zondag 29 mei 2022

Piet Gerbrandy, Ontbinding

Piet Gerbrandy's laatste – ik bedoel, en hoop van harte: zijn jongste – bundel is getiteld: Ontbinding. Het boek verscheen in 2021 bij Atlas Contact, is vormgegeven door Melle Hammer – wat altijd weer een genoegen is – en telt niet minder dan vijfennegentig bladzijden, inclusief de 'Verantwoording' waarin Gerbrandy de bronnen van zijn klassieke motto's openbaart en een vertaling van die teksten presenteert. Al jaren doorspekt hij zijn eigen teksten met die van anderen uit de klassieke Griekse en Latijnse canon, en al even zo lang is hij – ter zake zeer deskundig – bereid zijn lezers uit dat duister woud te leiden, te verlichten.

Typerend voor de inhoud lijkt me de vormgeving van de bundel. Zowel het voor- als het achterplat, beide overheerst door wit, is voorzien van een in- en in-zwarte rand. Als je hebt boek openklapt, ontbreken alleen de dito onder- en bovenrand die van het geheel een rouwbericht zouden hebben gemaakt. Maar die twee randen ontbreken daadwerkelijk, en deze bundel is, ook uiterlijk, niet erg somber getoonzet. Melancholisch is hij mijns inziens zeker. De ontbinding lijkt zich aan te kondigen, het afscheidnemen heeft een aanvang genomen, het 'adieu' aan de geneugten van de volheid des levens tevens, maar niet dan met de aanvang van een nieuwe reis, een nieuw perspectief, uitzicht, verlangen. De laatste afdeling heet 'Straks'.

De toon is deels ook weer vertrouwd Nors en zonder haten (zoals een bundel uit 1999 al heette) en als deze poëzie minder lyrisch, meer naar de wereld toegewend was, zou een vergelijking met de sonoriteit van wijlen H.H. ter Balkt misschien iets duidelijk kunnen maken. De basale bromtoon, gecombineerd met de klassieke metriek die alle gedichten doortrekt, maakt er weer echte Gerbrandy's van, net als de zich onopvallend geleidelijk opdringende vermenging van poëzie en proza en de dito geleidelijke afname van die mix van de gebonden en de ongebonden stijl.

Grootste gemene deler van beide stijl-extremen is (het verbaast me dat ik het nu pas zie, want ik denk dat het er al veel eerder was) dat Gerbrandy behalve de punt of een vraagteken (en vervolgens de hoofdletter als markering van het begin van een zin) geen enkel leesteken gebruikt. Geen komma, geen puntkomma, geen Duitse komma, geen gedachtenstreepje, geen beletselteken. Niets daarvan. En: die dingetjes blijken zonder schade of bemoeilijking van de leesvoortgang achterwege te kunnen worden gelaten. De zinsbouw en de versregelstructuur kunnen het alleen heel goed af.

Geen kommaneuker kan iets te zeiken hebben over deze teksten, geen spatienazi, geen epische taalbaas, geen purist, geen volksetymoloog en zelfs 
De witregelpolitie delft moedeloos een onderspit 

Onderspit? Wie dolf er hier dan een opperspit?

Mooi, dit chutemarkerende wit na versregel negen in het sonnet op de zesendertigste bladzij. Maar op alle niveaus van het gebruik van de taal is deze grotendeels epische bundel weer vol van taalschoon- en levenswijsheid. Of, zoals de flaptekst achterop het verwoordt:

Met een koele beugelfles naast zich ziet de dichter de zon ondergaan. Wie zou niet naast hem willen zitten?

zondag 24 april 2022

Julian Barnes, Elizabeth Finch

Vintage, 2022. Ebook.

In zijn recensie van Elizabeth Finch (de vertaling door Ronald Vlek, uitgegeven door Atlas Contact) schrijft Joost de Vries in De groene Amsterdammer (jrg. 146, nr 16 – 21 april 2022 –, p. 62-63) dat Barnes, toen hij op 34-jarige leeftijd debuteerde met Metroland (1980), ‘al het perspectief vond dat hem het meest nabij lag: die [sic] van de oudere, comfortabele mens, terugblikkend met een lichte melancholie, maar ook genoeg charme en zelfspot dat [sic] die melancholie nooit heel zwaar trekt.’ En zo’n type is ook weer de vertellende hoofdfiguur Neil in deze roman, ook al stelt de titel ervan iemand anders in het licht, de docente wier cursus Culture and Civilisation hij volgt op latere leeftijd, althans als dertiger. Finch is de docente van wie, en vooral van wier denken, hij zo onder de indruk is dat hij wel verliefd lijkt.

Tientallen jaren van afstandelijke vriendschap later, onderhouden met regelmatige lunchgesprekken, na haar onverwachte dood, krijgt Neil via Finchs broer, de beschikking over haar persoonlijke notities en haar bibliotheek en besluit hij geen biografie over, maar wel een eerbetoon aan haar te schrijven; eigenlijk is het de inlossing van een oude schuld: het voor haar cursus vereiste eindwerkstuk, heeft Neil nooit op papier gekregen, maar nu zal het er toch van komen.

Het wordt een enorm traktaat over Julian the Apostate (bij ons bekend als Julianus de Afvallige, over wie Marcellus Emants in 1874 een drama in vijf bedrijven publiceerde), barstend van de citaten uit de geleerde notities van Finch en werk van anderen. Dat stuk beslaat het tweede van de drie delen waaruit de roman bestaat. De Vries parafraseert een Britse criticus die noteerde dat je als schrijver wel veel zelfvertrouwen moet hebben ‘om zo'n meanderende, taaie lap tekst in je roman op te nemen.’

Het lijkt mij wel ironisch dat deze ik-verteller, die qua stijl en focalisatie lijkt op Julian Barnes, over een (andere) Julian gaat schrijven (ik ben benieuwd of en zo ja hoe in de Nederlandse vertaling de link tussen de hoofdpersoon van de ingebedde tekst en de auteur van de roman duidelijk behouden blijft).

Deel twee is inderdaad een stuk stoffiger dan deel een, maar een taaie lap tekst zou ik nou ook weer niet noemen. Dat dacht ik althans bij eerste lezing; maar nu ik me er een tweede keer doorheen werk, kan ik het toch moeilijk anders benoemen dan als ‘an almost unendurable bore’, woorden waarmee een criticus van de Telegraph ooit Ibsens Julianus-drama Emperor and Galiliean uit 1873 omschreef. Een dikke voldoende zou Neil er niet mee behaald hebben, vrees ik, als Finch überhaupt al cijfers gaf.

Ik werd vervolgens door mijn eigen woorden verrast toen ik hier herlas wat ik na de eerste lezing over deel drie schreef:

In deel drie blijft Neil doordruppelen over die vierde-eeuwse Romeinse keizer die van het christelijke pad naar dat van het klassieke veelgodendom probeerde terug te keren. Misschien kwam er nog iets hoog-interessants... De Vries stipt er niet iets van aan, en ik heb het niet gezien omdat ik deed wat ik nog niet eerder hoefde te doen: een roman van Julian Barnes voortijdig, tot op het bot verveeld en zwaar teleurgesteld, dichtklappen (althans, m’n e-lezer met deze roman erin). Goed geschreven, hoor, al die zinnen, laat dat maar aan Barnes over, maar wel een bloedeloos vervelend verhaal. Volgens De Vries – die nogal moeite heeft met vlot formuleren – ‘lijkt Elizabeth Finch [...] een boek geworden dat [Barnes] vooral voor zichzelf lijkt te hebben geschreven, en minder voor de lezer.’ 

Zo kan je het ook zeggen: een roman van een goede schrijver blijft een roman van een goede schrijver, ook als je het eigenlijk helemaal geen goede roman vindt.

Na herlezing van (de Engelstalige) Elizabeth Finch, direct nadat ik Barnes’ laatste boek, Departure(s), had gelezen, is mijn niet zo diepe indruk van deze roman niet sterk veranderd. Behalve dat het in deel drie niet alleen maar over Julian gaat, maar ook en zelfs vooral over Finchs aantekeningen, over Neils overwegingen om toch een soort biografie of memoir over haar te schrijven, en over een lezing van Finch over keizer Julian, die tot onaangename en onheuse publiciteit over haar heeft geleid in kranten.

Nu is dat niet meteen hoog-interessant, maar helemaal van het narratieve padje raakt Neil toch ook weer niet (al moet hij zich soms wel tot de orde van dat pad roepen, maar dat is weer een fijn Barnesiaans trekje). Ik denk dus dat deel twee van de roman mijn genoegen in het lezen ervan behoorlijk de das om heeft gedaan.

Wat ik bij eerste lezing niet kon weten, maar wat me nu opvalt, is dat Elizabeth Finch net als Departure(s) twee hoofdbestanddelen heeft met de geschiedenis van de relatie tussen twee personages, en daartussen een middenperiode van meerdere decennia waarin het contact afwezig of heel anders van aard is, en dat in beide romans de verteldraad veel kronkels heeft, waarvan de waardering afhankelijk lijkt van de kracht van de vertelling, en dat die in de oudere roman in mijn optiek veel zwakker is dan die in Barnes’ laatste, wat komt doordat de geschiedenis in de ene roman veelal (cultuur-historische) ideeën betreft en die in de andere vooral over intermenselijk verkeer gaat waarbij de ideeën aanhaken op een meer organische wijze, namelijk als abstracte theorie bij de concrete gebeurtenissen. En Neil (en ook Julian) in Elizabeth Finch is een minder intrigerend personage dan Julian in Departure(s).

Totdat hij op het allerlaatst via anderen, destijds medestudenten, tot een beter, meer gelaagd beeld komt van de door hem wellicht iets te veel geïdealiseerde Elizabeth Finch. Niet dat hij het oorspronkelijke beeld overboord kiepert, maar hij neemt het nieuwe wel in zich op. En hij besluit zijn memoir over haar, wat dus eigenlijk de onderhavige roman is (geen Barnes zonder postmoderne twist), beter maar niet af te maken; het is een van zijn vele onvoltooide werken; hij breekt zijn werk af omdat hij, denkend aan Epictetus, inziet dat je alleen op je moet nemen of aan moet gaan wat je op je kunt nemen of aan kunt gaan. ‘Some things are up to us and some are not up to us’, de hier vaak aangehaalde opening van diens Enchiridion.

Dit slot, met de omslag, die me doet denken aan de strekking van Changing my mind (2025), maakt het hele boek alsnog een goede Barnes, hoewel er te veel in wordt gezeverd over Julian the Apostate. Maar: had het boek werkelijk anders kunnen zijn? Zonder al die poespas over Julianus zou de lezer wellicht niet zo dicht bij de bezetenheid van de verteller hebben kunnen komen, en dus ook niet bij zijn peripeteia. Al met al ben ik blij dat ik Elizabeth Finch herlezen heb.

Het oorspronkelijke bericht van april 2022 werd aangepast en aangevuld na de tweede lezing van de roman in april 2026.

zaterdag 16 april 2022

Ilja Leonard Pfeijffer, Monterosso mon amour

Een novelle. Boekenweekgeschenk 2022. Hardcover, 92 blz.

Eerlijk is eerlijk: ik had het wel zo'n beetje gehad met ILP, vooral met zijn pompeus-ironische en ijdeltuiterige zelfreferenties in z'n werk. En hij stelde me met dit geschenkje weer niet teleur: zowel voor- als achterin deze liefdesgeschiedenis over Carmen en Antonio is door De Grote Schrijver weer een hoogpolige, karmozijnen loper uitgerold voor De Grote Schrijver. Dat zelfgenoegzame koldertapijt, ook al is het met de bekende ironie omgezoomd, had hij met vrucht weg kunnen laten zonder dat het schade zou hebben gedaan aan de kwaliteit van de novelle.

Het amusante, licht-melancholische levens- en liefdesverhaal dat hier wordt verteld – als een vis in het water passend bij het thema van deze boekenweek – wordt met groot vakmanschap verteld. Die ILP weet wel van wanten met zijn welgekozen woorden, met zijn nu eens zakelijke, dan weer zinderende zinnen, en met het ritme van zijn vertelling. Op bladzij nummer vijftig kreeg hij me zowaar aan het lachen. Een zeer genoeglijk boekwerkje. Er meer over noteren zou gevaar van spoilers opleveren.

Dit gratis geschenk – als ik me dit pleonasme mag veroorloven – is heel andere kost dan het kommetje uiterst waterige kindersoep dat veelgeprezen MLR de lezer in dezelfde week voor niet minder dan € 5,- meent te kunnen opdissen als een 'essay'.

zondag 10 april 2022

Jilt Jorritsma, Was

Roman. Lebowski Publishers, Amsterdam 2021. Paperback (mooi omslag, maar het boekblok is ijselijk strak in de rug geplakt), 238 blz. incl. verantwoording en dankwoord.

Misschien gaat er iets scheef tussen mij en boeken met een motto ontleend aan The Doors of  Perception; misschien moet ik nu dat boek van Aldous Huxley maar eens gaan lezen, al denk ik dat ik er te nuchter voor ben.

Was begint betrekkelijk zakelijk, al zit er meteen al een Fremdkörper midden in het zachte verhemelte van de hoofdpersoon Wyrd Posthuma, een vijfde verstandskies. Maar niemand heeft gezegd dat het normale leven honderd procent bekend en herkenbaar is, dus zo lang die tandarts van Wyrd nog reparatiemogelijkheden ziet en er in de roman een heuse scan van een schedel vol tanden en kiezen opduikt, doet deze lezer daar niet moeilijk over.

Was oogt zeer klassiek met z'n opbouw uit drie delen: 'I Wat is', 'II Wat was' en 'III Wat zal zijn'. Toen ik nog niet tot de helft was gevorderd met lezen, maar al wel in deel II was aanbeland, constateerde ik dat er qua taalgebruik werkelijk geen vuiltje aan de lucht was, wat de laatste tijd uitzonderlijk begint te worden: literatuur lijkt vergeven te zijn van de spreektaalachtige stoplappen, syntactisch geflodder, fouten in woordafbrekingen en andere (redactionele) uitglijders. Was lijkt dus wat dat betreft een mooie uitzondering.

Het verhaal in die eerste helft is fascinerend, wat vast te maken heeft met de forse versnippering van de verschillende verhaallijnen, met de ingelaste notities, en met die waanzinnige geschiedenis van die kies. Inmiddels ontkiemden toch ook wel verontrustende symptomen van een regiment standaardmotieven: de hoofdpersoon lijkt niet per se ongelijk aan de millenniumauteur, er is een ongelukkige, althans niet naar tevredenheid beëindigde liefde, een dementerende en vervolgens overleden moeder, een Vatersuche, een wegtrekken uit de stad en terugkeren naar de bron van het persoonlijke leven en niet minder naar de natuur en alle vormen van verbinding en samenhang die daarmee samen blijken te hangen.  Maar dat geeft allemaal niet omdat de vertelling zo overtuigend in elkaar steekt en best vlot verloopt.

Maar dan, in deel II, begint de ontwikkeling van het gebeuren danig te vertragen, komt het verhaal eigenlijk niet meer los van van het afgelegen, geïsoleerde gebied De Boarn waar Wyrd de zonderlinge Aerte ontmoet, een man met 'lange, verwarde grijze haren in pieken over zijn voorhoofd. Een ruige baard bedekt zijn gezicht. Zijn jukbeenderen steken uit als knoesten. Boven zijn scheefgegroeide neus nemen twee grote opengesperde ogen Wyrd vanuit diepe oogkassen argwanend op.' Zijn linkerhand is in zwachtels gewikkeld. En die gezwachtelde hand wordt nog vele, vele malen genoemd in de rest van de roman, als betrof het een epitheton ornans. Deze Aerte is wat clichématig, net als de ouderwetse kennis van de natuurlijke historie en de biologische faits divers waar hij zijn sobere conversatie mee lardeert.

Dat Aertes jukbeenderen vergeleken worden met uitstekende knoesten, lijkt hier nog een stilistisch detail, maar blijkt later een semantisch stevig met de thematiek vergroeid gegeven te zijn. Dat is zowel een kracht van het boek (alles hangt met alles samen; als er een mus in voor zou komen...) als ook een zwakte, althans in mijn optiek. Er komt gaandeweg over De Boarn een quasiwetenschappelijk waas te hangen van een in het westerse denken op de achtergrond geraakte vergaarbak van lekenkennis van de samenhang van al het aardse doorheen de geschiedenis. Dat waas wordt voorzien van een 'Verantwoording' achterin het boek, die als ondertitel heeft '(Geraadpleegde werken)'. Achtereenvolgens worden daar de bronnen opgelepeld van het thema dat de mens een omgekeerde boom is die de wereld verkeerd om waarneemt, draadfiguren die een vorm van communiceren zijn tussen verschillende tijden en tussen mens en natuur, de TimeSlips-methode en (virtuele) geheugenpaleizen als middelen om mensen met dementie mee te ondersteunen, kunstmatige intelligentie en deep learning, radiologie en infraroodreflectorgrafie, mycorrhiza-netwerken van bomen, voorvaderlijke wassen maskers, externalisaties van het geheugen, de robotdochter van René Descartes... en dan is de lijst nog niet uitgeput. Er lijkt geen speld tussen de wonderbaarlijke en soms gruwelijke gebeurtenissen te kunnen, net zomin als tussen de fragmenten van actuele complottheorieën.

Het komt er uiteindelijk op uit dat Wyrd zijn eigen toekomst lijkt te kunnen beïnvloeden via een aaneenschakeling, opeenstapeling, een gestaffel van inversies van inversies. Ik ben, en dat wist ik al, niet zo heel erg into Gothic novels. Door de tweede helft van de roman zou ik bijna vergeten hoe goed en aangrijpend soms ook de eerste helft is. De onderliggende verhaalkern is ronduit schrijnend: de jongeman die niet opgewassen is tegen een toekomst met een kind dat hij zelf heeft verwekt, en dat hij en zijn partner samen besluiten te laten aborteren, waardoor hun toekomst alsnog en nog eerder volledig naar de gallemiezen gaat. Misschien laat zo'n verhaal zich ook niet gewoon vertellen, en moet het worden ingepakt in een semi-kosmologische lappendeken van bijeengeraapte deeltheorietjes-van-alles. Ik denk, met andere woorden, dat er veel lezers zijn die wel kunnen verdwijnen in deze doorgaans goed geschreven en stevig gecomponeerde debuutroman.

dinsdag 8 maart 2022

Amy Liptrot, The Instant

Digital edition. Canongate Books, Edinburgh 2022.

Wellicht ben ik als e-lezer een te willig slachtoffer van algoritmes, wellicht heb ik echt een recensie of aankondiging op papier gelezen van The Instant terwijl ik nog bezig was in Tekenen van het universum (2022) van Emy Koopman. Hoe dan ook dacht ik dat dit (tweede) boek van Amy Lipton interessant kon zijn omdat het ook over een obsessie zou gaan, en daarnaast over Berlijn, een stad waar ik graag vertoef (terwijl ik Canada, waar Koopmans boek zich goeddeels afspeelt, nog nooit bezocht). Daar komt bij dat The Guardian Liptrots boek, net als haar eerste, een memoir noemt, en die genreaanduiding past, als er een Nederlands equivalent voor zou zijn, ook op Tekenen van het universum, ware het niet dat dat boek heel veel lijkt op een echte roman, en dat het genre de facto niet genoemd wordt. Bovendien is Liptrot naast schrijver ook journalist, net als Koopman, en is de Schotse geboren in 1986 (de ik-figuur van Lipton noemt zichzelf ‘about as old as a millennial can be’) en de Nederlandse in 1985. Ik was nieuwsgierig of ik meer van hetzelfde te lezen zou krijgen maar dan toch heel anders.

Het werd, stelde ik al vast toen ik nog maar op de helft was van het boek, alleen het laatste. Of ietwat scherper gesteld: alles wat het boek van Koopman interessant en aantrekkelijk maakt, ontbreekt in dat van Liptrot. Of: alles wat in Tekenen van het universum gelukkig afwezig is, staat helaas wel in The Instant. Onder meer een overdosis aan korte, simplistische zinnen; een even moordende hoeveelheid zinnen die met ‘I’ plus persoonsvorm beginnen; loutere opsomming in platte telling van zogenaamd heftige emoties, die vooral neerkomen op het uitventen van een kleinzielige, zelfgenoegzame eenzaamheid; een bloedeloos repetitieve vermelding van een zich blind staren op het internet (waarmee de ik-figuur een praktijkvoorbeeld wordt van The Shallows van Nicholas Carr); een uiterst doorzichtige thematische verantwoording van de binaire speelruimte (guur eilandje voor de Schotse kust vs. wereldstad op het continent); nauwelijks een blik over de rand van het eigen wereldje van de ik, tenzij via het internet, waarvan ook eindeloze ornithologische ditjes en datjes lijken te worden opgelepeld, en losse feitjes als hoeveel minuten het duurt voor het zonlicht de aarde bereikt.

Andersom is het grotere plan waarbinnen het verhaal zou passen, zoals de tekenen van het universum dat bij Koopman vormen, bij Liptrot niet veel verder ontwikkeld dan een gortdroog noemen van allerlei verschijningssoorten of benamingen van de maan bij ieder nieuw hoofdstuk. Er is weinig in The Instant dat de indruk weet te weerleggen dat dit boek inderdaad niet meer dan een memoir is, een document humain, een uitgewerkt dagboek. Het is autobiografische non-fictie zonder een greintje literaire, stilistische of compositorische brille. Vond ik het eerst nog wel grappig dat de tegenspeler van de ik-figuur hier niet A heet, maar B, vervolgens vond ik het irritant omdat Liptrot alle andere personen, vooral vrienden en vriendinnen, aanduidt als 'B'. Die anderen krijgen mede daardoor nauwelijks contour, geen karakter, want ze verdwijnen ook direct nadat ze verschenen; ze worden slechts aangestipt.

Al vroeg in de tekst refereert Liptrot tussen neus en lippen aan de AA en aan de rehab en aan een (andere) drugsverslaving, maar daar 'doet' ze verder niks mee, behalve tegen het einde aangeven dat verslaving ook een vorm van obsessie is. De eigenlijke obsessie die in het boek centraal staat, komt pas laat op gang: het gemis van de geliefde. Eer die geliefde, B, er is, is het boek al halverwege, en eenmaal daar, is hij in een mum van tijd alweer verdwenen, zonder dat De Grote Liefde nu echt lekker uit de verf is gekomen. Zielig voor haar dat hij haar dumpt, maar wat moet een lezer met zo'n vaag figuur?

Vaag is niet alleen B, maar ook de ik-figuur zelf, die een opmerking maakt als: 'The same technology that allows my lifestyle – the flexibility, the short-term, the instant – also enables me to be detached and uncommited.' Maar ook deze: ' In six weeks I've made friends and been lonely and had new ideas', zonder dat er van enige vriendschap, van eenzaamheid of van een nieuw idee zelfs maar een flinter is gebleken. De Grote Ontmoeting vertrouwt ze als volgt aan de digitale inkt toe: 'He pays me compliments and we go for a walk and a curry and I feel happier, more relaxed and hungrier than I have in a long time. On the way out of the restaurant, we hold hands, easy.' En, om een eind aan te breien aan de eenvoudig aan te leggen collectie oppervlakkige taaluitingen: 'There is still so much to learn. There are many different ways of living in the same city.'

donderdag 3 maart 2022

Emy Koopman, Tekenen van het universum

Verslag van een obsessie. Prometheus, Amsterdam 2022. E-Book naar de eerste druk.

Niet alleen dankzij een paar dagen isolatie (met slechts milde klachten), schoot ik als een speer door dit geschrift over een obsessie. Dit boek moet wel literaire non-fictie zijn. Non-fictie, omdat er tal van referenties zijn aan min of meer bekende realia, en omdat het ik-personage Emy heet en haar carrière duidelijke overeenkomsten heeft met die van de schrijfster; bovendien wordt het boek nergens op of tussen de kaften aangeduid als roman, novelle, verhaal of iets dergelijks, maar wel als 'verslag'. Literair, omdat het taalgebruik van hoog niveau is, en omdat de structuur bijzonder weinig gemeen heeft met die van een zakelijk en chronologisch verslag, logboek of rapport, maar meer met die van een complexe roman of een tragedie (wel een met een paar eindnoten).

Er zijn vijf grote onderdelen in te onderscheiden: Voorspel, Onderweg, Een lange hete zomer, Tijden van afstand en Naspel, elk op een eigen titelpagina voorzien van een motto ontleend aan Andersens De kleine zeemeermin. De delen bevatten respectievelijk negen, vijf, 29, twaalf en drie hoofdstukken, zodat de structuur in ieder geval rekenkundig/qua omvang van de delen duidelijk, zo niet klassiek is, met een kern die tweemaal zo groot is als de vier flankerende delen.

Tijdens het lezen had ik niet de ervaring dat ik een rationeel uitgebalanceerd geheel in handen had. De hoofdstukken zijn namelijk zeer divers van omvang, inhoud, vorm en houden zich niet alle erg streng aan een chronologisch eenduidige lijn. Er zijn zo veel uitstapjes weg van de kern van de geschiedenis, dat het geheel op mij de indruk maakt van een – welja, waarom niet – sterrenhemel: talloze fragmenten in een ogenschijnlijk willekeurige samenstelling die echter toch verbonden zijn, of kunnen worden, tot een zinvolle configuratie, maar zelden langs die klinkklare, heldere rechte lijn.

Dat vlechtwerk van verhalen, kanttekeningen, terugblikken op het leven van Emy, dat niet vrij is van ernstige troebelen (uiteenlopend van mislukte relaties, automutilatie en anorexia tot pesterijen en kanker aan toe), notities, weergaven van  app-gesprekken en -monologen, uitweidingen over literaire, muzikale, filosofische en andere interteksten, dat alles maakt het boek juist zo interessant, zo boeiend als het mijns inziens is. Ook al duurt het lezen lang, het boek laat zich maar moeilijk wegleggen voor een pauze.

De kern van de geschiedenis, en de aanleiding tot het schrijven van het boek, is in wezen niet zo boeiend; je zou dat deel zelfs een genrestuk kunnen noemen, het verhaal van un amour fou, een onmogelijke of verboden liefde, maar hier geframed als in de sterren, de kosmos, het universum voorbeschikt: intelligente, autonome, jonge vrouw raakt tijdens werk aan documentaire-reeks in Canada binnen een week totaal verslingerd aan een local, krijgt hem, of: haar eigen aandacht voor hem, niet meer uit haar systeem. Ze heeft hem eigenlijk alleen maar gezien en gesproken (en een keer aangeraakt, en een deel van een nacht naast hem geslapen, netjes met iets aan allebei) maar alles in haar dwingt haar ertoe hem aan te (willen) aanraken. Kortom: ze raakt geobsedeerd door deze A (een andere aanduiding krijgt de antagonist niet) terwijl ze weet welke praktische drempels er in de vorm van conventies en eigen overtuigingen tussen hen liggen: zijzelf, en ook de door haar begeerde A, heeft een relatie, en geen van beiden wil die relatie offeren aan de obsessie, die volgens Emy bij A waarschijnlijk niet minder is, zeker niet in het begin. Het bewustzijn van de onmogelijkheid van de liefde maakt die obsessie nog niet ongedaan, natuurlijk. Integendeel. Hun onderlinge aantrekkingskracht is, als gezegd, niet gewoon, niet aards, maar lijkt van een schier kosmische intensiteit en onvermijdelijkheid. Zie daar meteen een aanzet tot verklaring van de titel.

Het zijn de zeer veelkantige, niet aflatende en in intensiteit variërende rationele en emotionele spartelingen van Emy in dit net van begeerte, die het kernverhaal naar een niveau vijzelen dat ik in de recente Nederlandse literatuur niet vaak bereikt heb zien worden. Nou, vooruit, Gustaaf Peeks Godin, held (2015) haalt het met gemak; en dan nog heb ik ook niet alles gelezen, dus ik kan beter alleen maar zeggen dat ik Tekenen van het universum heel erg mooi en interessant vind. En in dit geval komt dat door de associatieve combinatie van het kernverhaal met al die andere meer (zelf)reflexieve, essayerende, filosoferende en soms bijna schotschriftelijke satellietteksten.

Ja, soms dacht ik wel: 'Wat duurt het lang'; soms kreeg ik de neiging tegen het boek te roepen: 'Mens, kijk toch uit je doppen, je bent slimmer dan dit, dat blijkt uit alles. Drop die gast. En wel nu. Dit wordt niks. Nooit.' Ja, ja, makkelijk roepen vanaf de wal. Maar die lengte, die duur is natuurlijk een index van de ellende van een echte obsessie.

Het boek is bijzonder rijk aan interteksten. Referenties aan en citaten uit literatuur, filosofie, film, theater, (pop)muziek, inclusief songteksten spatten van de pagina's zonder dat ze storen of afleiden of geleerderig aandoen. Hierdoor, en door als die schijnbare zijpaden, is Tekenen van het universum, denk ik, vergelijkbaar met Lieke Marsmans Het tegenovergestelde van een mens, dat overigens wel als 'roman' te boek staat.



donderdag 10 februari 2022

Geert Buelens, Wat we toen al wisten

De vergeten groene geschiedenis van 1972. Querido Facto, Amsterdam 2022. Paperback, 323 blz. inclusief noten, bibliografie en registers.

Te zeggen dat het niet mijn gewoonte is om hier mijn ervaringen te delen met het lezen van publicaties van mijn directe collega's, is een understatement. Ik zwijg over hun werken. En omdat het hier gaat om een boek van mijn leidinggevende, is er al helemaal geen reden om een uitzondering te maken op die ongeschreven regel. Het verwijt 'wiens brood men eet, diens woord men spreekt', zou op de loer kunnen liggen, zeker in onze hoog-sensitieve tijd, waar het gaat om machtsverhoudingen en hoe daarmee om te gaan. Maar, hier en nu liggen de zaken toch een tikkie anders: de auteur en deze lezer van dit boek, eten gezamenlijk uit dezelfde ruif. Daar komt bij dat op het achterplat staat vermeld: 'Geert Buelens (1971) is hoogleraar in Utrecht, dichter en essayist.' Dat wij beiden werkzaam zijn op het gebied van de moderne Nederlandse letterkunde (ja, ja, #wijzijnneerlandici), doet er hier inderdaad helemaal niet toe.

Zo, genoeg gedraald. 

Werkelijk ademloos (nou ja: metaforisch dan) heb ik dit overrompelende boek gelezen, althans de eerste 251 bladzijden; de overige 121 bevatten de noten, vooral een enorme bibliografie, en registers. Het is een imponerend werk, in de goede zin van het woord: indrukwekkend; maar ook verontrustend. En al lang voor ik het ten einde had gelezen en dichtsloeg, dacht ik: onbegrijpelijk dat we dit, wat Buelens nu beschrijft, toen allemaal al wisten of minstens konden weten, en dat het nog steeds nodig is ons dit allemaal grondig ter harte te nemen - want de toestand van de wereld, de staat waarin de planeet aarde verkeert, is er de afgelopen halve eeuw bepaald niet beter op geworden, terwijl het rapport Grenzen aan de groei (1972) dat wel als oogmerk had.

Het is niet zo dat er in de tussentijd niets ondernomen is om niet van kwaad tot erger te geraken, maar het totaal-resultaat van alle goede bedoelingen en intenties en oproepen en acties en manifestaties en initiatieven is op z'n zachtst gezegd ver onder de maat gebleken en gebleven. Onze aarde is uitgewoond. Beter: wij hebben onze aarde uitgewoond, bedorven, verwaarloosd, uitgeput.

Verbijsterend is het hoe Buelens deze ingewikkelde, samengestelde en zeer omvangrijke materie – en dan bedoel ik zowel het onderwerp van zijn boek als de vele, vele bronnen die hij geraadpleegd heeft –  weet te vatten in een zo toegankelijk, lucide gesmeed verhaal. En dat zonder een uitleggerig of betweterig toontje. De betrokkenheid spat ervan af. Ik wist, dit met betrekking tot het begin van het boek, niet dat zelfs de aanloop naar het verschijnen van een vijf decennia oud rapport een spannend verhaal kon zijn. Daarnaast is de slingerslag die Buelens steeds maakt tussen het mondiale en het persoonlijke perspectief op de kwestie, briljant en zeer overtuigend. Aan het begin en/of het eind van een hoofdstuk schets hij vaak een voorval uit zijn eigen geschiedenis in het Vlaamse dorpje Duffel in het laatste kwart van de vorige eeuw. De impact en de complexiteit van de mondiale vervuiling komt daardoor sterk, maar wrang, tot uitdrukking. Een van de hoofdlijnen van zijn betoog is dat de oplossing van onze ecocrisis nog steeds, al een halve eeuw, ligt in een evenzeer complexe ingreep, waarbij niet alleen ecologie en economie, maar onder andere ook sociologie, demografie, biologie, post-koloniale verhoudingen en cultuurverschillen in het geding zijn. Het probleem, maar ook de oplossing, is niet af te schuiven op één enkel bordje.

Het standpunt en de visie van Buelens zijn evident, maar hij perst ze nooit drammerig of pathetisch door des lezers strot. Zijn betoog is overtuigend, wat onder meer komt door de bijzonder grote hoeveelheid internationale literatuur die hij in zijn onderzoek heeft verwerkt. Illustrerende details doen het daarbij heel goed; ik noem hier alleen zijn opmerking over fossiele brandslof slurpende SUV's die overal glunderend van de lifestyle rondrijden maar vrijwel nergens een wezenlijk zinnige functie hebben; en de paradox dat we, om onze binnenkamers in de winter warm te stoken, onbedoeld ook de gehele buitenlucht verhitten.

Ik heb het boek gelezen met een gretigheid waarmee ik een goede roman lees. Dat het onderwerp alles behalve prettig of aangenaam of opbeurend is, past (helaas) ook bij de echte meesterwerken van het genre.