar de winkel en koop dit mooi uitgevoerde boek en lees het!

[28 maart 2010: Levi Andreas voor de tweede maal geheel gelezen; 't oordeel is onverminderd positief; een heerlijk boek.]