maandag 13 april 2015

Niña Weijers, De consequenties; roman

6e dr. Amsterdam-Antwerpen:Atlas Contact (1e dr. 2014), paperback, 287 blz., debuut.

Liever - annex doorgaans - houd ik me wat gedeisd als het gaat om het bespreken van mijn leeservaring met prozadebuten die nog onderwerp van discussie zijn van de vakjury van de ANV-debutantenprijs, maar als zo'n debuut naar mijn persoonlijke indruk met kop en met schouders boven het debuterenden-maaiveld uitsteekt, vooralsnog, dan moet die enigszins plichtmatige schroomvalligheid maar wijken. En als ik zie dat het boek door een collegavakjurylid al in alle openbaarheid officieel besproken is, waarom zou ik dan nog mijn woorden gevangen houden achter het spreekwoordelijke hekje mijner tanden?

In ieder geval denk ik dat Niña Weijers als schrijfster heel wat meer in haar mars heeft dan Sanne Sannes als fotograaf (aan zijn oeuvre is het omslagbeeld van de roman ontleend); één plaatje van dien obligaten aard is wel aardig, maar als je er meer van ziet - Google maakt het mogelijk - dan vergaat je de kijklust al snel (iets te veel tiet, om maar eens een refrein van Roosbeef te vermaken; en na twee foto's heb ik het wel gehad met die quasi-kunstzinnig niet scherpe en slecht uitgesneden blote beeldjes). Maar dit terzij; dat beeld is bijzaak.

Het was me niet ontgaan dat Weijers de afgelopen (bijna) twee jaar nogal wat lof heeft vergaard met haar romandebuut dan wel debuutroman. Maar ik realiseer me dat ik geen enkele recensie gelezen heb; kennelijk met de gedachte dat ik de roman toch nog een keer zelfstandig zou moeten lezen en beoordelen. Bovendien dacht ik, eerlijk gezegd: Niet weeeer van dat geloftrompetter voor weer zo'n aanstormend DasMag-talent waar al zo veel lof over wordt getrompetterd; het zal wel; die publiciteitsmachine is geolied en werkt als een tierelier; dat is genoegzaam bekend; terwijl ik er mijn twijfels bij heb; te veel kunstmatig geroedel en geschool, te veel navelstaarderij-kwadraat en coming of age. En levenszinloosheid, niet te vergeten.

Hoe gaat dat toch in een lezershoofd? Dat je al vanaf de eerste pagina denkt te kunnen weten: dit is niet zo maar iets, dit is iets bijzonders, dit is anders dan veel van de rest, dit maakt de anderen tot de rest. Dit ligt meteen voor, dit laat de rest achter, en ver en met een schijnbare vanzelfsprekendheid, met een schijnbaar moeiteloos gemak. Geen idee, hoe dat gaat, maar het gebeurde.

Wat draagt eraan bij? Dat er een proloog is, maar geen epiloog en ook geen tussenliggende delen 1 tot en met 3 dan wel 5. Dat het niet de zoveelste ik-vertelling is. Dat het niet de dertienineendozijnste roman is met een knulletje of meisje van plusminus negen jaar als hoofdpersoon-dat-de-wereld-der-volwassenen-(waartoe de implied author zichzelf nog maar net toe zou mogen durven rekenen)-nog-niet-goed-doorziet-terwijl-wij-als-lezers-dat-(oh, ironie)wel-kunnen. Dat het niet over de oorlog gaat of iets anders herkenbaars HEEL ERGS. Dat het niet geschreven is in van die amechtige korte zinnetjes die steeds met IK beginnen, of met HIJ of ZIJ, al naar gelang het platgetreden pad naar de hoofdfiguur.

Dat hier een zelfstandige vrouw centraal staat als volwassen kunstenares, en als kind, maar een bijzonder en begaafd kind van zeven jaar, en als pasgeborene. Dat die perioden niet chronologisch en ook niet antichronologisch maar schijnbaar willekeurig door elkaar worden verteld. Dat je samenhang vermoedt. Dat er een vertelinstantie is die nadrukkelijk afstand houdt van haar personages waar ze toch ook zeer mee begaan is en die ze (dan ook) niet hooghartig en ironisch op de korrel neemt. Dat de vertelling soms even minder op een roman dan op een kunsthistorisch en kritisch essay lijkt maar dan toch weer een roman blijkt. Dat er wel een essay over een kunstenaar in opgenomen is, in een ander lettertype, maar slechts eenmaal (het scheelt als je werk van die kunstenaar kent). Dat de meeste personages geen echte naam hebben, maar een functieaanduiding (zoals 'de fotograaf' en 'de moeder van Minnie') en dat de namen die er wel vallen een beetje vreemd zijn. Dat de personages bepaald niet psychologisch doorsnee-realistisch zijn, maar enigszins (niet volledig) grotesk en toch kwetsbaar overkomen en empathie opwekken (nu eens moest ik aan Bonita avenue denken, dan weer aan De verjaardagen; maar ik weet dat vergelijken gevaarlijk is). Dat er een grote thematiek - van identiteit en kunstmatigheid, van authenticiteit en holle buitenkant - wordt aangesneden, op een alleszins aangename wijze, zonder beleerderigheid, zonder wijsneuzigheid, maar op een nieuwsgierigmakende wijze.

Hoe gaat dat? Waardoor wil ik een roman zo snel mogelijk uitlezen? En waardoor wil ik een roman liefst zo snel mogelijk herlezen? Waardoor denk ik dat ik een boek wel snap, maar nog niet geheel begrijp? Waardoor denk ik bij sommige zinnen: is dit nu heel fijnzinnig geformuleerd met tal van nuances of neigt het juist naar bombast en holheid? En waardoor denk ik: geeft niet, dat vind ik later wel uit; vooralsnog past het bij de herkenbaar blootgelegde paradoxaliteit van het leven die deze roman waarschijnlijk mede tot uitdrukking wil brengen?

[10-05-2015: vandaag in twee zittingen deze stevige, mooie, eigenwijze, niet doorsnedige, dwarsdenkende, goed geformuleerde debuutroman met net zoveel plezier herlezen als ik hem al las. Ergens las ik een recensent schrijven dat die van de roman de indruk kreeg dat er al een heel oeuvre achter lag. Inderdaad. Daarom duim ik voor morgen. Maar, beste Wijers, met de andere hand duim ik voor Peek. Ik ben blij dat ik niet te kiezen hoef.]

zondag 18 januari 2015

In goed gezelschap

Liet ik mijn oren hangen naar wat de zeer belezen Nobel-lauradeurs en -lauradrices onlangs meenden te kunnen oordelen en kocht ik van Patrick Modiano In het café van de verloren jeugd. Vertaald door Maarten Elzinga. Derde, gecorrigeerde, papieren druk. Amsterdam-Antwerpen: Querido 2014. De eerst druk is van 2008; het oorspronkelijke werk verscheen in 2007 en heet Dans le café de la jeunesse perdue.

Waarom nou ook niet dat 'café' vertaald, vraag ik me dan toch eventjes af. Zeker, 'café' is al lang en breed een gezond-Hollands woord en concept, maar het wat antieke, gedateerde, nostalgische 'koffiehuis' had echt niet misstaan in de titel van dit romannetje.

Heel veel heeft het boek niet om het lijf, materieel bezien. Honderd negenendertig bladzijden pure romantekst, verdeeld in vijf titelloze en ongenummerde hoofdstukken met kop- en staartwit, en alles gezet uit een niet kleine letter. Ieder hoofdstuk heeft een andere ik-verteller, behalve de laatste twee, die allebei door Roland verteld worden, maar in dat geval zit er een enorme tijdsprong tussen de hoofdstukken. Vier verschillende perspectieven dus en een begin in medias res. Je krijgt wel wat uit te knobbelen tijdens het lezen, want de vertellers kennen elkaar allemaal min of meer, dus veel kan impliciet blijven; ze kwamen, ergens in de jaren zestig volgens de achterflap, allemaal over de vloer van koffiehuis De Condé. Een zootje, meest jonge, stadsbohemiens, 'zo tussen de negentien en de vijfentwintig' jaar oud.

De constructie is dus enigszins à la De Metsiers en Vele hemels boven de zevende om niet steeds bij dat oude voorbeeld te blijven hangen, maar de sfeer, zeker die van het eerste hoofdstuk, is veel meer die van De uitvreter; de raadselachtigste figuur in deze roman is Louki, een zwervende jongevrouw die uiteindelijk niet in de Waal, zelfs niet in de Seine stapt, maar wel van het balkon. Het waarom van een en ander, en ook van de drijfveren, n'importe quels, van de andere personages, blijft in nevelen gehuld, komt niet ter sprake, wordt niet geëxpliciteerd.

Ik denk dat dat laatste de kracht van dit boek is, dat die fragmenten van levens die je te zien krijgt, niet mooier, duidelijker, helderder gemaakt worden dan ze in het (veronderstelde) echt zouden zijn geweest. Zoals in Godin, held.

Laat je niet misleiden door die laatste vergelijking: geen 'onvertogen' woord valt er in Modiano's roman. Dat is wel jammer. Men doet er ook niet zo veel, tenzij wandelen, 'in den Alleen hin und her / unruhig wandern'. En daarbij wordt vrijwel het gehele stratenplan van minstens de Linkeroever gememoreerd, keer op keer. Dat laatste is in mijn optiek een dik minpunt van deze roman, waar een soort muffe, zelfgenoegzame dorpsgeest uit opstijgt, zoals ook uit uit La Superba, hoezeer men er ook, naar ik aanneem, juist iets van stedelijke allure mee ten toon wil spreiden.

Maar misschien mis ik iets. Want deze roman is, zo zegt het achterplat, 'De favoriete Modiano van Cees Nooteboom, Maartje Wortel, Thomas Lieske, Margot Dijkgraaf en Christiaan Weijts.' Vooralsnog is mij onduidelijk wat deze auteurs meer gemeen hebben dan alleen deze voorkeur, zoals me onduidelijk is waarom dat op het achterplat genoemd wordt. Nimmer heb ik mij geroepen gevoeld om te lezen wat deze auteurs zeggen goed te vinden. Maar vooralsnog bevind ik me dus in goed gezelschap.

In het café van de verloren jeugd is ook mijn favoriete Modiano. Zet het er maar bij, achterop de volgende druk. En daarbij zal het voorlopig wel blijven ook, want het is mijn eerste Modiano, en een tweede komt er de komende maanden niet bij, want voorheen de Academia Literatuurprijs heeft een nieuwe sponsor gevonden in het ANV. De prijs gaat door, de jury gaat door, en volgende week woensdag krijg ik de eerste lading debuten te verwerken.

vrijdag 19 december 2014

Keep

Tsja, dat doe je dan, als je geboeid bent geraakt door een roman: herlezen, en, omdat de gelegenheid zich voordoet, van achter naar voren voor de tweede maal herlezen.

Eerste indruk van die derde leesgang, een kreeftleesgang of peekkreeftleesgang: het maakt niet uit, het boek blijft goed, wat het al was.

Maar: deze conclusie zegt niet zo veel, want ik kende het boek al.

Een andere conclusie dan: de leeservaring was bij de derde, bij de retrogadelectuur even aangenaam als bij de tweede, de orthodoxe herlezing. En ik geloof nog steeds niet dat de omgekeerde presentatie van de gebeurtenissen daarom zinloos is. Maar ik heb geen idee wat de ervaring zou zijn bij een eerste leesgang volgens de chronologie.

Kortom: een onzinnig experiment. Want als er nu iemand zich zou melden die het boek niet kende en het spontaan van achter naar voren had gelezen en er niks aan zou vinden, zou ik toch denken dat die persoon een heel andere smaak of voorkeur heeft dan ik.

Fleur Kief, webboekverkoper bij Athenaeum.nl, noemt het boek in haar recensie 'rafelig'. Dat is een mooie karakterisering. Zelf schoot me steeds het woord 'lückenhaft' door het hoofd. Gaterig, om het raar te vertalen. Er staat veel uit de veronderstelde geschiedenis van Tessa en Marius niet in het verhaal, je moet als lezer bijzonder veel ontwikkelingen, gebeurtenissen, omstandigheden, die gewoonlijk (in gewonere romans en in het echte leven) van belang zijn om ontwikkelingen te kunnen verklaren en om mensen en hun handelingen te kunnen begrijpen, met behulp van extrapolatie invullen, aanvullen, interpreteren. En wat dat betreft maakt het niet uit of je deze roman voor- dan wel achteruit leest. Je leesactiviteit wordt door die Leerstellen behoorlijk geprikkeld. Net als in het echte leven, ben ik geneigd erbij te zeggen. Dat dwingt je om je met heel je hebben en houden verhouden tot dit verhaal.

Trouwens: als je de roman achteruit leest, lees je geschiedenis van Tessa en Marius vooruit, lees je de roman vooruit, dan lees je die geschiedenis achteruit. Een tekstueel chiasme. Hoe je je leeshouding ook wendt of keert, helemaal passend wordt die nooit. Er blijft soort blinde vlek tussen tekst en lezer. Cruciale plek voor het zien, cruciale 'plek' voor het lezen.

zaterdag 29 november 2014

Esther Gerritsen, Roxy

Tweede druk. Colibri-bibliotheek. World Editions - De geus, Breda, 2014. Hardcovertje met leeslint, 285 blz.

Noteerde ik pas nog dat ik eigenlijk niet zo heel erg houd van psychologisch realistische romans, lees ik er toch weer een. Dit boek werd me aangeraden, vandaar; en ik mocht het lenen, en ik vind het materieel zo'n mooi boekwerkje: prettig (meeneem-)formaat (14,5 x 9 cm), mooi papier, goede blad- en zetspiegel, fijne letter, leeslint.

Het verhaal valt met de deur in huis, midden in de zaak, zoals de Romeinen dat noemen, met twee agenten die de 27-jarige, niet heel erg met haar eigen oeuvre en leven in haar sas zijnde schrijfster Roxy midden in de nacht komen vertellen dat haar man Arthur op de vluchtstrook is doodgereden, met zijn stagiaire, beiden naakt. Dit alles verteld in de derde persoon, personaal perspectief van Roxy, maar toch met de nodige distantie. En precies die distantie domineert in het begin en is de demonstratie van de afgestompte toestand waarin Roxy verkeert, wellicht al langer, maar mogelijk pas met directe ingang bij het vernemen van het nieuws: onmiddellijk dempen die ellende; overlevingsstrategie. Komt mij althans wel aannemelijk voor. Gaandeweg lijkt het ook de matheid van de droefenis of ontreddering te zijn, die schijnbare onaangedaanheid.

Hoewel het vertelperspectief gehandhaafd blijft, verandert de toon, de sfeer, het ritme van de vertelling zodra Roxy en de begrafenisondernemer neuken op de bank bij haar thuis. Van alle mensen die haar willen bijstaan, neemt ze weinig hulp aan, en van deze man neemt ze vooral wat zij wil, niet zozeer wat hij professioneel te bieden had. Klinkt, zo samengevat, wellicht wat banaal, maar Gerritsen heeft meer schrijfkracht dan ik hier zomaar kan weergeven. Citaat dan maar: 'Heel langzaam zegt ze: "Ik heb nog nooit zo veel verschillende handvatten voor doodskisten bekeken', en het is de geilste zin die ze ooit heeft uitgesproken."

Het is precies dit soort licht excentrisme in het gedrag en het denken van het personage dat deze roman vleugels geeft en ver opheft boven het niveau van het gewone psychologisch realisme. Daarbij hoort ook dat Roxy na een tijdje de benen, of beter: de SUV neemt, samen met haar driejarige dochter, de kinderoppas en de assistente van wijlen haar man. Van een gezinsdrama verandert het verhaal in een road novel, beter: un roman routier, want die kant gaat het op.

Vreemd genoeg lijkt Roxy met haar betrekkelijke of schijnbare onverstoorbaarheid aanvankelijk uit één stuk gehouwen, terwijl dan juist de wereld om haar heen instort. Sinds Oscar echter, die begrafenisondernemer, lijkt ze de ondersteunende bemoeienis van de mensen om zich heen meer te gaan waarderen, steun en hulp van Jane, de assistente, Feike, de oppas, Louise, haar dochter, en zelfs van haar ouders wier huis, opvoeding en goedbedoelde zorgen ze tien jaar eerder als zwaar verongelijkte puber rücksichtlos weggedaan heeft door samen te gaan wonen met Arthur; maar naarmate die hulp beter lijkt aan te slaan (net als Jane zegt ze soms zelfs: I appreciate that), begint Roxy toch ernstig te desintegreren, alsof ze door die omgeving daarvoor de ruimte krijgt, daartoe in staat wordt geteld.

Uiteindelijk, na een forse crisis en wanneer ze zich uit haar wanhopige vlucht met de SUV lijkt te gaan laten redden door haar vader, komt ze tot het inzicht dat zij zelf omgeving moet zijn, voor Louise. Die tegenstellingen, die paradoxen, die wendingen ('Hoe vaak kan een mens zich vergissen?'), naast het al genoemde excentrisme (de bijna absurde vorm waarin de crisis is gegoten, ga ik hier niet verklappen) maken deze roman tot een zeer boeiend boek.

woensdag 26 november 2014

Griet op de Beeck, Kom hier dat ik u kus

Amsterdam 2014. Paperback met flappen, 382 bladzijden.

Nieuwsgierig aan begonnen, want Op de Beecks debuut (Vele hemels boven de zevende, 2013) was een interessante roman wat betreft opbouw en taal. De taal van Kom hier dat ik u kus is ook goed, zeker in de dialogen, maar de opbouw is zo plat als een dubbeltje. We beginnen bij het begin en gaan in drie stappen naar het eind. In het begin gaat de moeder van Mona dood, als Mona negen jaar oud is, aan het eind, als ze vijfendertig is, sterft haar vader. Tussendoor, rond haar vierentwintigste ook veel ellende. Dat het ook anders kan, liet Gustaaf Peek onlangs goed zien.

Het eerste deel, dat 135 bladzijden beslaat, is heel erg vervelend. We hebben te maken met een ik-vertelstertje, een tikkeltje een wijsneus, maar natuurlijk doorziet ze niet alles wat de volwassen lezer wel doorziet, al was het maar omdat de volwassen auteur dat zo wil. Maar dat kinderperspectief in een volwassenenboek, het is zo erg uitgekauwd (De kleine Johannes, Het bittere kruid) vooral doordat het zo simplistisch is: 'Haar vader is cardioloog, dat is een dokter die zich bezighoudt met het hart.' Anderzijds is zo'n perspectief moeilijk vol te houden, waardoor er nogal wat wijsneuzerigheden door de kindertaal heen steken, in de trant van '"Oké," zeg ik zo nonchalant mogelijk'.

Dat bezwaar valt gelukkig weg als Mona als vierentwintigjarige verder vertelt, maar was het niet dat ik het debuut van Op de Beeck kende, dan had ik dit tweede boek van haar al lang vóór pagina 138 definitief dichtgeslagen. Vanaf deel twee leest het boek als een tierelier, al blijft het maar een realistische psychologische roman over een geblutste ziel met veel zelftwijfel ten gevolge van opgelegde verantwoordelijkheid voor al de andere geblutste zielen waardoor ze omgeven is, en dan vooral de mannen, die, afgezien van haar broer dan, allemaal aandachtsmekende egocentrische zakken zijn. Als gezegd, het is een realistisch boek. Je zou met een van de personages kunnen zeggen: 'dat vinden we normaal, hebben we ooit beslist'.

Natuurlijk is het heel aandoenlijk, al dat leed, dat onbegrip in het hier geschetste sadistische universum, maar het had wat spannender, gewaagder, onconventioneler, weidser dan alleen maar psychologisch mogen zijn wat mij betreft. En met veel minder van dat al te eenvoudige afgeven op de ongezellige sfeer die er in ziekenhuizen kan hangen. Meer drama, in de zin van ontwikkeling in de handeling in plaats van alleen maar het braaf volgen van de levenslijn. Tsja, aan het eind wordt Mona ontslagen, haar vader sterft en ze gaat weg bij Louis. Goh.

De titel is een mooie vlag die de thematiek van het boek goed dekt. Het is in diepste wezen en in opperste vlakte de kenmerkende uitspraak van de egocentrische Louis, maar is ook kenmerkend voor de relatie die bijna alle andere personages tot Mona onderhouden: zij willen dat zij er is voor hen en pas dan zijn ze geneigd genegenheid voor haar te tonen. Da's wel wrang.

In zijn soort een goed boek, maar ik houd niet erg van dit soort lectuur.

woensdag 29 oktober 2014

Gustaaf Peek, Godin, held

Tweede druk [sic] (e-book), Amsterdam 2014. 287 pagina's (of 12738, maar dat alleen als je de letter randdebielgroot instelt).

Zo, die Peek. Die durft. Die ramt me er een roman uit waarin werkelijk ongegeneerd wordt gepijpt, - beft en -neukt zoals in geen jaren meer in de echte (!) literatuur werd gedaan. Niet dat ik dat nodig vind, maar het mag wel opgemerkt worden. Dat wordt het dan ook in de recensies die ik zag. Dus hoeft het niet meer. Bovendien: daar gaat het volgens mij niet om / daar gaat deze roman niet over.

Wat de twee hoofdpersonages, Tessa en Marius, doen, dat kan wel zo en met deze woorden aangeduid worden, met die plompe woorden, maar wat zij eigenlijk doen, qua fabel, is, denk ik: uiting geven, vorm geven aan een oer-gedrevenheid, die der liefde. Voor het eerst dacht ik, deze roman lezende, dat de uitdrukking 'de liefde bedrijven' waarlijk tot leven is gekomen.

Ondertussen is het niet goed als de aandacht alleen maar uitgaat naar dat getamp en -lik en -vinger en -zuig. Van wie wil een mens dat nou eigenlijk wel precies weten? En het zijn geen machines, de personages waar het hier om gaat, geen stupide vunzeriken. Het zijn diepzielshartstochtelijke mensen die tegen alle maatschappelijke klippen op (ze hebben elk een eigen leven en huwelijk) steeds maar van elkaar blijven houden. Het kan en mag eigenlijk allemaal niet, van de omgeving, waar we overigens maar weinig van te lezen krijgen, maar het is, het blijkt ontegenhoudelijk te zijn. Steeds weer, heel hun lange leven lang, komt de onderdrukte, intolerabele liefde, begeerte tot een extatische ontlading. En die is steeds weer op papier gezet in volle eerlijkheid, als je dat zeggen kunt met betrekking tot fictie.

En dan komt er zo'n Volkskrantchagrijn van een juffrouw Serdijn op de proppen met een recensie waarboven de domste kop aller tijden prijkt: 'Goed opgebouwd liefdesverhaal had met een paar seksscènes minder toegekund'. Lulkoek van het kaliber: Goed doordachte Victory Boogie Woogie had met wat minder kleurvlakjes toegekund. Wat zeg ik? Goed gecomponeerde De avonden had met wat minder kale plekken toegekund. Om het luid uit te janken. Nooit van begeerte gehoord. Of passie. Drift.

Dat de roman begint bij het eind van de geschiedenis en vandaar uit (deel V, hoofdstuk 50) terugverteld wordt naar het begin (dat dan niet deel I, hoofdstuk 1, maar hoofdstuk 0 blijkt te zijn) is een prachtige kunstgreep die mij in een alerte houding zette en hield, denk ik. Eigenlijk zou ik een experiment willen uitvoeren: de roman van achter naar voren, dus de geschiedenis-chronolochisch lezen; kijken wat de ervaring dan is. Maar dient nergens toe, omdat ik de roman al gelezen heb: ze krijgen, weet ik, elkaar niet aan het eind. Tessa sterft alleen, vijfentwintig jaar na Marius, denkend aan Marius, die even eenzaam stierf. Het is maar de vraag of ze dat überhaupt wel wilden, elkaar krijgen. Soms de een wel, dan weer even de ander. Maar echt drijvend, aandrijvend, moverend is die vraag/behoefte niet geweest, denk ik, na enkele lezing van de roman. Dat geeft het verhaal een merkwaardig rauw randje. Het motto wordt gevormd door de twee slotregels, van het 87e sonnet van Shakepeare; de openingsregel ervan luidt: 'Farewell, thou art to dear for my possessing'.

Eindelijk weer eens een betrekkelijk epische, levensomspannende vertelling. Niet van dat kleinzielige en navelstaarderige puberleed in een ik-verhaaltje met amechtige zinnetjes. Nee, een voluit gedragen tragiek schuilt er onder deze stilistisch gevarieerde zinnen. En dan ook nog eens een vertelling die ergens eindigt in - als ik het me goed herinner - 2059 (of, minder in de buurt van het pensioen van Ramsey Nasrs remi da rimpel, 2026? Es lebe das e-Buch: even zoeken en daar was de einddatum: 2039) en begint in het gulden-tijdperk (bij nader inzien: de roman bestrijkt ongeveer mijn levenstijdperk, als ik 81 word). Een maatschappelijk relevant, economico-socio-cultureel tijdsbeeld wordt er niet ontworpen. Doeterniettoe. Mensen, individuen, ja: niet verder te verdelen mensen, daar gaat deze roman over. Aarde, water, lucht en vuur. En alle spieren en klieren die hen verbinden. Een roman die ik zo snel mogelijk gelezen wilde hebben, met al snel het plan om hem daarna te herlezen, en dat terwijl ik al maaaanden bezig ben in een andere roman, een alle verdere lectuur belemmerende roman waarvan ik niet weet of die de aandacht wel waard is, 2666 van Roberto Bolaño. De contrasten kunnen niet groter zijn. Bloedstollend saai en monotoon de ene, bloedenerverend de andere. Oeverloos versus dondersgoed en strak gecomponeerd. Lui versus actief. Doods versus pulserend. Gensters tegenover laaiend vuur.

woensdag 1 oktober 2014

La rentrée des classes / Apologie

Het is al week week vijf van blok één. Nog twee onderwijsweken na deze en dan tentamens en herkansingen, en finito basta ten einde is de eerste van de vier collegeperioden. Tijd vliegt als een schaap door 't veen.

Braaf tracht men al zijn colleges voor te bereiden (tien werkgroepuren per week, plus twee bij te wonen hoorcollege-uren) en zijn bibliotheek-, examen- en opleidingscommissievergaderingen, en zijn toetsen op te stellen en te corrigeren en te administreren, en ongemerkt rekt men de werkweek op tot het dubbele van wat de baas denkt dat nodig is voor een en ander, en de tijd vliegt als de schim van een vermagerd schaap door het door verzuurde regen verdunde veen. Zelfs de verbasterde vergelijkingen lijden eronder.

Dit kent men. Men leest handboeken, te bespreken literaire werken, en stukken, natuurlijk, veel stukken, notulen, rapporten, verslagen, jaarroosters. Men denkt aan een feuilleton op Neder-L, 'De verleden tijd van lijken', dat men al lang niet meer las, en men denkt eraan dat er een stapel ligt te wachten en popelt, de nieuwe Hendrix, de nieuwe Gerritsen, de eerste Riem die herlezen moet, Wide Vercnocke, Gadamer die maar stof ligt te verzamelen, maar men is sinds terugkeer van vakantie bezig in een veel te dikke pil, een baksteen, een verkapte quintologie en men bedenkt weer hoe lastig het is om een boek te lezen waarvan men niet bevat hoe omvangrijk het is doordat men er een digitale editie van in/op het dunne e-leesapparaatje heeft staan. Misschien dat men deze maand 2666 van Roberto Balaño ten einde kan lezen, want men is nu zo ver gevorderd dat afhaken heen optie meer is, al komen de verkrachte lijken nu wel zo'n beetje mens neus uit. Men hoopt dat het slotdeel net zo gortdroog maar des niet tegenstaande zo hilarisch is als het eerste. En dat men daarna weer tijd vindt om er iets over te schrijven.