zondag 18 januari 2015

In goed gezelschap

Liet ik mijn oren hangen naar wat de zeer belezen Nobel-lauradeurs en -lauradrices onlangs meenden te kunnen oordelen en kocht ik van Patrick Modiano In het café van de verloren jeugd. Vertaald door Maarten Elzinga. Derde, gecorrigeerde, papieren druk. Amsterdam-Antwerpen: Querido 2014. De eerst druk is van 2008; het oorspronkelijke werk verscheen in 2007 en heet Dans le café de la jeunesse perdue.

Waarom nou ook niet dat 'café' vertaald, vraag ik me dan toch eventjes af. Zeker, 'café' is al lang en breed een gezond-Hollands woord en concept, maar het wat antieke, gedateerde, nostalgische 'koffiehuis' had echt niet misstaan in de titel van dit romannetje.

Heel veel heeft het boek niet om het lijf, materieel bezien. Honderd negenendertig bladzijden pure romantekst, verdeeld in vijf titelloze en ongenummerde hoofdstukken met kop- en staartwit, en alles gezet uit een niet kleine letter. Ieder hoofdstuk heeft een andere ik-verteller, behalve de laatste twee, die allebei door Roland verteld worden, maar in dat geval zit er een enorme tijdsprong tussen de hoofdstukken. Vier verschillende perspectieven dus en een begin in medias res. Je krijgt wel wat uit te knobbelen tijdens het lezen, want de vertellers kennen elkaar allemaal min of meer, dus veel kan impliciet blijven; ze kwamen, ergens in de jaren zestig volgens de achterflap, allemaal over de vloer van koffiehuis De Condé. Een zootje, meest jonge, stadsbohemiens, 'zo tussen de negentien en de vijfentwintig' jaar oud.

De constructie is dus enigszins à la De Metsiers en Vele hemels boven de zevende om niet steeds bij dat oude voorbeeld te blijven hangen, maar de sfeer, zeker die van het eerste hoofdstuk, is veel meer die van De uitvreter; de raadselachtigste figuur in deze roman is Louki, een zwervende jongevrouw die uiteindelijk niet in de Waal, zelfs niet in de Seine stapt, maar wel van het balkon. Het waarom van een en ander, en ook van de drijfveren, n'importe quels, van de andere personages, blijft in nevelen gehuld, komt niet ter sprake, wordt niet geëxpliciteerd.

Ik denk dat dat laatste de kracht van dit boek is, dat die fragmenten van levens die je te zien krijgt, niet mooier, duidelijker, helderder gemaakt worden dan ze in het (veronderstelde) echt zouden zijn geweest. Zoals in Godin, held.

Laat je niet misleiden door die laatste vergelijking: geen 'onvertogen' woord valt er in Modiano's roman. Dat is wel jammer. Men doet er ook niet zo veel, tenzij wandelen, 'in den Alleen hin und her / unruhig wandern'. En daarbij wordt vrijwel het gehele stratenplan van minstens de Linkeroever gememoreerd, keer op keer. Dat laatste is in mijn optiek een dik minpunt van deze roman, waar een soort muffe, zelfgenoegzame dorpsgeest uit opstijgt, zoals ook uit uit La Superba, hoezeer men er ook, naar ik aanneem, juist iets van stedelijke allure mee ten toon wil spreiden.

Maar misschien mis ik iets. Want deze roman is, zo zegt het achterplat, 'De favoriete Modiano van Cees Nooteboom, Maartje Wortel, Thomas Lieske, Margot Dijkgraaf en Christiaan Weijts.' Vooralsnog is mij onduidelijk wat deze auteurs meer gemeen hebben dan alleen deze voorkeur, zoals me onduidelijk is waarom dat op het achterplat genoemd wordt. Nimmer heb ik mij geroepen gevoeld om te lezen wat deze auteurs zeggen goed te vinden. Maar vooralsnog bevind ik me dus in goed gezelschap.

In het café van de verloren jeugd is ook mijn favoriete Modiano. Zet het er maar bij, achterop de volgende druk. En daarbij zal het voorlopig wel blijven ook, want het is mijn eerste Modiano, en een tweede komt er de komende maanden niet bij, want voorheen de Academia Literatuurprijs heeft een nieuwe sponsor gevonden in het ANV. De prijs gaat door, de jury gaat door, en volgende week woensdag krijg ik de eerste lading debuten te verwerken.

vrijdag 19 december 2014

Keep

Tsja, dat doe je dan, als je geboeid bent geraakt door een roman: herlezen, en, omdat de gelegenheid zich voordoet, van achter naar voren voor de tweede maal herlezen.

Eerste indruk van die derde leesgang, een kreeftleesgang of peekkreeftleesgang: het maakt niet uit, het boek blijft goed, wat het al was.

Maar: deze conclusie zegt niet zo veel, want ik kende het boek al.

Een andere conclusie dan: de leeservaring was bij de derde, bij de retrogadelectuur even aangenaam als bij de tweede, de orthodoxe herlezing. En ik geloof nog steeds niet dat de omgekeerde presentatie van de gebeurtenissen daarom zinloos is. Maar ik heb geen idee wat de ervaring zou zijn bij een eerste leesgang volgens de chronologie.

Kortom: een onzinnig experiment. Want als er nu iemand zich zou melden die het boek niet kende en het spontaan van achter naar voren had gelezen en er niks aan zou vinden, zou ik toch denken dat die persoon een heel andere smaak of voorkeur heeft dan ik.

Fleur Kief, webboekverkoper bij Athenaeum.nl, noemt het boek in haar recensie 'rafelig'. Dat is een mooie karakterisering. Zelf schoot me steeds het woord 'lückenhaft' door het hoofd. Gaterig, om het raar te vertalen. Er staat veel uit de veronderstelde geschiedenis van Tessa en Marius niet in het verhaal, je moet als lezer bijzonder veel ontwikkelingen, gebeurtenissen, omstandigheden, die gewoonlijk (in gewonere romans en in het echte leven) van belang zijn om ontwikkelingen te kunnen verklaren en om mensen en hun handelingen te kunnen begrijpen, met behulp van extrapolatie invullen, aanvullen, interpreteren. En wat dat betreft maakt het niet uit of je deze roman voor- dan wel achteruit leest. Je leesactiviteit wordt door die Leerstellen behoorlijk geprikkeld. Net als in het echte leven, ben ik geneigd erbij te zeggen. Dat dwingt je om je met heel je hebben en houden verhouden tot dit verhaal.

Trouwens: als je de roman achteruit leest, lees je geschiedenis van Tessa en Marius vooruit, lees je de roman vooruit, dan lees je die geschiedenis achteruit. Een tekstueel chiasme. Hoe je je leeshouding ook wendt of keert, helemaal passend wordt die nooit. Er blijft soort blinde vlek tussen tekst en lezer. Cruciale plek voor het zien, cruciale 'plek' voor het lezen.

zaterdag 29 november 2014

Esther Gerritsen, Roxy

Tweede druk. Colibri-bibliotheek. World Editions - De geus, Breda, 2014. Hardcovertje met leeslint, 285 blz.

Noteerde ik pas nog dat ik eigenlijk niet zo heel erg houd van psychologisch realistische romans, lees ik er toch weer een. Dit boek werd me aangeraden, vandaar; en ik mocht het lenen, en ik vind het materieel zo'n mooi boekwerkje: prettig (meeneem-)formaat (14,5 x 9 cm), mooi papier, goede blad- en zetspiegel, fijne letter, leeslint.

Het verhaal valt met de deur in huis, midden in de zaak, zoals de Romeinen dat noemen, met twee agenten die de 27-jarige, niet heel erg met haar eigen oeuvre en leven in haar sas zijnde schrijfster Roxy midden in de nacht komen vertellen dat haar man Arthur op de vluchtstrook is doodgereden, met zijn stagiaire, beiden naakt. Dit alles verteld in de derde persoon, personaal perspectief van Roxy, maar toch met de nodige distantie. En precies die distantie domineert in het begin en is de demonstratie van de afgestompte toestand waarin Roxy verkeert, wellicht al langer, maar mogelijk pas met directe ingang bij het vernemen van het nieuws: onmiddellijk dempen die ellende; overlevingsstrategie. Komt mij althans wel aannemelijk voor. Gaandeweg lijkt het ook de matheid van de droefenis of ontreddering te zijn, die schijnbare onaangedaanheid.

Hoewel het vertelperspectief gehandhaafd blijft, verandert de toon, de sfeer, het ritme van de vertelling zodra Roxy en de begrafenisondernemer neuken op de bank bij haar thuis. Van alle mensen die haar willen bijstaan, neemt ze weinig hulp aan, en van deze man neemt ze vooral wat zij wil, niet zozeer wat hij professioneel te bieden had. Klinkt, zo samengevat, wellicht wat banaal, maar Gerritsen heeft meer schrijfkracht dan ik hier zomaar kan weergeven. Citaat dan maar: 'Heel langzaam zegt ze: "Ik heb nog nooit zo veel verschillende handvatten voor doodskisten bekeken', en het is de geilste zin die ze ooit heeft uitgesproken."

Het is precies dit soort licht excentrisme in het gedrag en het denken van het personage dat deze roman vleugels geeft en ver opheft boven het niveau van het gewone psychologisch realisme. Daarbij hoort ook dat Roxy na een tijdje de benen, of beter: de SUV neemt, samen met haar driejarige dochter, de kinderoppas en de assistente van wijlen haar man. Van een gezinsdrama verandert het verhaal in een road novel, beter: un roman routier, want die kant gaat het op.

Vreemd genoeg lijkt Roxy met haar betrekkelijke of schijnbare onverstoorbaarheid aanvankelijk uit één stuk gehouwen, terwijl dan juist de wereld om haar heen instort. Sinds Oscar echter, die begrafenisondernemer, lijkt ze de ondersteunende bemoeienis van de mensen om zich heen meer te gaan waarderen, steun en hulp van Jane, de assistente, Feike, de oppas, Louise, haar dochter, en zelfs van haar ouders wier huis, opvoeding en goedbedoelde zorgen ze tien jaar eerder als zwaar verongelijkte puber rücksichtlos weggedaan heeft door samen te gaan wonen met Arthur; maar naarmate die hulp beter lijkt aan te slaan (net als Jane zegt ze soms zelfs: I appreciate that), begint Roxy toch ernstig te desintegreren, alsof ze door die omgeving daarvoor de ruimte krijgt, daartoe in staat wordt geteld.

Uiteindelijk, na een forse crisis en wanneer ze zich uit haar wanhopige vlucht met de SUV lijkt te gaan laten redden door haar vader, komt ze tot het inzicht dat zij zelf omgeving moet zijn, voor Louise. Die tegenstellingen, die paradoxen, die wendingen ('Hoe vaak kan een mens zich vergissen?'), naast het al genoemde excentrisme (de bijna absurde vorm waarin de crisis is gegoten, ga ik hier niet verklappen) maken deze roman tot een zeer boeiend boek.

woensdag 26 november 2014

Griet op de Beeck, Kom hier dat ik u kus

Amsterdam 2014. Paperback met flappen, 382 bladzijden.

Nieuwsgierig aan begonnen, want Op de Beecks debuut (Vele hemels boven de zevende, 2013) was een interessante roman wat betreft opbouw en taal. De taal van Kom hier dat ik u kus is ook goed, zeker in de dialogen, maar de opbouw is zo plat als een dubbeltje. We beginnen bij het begin en gaan in drie stappen naar het eind. In het begin gaat de moeder van Mona dood, als Mona negen jaar oud is, aan het eind, als ze vijfendertig is, sterft haar vader. Tussendoor, rond haar vierentwintigste ook veel ellende. Dat het ook anders kan, liet Gustaaf Peek onlangs goed zien.

Het eerste deel, dat 135 bladzijden beslaat, is heel erg vervelend. We hebben te maken met een ik-vertelstertje, een tikkeltje een wijsneus, maar natuurlijk doorziet ze niet alles wat de volwassen lezer wel doorziet, al was het maar omdat de volwassen auteur dat zo wil. Maar dat kinderperspectief in een volwassenenboek, het is zo erg uitgekauwd (De kleine Johannes, Het bittere kruid) vooral doordat het zo simplistisch is: 'Haar vader is cardioloog, dat is een dokter die zich bezighoudt met het hart.' Anderzijds is zo'n perspectief moeilijk vol te houden, waardoor er nogal wat wijsneuzerigheden door de kindertaal heen steken, in de trant van '"Oké," zeg ik zo nonchalant mogelijk'.

Dat bezwaar valt gelukkig weg als Mona als vierentwintigjarige verder vertelt, maar was het niet dat ik het debuut van Op de Beeck kende, dan had ik dit tweede boek van haar al lang vóór pagina 138 definitief dichtgeslagen. Vanaf deel twee leest het boek als een tierelier, al blijft het maar een realistische psychologische roman over een geblutste ziel met veel zelftwijfel ten gevolge van opgelegde verantwoordelijkheid voor al de andere geblutste zielen waardoor ze omgeven is, en dan vooral de mannen, die, afgezien van haar broer dan, allemaal aandachtsmekende egocentrische zakken zijn. Als gezegd, het is een realistisch boek. Je zou met een van de personages kunnen zeggen: 'dat vinden we normaal, hebben we ooit beslist'.

Natuurlijk is het heel aandoenlijk, al dat leed, dat onbegrip in het hier geschetste sadistische universum, maar het had wat spannender, gewaagder, onconventioneler, weidser dan alleen maar psychologisch mogen zijn wat mij betreft. En met veel minder van dat al te eenvoudige afgeven op de ongezellige sfeer die er in ziekenhuizen kan hangen. Meer drama, in de zin van ontwikkeling in de handeling in plaats van alleen maar het braaf volgen van de levenslijn. Tsja, aan het eind wordt Mona ontslagen, haar vader sterft en ze gaat weg bij Louis. Goh.

De titel is een mooie vlag die de thematiek van het boek goed dekt. Het is in diepste wezen en in opperste vlakte de kenmerkende uitspraak van de egocentrische Louis, maar is ook kenmerkend voor de relatie die bijna alle andere personages tot Mona onderhouden: zij willen dat zij er is voor hen en pas dan zijn ze geneigd genegenheid voor haar te tonen. Da's wel wrang.

In zijn soort een goed boek, maar ik houd niet erg van dit soort lectuur.

woensdag 29 oktober 2014

Gustaaf Peek, Godin, held

Tweede druk [sic] (e-book), Amsterdam 2014. 287 pagina's (of 12738, maar dat alleen als je de letter randdebielgroot instelt).

Zo, die Peek. Die durft. Die ramt me er een roman uit waarin werkelijk ongegeneerd wordt gepijpt, - beft en -neukt zoals in geen jaren meer in de echte (!) literatuur werd gedaan. Niet dat ik dat nodig vind, maar het mag wel opgemerkt worden. Dat wordt het dan ook in de recensies die ik zag. Dus hoeft het niet meer. Bovendien: daar gaat het volgens mij niet om / daar gaat deze roman niet over.

Wat de twee hoofdpersonages, Tessa en Marius, doen, dat kan wel zo en met deze woorden aangeduid worden, met die plompe woorden, maar wat zij eigenlijk doen, qua fabel, is, denk ik: uiting geven, vorm geven aan een oer-gedrevenheid, die der liefde. Voor het eerst dacht ik, deze roman lezende, dat de uitdrukking 'de liefde bedrijven' waarlijk tot leven is gekomen.

Ondertussen is het niet goed als de aandacht alleen maar uitgaat naar dat getamp en -lik en -vinger en -zuig. Van wie wil een mens dat nou eigenlijk wel precies weten? En het zijn geen machines, de personages waar het hier om gaat, geen stupide vunzeriken. Het zijn diepzielshartstochtelijke mensen die tegen alle maatschappelijke klippen op (ze hebben elk een eigen leven en huwelijk) steeds maar van elkaar blijven houden. Het kan en mag eigenlijk allemaal niet, van de omgeving, waar we overigens maar weinig van te lezen krijgen, maar het is, het blijkt ontegenhoudelijk te zijn. Steeds weer, heel hun lange leven lang, komt de onderdrukte, intolerabele liefde, begeerte tot een extatische ontlading. En die is steeds weer op papier gezet in volle eerlijkheid, als je dat zeggen kunt met betrekking tot fictie.

En dan komt er zo'n Volkskrantchagrijn van een juffrouw Serdijn op de proppen met een recensie waarboven de domste kop aller tijden prijkt: 'Goed opgebouwd liefdesverhaal had met een paar seksscènes minder toegekund'. Lulkoek van het kaliber: Goed doordachte Victory Boogie Woogie had met wat minder kleurvlakjes toegekund. Wat zeg ik? Goed gecomponeerde De avonden had met wat minder kale plekken toegekund. Om het luid uit te janken. Nooit van begeerte gehoord. Of passie. Drift.

Dat de roman begint bij het eind van de geschiedenis en vandaar uit (deel V, hoofdstuk 50) terugverteld wordt naar het begin (dat dan niet deel I, hoofdstuk 1, maar hoofdstuk 0 blijkt te zijn) is een prachtige kunstgreep die mij in een alerte houding zette en hield, denk ik. Eigenlijk zou ik een experiment willen uitvoeren: de roman van achter naar voren, dus de geschiedenis-chronolochisch lezen; kijken wat de ervaring dan is. Maar dient nergens toe, omdat ik de roman al gelezen heb: ze krijgen, weet ik, elkaar niet aan het eind. Tessa sterft alleen, vijfentwintig jaar na Marius, denkend aan Marius, die even eenzaam stierf. Het is maar de vraag of ze dat überhaupt wel wilden, elkaar krijgen. Soms de een wel, dan weer even de ander. Maar echt drijvend, aandrijvend, moverend is die vraag/behoefte niet geweest, denk ik, na enkele lezing van de roman. Dat geeft het verhaal een merkwaardig rauw randje. Het motto wordt gevormd door de twee slotregels, van het 87e sonnet van Shakepeare; de openingsregel ervan luidt: 'Farewell, thou art to dear for my possessing'.

Eindelijk weer eens een betrekkelijk epische, levensomspannende vertelling. Niet van dat kleinzielige en navelstaarderige puberleed in een ik-verhaaltje met amechtige zinnetjes. Nee, een voluit gedragen tragiek schuilt er onder deze stilistisch gevarieerde zinnen. En dan ook nog eens een vertelling die ergens eindigt in - als ik het me goed herinner - 2059 (of, minder in de buurt van het pensioen van Ramsey Nasrs remi da rimpel, 2026? Es lebe das e-Buch: even zoeken en daar was de einddatum: 2039) en begint in het gulden-tijdperk (bij nader inzien: de roman bestrijkt ongeveer mijn levenstijdperk, als ik 81 word). Een maatschappelijk relevant, economico-socio-cultureel tijdsbeeld wordt er niet ontworpen. Doeterniettoe. Mensen, individuen, ja: niet verder te verdelen mensen, daar gaat deze roman over. Aarde, water, lucht en vuur. En alle spieren en klieren die hen verbinden. Een roman die ik zo snel mogelijk gelezen wilde hebben, met al snel het plan om hem daarna te herlezen, en dat terwijl ik al maaaanden bezig ben in een andere roman, een alle verdere lectuur belemmerende roman waarvan ik niet weet of die de aandacht wel waard is, 2666 van Roberto Bolaño. De contrasten kunnen niet groter zijn. Bloedstollend saai en monotoon de ene, bloedenerverend de andere. Oeverloos versus dondersgoed en strak gecomponeerd. Lui versus actief. Doods versus pulserend. Gensters tegenover laaiend vuur.

woensdag 1 oktober 2014

La rentrée des classes / Apologie

Het is al week week vijf van blok één. Nog twee onderwijsweken na deze en dan tentamens en herkansingen, en finito basta ten einde is de eerste van de vier collegeperioden. Tijd vliegt als een schaap door 't veen.

Braaf tracht men al zijn colleges voor te bereiden (tien werkgroepuren per week, plus twee bij te wonen hoorcollege-uren) en zijn bibliotheek-, examen- en opleidingscommissievergaderingen, en zijn toetsen op te stellen en te corrigeren en te administreren, en ongemerkt rekt men de werkweek op tot het dubbele van wat de baas denkt dat nodig is voor een en ander, en de tijd vliegt als de schim van een vermagerd schaap door het door verzuurde regen verdunde veen. Zelfs de verbasterde vergelijkingen lijden eronder.

Dit kent men. Men leest handboeken, te bespreken literaire werken, en stukken, natuurlijk, veel stukken, notulen, rapporten, verslagen, jaarroosters. Men denkt aan een feuilleton op Neder-L, 'De verleden tijd van lijken', dat men al lang niet meer las, en men denkt eraan dat er een stapel ligt te wachten en popelt, de nieuwe Hendrix, de nieuwe Gerritsen, de eerste Riem die herlezen moet, Wide Vercnocke, Gadamer die maar stof ligt te verzamelen, maar men is sinds terugkeer van vakantie bezig in een veel te dikke pil, een baksteen, een verkapte quintologie en men bedenkt weer hoe lastig het is om een boek te lezen waarvan men niet bevat hoe omvangrijk het is doordat men er een digitale editie van in/op het dunne e-leesapparaatje heeft staan. Misschien dat men deze maand 2666 van Roberto Balaño ten einde kan lezen, want men is nu zo ver gevorderd dat afhaken heen optie meer is, al komen de verkrachte lijken nu wel zo'n beetje mens neus uit. Men hoopt dat het slotdeel net zo gortdroog maar des niet tegenstaande zo hilarisch is als het eerste. En dat men daarna weer tijd vindt om er iets over te schrijven.

dinsdag 5 augustus 2014

Vakantielectuur

(ruim twee weken in Dordogne, Midi-Pyrénées en Auvergne, in lectuurvolgorde)

Peter Terrin, Monte Carlo; roman. Amsterdam, De Bezige Bij 2014, digitale editie op basis van de eerste druk uit 2014. 201 pagina's.

In stilistisch opzicht een zeer apart boek, of boekje, want de eigenlijke tekst stopt op pagina 189 en is opgebouwd uit veel, veelal korte hoofdstukken (dus met veel staartwit) (hoewel ik het moeilijk blijf vinden werkelijk goed zicht te krijgen op de inhoudsopbouw van een digitale editie; als ik het goed begrijp bestaat de roman uit drie delen met respectievelijk 15, 54 en 12 'items', zoals het dan heet in dit ding). Doordat het verhaal zich deels afspeelt in de Monte Carlesque autosportwereld en doordat de stijl zo opmerkelijk is, moest ik voortdurend denken aan Bordewijk; maar let op: Terrins stijl is alles behalve Bordewijks.

Daarnaast doet deze auctoriale vertelling, die alleen het perspectief van de hoofdfiguur weergeeft, heel erg denken aan Hermans, die immers ook wel eens een roman schreef waarin een hoofdfiguur dacht dat hij alles goed zag en niet inzag dat hij alles fout dacht; een hoofdfiguur die niet weet dat zijn wereld niet de echte is, dat deze wereld niet de zijne is.

Het boek eindigt abrupt via wat niet eens een nevenintrige is. Daardoor viel het uiteindelijk toch een beetje tegen.

Olivier Benyahya, Si le froid est rude. Arles, Actes Sud 2014. 84 bladzijden.

Aangeschaft in Tours, omdat het zo'n mooi boekje is (papierkleur en -gewicht, letter, bindwerk, formaat).

Gortdroog verteld relaas van een ik-figuur, Joseph, wiens vader te sterven komt. Syd (die naam alleen al: "Sa mère était fan de Cyd Charisse, et son père de Syd Barret [...]. Le père et la mère avaient tiré la première lettre à pile ou face"), die nog maar net zijn ex is, komt ervoor terug uit New York, waar zij aan een eigen leven als kunstenares begonnen is; nee, zij komt niet voor dat sterven terug, maar voor Joseph, om hem. Over hen, over hun relatie kom je maar weinig te weten, maar in twee bijzonder innemende dialogen krijg je te horen, in de woorden van Syd, dat het niet ging, niet kon, niet werkte, ook al "T'es la meilleure chose qui me soit arrivée." Doordat het meeste daar niet over gaat, doordat het verhaal eigenlijk heel indirect is verder, is het toch mooi. Vind ik.

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba, een roman. 9e dr. Utrecht-Amsterdam-Antwerpen 2014 (1e dr. 2013). Winnaar Libris Literatuurprijs 2014. 384 pagina's.

Veel Genuese straatnamen, drank, sigaretten, sexisme, zelfreflexief geëssayeer en hier en daar een vluchteling omwille van de actualiteit of zo.

Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn; roman. 15e dr. Amsterdam, De Bezige Bij 2014 (1e dr. 2013). 334 blz.

Druk bejubeld boek. Wederom in het boek reflectie op het boek. Wat het epitheton 'roman' wel kruidt, te meer daar de kern annex de bron van de roman de memoires van 's auteurs grootvader zijn, in de ik-vorm verteld, maar dat is dan wel een relaas dat door de kleinzoon is bewerkt. Dat opa van eenvoudige komaf was, die in het eerste deel van het boek omstandig wordt geschetst (wederom op basis van grootva's eigen aantekeningen), is merkbaar aan de eenvoudige vertelstijl van het middendeel ("Een aantal mensen sprong overeind en verdrong zich"); dat deel bestaat vooral uit de descriptie van krijgshandelingen en dat is toch echt een métier apart; en daar had des vertellers moeders vader dus net zo min voor doorgeleerd als voor de schilderkunst.

In deel drie weet de kleinzoon nog wat biografische geheimen te ontraadselen en bespreekt hij het integrale oeuvre van zijn voorouder die niet alleen soldaat in de Groote Oorlog was, maar vooral schilder had willen zijn.

De achterflaptekst is wat merkwaardig. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, zo staat daar, kreeg Hertmans dat 'paar volgeschreven oude cahiers' van zijn opa. "Jarenlang durfde Hertmans de schriften niet te openen - tot hij het wél deed" (zo, die zit). Daarna staat er nog iets over "Hertmans' jarenlange fascinatie voor zijn grootvaders leven". Hoe gefascineerd ben je als je dergelijke cahiers zo'n dertig jaar lang niet inziet?

Kortom, anders dan de vakantie was dit jaar de lectuur omgekeerd evenredig aan de duur: hoe korter hoe beter.

Aan Le confident van Hélène Grémillon (Folio 5374, 2014, 1e dr. 2010) ben ik wel begonnen, maar toen begon het te regenen.