zondag 29 maart 2026

Not Against Natter

Bert Natter werd niet blij van het leesverslag van zijn roman Aan het einde van de oorlog dat ik (door nood gedwongen in twee delen) onlangs op dit weblog publiceerde. Hij reageerde met een, ik mag, denk ik, wel zeggen: stekelig stuk op  zijn weblog terwijl ik – dit even voor het dramatisch effect – weerloos op de operatietafel van de orthopedisch chirurg lag. Het digitale vakblad voor taal- en letterkundige neerlandici Neerlanistiek.nl nam eerst mijn beschouwing en vervolgens ook Natters reactie over, en veel mensen probeerden vervolgens steentjes bij te dragen aan ons geschil.

Het is, zoals Natter memoreert in zijn reactie, 24 jaar geleden dat ik de mens en de schrijver Bert Natter voor het eerst en voor het laatst zag en sprak; het was een bijzonder aangename ontmoeting in andere omstandigheden maar met een enigszins vergelijkbare aanleiding, namelijk Natters debuut, Begeerte heeft ons aangeraakt. Het spijt mij dat ik Natter nu gegriefd heb dan wel in zijn wiek geschoten; dat was niet wat ik beoogde.

Cruciaal voor een goed begrip van de huidige ‘dialoog’, meer nog: van het daaronder liggende misverstand tussen Natter en mij lijkt me dat mijn gewraakte verslag een evident persoonlijk relaas is, een verslag van mijn ervaringen bij het lezen van Natters roman Aan het einde van de oorlog. Mijn hele blog staat vol met mijn ervaringen met, bij, naar aanleiding van het lezen van literatuur; daarom heet het blog zoals het heet: ’k las ze! Het gaat onvermijdelijk over mij maar voor alles over mijn lezen en over de literaire werken die ik las.

Natter heeft een heel andere positie op het literaire veld waarover wij ons bewegen: hij is, in mijn perspectief en voor zover ik met hem te maken heb, schrijver. Bert Natter is de schrijver van de roman die ik onlangs las. Dat is zeker niet niks, maar meer is hij ook niet, zolang het over zijn romans gaat. Ik twijfel nog of ik kan zeggen: de schrijver is een factor op het literaire speelveld.

Wat wij gemeen hebben, en waardoor we in conflict zijn geraakt, is de door ons gekoesterde autonomie van onze posities en bezigheden als lezer respectievelijk schrijver. Het citaat uit Natters blogpost dat de redactie boven diens stuk op Neerlandistiek.nl plaatste, tekent zijn eigen inkleuring van zijn literair-sociologische positie heel duidelijk: ‘Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn romans in elkaar steken’. Een evidentie van het zuiverste water.

Klasse! is mijn persoonlijke, niet gesponsorde of aan een instantie of institutie gelieerde weblog, en ja: het bestond ook al toen ik nog docent moderne Nederlandse letterkunde was aan de Universiteit Utrecht, maar dat zegt niets over de aard van de posts; ik heb mijn blogposts nooit willen, en terecht ook niet mogen opvoeren als academische publicaties. Ik ken als privé-blogger het genoegen dat een keur van de stukken van zowel dit weblog als van mijn andere weblog, In den vroolijken hermeneut, op Neerlandistiek.nl wordt overgenomen. Dit gebeurt met mijn instemming; de selectie wordt echter verricht door de redactie van het digitale vakblad. De stukken krijgen door deze herplaatsing mogelijk een ander en hopelijk een ruimer publiek, maar misschien ook wel, niet geheel terecht, een wat andere status dan ze in hun eigen nest hebben.

Natter markeert zijn positie door Susan Sontags Against Interpretation (1964) aan te halen en legt mij aan de hand van meerdere voorbeelden uit hoe ik zijn roman moet interpreteren, wat ik er wel en wat ik er niet in of achter moet zoeken, welke referenties ik eruit moet halen et cetera. Mag ik dan misschien verwijzen naar La mort de l’auteur (1967) van Roland Barthes en zeggen: ‘Ik bepaal hier als lezer nog altijd wat ik vind van de wijze waarop een roman in elkaar is gestoken.’

Een ander punt tot slot. Het is klaarblijkelijk gevonden voer voor cynici dat ik ook schrijf over boeken die ik niet helemaal uitgelezen heb, over het niet uitlezen van boeken. Iedereen in literair en letterkundig Nederland, zo lijkt het, leest ieder boek altijd helemaal van het begin tot aan het einde. Wie dat niet doet, mag er niet over (mee)praten. Ik erken dat ik soms welgemoed begin aan een boek en na een tijdje moet constateren dat ik er niet, of niet met plezier, interesse of genoegen, doorheen kan komen; en dan stop ik. Als regel houd ik aan dat ik minimaal 10% van het totaal aantal bladzijden gelezen moet hebben voor ik een boek voorgoed weg mag leggen; als een boek mij niet boeit, dan hoef ik niet verder te lezen.

Premature afbreking van de lectuur impliceert mijns inziens niet dat ik over de mogelijke aanleidingen tot het onvoltooide lezen in het openbaar zou moeten zwijgen. In tegendeel. Het mislukte contact tussen het boek en mij intrigeert me enorm. Zo ook in dit geval. Ik wil weten waardoor het misgaat, of ik kan achterhalen waar het aan ligt, met in mijn achterhoofd de gedachte dat ik niet zonder reden aan het boek begonnen was, maar bijvoorbeeld wegens positieve ervaringen met ander werk van de betreffende schrijver, een nominatie voor of toekenning van een literaire prijs, een gedegen kritisch oordeel in de media, advies van een bevriende lezer, nieuwsgierigheid naar een beroemd maar mij nog niet bekend oeuvre, en zo voorts. Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn blogposts tot stand komen.

P.S.
Over Gerrit Achterberg gesproken (ik zou er niet over zijn begonnen als Natter hem niet in de discussie had gesleept): ik heb mij ooit verdiept in de genese van Achterbergs dichtbundel Spel van de wilde jacht (1957); laat Achterberg tijdens het werk aan die bundel nou daadwerkelijk een keer twee kwatrijnen hebben opgeblazen tot een sonnet. Een suggestie in die of in omgekeerde richting is [niet] onzinnig en getuigt [niet] van weinig inzicht in het scheppen van een literaire tekst.’

Geen opmerkingen: