‘Een naamloze vrouw vertelt, als ze na eenendertig jaar weggaat, over de liefde van haar leven. Vertellen heeft een bijzondere waarde voor haar. Toen ze haar geliefde leerde kennen, zei ze er tegen niemand iets over, zelfs haar moeder niet.
Das Erzählen war in meinen Augen etwas, das erst am Schluss kommt. Es kommt sehr weit hinten, dachte ich, in einer fernen Zeit, die mir vollkommen abstrakt erschien. Fing man zu früh damit an, war womöglich alles zerstört.
Als ze al zevenendertig digitale pagina’s aan het vertellen is, zegt ze dat de twee geliefden beiden in een dictatuur (DDR) zijn opgegroeid; ze hebben dus dezelfde achtergrond en context:
Wir kannten dieselben Filme, dieselbe Musik, wir hatten die gleiche Sehnsucht gehabt.
En meteen daarna, tussen haakjes, zegt ze:
(Es ist schwer, die süße Ausweglosigkeit zu beschreiben, in der unsere Kindheit stattgefunden hat. Eine Art sanftes Mahlwerk.)
Ik vind dat, afgezien van het prachtige woord ‘Ausweglosigkeit’, een zwaktebod van een vertelster die veel waarde zegt te hechten aan vertellen. En ik vind heel deze vertelling, tot hier aan toe, niet sterk, want te abstract, te anoniem (geen van de personages heeft een naam), te stereotiep (zij hemelt hem op, hij is een exotische, romantische, dandyeske Einzelgänger). Het is dan ook pas na vier eerdere pogingen dat ik in deze roman verder ben gekomen dan de eerste tien bladzijden. En dat heet dan een ‘Bestseller’, volgens Der Spiegel. Ik houd m’n hart vast voor het welslagen van de voortzetting van mijn lectuur.
Tweede zitting
Romans die iets van doen hebben met het voormalige Oost-Duitsland kunnen rekenen op mijn welwillende belangstelling, op voorwaarde dat ze een beetje aandachtig geschreven zijn. Als evenwel de geliefden van de eeuw elkaar een keer treffen in een hotel in Parijs, wordt de sfeer door de vertelster als volgt getypeerd:
Nachts machten sich Kakerlaken über die Reste vom Baguette her.
Vielleicht ist der Beginn allen Schreibens die Gewalt, gepaart mit Erregung und Schönheit.
Bislang waren wir nur verbunden gewesen durch die Liebe, jetzt waren wir es auch auf tragische Weise.
Van echte liefde of ware tragiek getuigt evenwel helemaal niets in wat de vertelster vertelt, behalve dan het letterlijk gebruik van die woorden; maar dat noem ik niet ‘vertellen’. Haar herinneringen zijn brokkelig en ze werpt ze klinisch op de pagina. Er gebeurt dit en er gebeurt dat, en niemand laat er een traan over of iets anders. Van een ontwikkeling lijkt geen sprake, alleen is de situatie in de ene anekdote anders dan in de andere. Noch zij, noch hij, noch hun kinderen, noch hun vrienden, noch bekenden, noch andere familieleden ontpoppen zich tot ware karakters met eigen, doorleefde trekken. Alle blijven bordkartonnen figuranten.
Derde en terminale zitting
Het domme aan deze vertelling is onder meer dat voor deze lezer al lang en breed duidelijk is dat de titel van de roman letterlijk noch leuk is; de ironie is op een saaie wijze cynisch. Dat op ongeveer een kwart van het boek de vertelster nog het volgende durft te serveren, is ijzingwekkend larmoyant:
Es kam mir logisch vor, alles aufzugeben für dich[.]
Het hele verhaal is zo slecht doortimmerd dat het volkomen ongeloofwaardig is. Het maakt dan ook niet meer uit dat de vertelster verderop geen moeite met vertellen blijkt te hebben, maar alleen met spreken over haar leven of liefde.
Ich hatte tatsächlich angefangen zu schreiben. Geschichten, vielleicht sogar ein Roman. Aber das Schreiben geschah gleichsam auf de Rückseite unserer Liebe. Es fiel mir schwer, darüber zu sprechen. Schreiben war eine geheime Realität für mich.
Dat kan maar niet genoeg benadrukt worden, en dus cursiveert de vertelster in vielleicht [diesem] Roman al haar imponerend bedoelde gedachten, zoals:
Wenn man etwas ausspricht, is es auch in der Welt.
Ik zou toch denken dat een roman ook best wel in de wereld is. Maar of dit boek inderdaad een roman is, staat nog te bezien. Het is het tweede deel van de trilogie Biografie van een vrouw. Misschien zijn het autobiografische herinneringen en aantekeningen. Mij interesseren die niet, en vooralsnog denk ik dat dat komt door de manier waarop Schoch vorm heeft gegeven aan haar innerlijke roerselen betreffende een of haar eigen uiterlijk leven.
De lezing is voortijdig beëindigd; ik had nog vijf uur te gaan.’
Ten tweede
Een kleine twee jaar later las ik het eerste deel van dit drieluik over het leven van een vrouw, Das Vorkommnis, en schreef er op 11 september 2026 hier onder meer het volgende over:
‘Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’
Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:
Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.
(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.’
Ten derde
Welaan, ik heb dit boek nu ten tweeden male geprobeerd te lezen, maar na 64% van het totaal, met nog maar drie uur lezens te gaan volgens mijn digitale elezer, moet ik weer besluiten dat deze roman me niet boeit. Waarschijnlijk komt het doordat het te weinig een roman is, te veel een opsomming van gedachten, gevoelens en herinneringen die iemand grotendeels chronologisch, in de volgorde waarin ze zich aan of in haar aandienden, opdist als ware het geheel een roman.
Maar er gebeurt bijna niets. Aan het begin staat het einde al rotsvast en de bewegingen ertussen zijn minimaal of marginaal of bijzonder subtiel en zeker zeer subjectief qua (ir-)relevantie. Stilistisch is er eigenlijk geen enkele kleurrijke uitschieter in deze matgrijze zee. Het tegendeel is eerder waar: de tekst druppelt maar door, zonder deining, net zo lang tot de vertelster leeg is, niets meer te zeggen weet, niets meer te vertellen heeft, als ze het zo wil blijven nomen.
Of ik überhaupt nog aan het laatste deel van deze driebander zal beginnen, ligt in de schoot der goden, maar menselijk bezien ligt het niet voor de hand.

