maandag 25 mei 2015

Kort en goed 2: Stephan Enter, Compassie

Amsterdam, Van Oorschot 2015. Hardkaft met stofomslag, 154 blz. (geen e-ditie van kunnen vinden).

Een man, een beetje een zelfingenomen losbol, leert via een datingsite een vrouw kennen, van wie hij in eerste instantie en in tweede, en zeg maar gerust in bijna alle navolgende instanties, bijzonder onder de indruk is. Misschien was dat niet echt zijn bedoeling, want tot dan toe hopte hij van de ene naar de andere date, zoals dat tegenwoordig heet; mijn moeder zou dat 'scharrels' noemen. Maar Jessica laat niet met zich scharrelen.

Die eerste instantie is haar bijzonder intrigerende gezicht, en die andere instanties zijn haar intellect, haar zelfstandigheid, haar denkbeelden, haar academische carrière, haar kleding, humor, kortom: zo'n beetje alles aan haar. Het boek is bij vlagen wat stroopzoeterig wanneer het tot lofzangen op de half-Duitse Jessica komt. De man, de ik-verteller, Frank van Luijn geheten blijkens het achterplat, gaat volkomen voor de bijl.

Volkomen? Neen. Er blijkt iets aan Jessica's naakte lichaam te zijn, wat hem alles behalve aantrekt (heel discreet verzwijgt de ik-verteller wat dat is; een opmerkelijk detail in het boek). En seksueel is het een regelrechte ramp met deze geesteswetenschappelijke promovenda: ze schreeuwt de hele buurt bij elkaar tijdens het copuleren, maar enige lust, laat staan klaarkomen, is er niet bij.

Daar komt bij: ze heeft aan automutilatie gedaan (ze 'kon niet bij haar gevoel komen') en ze zegt dat onze held haar eerste vriend is. Die heeft dus issues, denkt Frank. Dat is aan geen dovemans oren gezegd, de ridder in hem is gewekt: hij gaat alles op alles zetten, niet alleen om haar te bevredigen, ook en vooral om haar echte eerste vriend te zijn, hij geeft zichzelf als het ware als vriend aan haar, omdat dat een goede ervaring zou zijn, goed ook voor haar zelfbeeld. Maar daarna - heeft hij al vrij snel besloten - daarna moet het ook afgelopen zijn, en zal hij haar verlaten en op zoek gaan naar een betere vriendin.

Nee, zó vervelend en plat seksistisch is het boek gelukkig niet: de hele zaak kantelt volkomen. In veel minder bladzijden dan er gewijd zijn aan zijn zelfbenoemde altruïstische reddingsactie krijgt onze held de volle laag bagger van het lot en het leven, recht in zijn smoel, en hij komt er, te laat, achter dat niet zij, maar hij de sneue figuur is. Hoewel hij uit niets dan liefde handelt, of laten we het compassie noemen, is hij de ergste, meest verdorven, onoprechte, maar tragisch genoeg in zekere zin ook onbedoelde egoïst. Hij geniet zozeer van het feit of de gedachte dat hij Jessica kan helpen, dat zijn acties neerkomen op onverdunde morele zelfbevrediging en geheel losgeslagen zijn van altruïsme, sympathie en empathie.

Het is een even bondige als fraaie staal van keiharde moedwil en dito misverstand. Onheuse zelfvooringenomenheid. En: doordat het een ik-vertelling is, is het wat moeilijk om de zaak echt te doorzien, om langs dat ego van Frank heen te kijken, en krijg je als lezer, als je niet oppast, eveneens een corrigerende tik op je domme vingers.


Nabetrachting 06-06-2015

Bij herlezing, dus met de kennis van de eerste lezing, en in aanmerking genomen dat ik het boek de eerste keer wellicht toch te snel en te argeloos las, vind ik die Frank van Luijn wel een stuk meer in de buurt komen van de zo geheten onsympathieke romanpersonages. Iets preciezer: hij is een fors ontwikkeld impathiek persoon: een figuur met een gapend manco aan empathie gekoppeld aan een enorme zelftevredenheid, en daarnaast begiftigd met een irritante dosis seksgerichtheid. Helemaal niks mis met seks, begrijp me goed, maar bij deze ik-verteller gaat die aandacht, om niet te zeggen: fixatie, nogal ingrijpend te koste van andere zaken en interesses, hoewel hij het doet voorkomen dat het niet zo is.

Grappig (zoals Anker dit woord gebruikt in het slotgedicht van Onvergetelijke, toegewijde trouweloze tijd), dat ik me er zo blind in heb laten luizen door dat dominante vertelperspectief. Want eerlijk gezegd: de 'natuurkunde-ex' van Frank, plottechnisch bezien een bijfiguur die hij aanvankelijk met dedain in zijn relaas neerzet, en die hem na het debacle opbelt, kon de hele situatie met, en ook het karakter van Jessica van een afstandje wel eens veel beter doorgrond hebben dan Frank zelf, die zich presenteert als de onbaatzuchtige en barmhartige, onbezoldigde psychosociale en seksuele hulpverlener. Jessica is misschien niet zo sneu, ze wordt vooral als sneuëlinge neergezet door die luizebol van een Frank.

Ik was vergeten, trouwens, dat deze roman een tegelijk tragisch en blij einde heeft. Frank komt tot een diep zelfinzicht. Anders: ik vraag me af of het slothoofdstuk wel nodig, passend is. Ik had de roman slechts tot en met hoofdstuk negen in mijn geheugen gezet, dus tot en met de ondergang en met een slotscène die aansluit bij het begin: Frank die Jessica's datingsitefoto ziet; zonder hoofdstuk tien, waarin het, met een tijdsprongetje, toch nog goed komt.

Nadere betrachting 26-06-2015

Bij de bespreking van het boek, gisteren met de deelnemersrijke nieuwe leesclub, in de achtertuin van De Bastaard, eerst alleen met studenten en medewerkers en vervolgens ook met de auteur, kwam onder veel meer het slot van de roman ter sprake. Er was verschil van inzicht of dat wel een feitelijke tijdssprong vooruit betrof; misschien was het een flashforward (dus slechts een denkbeeld van Frank hoe 'het' later zou kunnen zijn), of zelfs slechts een flashback. En ik moet zeggen dat de andere twee opties beter zijn dan wat ik aanvankelijk dacht, en dat een flashback de beste duiding is, omdat wel duidelijk was geworden, toch, dat die Frank echt onherstelbaar naar z'n mallemoer was geholpen: dat kan nooit meer goed komen met hem. De implied author heeft hem, als een Dreverhaven zijn niet-geëchte zoon, voor negen tiende uitgeknepen, of misschien nog wel meer, en amechtig stuiptrekkend achtergelaten. En hoewel het past bij het in het motto aangekondigde sprookjesachtige karakter dat het verhaal ook heeft, blijf ik het jammer vinden dat er dat laatste hoofdstuk met die moraal aan toegevoegd is.

Kort en goed 1: Patrick Modiano, Pour que tu ne te perdes pas dans le quartier

Z.p.: Gallimard. Édition électronique, naar de eerste druk van 2014, 94 'bladzijden'.

Jean Daragane, een man, schrijver, Parijzenaar, solist, mogelijk eenzaam, op leeftijd, ergens in de zestig wellicht, wordt telefonisch benaderd door een onbekende die zijn adresboekje heeft gevonden, en hem een vraag wil stellen in verband met het boek dat hij, naar hij zegt, zelf aan het schrijven is, een vraag naar aanleiding van een naam uit dat adresboekje die eveneens voorkomt in de eerste roman van Daragane, die nu zo'n vijfendertig jaar geleden verscheen.

Oeps, deze zin heeft geen enkele gelijkenis met de uitgebeende, korte, droge zinnen die Modiano schrijft, maar geeft wel iets weer van de (nogal melancholische) herinnerings- en identiteits-thematiek van deze, Modiano's recentste, roman. Daragane wil eigenlijk helemaal niet gestoord worden in zijn dagelijkse leven, maar gaat toch in op de uitnodiging voor een ontmoeting. Maar nee, de naam in dat adresboekje en in zijn debuut zegt hem helemaal niets (meer). Zegt hij. Inmiddels begint evenwel zijn memorie op te te warmen, te draaien, te werken, te wentelen.

Tegen het eind van de roman wordt duidelijk dat Daragane zelf, toen hij voorbereidingen maakte voor zijn debuutroman, (ook) inlichtingen vergaarde bij iemand, die hij heel vaag uit zijn verleden van weer vijftien jaar eerder kende, onder het mom van het schrijven van een brochure. Die roman schreef hij (misschien wel uitsluitend) om weer in contact te komen met een moederlijke en zijn echte moeder vervangende, toen nog jonge, vrouw uit dat verleden, door er een scène in te beschrijven die alleen zij zou kunnen herkennen, maar die overigens niet zo veel met het verhaal te maken heeft.

En dat is nog gelukt ook: kort na verschijning van het boek ontving hij bericht van de gezochte Annie Astrand, die dan inmiddels niet meer zo heet: ze heeft de achternaam van haar echtgenoot aangenomen en heeft een nieuwe voornaam. Waarom dat laatste? Onduidelijk. Maar wel is duidelijk dat adresboekjes geen nut hebben: gegevens van wie je erin opzoekt zijn verouderd, veranderd, ongeldig, namen van anderen staan er niet eens in, en wie echt nuttig is, daar ken je de gegevens toch wel van uit je hoofd (en trouwens, telefoneren doet Daragane haast niet meer). Denk je.

Daragan leert later wel dat Annie in de gevangenis heeft gezeten. En dat er iets is/was/zou kunnen zijn geweest met een moord.

Zie je, daar was ik bang voor: deze roman gaat heel erg over vergeten en herinneren, verdringen en naspeuren, terwijl het geen detective is (er komt geen rechercheur in functie in voor) en ook geen spookverhaal. Maar het is toch nogal een gedoe om alle handelingen op een rijtje te zetten, terwijl het nou ook bepaald weer geen actieroman is, en terwijl Modiano er zijn best op gedaan heeft gegevens en formuleringen te herhalen. Ik denk dat het een psychologische ideeënroman is, want ik denk dat Daragane nadrukkelijk een stuk verleden heeft verdrongen, en dat nu toch weer helder probeert te krijgen, omdat hij erachter komt dat hij behoorlijk verdwaald is geraakt in zijn eigen leven. En juist die Annie Astrand heeft hem, jochie nog, toen ze in Parijs terecht kwamen, een in vieren gevouwen papier gegeven met zijn nieuwe adres, en ook de opmerking: opdat je niet verdwaalt in de wijk.

Er wordt veel met parallellen gewerkt in deze roman, spiegeling van personages, het op verschillende tijden op weer dezelfde plaatsen verzeild raken. Heel mooi is het inzicht van Daragane op een gegeven moment dat hij er vijftien jaar over heeft gedaan om aan de overkant van een straat te geraken, dat zijn reconstructie (want zijn eerste roman was al een reconstructie, zo goed als deze roman van Modiano dat nu ook is) hem niet verder helpt dan dat. Zijn zoektocht gaat dan ook niet in de breedte, maar in de diepte, in de duisternis van zijn waarschijnlijk moedwillig vervormde herinnering, een zoektocht in de geest en het gemoed tevens. Om erachter te komen dat er het nodige is misverstaan en misgegaan. Zonder melancholie gaat het niet.

Vrijwel onmiddellijk hierna heb ik de Nederlandse vertaling gelezen. Ik had er wel behoefte aan het boekje te herlezen, want door de leesafstand die het Frans schept, werd ik (te) zeer geabsorbeerd door formuleringen, woordbetekenissen, idiomatische uitdrukkingen, werkwoordstijden en dergelijke, en liet ik de lange lijn van het verhaal, die - als gezegd - subtiel ingewikkeld door het doolhof gelegd is, wellicht wat te vaak vieren. Maar dat bleek mee te vallen. Het is inderdaad zo dat Modiano heel secuur niet zegt wat er zich in dat verleden heeft voorgedaan; Daragane kàn dat (natuurlijk) ook niet noemen, hooguit benaderen; het boek gaat niet over dat éne, maar over de processen van recuperatie erna.

Vreemd vind ik dat de Nederlandse vertaling (door Maarten Elzinga, Amsterdam-Antwerpen 2015, e-boek op basis van de 1e en 2e 'druk' van 2015, 103 'bladzijden') als titel heeft: Om niet te verdwalen, en in het colofon zegt dat de originele titel is: Pour que tu ne te perdes pas. Maar het gaat niet om zomaar ergens de weg kwijtraken, het gaat er nadrukkelijk om de weg dans le quartier niet kwijt te raken, de weg naar huis in de (betrekkelijk overzichtelijke) buurt, wijk, nota bene de wijk waar Daragane nooit meer uit weggegaan is. Overigens niks mis mee, met die vertaling. Maar probeer het boek eerst in het Frans, zo moeilijk is het niet, dank zij die stijl van Modiano.

maandag 27 april 2015

Robert Anker, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

Gedichten. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2015. 88 blz. inclusief aantekeningen.

Dat mijn stemming de laatste tijd niet tintelfris en sprankelend is, kan ik niet ontkennen. Maar ook dat in aanmerking genomen, was ik onthutst door de humeurverlagende impact van alleen al het zien van de weliswaar mooie, maar sulfersombere buitenkant en het vluchtig doornemen van de inhoudsopgave van Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd, de tiende dichtbundel van Robert Anker.

Wellicht droeg de opsomming van de veertien beginregels van de tweede afdeling, 'Het lege hart', er vooral aan bij. Elke begint met 'Het lege hart', behalve de elfde, die opent met 'Il cuore vuoto' en dan doorgaat met 'das leere Herz, the empty heart'; dus ook dat bood geen lichtpunt. Zo min als de eerste regels van het twaalfde gedicht uit die reeks: 'Het lege hart heeft zich voorgenomen / In veertien regels tot een staat te komen / Die hem kalmeert, ik laat hem gaan hier / Hij moet het zelf doen, geen klein bier.'

Wat een troosteloos contrast met een betrekkelijk uitgebeende maar bijzonder klaterende reeks als 'Iemand van ons' uit De broekbewapperde mens (2002), wat ook een veel genereuzere, dynamischere titel is.

Maar dat zag ik pas toen ik de nieuwe bundel las. Toen pas bemerkte ik ook het onthutsende eindrijm in dat gedicht. Te erg voor woorden haast. Maar direct na het doornemen van de inhoudsopgave deed ik iets wat ik anders nooit doe, zeker niet in eerste instantie, bij het lezen van een bundel: ik zocht de opdracht. Maar: er staat geen opdracht voorin de bundel, zo min als in In het westen, de laatste trans (2011; deze bundel is - vreemd genoeg - niet opgenomen in de lijst 'Ander werk van Robert Anker' tegenover de titelpagina van Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd). En zie je: wèl die opdracht voorin de daaraan voorafgaande bundel, gemraad slasser d.d.t. (2009), en ook in de daarvoor gepubliceerde verzamelde gedichten Nieuwe veters (2008), en steeds diezelfde in al de losse bundels vanaf Goede manieren (1989).

Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd is, zoals gebruikelijk in het oeuvre van Anker, weer een fors van alle voorgaande afwijkende bundel, vormelijk en inhoudelijk (thematische harde kernen en syntactische eigengereidheden daargelaten, gelukkig). 'Onvoorspelbaarheid is zijn kracht', schreef Arie van den Bergh ooit in de NRC. Deze nieuwe bundel is, als ik dat na slechts één lezing al mag zeggen, vooral on-mooi en rauw, zeker de eerste twee afdelingen; de derde bestaat uit vijf prozagedichten, waar ik nog wat aan wennen moet; in de volgende drie afdelingen komt er weer wat ouder, bekender geluid in, inclusief melancholie (gedichten over zijn moeder, een gedicht zelfs in zijn moedertaal, het West-Fries) en cultuurkritiek.

Maar het slotgedicht tilde me weer uit m'n hengsels.

En ineens
ik had het niet zien aankomen
dat het steeds wijder
om mij heen was geworden
omdat je altijd denkt
dat de ruimte om je heen
gelijk blijft, al had je
beter kunnen weten
weet je nog toen zij vertrok
zonder weg te gaan?
Ook niet gemerkt dat het eigenlijk
niet meer tot een afspraak kwam
in deze wonderlijke vrolijke wereld
met al die mensen aan boord
altijd wel ergens een orkestje
en waarom ook, een schip
vaart altijd naar een haven.
We waren kansloos vanaf het begin
grappig dat je dat pas weet
als het eindigt
zoals nu.

zondag 26 april 2015

Daniel Levitin, Een opgeruimde geest

Omgaan met de stortvloed aan informatie die dagelijks op je afkomt. Derde druk. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2015.

Een interview met de auteur in de Volkskrant had me nieuwsgierig gemaakt. Des te leuker dat ik onlangs dit boek cadeau kreeg. Schot in de roos (of de schenker twijfelde aan mijn geest; kan ook).

Inclusief bijlage, dankwoord, 806 noten vol verwijzingen naar slechts de representatieve literatuur, illustratieverantwoording en register is dit boek een baksteen van 524 bladzijden; 432 daarvan vormen de hoofdtekst. De oorspronkelijke titel (2014) is: The Organized Mind. De vertaling van Carla Zijlemaker is veel beter, omdat die dubbelzinnig is. Opruimen leidt tot opgeruimdheid, goed geluimdheid (ik dacht: ik leg het maar even uit).

Levitin is hoogleraar (de achterflaptekst noemt dat ‘professor’, maar dat is een aanspreekvorm, zoals we weten sinds we Kuifje lazen, en niet een functie- of rangaanduiding) hoogleraar psychologie, neurowetenschap en muziek (en was al bekend van Ons muzikale brein). Een mooie combinatie; in dit boek zet hij vooral de eerste twee faculteiten in, aan de muziekwetenschap en aan zijn professionele ervaring als muzikant en platenproducent ontleent hij af en toe wat illustratieve voorbeelden.

Je zou dit boek kunnen zien als een extra argument bij het betoog van Nicolas Carr in The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains (2011), met dit verschil dat Levitin er nog meer op gericht is praktische oplossingen te bieden voor de problemen in ons dagelijks leven die hij met veel vakkundige kennis weet te schetsen (Levitins boek is trouwens onvergelijkelijk veel instructiever en toegankelijker en overtuigender dan dat breinboek van Swaab).

Levitin weet uit te leggen hoe onze hers werkt. (Waarom doen we net of we er meer hebben door steeds van ‘hersenen’ te spreken? En zo ja, wat is het verschil met ‘brein’?) Het gaat dan natuurlijk over neurale netwerken, kwabben, helften, schorsen, windingen, synapsen, de prefrontale cortex en andere breinonderdelen en de daaraan verbonden denk- en kenfuncties en hoe die allemaal werken en samenwerken om oude en nieuwe informatie te verwerken en op te slaan en weer op te roepen. Moet je van houden. Maar intrigerend blijft zijn betoog doordat hij steeds terugkoppelingen maakt naar het Menschliche, Alzumenschliche.

Ik neem één voorbeeldje over: ‘Om één persoon die tegen ons spreekt te begrijpen, moeten we 60 bits informatie per seconde verwerken.’ ‘De verwerkingscapaciteit van de bewuste geest wordt geschat op 120 bits per seconde.’ Dat betekent ‘dat je amper twee mensen die tegelijk tegen je praten kunt begrijpen.’ (Alles ruimhartig voorzien van referenties naar relevant onderzoek). Levitin gaat dan verder met deze constatering: ‘We worden op deze planeet omringd door miljarden andere mensen, maar we kunnen er hooguit twee tegelijk begrijpen! Het is geen wonder dat de wereld vol van misverstanden is.’ Ik houd het zelf wat bescheidener en denk: vind je het gek dat je zo weinig informatie overhoudt aan een avond kletsen in de kroeg? Dat ligt niet eens aan het bier!

Hoewel ik soms - wellicht uit onwetendheid - wat kregel word van zogenaamd evolutionair-bio- en psychologische inzichten (zelfs mijn bet-betovergrootvader was geen jager, wat moet ik dan met die zogenaamde overgeërfde instincten en synapsen van die lui, en waarom heb ik nog steeds geen inktpatronen in mijn rechterwijsvinger, het zou eens tijd worden, gelet op mijn klerkenafstamming?), des ondanks weet Levitin er plausibele verklaringen uit af te leiden met betrekking tot de werking van onze hers. Bijvoorbeeld het collectief van neuronen die bekend zijn als het aandachtsfilter, neuronen die ‘grotendeels op de achtergrond, buiten ons bewustzijn’ werken. Stel je maar eens voor: ‘als je uren aan een stuk over de snelweg hebt gereden, [herinner je je] vaak niet veel van het landschap [...]: je aandachtssysteem “beschermt” je tegen sommige waarnemingen omdat die niet belangrijk genoeg worden gevonden om te worden geregistreerd.’ (intrigerende vraag is dan wie dat beoordeelt, op die achtergrond: zeker weer mijn bet-betovergrootvader?)

Over aandacht, langdurige, grondige aandacht versus kortstondige, oppervlakkige aandacht gaat het vaak, zeker in het begin van het boek, en over hoe verleidelijk het is om telkens weer dat belonende shotje dopamine te incasseren als je een klein taakje hebt afgerond (bliep: tweet, effe kijken; zo, gekeken en geantwoord: scoren!) zonder dat het op langere termijn wat oplevert, nee, terwijl het juist een grondige aandacht voor een belangrijker taak verstoort.

Maar goed, ik moet hier niet dat boek gaan navertellen. Ik wil er alleen maar dit mee zeggen: lees het, het is toegankelijk, het is leerzaam, onthutsend leerzaam soms want ook vaak stom-eenvoudig. Dat je je hers kunt ontlasten door vormen van kennis te externaliseren. Berg je pennen altijd op in het pennenbakje, dan hoef je daar niet meer over na te denken en hoef je dus ook nooit meer naar een pen te zoeken, en blijft er daardoor capaciteit over voor andere onderwerpen. Heel veel van dergelijke praktische tips staan erin, niet van die losse tegeltjeswijsheden, maar tips gebaseerd op de overgedragen kennis met betrekking tot de organisatie en de werking van het menselijk brein. Je houdt tijd over aan het lezen van dit boek, en rust, en aandacht, dus kennis, dus meer tijd, dus meer en zo verder. Kortom, je wordt ook vrolijk van dit boek.

Komt nog bij dat Levitin pleit voor een dagelijkse power nap. Dat heeft te maken met een betrekkelijk recente neurowetenschappelijke ontdekking: de dagdroomtoestand van onze hers. ‘Dagdromen, zo weten we nu, is een natuurlijke toestand van de hersenen.’ ‘De neiging van dit systeem om de controle over te nemen is zo sterk dat de ontdekker ervan, Marcus Raichle, het de standaardmodus noemde.’ Die staat qua functioneren ongeveer haaks op een andere dominante aandachtsmodus, het centraal regelsysteem oftewel de central executive. ‘Hoe meer het dagdroomnetwerk wordt onderdrukt, hoe nauwkeuriger de uitvoering van de taak waarmee je bezig bent.’ Inderdaad: ‘aandacht heeft een prijs’ (cf. het Engelse paying attention). En: je hers vertegenwoordigt slechts 2 % van je lichaamsgewicht, maar verbruikt 20% van je energie, als ik het goed onthouden heb! Daar moet je dus verstandig mee omgaan.

Lees toch dit boek, dan hoef ik het hier niet na te vertellen en kan ik me weer op iets anders concentreren!

Huub Beurskens, Wachten op een vriend

Roman. Koppernik, z.p. 2015. Paperback met flappen, 205 blz.

Dubbelroman? Spiegelroman? Bespiegelende roman? Reflexroman? In ieder geval onder meer een nabootsing, zo niet emulatio van Becketts Wachten op Godot, zeg ik heel stoer terwijl ik die tekst van Beckett nog niet gelezen heb. Maar een beetje ouderwetse algemene kennis van titels van grote werken... maar zelfs die is niet nodig want in de verantwoording achterin het boek maakt Beurskens zijn bronnen bekend, veel meer dan alleen Beckett, van Catullus tot en met Jagger & Richards, inclusief Beurskens' eigen Wilde boomgaard (een indirect lesje bescheidenheid, die verantwoording, want veel las ik zelf nog niet) (dus waar begon ik aan, toen ik deze roman voor de tweede maal las, nog steeds zonder bijlezen?)

De twee delen waaruit de roman bestaat (p. 5-90 en 91-205, bestaande uit vijftien respectievelijk zestien genummerde en betitelde hoofdstukken) spiegelen elkaar, maar vullen elkaar ook aan; ze zijn contrasterend en complementair. Dus van echte spiegeling is geen sprake. Maar ja, vrijwel iedere analytische en evaluerende term in een literatuurbeschouwing is in wezen metaforisch, onzuiver, tentatief, provisorisch, tastend. Daarom toch: spiegeling. Elk deel heeft een eigen verteller: het deel 'Wachten op Lerrie' wordt verteld door Hendrik, het tweede deel, 'Wachten op Hendrik', door Lerrie, dat spreekt.

Een eenvoudige opvatting van spiegeling veronderstelt wellicht minstens dat beide delen even groot zijn; dat is hier niet het geval, gezien het totaal van 31 hoofdstukken. Maar daarbij moet wel worden aangetekend dat het zestiende en laatste hoofdstuk van het tweede deel als titel heeft: '...al goed'. Dat kan je zien als de parafrase van het einde van de genotekst: 'Rideau'. De titel van het slothoofdstuk is het complement van Lerrie's slotwoorden in het voorlaatste hoofdstuk: 'Eind goed...'. Dat voorlaatste is dan misschien toch wel het laatste hoofdstuk, en het laatste laatste hoofdstuk een nabeschouwing? Een lezer in het nauw maakt rare sprongen.

De beide vertellers - ik ga er, vooralsnog en onder voorbehoud van mogelijk voortschrijdend inzicht bij herlezing, vanuit dat Hendrik en Lerrie (officieel: Hilarius) niet stiekem eigenlijk twee kanten van één woordvoerder zijn - brengen een reflecterend verslag uit van hun ontmoeting, hernieuwde kennismaking na decennia, decennia nadat hun vriendschap begon op de middelbare school, een gymnasium, een school onder leiding van paters, met interne en externe leerlingen; en inderdaad: de een was in-, de ander extern. Op allerlei terrein zijn ze vergelijkbaar maar toch verschillend, als twee druppels water, maar dan op de wijze van de hoofdpersonages van Hermans' Donkere kamer.

Misschien is het beter niet te spreken van reflecterende verslagen, maar van pre-reflecterende of pro-visorische dan wel voor-onderstellende verslagen: ze lopen voortdurend vooruit op wat er zou kunnen of idealiter in hun optiek zou moeten plaatsvinden tijdens de ontmoeting. Of die ontmoeting daadwerkelijk plaats heeft gevonden, waag ik nog steeds te betwijfelen, ook al is er in het tweede deel sprake van een terugkijken naar de vorige avond.

Hendrik en Lerrie zijn allebei pensionado, maar het vertelde, het herinnerde, het voorziene te herinneren, betreft vooral hun jeugd, en meer nog beider eerste, grote, idealiserende, platonische en mislukte liefde, nog meer nog beider onvoorwaardelijke, beter: verondersteld compromisloze vriendschap, terwijl die in werkelijkheid misschien niet eens zo veel om het lijf had; in gedachten en in herinnering heeft ze dat des te meer. De roman verbeeldt een gedeeld, diep gekoesterd ideaal van vriendschap en vriendschappelijke, onvoorwaardelijke trouw, een pueriele, maar kostbare illusie.

Het merkwaardige is dat je, zoals gezegd, voortdurend aan het twijfelen wordt gebracht of het vertelde wel plaats heeft gevonden; of het niet veeleer zo is dat elk van beide vrienden zich een verkneukelende voorstelling maakt van de hernieuwde kennismaking, een voorstelling die zich zo sterk aan beider geest opdringt, dat ze in de plaats komt van een mogelijke, verhoopte werkelijkheid. Die twijfel weet Beurskens te bewerkstelligen zonder dat zijn roman vaag is of suggestief. De tekst is juist zeer secuur op papier gezet, met alle aandacht voor landschappelijke details en ook voor de typografische markering van de personagetekst en de ingebedde (veronderstelde) spreekteksten van andere personages die door het vertellende personage worden weergegeven. Je moet een beetje opletten bij het lezen, maar dan blijkt het toch echt allemaal te kloppen, tot op de millimeter: vertellerstekst is zonder aanhalingstekens, personagetekst staat tussen enkele aanhalingstekens, en ingebedde tekst van andere personages tussen dubbele aanhalingstekens (en terzij zij opgemerkt dat wanneer een interpunctieteken aan het begin of het eind van de zetregel staat, dat net buiten de marge is geplaatst, zodat het tekstblok relatief massief is geworden).

Beurskens is, onder veel meer, een bijzonder talige auteur. Daar moet je schik in hebben; zo niet, kan ik me voorstellen dat je iebel wordt van zijn afstandelijke, reflecterende, nu eens zeer archaïsche en dan weer anderszins exuberante stijl. Die is, met andere woorden, alles behalve saai of eenvormig; en daar heb ik schik in. In zijn rijke vocabulaire, zijn welgeplaatste registerwisselingen, zijn variatie van zinstructuren, zijn citaten van velerlei herkomst, het inzetten van rijm en van metrum op onverwachte momenten, neologismen en wat al meer. 'Ik murmel een aantal keer met smacht haar voornaam in het tramgeratel en -gepiep'. Een en ander leidt tot de sensatie dat geen woord onbezonnen op het papier terecht is gekomen. Die noblesse obligeert de lezer om te proberen op gelijk niveau te lezen, met gepaste, met passende aandacht.

De roman zet daar op vriendelijke wijze toe aan. Bijvoorbeeld het begin. 'Ik had de behoefte acuut om te keren. Sterker, die behoefte had mij!' Zo luidt de eerste zin van de roman; meer media in res kan je het, paradoxaal genoeg, welhaast niet krijgen. Daarop volgen nog vier regels tekst, en dan, na een witregel: 'Maar laat ik bij het begin beginnen.' Daarna volgt, na weer een witregel, het (nieuwe) begin van de roman, een scène die in de geschiedenis voorafgaat aan de eerder vertelde scène; en dat tweede begin haakt duidelijk aan bij zowel de afbeelding op het omslag als bij het toneelbeeld waarmee de genotekst, Wachten op Godot, opent. Na weer een witregel, op de tweede pagina, luidt het dan opnieuw: 'Ik had de behoefte acuut om te keren. Sterker, die behoefte had mij!' Gevolgd door vijf regels tekst, die bijna precies maar niet helemaal hetzelfde geformuleerd zijn als die vier regels die op de (eerste) openingsregel volgen.

Het minste wat me dus te doen stond, was deze spiegelroman tweemaal te lezen. Dat gedaan hebbende, weet ik nu dat ik nog te kort schoot. Ik ga de roman nog een keer lezen moeten. Gelukkig is er een spitse lezer als Bart Vervaeck, die op de Reactor een, voor zover ik dat kan beoordelen, behoorlijk goede samenvatting van de plot weet te presenteren in zijn bespreking van de roman. Door die bespreking, meer nog: de bespreker, of beter: diens proefschrift, dacht ik eraan dat de roman iets Brakmanachtigs heeft, met die personages die zich een wereld naar hun hoofd praten zonder dat de directe lijnen naar de onderliggende werkelijkheid al te evident zijn. Maar even zo goed speelde steeds een gedicht van C.O. Jellema door mijn gedachten: 'Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid, / dat is de buigzame herinnering; / beleven is te snel zelfs voor verwondering: / een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.' (Uit: Klein gloria en andere gedichten, 1961).

Bij al dat gereflecteer, die abstractie en dat laveren tussen werkelijkheid en verbeelding is (ook) deze roman van Beurskens (zoals de poëzie van Jellema, trouwens) volstrekt niet gespeend van liederlijke lijfelijkheid. Een van de fraaiste voorbeelden daarvan vind ik de passage waarin Lerrie vertelt over de een uiterst penibele en schuldige, morele grenssituatie uit zijn moeizaam-amoureuze jeugd waarin hij het letterlijk in zijn broek doet van ontredderende angst; nee, niet letterlijk: hij wist nog net zijn broek te laten zakken voor de spanning hem te veel werd, maar dan krijgt de lezer alles ook in geuren en kleuren uitgeserveerd. Plastische verbeelding van een jeugdige oersensatie.

Mijn eerste lectuur was er een van geabsorbeerd ondergaan in de tekst, en de tweede was dat niet minder, al had ik me voorgenomen scherp op te letten. Ik liet me evenwel weer meevoeren. Zoals van de tweede helft van deze roman ten opzichte van de eerste, kan ik van m'n tweede lezing na de eerste zeggen: het is hetzelfde garen, maar op een ander klosje (of: ander garen op een gelijkend klosje). Dat is het mooie van deze roman: er zit een enorme rijkdom aan inhoud in een zeer gevarieerde vorm.

maandag 13 april 2015

Niña Weijers, De consequenties; roman

6e dr. Amsterdam-Antwerpen:Atlas Contact (1e dr. 2014), paperback, 287 blz., debuut.

Liever - annex doorgaans - houd ik me wat gedeisd als het gaat om het bespreken van mijn leeservaring met prozadebuten die nog onderwerp van discussie zijn van de vakjury van de ANV-debutantenprijs, maar als zo'n debuut naar mijn persoonlijke indruk met kop en met schouders boven het debuterenden-maaiveld uitsteekt, vooralsnog, dan moet die enigszins plichtmatige schroomvalligheid maar wijken. En als ik zie dat het boek door een collegavakjurylid al in alle openbaarheid officieel besproken is, waarom zou ik dan nog mijn woorden gevangen houden achter het spreekwoordelijke hekje mijner tanden?

In ieder geval denk ik dat Niña Weijers als schrijfster heel wat meer in haar mars heeft dan Sanne Sannes als fotograaf (aan zijn oeuvre is het omslagbeeld van de roman ontleend); één plaatje van dien obligaten aard is wel aardig, maar als je er meer van ziet - Google maakt het mogelijk - dan vergaat je de kijklust al snel (iets te veel tiet, om maar eens een refrein van Roosbeef te vermaken; en na twee foto's heb ik het wel gehad met die quasi-kunstzinnig niet scherpe en slecht uitgesneden blote beeldjes). Maar dit terzij; dat beeld is bijzaak.

Het was me niet ontgaan dat Weijers de afgelopen (bijna) twee jaar nogal wat lof heeft vergaard met haar romandebuut dan wel debuutroman. Maar ik realiseer me dat ik geen enkele recensie gelezen heb; kennelijk met de gedachte dat ik de roman toch nog een keer zelfstandig zou moeten lezen en beoordelen. Bovendien dacht ik, eerlijk gezegd: Niet weeeer van dat geloftrompetter voor weer zo'n aanstormend DasMag-talent waar al zo veel lof over wordt getrompetterd; het zal wel; die publiciteitsmachine is geolied en werkt als een tierelier; dat is genoegzaam bekend; terwijl ik er mijn twijfels bij heb; te veel kunstmatig geroedel en geschool, te veel navelstaarderij-kwadraat en coming of age. En levenszinloosheid, niet te vergeten.

Hoe gaat dat toch in een lezershoofd? Dat je al vanaf de eerste pagina denkt te kunnen weten: dit is niet zo maar iets, dit is iets bijzonders, dit is anders dan veel van de rest, dit maakt de anderen tot de rest. Dit ligt meteen voor, dit laat de rest achter, en ver en met een schijnbare vanzelfsprekendheid, met een schijnbaar moeiteloos gemak. Geen idee, hoe dat gaat, maar het gebeurde.

Wat draagt eraan bij? Dat er een proloog is, maar geen epiloog en ook geen tussenliggende delen 1 tot en met 3 dan wel 5. Dat het niet de zoveelste ik-vertelling is. Dat het niet de dertienineendozijnste roman is met een knulletje of meisje van plusminus negen jaar als hoofdpersoon-dat-de-wereld-der-volwassenen-(waartoe de implied author zichzelf nog maar net toe zou mogen durven rekenen)-nog-niet-goed-doorziet-terwijl-wij-als-lezers-dat-(oh, ironie)wel-kunnen. Dat het niet over de oorlog gaat of iets anders herkenbaars HEEL ERGS. Dat het niet geschreven is in van die amechtige korte zinnetjes die steeds met IK beginnen, of met HIJ of ZIJ, al naar gelang het platgetreden pad naar de hoofdfiguur.

Dat hier een zelfstandige vrouw centraal staat als volwassen kunstenares, en als kind, maar een bijzonder en begaafd kind van zeven jaar, en als pasgeborene. Dat die perioden niet chronologisch en ook niet antichronologisch maar schijnbaar willekeurig door elkaar worden verteld. Dat je samenhang vermoedt. Dat er een vertelinstantie is die nadrukkelijk afstand houdt van haar personages waar ze toch ook zeer mee begaan is en die ze (dan ook) niet hooghartig en ironisch op de korrel neemt. Dat de vertelling soms even minder op een roman dan op een kunsthistorisch en kritisch essay lijkt maar dan toch weer een roman blijkt. Dat er wel een essay over een kunstenaar in opgenomen is, in een ander lettertype, maar slechts eenmaal (het scheelt als je werk van die kunstenaar kent). Dat de meeste personages geen echte naam hebben, maar een functieaanduiding (zoals 'de fotograaf' en 'de moeder van Minnie') en dat de namen die er wel vallen een beetje vreemd zijn. Dat de personages bepaald niet psychologisch doorsnee-realistisch zijn, maar enigszins (niet volledig) grotesk en toch kwetsbaar overkomen en empathie opwekken (nu eens moest ik aan Bonita avenue denken, dan weer aan De verjaardagen; maar ik weet dat vergelijken gevaarlijk is). Dat er een grote thematiek - van identiteit en kunstmatigheid, van authenticiteit en holle buitenkant - wordt aangesneden, op een alleszins aangename wijze, zonder beleerderigheid, zonder wijsneuzigheid, maar op een nieuwsgierigmakende wijze.

Hoe gaat dat? Waardoor wil ik een roman zo snel mogelijk uitlezen? En waardoor wil ik een roman liefst zo snel mogelijk herlezen? Waardoor denk ik dat ik een boek wel snap, maar nog niet geheel begrijp? Waardoor denk ik bij sommige zinnen: is dit nu heel fijnzinnig geformuleerd met tal van nuances of neigt het juist naar bombast en holheid? En waardoor denk ik: geeft niet, dat vind ik later wel uit; vooralsnog past het bij de herkenbaar blootgelegde paradoxaliteit van het leven die deze roman waarschijnlijk mede tot uitdrukking wil brengen?

[10-05-2015: vandaag in twee zittingen deze stevige, mooie, eigenwijze, niet doorsnedige, dwarsdenkende, goed geformuleerde debuutroman met net zoveel plezier herlezen als ik hem al las. Ergens las ik een recensent schrijven dat die van de roman de indruk kreeg dat er al een heel oeuvre achter lag. Inderdaad. Daarom duim ik voor morgen. Maar, beste Wijers, met de andere hand duim ik voor Peek. Ik ben blij dat ik niet te kiezen hoef.]

zondag 18 januari 2015

In goed gezelschap

Liet ik mijn oren hangen naar wat de zeer belezen Nobel-lauradeurs en -lauradrices onlangs meenden te kunnen oordelen en kocht ik van Patrick Modiano In het café van de verloren jeugd. Vertaald door Maarten Elzinga. Derde, gecorrigeerde, papieren druk. Amsterdam-Antwerpen: Querido 2014. De eerst druk is van 2008; het oorspronkelijke werk verscheen in 2007 en heet Dans le café de la jeunesse perdue.

Waarom nou ook niet dat 'café' vertaald, vraag ik me dan toch eventjes af. Zeker, 'café' is al lang en breed een gezond-Hollands woord en concept, maar het wat antieke, gedateerde, nostalgische 'koffiehuis' had echt niet misstaan in de titel van dit romannetje.

Heel veel heeft het boek niet om het lijf, materieel bezien. Honderd negenendertig bladzijden pure romantekst, verdeeld in vijf titelloze en ongenummerde hoofdstukken met kop- en staartwit, en alles gezet uit een niet kleine letter. Ieder hoofdstuk heeft een andere ik-verteller, behalve de laatste twee, die allebei door Roland verteld worden, maar in dat geval zit er een enorme tijdsprong tussen de hoofdstukken. Vier verschillende perspectieven dus en een begin in medias res. Je krijgt wel wat uit te knobbelen tijdens het lezen, want de vertellers kennen elkaar allemaal min of meer, dus veel kan impliciet blijven; ze kwamen, ergens in de jaren zestig volgens de achterflap, allemaal over de vloer van koffiehuis De Condé. Een zootje, meest jonge, stadsbohemiens, 'zo tussen de negentien en de vijfentwintig' jaar oud.

De constructie is dus enigszins à la De Metsiers en Vele hemels boven de zevende om niet steeds bij dat oude voorbeeld te blijven hangen, maar de sfeer, zeker die van het eerste hoofdstuk, is veel meer die van De uitvreter; de raadselachtigste figuur in deze roman is Louki, een zwervende jongevrouw die uiteindelijk niet in de Waal, zelfs niet in de Seine stapt, maar wel van het balkon. Het waarom van een en ander, en ook van de drijfveren, n'importe quels, van de andere personages, blijft in nevelen gehuld, komt niet ter sprake, wordt niet geëxpliciteerd.

Ik denk dat dat laatste de kracht van dit boek is, dat die fragmenten van levens die je te zien krijgt, niet mooier, duidelijker, helderder gemaakt worden dan ze in het (veronderstelde) echt zouden zijn geweest. Zoals in Godin, held.

Laat je niet misleiden door die laatste vergelijking: geen 'onvertogen' woord valt er in Modiano's roman. Dat is wel jammer. Men doet er ook niet zo veel, tenzij wandelen, 'in den Alleen hin und her / unruhig wandern'. En daarbij wordt vrijwel het gehele stratenplan van minstens de Linkeroever gememoreerd, keer op keer. Dat laatste is in mijn optiek een dik minpunt van deze roman, waar een soort muffe, zelfgenoegzame dorpsgeest uit opstijgt, zoals ook uit uit La Superba, hoezeer men er ook, naar ik aanneem, juist iets van stedelijke allure mee ten toon wil spreiden.

Maar misschien mis ik iets. Want deze roman is, zo zegt het achterplat, 'De favoriete Modiano van Cees Nooteboom, Maartje Wortel, Thomas Lieske, Margot Dijkgraaf en Christiaan Weijts.' Vooralsnog is mij onduidelijk wat deze auteurs meer gemeen hebben dan alleen deze voorkeur, zoals me onduidelijk is waarom dat op het achterplat genoemd wordt. Nimmer heb ik mij geroepen gevoeld om te lezen wat deze auteurs zeggen goed te vinden. Maar vooralsnog bevind ik me dus in goed gezelschap.

In het café van de verloren jeugd is ook mijn favoriete Modiano. Zet het er maar bij, achterop de volgende druk. En daarbij zal het voorlopig wel blijven ook, want het is mijn eerste Modiano, en een tweede komt er de komende maanden niet bij, want voorheen de Academia Literatuurprijs heeft een nieuwe sponsor gevonden in het ANV. De prijs gaat door, de jury gaat door, en volgende week woensdag krijg ik de eerste lading debuten te verwerken.