vrijdag 30 april 2010

Minke Douwesz, Weg

Minke Douwesz, Weg4e dr. Van Oorschot, Amsterdam augustus 2009 (1e dr. april 2009). Paperback met flappen, 575 bladzijden. Douwesz ontving er de Opzij Literatuurprijs voor.

Triomf, triomf! Heft aan mijn luit
Want deze lezer zucht: het boek is uit.

Wat een bevalling. Bepaald geen vlotte partus.

Toen ik nog niet ver gevorderd was, schreef ik, bij nader inzien al te optimistisch:
het is een hyperrealistische vertelling met alle aandacht voor de psyche van vooral de hoofdfiguur, de gynaecologe Edith Heringa. Als ze ergens binnenstapt, beschrijft Douwesz ook dat eerst de deur wordt opengedaan, nadat Edith heeft aangebeld; dat de deur dan weer dichtgaat, en dat de jas van Edith wordt opgehangen, aan een haakje of een knaapje, al naar gelang de eigenaardigheid van de betreffende kapstok, en dat Edith en haar gastvrouw vervolgens door de tochtdeur de gang inlopen, gastvrouw voorop, naar de huiskamerdeur, die... Maar ondanks dat enigszins trage tempo en ondanks de breedvoerigheid en explicietheid der beschrijvingen en ondanks het totaal ontbreken van enige stilistische Schwung kan ik het boek maar niet wegleggen, ook al denk ik regelmatig: 'Edith, mens, schiet eens op, doe eens wat, ram die norse, halsstarrige vriendin van je je huis uit', en ook al geloof ik geen hout van haar overwegingen betreffende anorexia waarmee ze haar proefschrift probeert af te ronden. Het boek boeit me, hoe lang het ook duurt, en misschien wel mede doordat het zo lekker lang duurt; zonder denigrerend te willen doen: het heeft wat van de kluisterende kracht van Dallas of Dynasty (moet je van houden, ja). Ik geloof dat het proza van Douwesz wel vergeleken wordt met dat van Voskuil; zou kunnen, maar met Voskuil doe je mij geen plezier, met Douwes wel, al sta ik er tegelijkertijd versteld van dat ik zo veel tijd in het lezen van een roman stop. Belangeloos welgevallen.
Inmiddels heb ik het boek uit. En van dat welgevallen is weinig over. Heel lang dacht ik: er gaat wat gebeuren, er komt een ontwikkeling, er gaat hier iets gigantisch ontsporen, de teckel wordt hysterisch, de ezels slaan op hol, kortom: het surrealisme steekt dra zijn spokige kop op en ontketent een helse psychische terreur die de struise heldin het zwavel in stort en haar mokkige antagoniste doet zegevieren.

Maar: de roeivereniging heeft na jaren weer een plek open, papa helpt Edith een hek te timmeren, norse vriendin Nora gaat elders wonen, Edith installeert een nieuwe boekenkast en formuleert voor de vuist weg wat stellingen voor haar proefschrift dat na enig piekeren toch is afgerond, vriendin Loes besluit toch maar haar echtgenoot naar Amerika te volgen, en Edith en haar vader gaan, met de sousafoon op een extra stoel, en ondanks pa's hoogtevrees, per vliegtuig naar London om het eindexamenfeest van een nicht respectievelijk kleinkind luister bij te zetten. Triomf, triomf.

Geen peper, geen zout, geen knoflook, geen pit, geen kracht, en al helemaal geen vaart, geen prikkel, geen diepgang, geen absurdisme, geen tragiek. Burgerdramatiek, ditjes en datjes, lifjes en lafjes, geteut, geruzie en gesteggel, theetje hier, wodkaatje daar, de ezels naar binnen, de hond naar buiten, buurmeisje met brandwonden, auto met lekke band. Huiskamerrealisme van de ergste negentiende-eeuwse soort, ware het niet dat de naam Pim Fortuyn gebruikt wordt, ijdel gebruikt wordt, althans, Fortuyn wordt er - als ik dat zo zeggen kan - met de haren bij gesleept (Norma doet waarschijnlijk aan dierenwelzijnsactivisme).

Nuance: het gaat hier om een huiskamer waarin een lesbisch stel samenwoont en ruziet en op het eind gescheiden verderleeft. Maar - en dat is anderzijds wel aardig - dat het een lesbisch stel betreft, voegt niets of niemendal toe aan het boek en het doet er ook niets aan af. Het had net zo goed over Sjonnie en Anita kunnen gaan; die kunnen ook vegetarisch op een boerderijtje in het oosten des lands wonen en bekvechten.

Nuance: de focalisatie ligt volledig bij Edith, het woord heeft doorgaans de vertelinstantie, die dus voortdurend onderscheid moet maken tussen Edith en Norma (of andere vriendinnen). En die vertelinstantie doet dit niet door steeds de eigennamen te noemen, maar ook door, zeker na directe rede, heel subtiel te wisselen tussen 'ze' en 'zij'. Het werkt. Die techniek kende ik nog niet uit andere romans. Het heeft me tot de nog niet onderzochte vraag geleid: hoe lost een vertelinstantie dat op in een ruzieroman over een mannelijk homosexueel stel, want het Nederlands kent, vreemd genoeg, niet het onderscheid tussen 'hij' en 'he'.

Zo kan ik, 't was even zoeken, toch nog positief afronden op deze regenachtige Oranjedag.

dinsdag 2 maart 2010

David Pefko, Levi Andreas

Van Oorschot, Amsterdam 2009. Paperback, 376 bladzijden.

Een debuut, een debuut met het formaat van een pronte baksteen. En met dat formaat plonsde het ook in mijn leesvijver. En trekt daar nog altijd kringen, i.e. schept er raak- en afzetpunten met respectievelijk ten opzichte van andere romans. Maar de vergelijkingen houd ik voor me.

Heerlijk is het om volkomen blanco aan een roman te kunnen beginnen. Ik wilde, gezien de staat van mijn doorbuigende leesplank, een beetje vaart maken, en dat is me danig opgebroken. Ik heb het boek namelijk aanvankelijk onbehoorlijk misverstaan. Maar wat wel wonderlijk is: terwijl ik dacht dat het boek niet helemaal goed in elkaar stak, stoorde me dat niet. Ik dacht dat het boek niet deugde, maar ik nam de feilen voor lief. Ik wilde verder lezen. Ik dacht werkelijk dat zowel de auteur als de redacteur ter uitgeverij niet goed hadden opgelet en dat het hoofdpersonage al te ambivalent en tweespaltig was uitgevallen, maar ik bleef verder lezen. Vrij laat kwam ik erachter (het is echt te dol om te bekennen, maar vooruit) dat er twee verhaallijnen door elkaar lopen. Twee verhaallijnen met twee verschillende hoofdpersonages, allebei tevens ik-verteller, allebei met grootouders op de achtergrond en ouders waar het niet goed mee gaat, allebei met een 'broertje' aan wie regelmatig wordt gerefereerd met die term. En: twee personages met een Seelenverwantschaft, maar die elkaar (mag ik dit verklappen?) nooit werkelijk ontmoeten. Twee personages waar een steekje aan los is.

Ik moet echt leesblind geweest zijn, want de stukken van de verhaallijn van de een, Levi Andreas, hebben, in het eerste deel, elk een titel, de stukken van de verhaallijn van de ander, Rosa, hebben een symbool aan het begin:
Ontleend aan http://www.vanboordt.com/was.jpg


Dat ik ze des ondanks verwarde, beter: te weinig ontwarde, komt doordat de chronologische vertelling van Rosa doorbroken wordt door de a-chronologische, discontinue vertellingen van Levi. Het is als een vlechtwerk waarvan je vooral aan de achterkant ziet dat er schering en inslag is. Na het eerste deel wordt die systematiek trouwens losgelaten en gaat de vertelling anders door, alleen nog vanuit de ene hoofdpersoon, Rosa, zonder symbool, en soms met (veel explicietere) inbedding van teksten van Levi.

Wat is er nu intrigerend aan deze roman, zo intrigerend dat ik erin door bleef lezen hoewel ik dacht dat er iets aan schortte; en nog gretig door bleef lezen ook - ik las het in een persoonlijk recordtempo; en inderdaad: ik had me al vroeg in de rit in de baan vergist. Hoe verdwaasd kan je zijn, en: zou een leescoach kunnen helpen?

Het doorlezen zal onder andere gestimuleerd zijn doordat de hoofdpersonages zowel bijzonder eigenzinnig zijn, als ook lichtelijk absurd (absurd als in: overdreven normaal). En doordat ze acties ondernemen en relaties aangaan, die niet 'kunnen'; en doordat ze er allebei tussenuit knijpen. Thematisch heet dat in de roman 'vluchten'; je kunt ook zeggen dat ze zichzelf einklammern (ik weet niet of ik Husserl recht doe met dit citaat). En pas daarin gaan ze enigszins parallel aan elkaar lopen; maar dan ook als twee lijnen met dezelfde meetkundige (of heet dat: goneometrische) eigenschappen, die elkaar nimmer zullen kruisen (al dan niet Euclidisch bezien, ook dat gaat mijn perken verre te buiten).

Mijn doorlezen werd ook aangevuurd doordat de roman niet echt opzichtig evenwichtig is opgebouwd. Alleen het eerste deel heeft die afwisseling van verhaallijnstukken (W. Blok 1960); de rest niet. Er is alleen een proloog, geen epiloog, al wordt er wel een cirkel gesloten en is de pro- eigenlijk tevens de epiloog; er komen brieven in voor, maar het is geen briefroman; het verhaal speelt in Amsterdam, en in Brussel, en New York, en Zuid-Amerika. In Amsterdam goeddeels in de strijkafdeling van een wasserij; nog niet eerder vertoond mijns inziens, tenzij wellicht in een naturalistische novelle, maar daar heeft deze roman helemaal niets mee te maken.

Eenmaal aan het eind gekomen, ben ik, om het boek enigszins recht te doen, overnieuw begonnen. En voor ik het wist, was ik al weer op bladzijde 89 aangekomen (zie ik dankzij het eigenhandig uit een Leonidasstrik geknipte leeslint), zonder me een moment te vervelen. Die Pefko heeft me helemaal te pakken. En klopt het nou dat, parallel aan de titel van deel 3 - 'Levi Andreas in 24 zwarte boekjes' -, deel 1 is opgebouwd uit de even zoveel in die - geen van alle volgeschreven - zwarte boekjes opgetekende verhalen, en dat Rosa, die wel vaker Andreas citeert, die verhalen opneemt, inbedt in haar verhaal?

Ga naar de winkel en koop dit mooi uitgevoerde boek en lees het!

[28 maart 2010: Levi Andreas voor de tweede maal geheel gelezen; 't oordeel is onverminderd positief; een heerlijk boek.]

zondag 21 februari 2010

Hélène Gelèns, zet af en zweef

Hé'lène Gelèns, zet af en zweefgedichten. Cossee, Amsterdam 2010. Paperback, 64 bladzijden.

Hoe gaat dat? Ik las een recensie, geschreven door Piet Gerbrandy in De groene Amsterdammer (waarom schrijft die nog maar zo weinig in de Volkskrant). En die was enthousiast. En wat ik erin las beviel me, zowel de beschrijving als de citaten. Terwijl: hoe duidelijk zijn recensies, althans waar het gaat om het eruit halen van een aan- of afbeveling die voor mezelf geldig zou zijn? Ik kende Hélène Gelèns' werk niet. Al denk ik nu, achteraf, dat ik haar toch al wel eens gehoord had via VPRO boeken. Een luchtig gesprek met Anton de Goede, waarin ze, zonder poeha, zegt dat ze tijdens het ontstaan van een gedicht als 'Stamel de naam' (uit haar debuutbundel Niet beginnen bij het hoofd uit 2006) dacht: 'Wat komt hier te staan? Ja... Waar gaat dit eigenlijk over?' Niet makkelijk maar ook niet dikdoenerig-moeilijk.

Ook de titel van de bundel is de moeite waard. Waarom, weet ik niet. Het zullen wel weer allerlei eraan verbonden associaties zijn, onder andere; al krijg ik er nu geen verwoord. Oh jawel: Sta op en wankel, van Ingmar Heytze. Maar qua poëzie hebben die twee weinig gemeen. De poëzie van Gelèns lijkt, voor zover ik het nu kan overzien, niet op andere poëzie.

Een afbeelding van het prachtige (en sterk aan de inhoud gerelateerde) omslag, gemaakt door Marry van Baar, was het nauwelijks nog nodige zetje over de drempel van De literaire boekhandel aan de Lijnmarkt. En enkele dagen later, vanochtend, heb ik tweemaal achtereen de bundel gelezen. Voorlopig oordeel: mooi en/want dit is heel eigenaardige poëzie. Dat bedoel ik dan wel letterlijk. Deze poëzie heeft een heel eigen aard. Het is dus maar beter geen vergelijkingen te trekken, ook niet te zeggen dat deze poëzie soms het luchtiger zusje van Hans Faverey lijkt. Dat slaat nergens op, al schoot me wel door het hoofd. Misschien omdat de eerste afdeling gaat over 'ongeremd rennen'; weerbarstige bespiegelingen van een hardloopster, zoals ooit die roeiers, doch dan zonder 'zich', maar: 'de hel is een stilgezet hier' (nauwelijks hoofdletters en interpunctie, inderdaad). Maar Gelèns klinkt zo veel beweeglijker: 'taklijn lintlijn (sprong) taklijn lintlijn (sprong)', een regel die alleen maar goed te lezen is als slotregel van het hele gedicht 'hoe boven alles uit', dat gaat over de dreiging van een champagneflûte, die in een boom hangt. Maar als ik het zo beschrijf, lijkt het nergens op. 'Een goed gedicht kun je niet navertellen', wordt Gelèns terecht achterop haar eigen bundel geciteerd.

De gedichten van Gelèns zijn zeer vrij gevormd, en zeer ritmisch en soms taalspelerig ('rennen en wennen alsof / mijn zweven ervan afhangt?'), maar niet te veel, dus prettig. Sommige lijken vooral conceptuele experimenten, bijvoorbeeld dit deel van de cyclus 'cirkels, cirkelen' (daar is het omslag) uit de gelijknamige laatste afdeling:
willekeur

stip! het maakt niet uit waar niet wanneer hoe
geconcentreerd, stip! als je maar niet spiekt

je neemt een pen, een leeg vel papier
sluit de ogen, stip in het wilde weg
het vel vol stipstipstipstip flink doorstippen

leg de pen neer na een minuut of twee
open je ogen en zie: veel stippen
met staarten! haha geen probleem

trek een cirkel, het maakt niet uit hoe wanneer
waar op het vel, tel netjes binnen de lijn
elke stip elke aanzet van een staart

proficiat, je nam zojuist een steekproef!
(hoe groter je cirkel hoe beter de proef
de gemiddelde stippendichtheid nadert)

Omdat het me moeilijk valt deze gedichten te typeren, nog maar een zinloze vergelijking, zodat ik dan het betreffende gedicht kan citeren. Het eerste van de zes delen van 'de afzet voor het zweven' lijkt, louter naar de vorm, op 'Zeiltocht' van Gerrit Achterberg. Wanneer zie je nou een gedicht van die vorm? Voor Achterberg: zie deze ge-animeerde verweving van verschillende versies door A.J. Udo de Haas. Gelèns' gedicht gaat niet over zeilen maar rennen:
neem uit ongeremd rennen één stap
uit de stap de afzet voor het zweven
bevries in dat moment - een en al ren
wen! almaar deze stap almaar deze
afzet deze knerp van het grind almaar dit
ver naar achter gestrekte been almaar
deze loeiende druk op je grote teen
deze miezelregen op je wang
die rijpe dauwbramen
die flard parfum
wen

Er zit veel gebiedende wijs in zet af en zweef; maar geboden zijn de gedichten niet. Aanbevelingen, aanmaningen, aansporingen, zodat er de overgang van taal naar daad in schuilt.

dinsdag 5 januari 2010

Koen Peeters, De bloemen

Roman. Amsterdam-Antwerpen, Meulenhoff-Manteau. Paperback met stofomslag. 236 blz.

Toen ik het omslag zag, werd ik al vrolijk. Toen ik het boek opensloeg in de winkel, nog meer, want op het schutblad voorin sprankelen die bloemen vrolijk verder. En het motto is in helderrood gezet, met in zwart de bron eronder. Ook op de inhoudsopgave heeft iemand zijn typografische best gedaan, met rubriekrood en zwart. Nu, dat is blijkens het ingelegde kaartje ene Dooreman. Mooi werk, dat zich ook best tot aan de hoofdstuktitels had mogen uitstrekken.

Koen Peeters ken ik alleen van naam, niet van lezen. De keer dat leesclub Transitie zijn Grote Europese roman las, kon ik er niet bij zijn; en als ik er niet bij kan zijn, voel ik me ontslagen van lezensplicht; er is genoeg ander werk dat nog op de stapel ligt. Maar de kans is groot geworden dat ik die schade in ga halen. Maar misschien ga ik eerst De bloemen herlezen.

De bloemen is een mooi boek, ondanks de wat domme titel en de dito hoofdstuktitels (bijna allemaal bloemen). De ondertitel is 'roman' en in een bronnenvermelding staat: 'Niets is waar in deze roman. Hij is hooguit zeer losjes geïnspireerd op familieverhalen' en dan volgen de nodige handschriftelijke bronnen en publicaties van de hand van verschillende Peetersen. Het boek is dus net zo onwaar als Lanoyes Sprakeloos of Arthur Umbgroves Midden op de weg zo hard mogelijk. Maar dat laatste boek fors is minder goed. Lanoyes prachtroman is minstens evengoed als deze Peeters, waarschijnlijk uiteindelijk veel beter omdat Lanoye meer schmiert, en dat lees ik graag (vandaar nog steeds mijn voorkeur voor Robert Ankers Een soort Engeland, nog zo'n onware roman).

De bloemen is eigenlijk een heel gewone streek- en familieroman. Onderwerp is een generatie of drie Peetersen in de Belgische Kempen. De roman is ook gewoon in zijn afwijking van die twee burgerlijke genres: de ik-verteller is ook een Peeters en dringt zich regelmatig tussen de personages op als de verteller, sterker, de schrijver. Dat maakt de roman dus meteen tot een tigdubbelroman: een zelfportret en een familieportret en een streek- en tijdsportret en ook een zelfreflexieve roman met surreële trekjes doordat de doden zich met het schrijven proberen te bemoeien, er in ieder geval naar vragen, hoe het ermee gaat. Maar alles op een heel ongedwongen wijze, zonder dikdoenerij, zonder mooischrijverij. Maar wel met veel liefde en aandacht voor mensen en omgeving. Alle leugens, bedrog, en geweld die daarbij horen, worden niet verzwegen, maar ook niet op het eerste plan gesteld. Van epateren geen sprake.

Gek genoeg doet de roman ook aan Dichtertje van Nescio denken, omdat steeds maar weer God een rol speelt, ook op die familiair-vertrouwde toon als van Nescio. De verteller zelf heeft niet zo veel met God op, maar kan, al was het maar wegens zijn christenpolitieke vader en zijn traditioneel-katholieke grootmoeder, niet om hem heen. Het laatste hoofdstuk, niet ten onrechte 'God, bis' getiteld, is zelfs een ruim elf bladzijden lange monoloog tot die God. Omdat dat slot nog niet lekker is gevallen in mijn lectuur, denk ik dat ik dit boek maar eens gauw lekker nog een keer ga lezen.

vrijdag 1 januari 2010

Erwin Mortier, Godenslaap

11e dr. De Bezige Bij, Amsterdam 2009 [1e dr. 2008]. 406 pagina's.

Om een lang verhaal kort te maken (mirabile dictu in deze context): na vijftig bladzijden ging ik cursorisch lezen. Na honderd ging ik gapen. Na honderdvijftig was er nog niets voorgevallen, terwijl ik vernomen had dat deze roman over de Eerste Wereldoorlog zou gaan. Na tweehonderd ging het boek dicht. Ik houd van lang uitgesponnen zinnen en vertellingen, maar dan moet er wel schot in zitten, moet het wel ergens over gaan. Dit boek is als een Bahlsencake: van buiten bol van binnen hol.

Het gaat niet goed tussen mij en prijswinnende literatuur. Eerst Müller, nu dit weer. Wat een deceptie. Een maandje geleden, toen de Goedheiligman me deze roman geschonken had (omdat ik die op m'n lijstje had staan) zag ik uit naar deze lectuur, waarschijnlijk op grond van des schrijvers faam (kijk maar: 'Mortier schrijft zo goed dat je geneigd bent al het andere als bijzaak te beschouwen', dixit Arjen Fortuin in NRC-Boeken), wat vluchtig gelezen loftuitingen (kijk: 'een schitterende en bij vlagen poëtische taal' zegt Thijs Kramer op 8weekly) en een toegekende Tzum- en AKO-prijs, mede wegens zijn 'overweldigende en overrompelende taal'. Voortaan beter opletten.

Neem de Tzumprijswinnende zin (pas op: hier wordt een kort verhaal lang):
Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg - hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.
Ik kan me bij nader inzien niets voorstellen bij iemand die de cadans (dat is te zeggen: de ritmische beweging of klank) van zijn of haar eigen handschrift volgt. Die metaforische cadans is er pas als je iets geschreven hebt. Achteraf dus. Die kan je, ergo, niet volgen.

Of moet ik dit wat ruimer zien? Dan nog had ik liever iets gelezen van iemand die met haar schrijvende hand haar gedachten als het ware volgt. Daar houd je als lezer iets aan over. Als iemand haar handschrift volgt, krijg je hooguit vorm.

Verder. Wat is 'gestolde [...] wellust'? Wellust is een abstractum, dat impliciet eerst voorgesteld is geweest als vloeibaar (wauw, dat moet de inkt zijn), maar dat hier alleen in zijn gestolde vorm wordt gepresenteerd, namelijk 'letters'. Wellust gestold in letters? Blauwe klontjes afgekoelde wellust? Smakelijk.

Maar wat is 'kwezelachtige wellust', als het geen klinkklare onzin is? Of moet ik de woordgroep ruimer zien: de gestolde wellust van een kwezelachtig meisje? Stuk duidelijker? Ik dacht het niet. En kan je iets zoeken als je een cadans volgt? Of moet je je bij zoeken wat onafhankelijker opstellen?

'Het meisje dat ik ooit geweest moet zijn'. Klinkt literair, maar dat kan iedere volwassen vrouw zeggen, met of zonder geheugenstoornis. Het zegt helemaal niks. Oh wacht: het meisje wordt nader bepaald als 'het wicht', en dan niet zo maar een wicht, maar een wicht 'op de drempel van haar adolescentie'. Ja, anders zou het geen wicht, geen kind meer zijn. Mortier kent zijn Genette en verkent de grenzen. Vandaar die drempel.

Dit kwezelachtig, wellustig drempelwicht trok 'haar schriftuur' (want het woord 'handschrift' was al gebruikt, verandering van woord doet schrijven) trok haar schriftuur strak aan. Mij wondert hoe daar ooit andere dan sadistische wellust in te vinden kan zijn, laat staan wellust van de kwezelachtige soort.

Vergelijking bij strak aantrekken: veters in laarsjes. Verkleinsuffix wegens wicht? Maar een wicht op haar adolescentiedrempel heeft toch al gauw een maatje 36? Dat zijn best aanzienlijke laarzen. Maar goed: het is in deze roman nog vroeg in de twintigste eeuw: we weten nu dat het wicht à la mode rijglaarzen draagt. Maar, dacht de literator, waarom maar één woord gebruiken, als het ook met drie kan? 'Veters' is niet goed; 'lederen veters' is al beter; en 'dunne lederen veters' is best. Pas echter op met het strak aantrekken ervan: ze knappen makkelijker dan dikke katoenen. Allemaal ruis dus.

En dan buigt dit toch al gewrongen geheel terug naar het schrijven: 'het vlees van het woord' wordt gedwongen 'in de baleinen van de zinsbouw'. Kijk: 'baleinen', daar heb je wat aan; dat zijn nog eens stevige dingen, daar kan je een korset strak mee aantrekken. Jammer dat het hier over dunne lederen laarsveters gaat.

Hoe een mens het vlees van het woord (Johannes nog aan toe) zo strak in de zinsbouw kan trekken dat het eigen lijfsvlees met striemen en al uit wil breken... uit die laarsjes of uit die zinsbouw? Linguistisch sadomasochisme? Maar nee, niet dat lijf verlangt naar uitbraak, maar ze, de woordvoerster van deze roman. Opgesloten in de cadans van haar eigen striemende stolsels.

maandag 28 december 2009

E.H. Gombrich, Een kleine geschiedenis van de wereld

10e dr. Bert Bakker, Amsterdam 2009. 299 blz. [1e dr. 2006; oorspr. Eine kurze Weltgeschichte für junge Leser, 1985] [nog oorspronkelijker verschenen in 1935].

Daar was ik tijdens het kerstreces even aan toe: een knoert-eenvoudig boek dat zonder nuancerende, ironiserende, postmodern-zelfrelativerende omwegen knalhard en uiterst verstaanbaar eventjes vertelt hoe het was met de mens, vanaf de oertijd, hoe het verder ging, en waar we nu ongeveer zijn. Alles op een rijtje. Zeer belerend, zonder moeilijk doen. Geen noten, geen literatuurlijst, geen bronnen. Ook geen plaatjes trouwens, alleen enkele heel lelijke kaartjes, zonder enig bijschrift (waar ik de uitgever toch wel een berisping voor zou willen geven). Alleen maar de grote bekende gebeurtenissen, in een betrekkelijk helder verband gepresenteerd. En waar nodig wordt er iets verteld waar we een bekende naam aan hebben te danken. Ik ben weer helemaal opgefrist.

Af en toe viel ik tijdens het opfrissen overigens wel van m'n stoel vanwege het hoog gehalte eurocentrisme en de ongereflecteerde judeo-christelijke voorkeuren en het, naar ik maar aanneem, volkomen onbewuste voorloorlogse mannelijk chauvinisme; maar daar zal de afstand van ruim 74 jaar wel debet aan zijn. Ook dat is geschiedenis.

Opmerkelijk is dat de inleidende tekst op het achterplat niet overeenstemt met het voorwoord. Achterop heeft de uitgever laten drukken dat Ernst Gombrich in 1935 (hij was toen 26 jaar oud) door een kennis werd 'gevraagd of hij een wereldgeschiedenis voor een jeugdig publiek zou kunnen schrijven.' Maar kleindochter Leonie Gombrich schrijft een leuker verhaal. Zij vertelt in haar voorwoord dat de werkloze, net gepromoveerde Ernst Gombrich door 'een bevriende jonge lector' gevraagd werd 'een Engels geschiedenisboek voor kinderen' in te zien, 'om het eventueel in het Duits te vertalen. [...] Mijn grootvader was niet onder de indruk van het boek en zei tegen de uitgever, Walter Neurath [...] dat het niet de moeite loonde het boek te vertalen. "Ik denk dat ikzelf een beter boek zou kunnen schrijven," zei hij tegen Neurath, waarop die hem vroeg eens een hoofdstuk op te sturen.' (p. 17) Dat beviel wel, en vervolgens moest Gombrich zien zijn boek in zes weken te schrijven, opdat de oorspronkelijke planning van de uitgever niet in de war zou raken.

Ook opmerkelijk is dat de titel van het boek niet geheel vertaald is. Het element 'voor jonge lezers' ontbreekt, terwijl het wezenlijk is voor het boek dat het gericht is tot en op en aan kinderen, plusminus eerste klassen middelbare school, of zelfs hoogste klas basisonderwijs. Gombrich gaat namelijk om alles maar duidelijk te maken bereidwillig tot zeer ver over zijn enkels door de knieën (als ik even deze mooie didacto-pragmatische hyperbool van Erwin Mantingh mag lenen). Hij zei er dit nog over: 'Ik wil benadrukken dat dit boek niet was en is bedoeld om de geschiedenisboeken op school te vervangen, want die dienen een geheel ander doel. Ik wil graag dat mijn lezers zich ontspannen en de geschiedenis lezen zonder dat ze aantekeningen maken of namen en dat moeten onthouden. Ik beloof dat ik ze niet zal overhoren.' (p. 20) Overhoren doet hij inderdaad niet, maar hij kan het niet laten om toch steeds dingen in herinnering te roepen en terug te verwijzen naar eerder vertelde onderwerpen. Moet een heel aardige man geweest zijn.

Niet minder opmerkelijk is dat dit boek werd geschreven in 1935. Achteraf lijkt het idioot om net voor de Tweede Wereldoorlog een alomvattende wereldgeschiedenis te schrijven. In een latere uitgave, in 1985, heeft Gombrich wel nog een hoofdstuk toegevoegd waarin de Tweede Wereldoorlog ter sprake komt, maar dan in een soort nawoord, waarin hij in bedekte termen zijn verbijstering erover uitspreekt dat hij eerder had gehoopt te kunnen schrijven 'dat de "werkelijk nieuwe tijd" pas begon toen de opvattingen van mensen zich niet meer richtten naar de brute levenswijze en daden uit vroeger tijden. Die nieuwe tijd begon toen de ideeën en idealen van de zogenaamde Verlichting in de achttiende eeuw zo algemeen werden dat men ze sindsdien vanzelfsprekend achtte. Toen ik dat schreef, kon ik me niet voorstellen dat men nog eens zou overgaan tot het vervolgen van mensen met een ander geloof, dat men bekentenissen door middel van foltering zou afdwingen en zelfs de mensenrechten met voeten zou treden.' (p. 291) Dat noemt hij een 'treurige stap achteruit'. Het is wel zuur nu vast te moeten stellen dat we wereldwijd gezien 24 jaar later eigenlijk nog steeds geen stap meer vooruit zijn gekomen.

Herta Müller, Hartedier

uit het Duitse vertaald door Ria van Hengel. 2e dr. De geus, Breda 2009 [1e dr. 1996; oorspr. Herztier 1994] 216 blz.

Het boek met het oranjeïge omslag ligt op de tafel. De stugge hardcover met het stofomslag ligt op de tafel. De roman met de stomme titel ligt op de tafel. Ik zit op de bank. Misschien is het boek met het oranjeïge omslag op de tafel een stugge hardcover. Misschien heeft de roman met de stomme titel een oranjeïge omslag. Misschien staat de bank bij de tafel in de salon. Misschien ligt de oranjeïge, stomtitelige stugge hardcover op de salontafel.

De witregel slaat als een pokdalige tang op een luizig varken met klaporen. Het luizige varken met klaporen houdt niet van stugge hardcovers. Stugge salontafels hebben stomme omslagen. Het schiet niet op.

Het waait. De oude tante met het paardenhaar zit stug op het lelijke omslag. Yourik slaat het boek hard grondig dicht. Dat was niet nodig. Als hij het loslaat, klapt het vanzelf dicht. Ook als hij pas halverwege is. De oude tante met het paardenhaar kijkt stug de andere kant op.

Zo kan het nog lang doorgaan. Elke zin is er een. Stug volhouden, zei Herta harteloos tegen de dieren.