vrijdag 14 augustus 2015

Va quand y l'ecture - IV

F.P. Thomese, De onderwaterzwemmer. Amsterdam, Atlas Contact, 2015.

Een zeer lofrijk ontvangen boek. Even dacht ik dat mijn oordeel erover mank ging aan mijn afwijking dat ik chronische obstipatie heb opgelopen door het lezen van laffe leuterverhalen met een negen- of tienjarig knulletje (Birk) of grietje (Het bittere kruid) als hoofdfocalisator annex –verteller, maar toen bleek dat in de overige twee delen een volwassen en een bejaarde versie van dat gastje die rol overnamen en aan het oeverloze gemijmer en gepieker en getob en geöverweeg geen einde kwam, en ook niet aan de dreinende drie- of meerledige herhaling van vrijwel iedere overweging, tob en pieker, wist ik dat het aan die zeurstijl van het boek lag. Ik was niet alleen op vakantie en vernam uit doorgaans betrouwbare bron dat het boek zonder al te veel redactionele oplettendheid met gemak drie keer zo dun had kunnen zijn zonder een gram aan betekenis te verliezen (zelfs in een slechtzienden-uitgave zou je er nog geen Dwarsliggertje mee kunnen vullen).

Een probleem is namelijk dat er zo weinig betekenis in zit. Over hoe, waarom, waardoor of waartoe van allerlei handelingen wordt beroerd weinig gezegd of gesuggereerd. Omstandigheden waaronder papa met zoontje in de oorlog een rivier oversteekt richting bevrijd gebied? Zero. Reden waarom pa oversteekt? Nul. Reden waarom dat sulletje rozenwater van een zoontje mee moet en mamma niet? Nada. Waardoor de vader verdwijnt (verzopen, opgevroten, neergeschoten)? Niente. Ook niet achteraf, want het concept ‘voortschrijdend inzicht’ is de hoofdpersoon even bekend als zijn interesse in andere mensen diepgaand is; hij blijft liever in een rondje piekeren met zijn benepen denkbereik. Blijft over: de wanhopige lezers(re)constructie in de categorie 'een slag in de lucht': de man had genoeg van zijn vrouw en doorzag dat zoonlief zijn moeder ook niet lijden kon – ook al horen we dat jong daar dan nog niet over, hij krijgt pas later een pesthekel aan zijn moeder, wanneer die hem de dood van haar – kennelijk toch geliefde – gemaal verwijt, terwijl wij natuurlijk weten dat dat knulletje zo druk bezig was met rechtuit te zwemmen met zijn kleren in een bundeltje op zijn hoofd en zijn klompjes aan een touwtje achter hem aan dobberend, dat hij, toch als intermenselijk beperkt, niet eens in staat was zich actief met zijn vaders zwemkunst bezig te houden. Die reconstructie is in zo verre wanhopig dat daarmee de plaatsing van deze oerscène aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een losse flodder blijft.

In deel twee is onze held op klompjes opeens een volwassen man die zijn bagage niet terugkrijgt op een bloedheet vliegveld in donker Afrika. Dat mag een begin of herstart in medias res heten, maar het brengt geen enkele spanning of nieuwsgierigheid te weeg, al helemaal niet doordat de vent zich in deel twee niet anders dan uitermate racistische uitlaat over de bewoners van het land dat hij tegen zijn zin en in het kielzog van zijn ambitieuze vrouw bezoekt. De man heet overigens Tin, een afko van Martin (mijn moeder, Mathilde, werd Tilly genoemd, niet Matje, terwijl haar moeder echt Tedje heette; ik ken een Leon, maar toen ik hem met ‘Napo’ aansprak, begreep hij dat niet), zodat je meteen kan denken aan Tintin au Congo, niet bepaald Hergé’s aangenaamste boek. Maar dat ter zijde.

Deel twee is net zo stream of consciousachtig als het eerste, wat niet prettig is met een focalisator die een benepen bangebroek is waar geen interessante gedachte in omgaat; dat zijn vrouw in haar functie van lerares een albino-Afrikaantje heeft geFoster Parent Pland, roept geen enkele vraag bij hem op, zo min als het hem interesseert waarom zijn vrouw zo nodig dat jochie op wil zoeken. Maar op pagina 72 wordt de tot dan toe keurig volgehouden vertelwijze grof geschonden door een ‘Wat Tin niet begrijpt, is dat Vic [...] wil.’ Vic, trouwens, is de naam van zijn vrouw, die voluit Victorine heet en niet Torine wordt genoemd. Vic en Tin hebben maar één dochter kunnen produceren, en Tin kan niet zonder haar, terwijl zij, zestien jaar oud, niet mee is op reis. Daar zien we de spiegeling van Tins jeugdtrauma! En lieve hemel: hij raakt er ook nog zijn Vic kwijt tussen al die negers (de alwetende vertelinstantie vergeet voortdurend het hemeltergende racisme van die bleke Tin te corrigeren of te contextualiseren of anderszins minder stuitend te maken). Vic verliest het leven in de droogte zoals haar schoonpa in het nat.

In deel drie zijn we weer dertig jaar verder en zijn we opeens in Havanna, en Tim is nog steeds dezelfde infantiele wegkijker: als je een probleem negeert, bestaat het niet. En op pagina 230 gaat de vertelwijze weer eens aan gruizels: ‘Het idee [...] komt niet bij hem op.’ Met daarachter nog doodleuk: ‘Zijn leven voltrekt zich al zijn leven lang buiten hem om.’ Alsof dat er nog niet ingehamerd was. Vervolgens stroomt Tins zogenaamde bewustzijn stroperig verder. Zijn dochter, die hij zoooo zegt te missen, heeft hem dertig jaar geleden verstoten. Spiegel! Tin, op bezoek bij de albino die een bekwaam chirurg op Cuba is geworden – hoe dat zo heeft kunnen komen, doet er kennelijk niet toe, zo min als de vraag hoe Tin diens studie en dergelijke heeft gefinancierd, want we weten niet eens wat die vent doet in het dagelijks leven, of deed, want nu heeft hij zijn rug gebroken (ja, hij is letterlijk onderuit gegaan) en lijdt hij helse pijnen want zijn wond is geïnfecteerd. Opeens komt er een kleinzoon opdagen, symbolisch genoeg getooid met de volle naam Victor (mag het een onsje minder) die hem mee terug zal nemen naar zijn vaderland (als ik dat woord in deze context gebruiken mag), want daar kunnen ze hem vast wel genezen en amor vincit omnia, niet dan? Nou dan! Eind al, niet goed.

Va quand y l'ecture - III

James Joyce, Ulixes. Vertaald door Erik Bindervoet en Robert-Jan Henkes. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2012, digitale uitgave, naar de eerste druk, 2012.

Zoveelste poging. Nu niet na vijfentwintig pagina’s gestrand, maar tien bladzijden verder. Barend Servet-achtig geouwehoer, maar dan niet leuk. Maar het boek is meer dan achthonderd bladzijden dik, en in een rurale Ierse boekhandel, in Ennis om precies te zijn, zag ik maar liefst vier recente edities ervan op de plank staan, dus ik zal er geen oordeel over uitspreken en het boek later, als ik groot ben, nog eens te verorberen trachten.

Va quand y l'ecture - II

Leon de Winter, VSV of Daden van onbaatzuchtigheid. Amsterdam, De bezige bij, 2013, digitale uitgave, naar de eerste druk van 2012.

Een spannende roman met een bomaanslag in de parkeergarage van de Stopera, een vliegtuigkaping op Schiphol en een schoolkinderengijzeling in Oud-Zuid door een elftal niet specifiek religieuze maar kennelijk anderszins ontspoorde jonge Marokkanen, waarin verder optreden: wijlen de atheïstische filmregisseur Theo van Gogh, als beschermengel van een doorgewinterde joodse, maar niet religieuze drugscrimineel die het liefderijke en medemenselijke licht ziet wanneer hij door een transplantatie het hart krijgt van een niet-celibatair levende Afro-Amerikaanse franciscaan die zijn ex-minnares een jaar lang hartstochtelijk gemind heeft; de joodse, maar niet religieuze schrijver Leon de Winter, die gescheiden is van zijn vrouw, de joodse schrijfster Jessica Durlacher, die er vandoor is gegaan met een rijke architect, wat Leon op zijn beurt voor een tijdje in de armen van de ex-minnares van die drugscrimineel jaagt, welke twee evenwel aan het eind goed al goed samenleven met hun voor die man tot dan toe niet bekende zoon erbij; de joodse, maar niet religieuze top-advocaat Bram Moszkowicz, die gescheiden raakt van zijn vriendin Eva Jinek, wier achtergrond en overtuiging, meen ik, niet in beeld worden gebracht, die liever een tv-programma presenteert met Jeroen Pauw (of met Paul Witteman, dat weet ik nu niet meer); de joodse, maar niet religieuze burgemeester Job Cohen, die zowel een vrouw heeft als een door hem stevig bezochte minnares die (waarschijnlijk) omkomt bij de bomaanslag (maar dat wordt in de roman niet opgehelderd), terwijl ze in het bezit is van de portefeuille met alle creditcards van Job, die hij na een wip vergeten was mee te nemen; de calvinistische en bij vlagen belijdende minister P.H. Donner, wiens leven getekend is door een bij een roei-ongeluk omgekomen jeugdliefde; en Geert Wilders. Onder anderen.

Heel veel gedoe, dus, met veel voor de personages aanvankelijk onbekende relaties tussen de (andere) personages, die aan en uit gaan en intercontinentaal, intersociaal, interraciaal en internogmeer zijn; personages die alleen maar bij elkaar gebracht kunnen worden in een schier Mulischiaans-metafysisch brei-, kant- en haakwerk, waarvan het toppunt een haast letterlijk geval van deus ex machina is, namelijk een liefdevol beschermengelijk ingrijpen door Van Gogh. Bijna lijkt het een plot die typerend is voor het theatrale oeuvre van John Lanting. Wel grappig is, nu ik het toch over Mulisch heb, dat net als in De ontdekking van de hemel hier een lid van de familie Donner een rol speelt; een interreëeltextueel verband waar beide auteurs waarschijnlijk van (zouden) glim gaan lachen.

Jammer is dat VSV wel over actuele maatschappelijke problematiek gaat maar niet echt een analyse biedt van het (wel of niet moslim-extremistisch terrorisme-) probleem. Ik heb hierboven van bijna alle personages kort hun denominatie annex religieuze achtergrond aangegeven omdat de kern van het conflict tussen de echte Van Gogh en de echte De Winter, evenzeer als dat van de hier opgevoerde personages, lag in het verwijt van de eerste dat de tweede zijn joodse identiteit zou uitventen. Als je het erin wilt lezen, zit er inderdaad een spoor van in deze roman, maar ook niet meer. En wat dan nog. Er zijn zo veel autobiografisch gefundeerde romans.

Het gaat erom of een roman, liefst op aantrekkelijke, intrigerende, spannende, vermakelijke en zo verdere wijze, iets te zeggen heeft, waar dan ook over. En ik geloof dat deze roman iets wil uitdrukken van het belang van onbaatzuchtigheid, of misschien wel van: liefde, in plaats van het gebruikelijke voorop plaatsen van eigenbelang en conventies. Wat dat laatste betreft, is het opmerkelijk dat er geen gewone, laat staan een gewone burgerlijke relatie tussen welke personages dan ook geschetst wordt. Bijna iedereen wordt uiteindelijk getekend en gedreven door liefde, gezochte, gevonden of verloren liefde. Leon verliest zijn Jessica aan haar vrijer, Max zijn Eva aan haar professionele ambities; de franciscaan is een hartstochtelijk minnaar zonder dat zijn franciscaner ambities daaronder lijden, in zijn eigen noch in anderer ogen; Sonja kan niet zonder haar Max die tegelijkertijd een bedreiging voor haar is, zodat ze steeds voor hem vlucht, naar alle continenten (het lijkt wel of zij in haar eentje de joodse diaspora verbeeldt terwijl van Max indirect wordt aangegeven dat zijn fundamentele woede, die haar de stuipen op het lijf jaagt, gevoed is door zijn Tweede Wereldoorlogse familiegschiedenis); Max kan echt niet zonder zijn Sonja maar wordt in het dagelijks leven wat te veel afgeleid door zijn materiële verlangens tot hij het franciscaner ruilhart ontvangt; P.H. is getekend door de dood van zijn jeugdgeliefde; Job is een respectabel burgemeester en echtgenoot en een bezeten minnaar; Kichie, Max’ toegewijde steun en toeverlaat, is de enige die alleen maar getrouwd is, maar hij besteedt al zijn aandacht aan Max en de criminaliteit, en anders zit hij, vrijwel onbereikbaar voor echtgenote en kind, in een penitentiaire inrichting; zijn zoon Sallie wil niet trouwen met de voor hem uitgezochte bruid, zijn nichtje Darya; en Nathan, om er een eind aan te breien, de zoon van Sonja en Max, brengt indirect alles tot een goed einde via zijn kalverliefde voor klasgenote Lia, die hij toont door middel van een hartvormig horloge dat hij haar wil schenken.

Va quand y l'ecture - I

Rutger Pontzen, Nu ik. Amsterdam-Antwerpen, Querido, 2015, digitale uitgave, naar de eerste druk, 2015.

Dit is de uitvoering van een plannetje dat (hoe leuk: metafictioneel) aan het begin en aan het eind ervan wordt geformuleerd en als plannetje misschien nog wel aardig oogt in een tekst die met ‘en’ begint (en dus niet met: ‘En’) en eindigt met ‘blijven’ (zonder punt erachter), namelijk om alles uit een leven aan elkaar te schrijven zo dat het toch nog zin (ja, heb je ‘m?) krijgt. Het boek is, kortom, in zijn geheel een onderdeel van één ononderbroken zin, waarvan de infinaliteit aan het – onvermijdelijke – begin en eind ervan wordt gesymboliseerd, gelet op de semantiek en de typografie/ orthografie/ interpuctie. De vorm is, met andere woorden, de inhoud.

Deze laatste omschrijving kan ook zo uitgelegd worden: de inhoud stelt niets voor. En wat er dan met enige goede wil aan inhoud te ontwaren is, betreft het gemijmer of de memoires van een soort niet-bedlegerige moderne oblomoviaanse nietsnut (of die vergelijking klopt,weet ik niet, want Oblomov las ik heel lang geleden en niet ten einde).

Helaas stelt ook de vorm niets voor doordat de tekst niet werkelijk uit één welgevormde zin bestaat, maar slechts een mozaïek is vol overduidelijke, onbeholpen, onbedoelde schilfers, lijmresten, breukvlakken, scheuren, overlappingen en vooral heel veel syntactische fouten, aangelengd met bladvullerige, oubollige, hyperbolische, pleonastische en/of tautologische rimram.

Het hele ding is van kop tot kont bloedeloos saai. Ik heb de laatste vijftien bladzijden gebladerd meer dan gelezen.

maandag 1 juni 2015

Auke van der Woud, De nieuwe mens

De culturele revolutie in Nederland rond 1900. Amsterdam, Prometheus-Bert Bakker 2015. Gebrocheerde hardcover van 351 bladzijden, inclusief Noten, Bibliografie, Illustratieverantwoording, Personenregister en Zakenregister. Lekkere grote, mooie letter, en het boek blijft goed open liggen (openliggen?).

Van der Woud wandelt weer, deskundig opmerkend en toelichtend, over het hem welbekende terrein van het (laat-) negentiende-eeuwse Nederland, waarbij Amsterdam zich op ik weet niet welke wijze steeds weer op de voorgrond weet te bevinden. Maar anders dan de twee boeken die ik eerder van hem las, Een nieuwe wereld (2006) en Koninkrijk vol sloppen (2010) waagt Van der Woud zich nu meer aan duiding en speculatie dan aan registratie, calculatie en samenhangende beschrijving van allerhande gegevens betreffende de mens, de omgeving en de techniek.

In De nieuwe mens plaatst hij allerlei ontwikkelingen in de negentiende en de vroege twintigste eeuw in het licht van een diepe cultuurverandering, of zelfs een cultuuromslag van - moge ik het zo goed verwoorden - een samenleving die geworteld is in en elitair, idealistisch en burgerlijk verlichtingsdenken naar een zich voortdurend sterker vestigende massale samenleving vol materialistisch, veelvormig, pragmatisch en positivistisch denken.

Het aardige vind ik dat Van der Woud onomwonden aangeeft dat hij er nog niet helemaal uit is, hoe hij die enorm veelvormige hoeveelheid ontwikkelingen precies moet duiden; hij geeft meer een richting aan waar 'het' zijns inziens te vinden zal zijn dan dat hij met een klip en klaar nieuw concept aan komt dragen. Hij laat evenwel duidelijk blijken dat hij het niet eens is met de typering van dezelfde tijd die Jan Bank en Maarten van Buuren in 2000 gaven: 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur. 'De burgerlijke cultuur van de late negentiende eeuw was rond 1900 al een mythe', stelt Van der Woud.

Opmerkelijk dat onlangs bij Lemniscaat een nieuwe vertaling verscheen van het beroemde boek van José Ortega y Gasset, La rebelión de las masas uit 1929. De titel daarvan luidde tot nu toe in de Nederlandse vertaling van J. Brouwer:De opstand der horden, maar sinds kort is dat, in de vertaling van Diederik Boomsma: De opstand van de massamens. Dat klinkt anders, meer letterlijk, minder verwerpend, hoewel Gassets visie door Van der Woud wordt samengevat als: 'een alarmerende waarschuwing dat het Westen in chaos zou verzinken omdat het gepeupel de macht ging grijpen.' Gassets boek getuigt van een ouderwets soort ongenoegen van iemand die de boel bekeek vanuit een inmiddels gedateerd perspectief. Van der Woud weet daar mooi een (ander) licht op te werpen.

maandag 25 mei 2015

Kort en goed 2: Stephan Enter, Compassie

Amsterdam, Van Oorschot 2015. Hardkaft met stofomslag, 154 blz. (geen e-ditie van kunnen vinden).

Een man, een beetje een zelfingenomen losbol, leert via een datingsite een vrouw kennen, van wie hij in eerste instantie en in tweede, en zeg maar gerust in bijna alle navolgende instanties, bijzonder onder de indruk is. Misschien was dat niet echt zijn bedoeling, want tot dan toe hopte hij van de ene naar de andere date, zoals dat tegenwoordig heet; mijn moeder zou dat 'scharrels' noemen. Maar Jessica laat niet met zich scharrelen.

Die eerste instantie is haar bijzonder intrigerende gezicht, en die andere instanties zijn haar intellect, haar zelfstandigheid, haar denkbeelden, haar academische carrière, haar kleding, humor, kortom: zo'n beetje alles aan haar. Het boek is bij vlagen wat stroopzoeterig wanneer het tot lofzangen op de half-Duitse Jessica komt. De man, de ik-verteller, Frank van Luijn geheten blijkens het achterplat, gaat volkomen voor de bijl.

Volkomen? Neen. Er blijkt iets aan Jessica's naakte lichaam te zijn, wat hem alles behalve aantrekt (heel discreet verzwijgt de ik-verteller wat dat is; een opmerkelijk detail in het boek). En seksueel is het een regelrechte ramp met deze geesteswetenschappelijke promovenda: ze schreeuwt de hele buurt bij elkaar tijdens het copuleren, maar enige lust, laat staan klaarkomen, is er niet bij.

Daar komt bij: ze heeft aan automutilatie gedaan (ze 'kon niet bij haar gevoel komen') en ze zegt dat onze held haar eerste vriend is. Die heeft dus issues, denkt Frank. Dat is aan geen dovemans oren gezegd, de ridder in hem is gewekt: hij gaat alles op alles zetten, niet alleen om haar te bevredigen, ook en vooral om haar echte eerste vriend te zijn, hij geeft zichzelf als het ware als vriend aan haar, omdat dat een goede ervaring zou zijn, goed ook voor haar zelfbeeld. Maar daarna - heeft hij al vrij snel besloten - daarna moet het ook afgelopen zijn, en zal hij haar verlaten en op zoek gaan naar een betere vriendin.

Nee, zó vervelend en plat seksistisch is het boek gelukkig niet: de hele zaak kantelt volkomen. In veel minder bladzijden dan er gewijd zijn aan zijn zelfbenoemde altruïstische reddingsactie krijgt onze held de volle laag bagger van het lot en het leven, recht in zijn smoel, en hij komt er, te laat, achter dat niet zij, maar hij de sneue figuur is. Hoewel hij uit niets dan liefde handelt, of laten we het compassie noemen, is hij de ergste, meest verdorven, onoprechte, maar tragisch genoeg in zekere zin ook onbedoelde egoïst. Hij geniet zozeer van het feit of de gedachte dat hij Jessica kan helpen, dat zijn acties neerkomen op onverdunde morele zelfbevrediging en geheel losgeslagen zijn van altruïsme, sympathie en empathie.

Het is een even bondige als fraaie staal van keiharde moedwil en dito misverstand. Onheuse zelfvooringenomenheid. En: doordat het een ik-vertelling is, is het wat moeilijk om de zaak echt te doorzien, om langs dat ego van Frank heen te kijken, en krijg je als lezer, als je niet oppast, eveneens een corrigerende tik op je domme vingers.


Nabetrachting 06-06-2015

Bij herlezing, dus met de kennis van de eerste lezing, en in aanmerking genomen dat ik het boek de eerste keer wellicht toch te snel en te argeloos las, vind ik die Frank van Luijn wel een stuk meer in de buurt komen van de zo geheten onsympathieke romanpersonages. Iets preciezer: hij is een fors ontwikkeld impathiek persoon: een figuur met een gapend manco aan empathie gekoppeld aan een enorme zelftevredenheid, en daarnaast begiftigd met een irritante dosis seksgerichtheid. Helemaal niks mis met seks, begrijp me goed, maar bij deze ik-verteller gaat die aandacht, om niet te zeggen: fixatie, nogal ingrijpend te koste van andere zaken en interesses, hoewel hij het doet voorkomen dat het niet zo is.

Grappig (zoals Anker dit woord gebruikt in het slotgedicht van Onvergetelijke, toegewijde trouweloze tijd), dat ik me er zo blind in heb laten luizen door dat dominante vertelperspectief. Want eerlijk gezegd: de 'natuurkunde-ex' van Frank, plottechnisch bezien een bijfiguur die hij aanvankelijk met dedain in zijn relaas neerzet, en die hem na het debacle opbelt, kon de hele situatie met, en ook het karakter van Jessica van een afstandje wel eens veel beter doorgrond hebben dan Frank zelf, die zich presenteert als de onbaatzuchtige en barmhartige, onbezoldigde psychosociale en seksuele hulpverlener. Jessica is misschien niet zo sneu, ze wordt vooral als sneuëlinge neergezet door die luizebol van een Frank.

Ik was vergeten, trouwens, dat deze roman een tegelijk tragisch en blij einde heeft. Frank komt tot een diep zelfinzicht. Anders: ik vraag me af of het slothoofdstuk wel nodig, passend is. Ik had de roman slechts tot en met hoofdstuk negen in mijn geheugen gezet, dus tot en met de ondergang en met een slotscène die aansluit bij het begin: Frank die Jessica's datingsitefoto ziet; zonder hoofdstuk tien, waarin het, met een tijdsprongetje, toch nog goed komt.

Nadere betrachting 26-06-2015

Bij de bespreking van het boek, gisteren met de deelnemersrijke nieuwe leesclub, in de achtertuin van De Bastaard, eerst alleen met studenten en medewerkers en vervolgens ook met de auteur, kwam onder veel meer het slot van de roman ter sprake. Er was verschil van inzicht of dat wel een feitelijke tijdssprong vooruit betrof; misschien was het een flashforward (dus slechts een denkbeeld van Frank hoe 'het' later zou kunnen zijn), of zelfs slechts een flashback. En ik moet zeggen dat de andere twee opties beter zijn dan wat ik aanvankelijk dacht, en dat een flashback de beste duiding is, omdat wel duidelijk was geworden, toch, dat die Frank echt onherstelbaar naar z'n mallemoer was geholpen: dat kan nooit meer goed komen met hem. De implied author heeft hem, als een Dreverhaven zijn niet-geëchte zoon, voor negen tiende uitgeknepen, of misschien nog wel meer, en amechtig stuiptrekkend achtergelaten. En hoewel het past bij het in het motto aangekondigde sprookjesachtige karakter dat het verhaal ook heeft, blijf ik het jammer vinden dat er dat laatste hoofdstuk met die moraal aan toegevoegd is.

Kort en goed 1: Patrick Modiano, Pour que tu ne te perdes pas dans le quartier

Z.p.: Gallimard. Édition électronique, naar de eerste druk van 2014, 94 'bladzijden'.

Jean Daragane, een man, schrijver, Parijzenaar, solist, mogelijk eenzaam, op leeftijd, ergens in de zestig wellicht, wordt telefonisch benaderd door een onbekende die zijn adresboekje heeft gevonden, en hem een vraag wil stellen in verband met het boek dat hij, naar hij zegt, zelf aan het schrijven is, een vraag naar aanleiding van een naam uit dat adresboekje die eveneens voorkomt in de eerste roman van Daragane, die nu zo'n vijfendertig jaar geleden verscheen.

Oeps, deze zin heeft geen enkele gelijkenis met de uitgebeende, korte, droge zinnen die Modiano schrijft, maar geeft wel iets weer van de (nogal melancholische) herinnerings- en identiteits-thematiek van deze, Modiano's recentste, roman. Daragane wil eigenlijk helemaal niet gestoord worden in zijn dagelijkse leven, maar gaat toch in op de uitnodiging voor een ontmoeting. Maar nee, de naam in dat adresboekje en in zijn debuut zegt hem helemaal niets (meer). Zegt hij. Inmiddels begint evenwel zijn memorie op te te warmen, te draaien, te werken, te wentelen.

Tegen het eind van de roman wordt duidelijk dat Daragane zelf, toen hij voorbereidingen maakte voor zijn debuutroman, (ook) inlichtingen vergaarde bij iemand, die hij heel vaag uit zijn verleden van weer vijftien jaar eerder kende, onder het mom van het schrijven van een brochure. Die roman schreef hij (misschien wel uitsluitend) om weer in contact te komen met een moederlijke en zijn echte moeder vervangende, toen nog jonge, vrouw uit dat verleden, door er een scène in te beschrijven die alleen zij zou kunnen herkennen, maar die overigens niet zo veel met het verhaal te maken heeft.

En dat is nog gelukt ook: kort na verschijning van het boek ontving hij bericht van de gezochte Annie Astrand, die dan inmiddels niet meer zo heet: ze heeft de achternaam van haar echtgenoot aangenomen en heeft een nieuwe voornaam. Waarom dat laatste? Onduidelijk. Maar wel is duidelijk dat adresboekjes geen nut hebben: gegevens van wie je erin opzoekt zijn verouderd, veranderd, ongeldig, namen van anderen staan er niet eens in, en wie echt nuttig is, daar ken je de gegevens toch wel van uit je hoofd (en trouwens, telefoneren doet Daragane haast niet meer). Denk je.

Daragan leert later wel dat Annie in de gevangenis heeft gezeten. En dat er iets is/was/zou kunnen zijn geweest met een moord.

Zie je, daar was ik bang voor: deze roman gaat heel erg over vergeten en herinneren, verdringen en naspeuren, terwijl het geen detective is (er komt geen rechercheur in functie in voor) en ook geen spookverhaal. Maar het is toch nogal een gedoe om alle handelingen op een rijtje te zetten, terwijl het nou ook bepaald weer geen actieroman is, en terwijl Modiano er zijn best op gedaan heeft gegevens en formuleringen te herhalen. Ik denk dat het een psychologische ideeënroman is, want ik denk dat Daragane nadrukkelijk een stuk verleden heeft verdrongen, en dat nu toch weer helder probeert te krijgen, omdat hij erachter komt dat hij behoorlijk verdwaald is geraakt in zijn eigen leven. En juist die Annie Astrand heeft hem, jochie nog, toen ze in Parijs terecht kwamen, een in vieren gevouwen papier gegeven met zijn nieuwe adres, en ook de opmerking: opdat je niet verdwaalt in de wijk.

Er wordt veel met parallellen gewerkt in deze roman, spiegeling van personages, het op verschillende tijden op weer dezelfde plaatsen verzeild raken. Heel mooi is het inzicht van Daragane op een gegeven moment dat hij er vijftien jaar over heeft gedaan om aan de overkant van een straat te geraken, dat zijn reconstructie (want zijn eerste roman was al een reconstructie, zo goed als deze roman van Modiano dat nu ook is) hem niet verder helpt dan dat. Zijn zoektocht gaat dan ook niet in de breedte, maar in de diepte, in de duisternis van zijn waarschijnlijk moedwillig vervormde herinnering, een zoektocht in de geest en het gemoed tevens. Om erachter te komen dat er het nodige is misverstaan en misgegaan. Zonder melancholie gaat het niet.

Vrijwel onmiddellijk hierna heb ik de Nederlandse vertaling gelezen. Ik had er wel behoefte aan het boekje te herlezen, want door de leesafstand die het Frans schept, werd ik (te) zeer geabsorbeerd door formuleringen, woordbetekenissen, idiomatische uitdrukkingen, werkwoordstijden en dergelijke, en liet ik de lange lijn van het verhaal, die - als gezegd - subtiel ingewikkeld door het doolhof gelegd is, wellicht wat te vaak vieren. Maar dat bleek mee te vallen. Het is inderdaad zo dat Modiano heel secuur niet zegt wat er zich in dat verleden heeft voorgedaan; Daragane kàn dat (natuurlijk) ook niet noemen, hooguit benaderen; het boek gaat niet over dat éne, maar over de processen van recuperatie erna.

Vreemd vind ik dat de Nederlandse vertaling (door Maarten Elzinga, Amsterdam-Antwerpen 2015, e-boek op basis van de 1e en 2e 'druk' van 2015, 103 'bladzijden') als titel heeft: Om niet te verdwalen, en in het colofon zegt dat de originele titel is: Pour que tu ne te perdes pas. Maar het gaat niet om zomaar ergens de weg kwijtraken, het gaat er nadrukkelijk om de weg dans le quartier niet kwijt te raken, de weg naar huis in de (betrekkelijk overzichtelijke) buurt, wijk, nota bene de wijk waar Daragane nooit meer uit weggegaan is. Overigens niks mis mee, met die vertaling. Maar probeer het boek eerst in het Frans, zo moeilijk is het niet, dank zij die stijl van Modiano.