donderdag 20 augustus 2009

Marjolijn Februari, De literaire kring

Prometheus, Amsterdam 2007. 254 blzz. Hardcover met stofomslag.

Soms duurt het ruim twee jaar, maar uiteindelijk herlees ik een roman die ik het herlezen waard vind echt wel. En wat ik er eerder van vond (en trouwens ook van die skitaartjes, al is de betreffende banketbakkerij inmiddels in andere handen overgegaan), vind ik nog steeds. Als gretigheid om een roman weer en in een adem en geheel ten einde toe te lezen een graadmeter van klasse is, en dat is het, is dit een roman van klasse. En niet zo iets waterigs als: een klasse apart, of: in zijn soort een eigen klasse. Nee, ronduit: Klasse!

En dat dan niet alleen omdat dit boek ook echt 'ergens over gaat', zoals je dat zo vaag kan noemen; opnieuw: en dat niet alleen omdat dit boek ge-engageerd is (huidige spelling) en over literair engagement gaat, wat het het inderdaad minder... opnieuw: wat het inderdaad niet-vrijblijvend, maar bijzonder op de werkelijkheid betrokken maakt; wat er vervolgens toe heeft bijgedragen dat Thomas Vaessens het geheel terecht in zijn De revanche van de roman signaleert en uitgebreid belicht als post-relativistische literatuur anno nu. Het is ook een klasse-boek omdat het engagement niet belerend, niet kwezelachtig, niet betweterig is. Neen, dit is een roman op poten. Niet op stelten. Gewoon op poten in de wei der werkelijkheid en die der literatuur. En waar het kletst, daar ligt een vlaai.

Het vertelperspectief en de focalisatie (ik maak dit onderscheid omdat ik geleerd heb dat te doen) zijn weliswaar ruimhartig, maar misschien niet eerlijk, verdeeld over veel personages, die alle even eigenwijs zijn; zeer eigenwijs. Heerlijk, want: ze zijn wel voortdurend met elkaar in gesprek. Dat zorgt ervoor dat de roman niet monotoon is, ook in ideologisch en retorisch opzicht niet.

Die perspectief- en focalisatieverdeling is, niet geheel conform de narratologische terminologie van Rimmon Kenan, in handen van een hetero- en extradiegetische vertelinstantie, die eigenlijk enorm, om niet te zeggen: dominant alwetend is (dat kan niet, volgens mijn opvoeders: men is alwetend of niet alwetend, daar zijn geen gradaties in), maar toch nergens, althans niet irritant, de indruk wekt de verhaalboel volkomen te domineren (wat eveneens een onzinnige veronderstelling is, vind ik zelf; alleen al het vallen van de suikerpot aan het begin van de roman, gedurende bijna vijftig pagina's, getuigt van een sterke regie, en nota ook even bene dat het gifschandaal waarop de roman deels teruggaat, hier omineus wordt aangeduid als de zaak-Bloem, terwijl de werkelijke naam de zaak-Vos was maar dat de echtgenoot van Teresa Pellikaan, met wie het boek begint, John Vos heet. 'Dé John Vos?' vraagt de voormalige klasgenoot/thans journalist Victor Herwig dan ook nog eens).

Afgaande op de houding van de vertelinstantie ten opzichte van al die kakkineus-heuvelrugse personages, zou die vertelinstantie overigens beter 'verteldistantie' kunnen worden genoemd, als ik zo vrij mag zijn de pre-narratologische structuralistische verhaalanalyse te belasten met weer een nieuwe term; maar ze tekent wat mij betreft wel de ruimte die er - toch - in de vertelling is of lijkt te zijn. En die ruimte draagt er, denk ik, ook toe bij dat deze roman serieus en zwaar is, maar tegelijk zeer leesbaar en fraai.

dinsdag 30 juni 2009

G. Tomasi di Lampedusa, De tijgerkat

Met een voorwoord van Gioacchino Lanza Tomasi. Vertaald en van een nawoord voorzien door Anthonie Kee. 13e dr. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2009 [1e dr. 2000; oorspr. Il Gattopardo, 1958]. 312 bladzijden all in: Voorwoord, acht Rom. genumm. hfdstkkn, Appendix, Nawoord, Historische context, Noten.

Toen ik deze roman begon te lezen, wist ik van roman en auteur zo weinig, dat ik niet meteen zeker wist of het voorwoord door Lanza Tomasi werkelijk een voorwoord was of onderdeel van de roman. We hebben het hier immers over een historische roman, een genre waarin nog wel eens met de documentfictie wordt gespeeld. Bovendien bevat het Appendix onder andere 'Fragment A' en 'Fragment B' dat geplaatst zou moeten worden voor deel IV, respectievelijk tussen deel VI en VII; een gedicht van pater Savero Pirrone S.J., opgedragen aan Don Fabrizio Cobera, prins van Salina, respectievelijk personage en hoofdpersonage in de roman; en nog twee sonnetten van diezelfde Don Fabrizio. Het geheel wordt afgesloten met acht bladzijden met annotaties, deels van de inleider, deels van de vertaler afkomstig.

Verder wist ik dat de roman door Visconti verfilmd is (1963), doordat Onno Kosters daarin weer aanleiding had gevonden om er een aantal gedichten in De grote verdwijntruc aan te wijden, en die bundel las ik een tijdje terug. Maar recent opgeduikelde fragmentjes van de film op JijBuis deden mij niet direct naar bios of video-verhuur draven. Een film met tegelijkertijd Burt Lancaster, Alain Delon en Claudia Cardinale... prachtig, die cross-atlantische en eurobrede integratie, maar ik houd echt helemaal niet van nagesynchroniseerde films (anders was ik wel in Duitsland gaan wonen... 'Aber du, Boss, ruhig, bitte!').

Collega A., die de film wel zag - want Delon speelt erin -, verzekerde me dat van humor geen sprake was. Wat mij dan weer zeer verbaast, want het boek is wel vrolijk, ook al gaat de hele aristocratie van Sicilië bij het ontstaan van de eenheidsstaat Italië rond 1860 nooch der Aschmedaj. Het slot van de roman speelt bijvoorbeeld vrolijk, als een kat met een huismuis in agonie, met de evenzeer semi-autobiografische roman Under the volcano wanneer de bij wijze van uitstervende familietakken overblijvende drie vrijgezelle en bigotte dochters van Don Fabrizio anno 1910 de jaren lang gekoesterde, inmiddels opgezette hond Benedicò (vrij vertaald: Goedhart) in het kader van de her-wijding van de huiskapel uit het raam mieteren voor de vuilnisman.

En dan lees je de eerse zin: '"Nunc et in hora mortis nostrae. Amen"', en zie je dat het een mooi rond boek is. Maar anders bekeken is het dat juist niet, want het was opgezet als een nabootsing van Ulysses en zou dus maar 24 uur beslaan; dat is Tomasi di Lampedusa niet gelukt; en nu speelt de roman niet alleen op die dag in mei, maar ook in augustus, oktober en november 1860, in februari 1861, november 1862, juli 1883 (dertien mooie bladzijden gewijd aan het sterven van Don Fabrizio, sluitend met: 'De bulderende zee viel opeens volkomen stil.') en in mei 1910. Het boek wordt steeds fragmentarischer, of: de fragmenten komen steeds verder uit elkaar te liggen. En afhankelijk van je invalshoek kan je het lezen als een historische roman over liberaal-politieke en staatkundige ontwikkelingen, of een over het verval van een adellijk geslacht op een mediterraan eiland, of een over het Siciliaanse leven in/aan het eind van de negentiende eeuw. De couleur locale is hoe dan ook niet afwezig.

Prettige bijkomstigheid is de hier en daar ongegeneerd naar voren tredende (historische) distantie van de evident midden-twintigste-eeuwse, zeer auctoriale verteller. Overigens blijkt de schrijver van het voorwoord echt te zijn, en wel de aangenomen zoon van de auteur; hij heeft model gestaan voor neef Tancredi over wie Don Fabrizio zich vaderlijk ontfermt, en van wie het Lampedusiaanse credo afkomstig is: Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.

vrijdag 15 mei 2009

Ramsey Nasr, Psalm voor een afkomst

Eerst was er, althans in mijn optiek, de commotie (waar een klein land groot in kan zijn). Toen las ik het gedicht, het lange gedicht in de Dichter des Vaderlandskrant, en dacht: die man weet tenminste wat het is om iets te zeggen bij de opening van een tentoonstelling. Toen hoorde en zag ik de opname van de voordracht in de Grote Kerk van Dordrecht en dacht: zo moet het. Met een losse introductie, maar met al een voorsmaak van poëzie: 'Mijn moeder is een paapse / mijn vader is een muzelman' (zie hoe 'paapse' en 'vader' en 'moeder' en 'muzelman' een chiastische klankovereenkomsten aangaan). En dan die theatrale voordracht in die historische ruimte, met die 'Dortsche' dictie en de goede galm en de zware gebaren. Geef de man gauw weer een gelegenheid en laat hem dichten! Hij maakt er een gebeurtenis van met betekenis. Kijk maar:

Psalm voor een afkomst, door Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr from Ton van der Kolk on Vimeo.

vrijdag 1 mei 2009

David van Reybrouck, Pleidooi voor populisme

2e dr. Amsterdam-Antwerpen 2009 [1e dr. 2008]. 80 bladzijden, inclusief noten, dankwoord, milieuvriendelijkheids- en duurzaamheidsverklaring van uitgeverij Querido. Op het omslag staat aangegeven dat het weer een deeltje is in de reeks Pamflet. Een interessante reeks.

Dit ogenschijnlijk vreemde pleidooi van Van Reybrouck trok gisteren mijn aandacht toen ik door de Antwerpse Fnack doolde: die Pamflet-reeks boeit me en ik had die dag voorbereidingen gezien op de Zuidkaai voor een of andere, ruimbewimpelde bijeenkomst van 't Vlaams Belang, een partij die wel met plat populisme in verband te brengen is, wellicht erger is dan dat alleen.

Het pamflet van Van Reybrouck is evenwel een pracht van een essay. Het is een persoonlijk getinte tekst, waarin de schrijver - gebruikmakend van studies en artikelen en boeken van anderen - een actueel probleem (zo je wilt: de actualiteit van een probleem) beschrijft, ontleedt en van een oplossing probeert te voorzien. In dit geval ziet Van Reybrouck een zich verdiepende kloof in de maatschappij (hij beschrijft Begië en Nederland): die tussen laag- en hoogopgeleiden. En het probleem is dan vooral dat die hoogopgeleiden zich genesteld hebben in alle gremia van de democratische bestuursvorm, terwijl de laagopgeleiden hun grieven en noden niet beluisterd weten door die bestuurderen, en zich daarom maar liever scharen achter populisten die meer en harder roepen dan ze waar zullen kunnen maken, maar wel reageren op wat de laagopgeleiden te denken geven.

Van Reybrouck weet een overtuigend beeld te schetsen, dat niet alleen maar de verwoording is van particuliere meninkjes, maar geschraagd wordt door verwijzingen naar en citaten uit werk van anderen. Hij doet dit alles in een vlotte, zeer goed leesbare stijl, zonder allerlei dikke vertoogwoorden. Populisme is als het ware het enige woord op -isme in dit essay.

Dat hij concluderend niet pleit voor het bestrijden van het ordinaire populisme, maar juist voor méér populisme, maakt het essay extra intrigerend; overigens pleit hij gelukkig niet voor meer Wilders en dereglijke, maar voor verlicht en democratisch populisme; populisme dat zich strikt houdt aan de basisregelen der democratische bestuurskunst, maar dat op eigen wijze binnen de democratie wel een stem geeft aan dat zeer grote deel van de bevolking dat zich verlaten voelt door die anderen. Populisme, zo staat op de achterflap, verwoordt, op onhandige wijze soms, een blijvend verlangen naar politieke betrokkenheid van het laagopgeleide volk. Het gaat Van Reybrouck erom dat binnen het polyfone, democratische koor die stem van dat volk ook mee kan klinken.

Op 16 september 2009 bericht De papieren man dat Van Reybrouck voor dit essay de Jan Hanlo Essayprijs Groot 2009 is toegekend.

vrijdag 24 april 2009

Michel Faber, Onderhuids

Vert. Harm Damstra en Niek Miedema. 3e dr. Uitgeverij Podium, Amsterdam 2009 [oorspr. Under the Skin 2000]. 300 bladzijden in een paperback met soepele rug.

Na eenmaal lezen ziet het boek er nog prima uit. Materieel een goed boek, dus. Inhoudelijk ook, al neig ik ertoe erbij te zeggen: 'in zijn soort.' Maar Cd. Busken Huet zei zoiets ooit over de huisbakken treurpoëzie van C. Honigh in diens bundel Geen zomer, en Jacques Perk vond dat - terecht - een stupide vorm van positieve kritiek, Faint Praise, zou Gail Pool het noemen (zie DW B 2009 2 Dead men walking). Ik moet dat dus toelichten.

Ik bedoel met die toevoeging, dat ik Onderhuids reken tot een soort van romans die ik niet of nauwelijks lees. Het boek is science fiction-achtig, want er komen wezens in voor die van een andere planeet komen en die het op de mens gemunt hebben. Mensen noemen ze 'vodsels', zichzelf noemen ze 'mensen', maar ze lopen op vier poten met zes vingers, hebben een stevige staart, dito vacht en een spitse snuit. Ze bevinden zich op een afgezonderde locatie in Schotland, aan het argwanende oog der mensen (vodsels) onttrokken, doordat hun behuizing een boerderij lijkt, maar eronder zijn meerdere verdiepingen met allerlei voorzieningen en installaties, en het dak ervan kan als dat van de Amsterdamse ArenA openschuiven, maar dan om 'schepen' vanuit de Koloniën te ontvangen. Dat soort fantastische kletskoek vind ik eigenlijk totaal niet interessant, en ik verdraag het hooguit wanneer ik, met een interval van tien jaar, toch maar weer eens naar een James Bond-film ga: daarin gebeurt me ook te veel dat onzinnig is, en het is me met als die technische snufjes te gemakkelijk om een onmogelijke plot tot een goed eind te trekken.

Maar

Onderhuids zet niet in als science fiction-achtig of fantasy. Het verhaal begint heel gewoon en toch intrigerend: 'Wanneer Isserly een lifter zag staan, reed ze hem altijd eerst helemaal voorbij om zichzelf de gelegenheid te geven hem te taxeren. Ze was uit op een flinke bonk spieren, een echte kanjer. Aan miezerige, schriele scharminkels had ze niks.'

Dat is de eerste alinea (p. 7). Het verhaal kan nog alle kanten uit. En als je zoals ik eerder (op vakantie) de vuistdikke roman Lelieblank, scharlaken rood las en de ijzersterke korte verhalen van onvervalst Engelse snit in The Fahrenheit Twins, denk je niet aan buitenaardse voedselrovers. Isserly zoekt bovendien figuren die langs de zijlijnen van de maatschappij leven, wat ook niet op intergallactica hoeft te duiden. Als de eerste lifter die ze in het verhaal oppikt denkt: 'Fantastische tieten die meid, maar godallemachtig, verder zat er niet veel aan' (p. 17), kan je zelfs vrezen dat het weinig meer dan ranzig wordt. Maar gaandeweg, als je al het nodige weet van Isserly, valt er soms een vreemd woord, of gebeurt er iets merkwaardigs. Nog geen reden om aan de aard en waarde van de roman te twijfelen. Met andere woorden: ik zat al zo ver in de roman en had al zo goed kennis gemaakt met de innemende hoofdpersoon dat wegleggen niet meer tot de opties hoorde toen ik er toch niet meer aan kon twijfelen dat ik een boek te pakken had dat eigenlijk naast mijn standaardleesplank valt (misschien moet ik erbij zeggen dat ik totaal niet anticiperend lees: als ik lees, kijk niet vooruit, letterlijk noch figuurlijk). Andersom: die enorme borsten van Isserly zijn volkomen nep: ze is - betrekkelijk slordig - omgebouwd van mens tot vodsel, maar de opererende mensen hadden zich daarbij gebaseerd op afbeeldingen in de verkeerde vodselse tijdschriften... Dat maakt de boel intrigerend: er worden standaard-beelden gekanteld.

De roman blijft boeien doordat je voortdurend moet omrekenen: wat de hoofdpersoon normaal vindt, hoort niet tot een normaal-menselijk referentiekader, wat de mensen (vodsels) normaal vinden, vindt de hoofdpersoon vreemd. Maar Esserly is niet fanatiek: ze kijkt en luistert goed naar de vodsels. En dan wil het ook nog eens niet lukken met de liefde.

Aantrekkelijk aan dit boek - dat je zou kunnen lezen als een kritiek op de bio-technologie en bio-industrie en het plastische make-over-gedoe - is dat het goed is geschreven (en, denk ik, ook goed vertaald), op het niveau van het taalgebruik, dus. Een voorbeeld. Op p. 246 zit Isserly in haar geprepareerde Toyota Corolla met een niet-omgebouwd mens, Amlis, die stiekum even wat van de vodselwereld wil zien. Isserly en Amlis mogen elkaar graag, maar er is standverschil: Isserly is een werkneemster, Amsil de zoon van de baas van NV Vess; Isserly's positie is niet stevig meer. 'Amlis deed er een poosje het zwijgen toe, terwijl hij probeerde een veilige weg te vinden door wat zich tussen hen ontsloten had: de getande voetklemmen van haar verdriet.' Dat is niet achteloos geformuleerd in SF-stijl.

Het boek is na eenmaal lezen nog in goede staat. Het lezen is me goed bevallen. Toch weet ik niet of ik het zal herlezen. Daarvoor is het misschien toch te zeer afhankelijk van de plot. En die ken je, denk ik, na een keer. Gelukkig heeft Faber nog meer geschreven.

maandag 13 april 2009

Philip Norman, John Lennon

ondertitel volgens het stofomslag: de definitieve biografie. VIP, Utrecht 2008. Vertaald door Jolanda te Lindert. Oorspronkelijk: John Lennon. The Life. 2008. Hardcover. 859 pagina's, inclusief 'Nawoord; herinneringen van Sean', 'Dankwoord' en 'Register'.

Of het boek als biografie inderdaad geweldig goed is, weet ik niet. Maar ik weet wel dat ik deze biografische baksteen uitermate gretig en in no time heb gelezen. Gevreten, mag je wel zeggen. Als lees-ervaring is de kwalificatie 'Klasse!' dus in ieder geval op z'n plaats.

Ik ben geboren rond de tijd dat Elvis Presley in militaire dienst moest (en volgens Lennon in zijn knop gebroken werd), in het jaar dat John Lennons geïdealiseerde moeder werd doodgereden; haar zoon was toen nog geen achttien, maar stond muzikaal op knappen. Het was dus wel gek om te lezen over de tijd dat ik er al was, maar nog niet echt meedeed. De hele mania is aan mij voorbij gegaan, maar veel daarvan en vooral van daarna is cultureel-historisch verantwoord maar eigenlijk automatisch, ongemerkt keurig aan me doorgegeven, als natuurgegevens als het ware.

De vernieuwende waarde van al die Lennon/McCartney-songs heb ik nooit begrepen: die songs waren gewoon de standaard. Zoals lang haar gewoon was geworden voor er een slag in het mijne zat. Dat ik alleen maar albums bezit die The Beatles pas maakten nadat ze besloten hadden nooit meer te touren, had ik me eigenlijk niet gerealiseerd. Sterker: dat Lennon nog maar net veertig was, steenrijk, en al vijf jaar muzikaal helemaal stilstond toen hij dood werd geschoten, had ik me nauwelijks gerealiseerd. Mythen hebben geen leeftijd.

Kortom: een rare gewaarwording, om te lezen over veel zaken die ik 'ergens wel' al wist, maar waarvan het heel goed is dat ze nu door de biograaf op een keurige rij en in een muzikale en culturele context zijn gezet, met allerlei personele anekdotiek eromheen, met regelmatig een pas op de plaats om eventjes een volgende LP door te nemen. En om dan te merken dat je de schijf niet in de CD-speler hoeft te schuiven, maar dat je de vertrouwde muziek eenvoudigweg maar als nieuw in je hoofd hoort. Het klinkt toch wel anders, als je dit leven hebt gelezen. Op z'n webstek staat terecht: 'When he repeatedly cries, "Mama, don't go/Daddy come home," in "Mother," it's less a performance than a scarifying brand of therapeutic performance art.'

Wel enigszins gênant om al die privé-gegevens te lezen over iemand die je alleen als muzikant kent, nee: van wie je alleen de muziek kent. Een vierentwintigjarige Working Class Hero in een drie ton zware, gepimpte Rolls Royce Phantom V. Wat een getroubleerd mens toch, wat een trauma's, wat een onrust, en al dat egoïsme, maar ook die breidelloze creativiteit. Het totaalbeeld dat uit deze biografie naar voren komt, strookt helemaal niet met het beeld dat ik van de man had. Het boek is niet zozeer ontluisterend als wel verdiepend.

dinsdag 24 maart 2009

Cees Nooteboom, 's Nachts komen de vossen

Verhalen. De Bezige Bij, Amsterdam 2009. 158 bladzijden; geplakt, in een harde kaft, met niet echt oogstrelend stofomslag. Ik bedoel maar: als materieel object stelt het niet veel voor. Er zijn luxere paperbacks voorstelbaar.

Maar waar het nu om gaat: de inhoud.

Nee, eerst: wat voorafging. Ik ben niet wat je noemt een Nooteboom-adept. Ik ken Nooteboom van het vrachtwagenchassis, en van taartjes (Oudkerkhof, Utrecht), maar daar liep ik nooit mee weg (niet zinnig, respectievelijk te duur). Reisverhalen: le moindre de mes soucis. Philip en de anderen: heel lang geleden gelezen; dat is een niet gedocumenteerd, grijs verleden. Rituelen: bijna idem, gelezen omdat het moest tijdens de studie. Verzamelde gedichten: gekocht omdat toen in uitverkoop.

Ach, wat is dit allemaal on-elegant; moet ik eigenlijk voor me houden. Maar toch: in al die jaren rees en rees de ster van Nooteboom. En soms reageer je dan niet adequaat: hoe meer een ster rijst, hoe verder je een andere kant op kijkt. Vergelijk Voskuil. Palmen. Kluun, hoe heet het. Steenbeek. Annejet; iets met vliegers.

Maar dan dringt er via allerlei media toch door dat dit wel een zeer gewaardeerde literator is, en dan vooral buiten eigen land. Waar rook, daar vuur?! Ik vond dat ik toe was aan een eigenhandige herijking van Nooteboom. En ik moet zeggen dat ik hem op onduidelijke gronden al zo zeer welgezind was, dat ik de titel van zijn jongste boek niet eerder dan nu ze afgelopen is in verband gebracht heb met het thema van de boekenweek (het is, met permissie, wel weer voor een kwart eeuw - i.e. tot na mijn pensioen - genoeg geweest met Bibi, Maarten en Midas, mag ik hopen).

Om tot het punt te komen: ik heb genoten van deze verhalenbundel van Nooteboom. Maatstaf: ik merkte dat ik steeds snel verder wilde lezen; dat ik het boek uitgelezen wilde hebben; dat ik er een tweede lezing aan wilde wagen; dat ik wel merkte dat je dit werk niet al te snel moet lezen, anderzijds. Het had me te pakken.

Volgende maatstaf: een volkomen ontbreken van humbug; een volkomen beheersing van de taal (het verschil weten tussen verschraald en verschaald).

Derde maatstaf: het beschrijven van die aspecten van het leven die er werkelijk toe doen maar die in het daagse doen doorgaans op de achtergrongd geraken.

Vierde: melancholie. Het komt expliciet in bijna ieder verhaal ter sprake, met wetenschap van de etymologie en wie weet nog meer.

Vijfde: de vonkjes die er springen tussen de verhalen en er een onverwacht geheel van maken: snippers op de rivier, vroegere geliefde, verzwegen onvree met het heden, schreeuwen tegen de zee.

Ik baal inktlappen met boontjes dat ik maar niet toe ben gekomen aan een rustige herlezing. Tot aan 'Paula' ging het nog, daarna kwam de slof erin. Hoewel ik toen pas de recensie van Heumakers (als ik 't me goed herinner) las. Maar het is niet anders: er komt te veel tussendoor, dat met liefde gelezen wordt en/of moet worden: scripties; 'Awater'; Robert Oeste, Arno Holz: the Long Poem and the Tradition of Poetic Experiment; Kees Fens, Nabij; J.F. Helmers, De Hollandsche natie; Th. van Os, Berliner Lullaby; Jos Versteegen, Nachtkermis.

En Theo de Boer, ‘Awater als plaatsvervanger’. In: De gids 152 (1989), nr. 12, p. 946-958. En wat trof mij daarin? Daarin trof mij dit: de ‘paradox in het rouwproces […]: de noodzaak dat het verleden tot leven geroepen moet worden om er afscheid van te kunnen nemen.’ (949) Dat gebeurt heel erg in 'Awater' (het lied van Awater, om maar iets te noemen) en dat is ook wat in dit boek van Nooteboom gebeurt. Ik bedoel niet dat Nooteboom het ondergaat (dat weet ik namelijk niet, en dat hoef ik ook niet te weten), maar zijn personages wel, dát's duidelijk. Het is de verbeelding van een proces waarvan De Boer mij vertelt dat Freud het al beschreven heeft. Door De Boer en Nooteboom, wellicht bien étonnés de se trouver ensemble, vielen er kwartjes in mij. 'Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.'