donderdag 5 februari 2009

Robert Anker, De thuiskomst van kapitein Rob

Voorkant omslag eerste, later uit de handel gehaalde, drukAmsterdam 1992. 221 blz.

Volgens het omslag is de ondertitel: Twee novellen en een brief. En achterop staat dat het boek 'een jongensnovelle, een streekverhaal en een brief' bevat. Maar ja, op de titelpagina staat dat allemaal niet. De jongensnovelle geeft de naam aan de bundel, de streeknovelle heet 'Klaas drijft boven' en de brief (die in de voorpublicatie in Tirade nog enigszins de vorm van een brief had) heet 'Wederzijds opgericht'.

Wegens de examenvoorbereidingen van zoonlief, nautisch en maritiem uiterst bevlogen, heb ik dit boek voor de ik weet niet hoeveelste maal herlezen. En ook deze keer weer tot volle tevredenheid, genoegen zelfs, om maar iets te noemen. En iedere keer is het weer anders, doordat de meekijkende hoeveelheid Ankerleeservaring weer groter is. In dit geval waren er inmiddels bijgekomen: het zomerdagboek Innerlijke vaart (2005) en Negen levens; een dorp als zelfportret (2006). Een andere keer was Vrouwenzand (1998) erbij gekomen, en in eerste instantie werd het werk ingekleurd door Van het balkon (1983). Want je kunt er lang of kort omheen draaien: het werk van Anker is ongehoord autobiografisch, en melancholisch, en tegelijkertijd probeert het zich daar hartstochtelijk tegen af te zetten, van los te maken. Een titel als die van zijn debuut wijst daar al op: Waar ik nog ben (1979).

Bij een eerdere lectuur heb ik allerlei parallellen met vooral Van het balkon in de marge aangetekend, tot op het gedicht nauwkeurig; later zag ik pas dat het daarbij ging om steevaste aspecten van het landschap van Ankers oeuvre. En leven. Die ankerpunten bezorgen het lezen van dit werk een apart soort herkenbaarheid, alsof je in een bekende omgeving verzeild bent geraakt, maar die toch ook niet hetzelfde is als wat je dacht. Zo komt in deze bundel een zekere Masereeuw voor, in een bijrolletje, terwijl (een andere) Masereeuw een hoofdrol heeft in Vrouwenzand. Voordat ik Een soort Engeland (2001) had gelezen, was me nog niet duidelijk hoe prominent het toneel in Ankers werk is; maar daarna zag ik dat de acteur David (maar nu met de achternaam Koolhaas) hier ook al optreedt (maar nog steeds heb ik Beckett niet gelezen, noch Pinter, Artaud; wel BW 233 herbeluisterd).

Het aantrekkelijke van deze bundel is meervoudig. Het is de knusse herkenbaarheid van die specifieke Ankerwereld. Het is de verrassing door het opduiken van bekende namen op andere personages maar met toch wel weer herkenbare rollen. Het is de boeiende spanning tussen regressie en progressie, tussen vast (willen) roesten in de oude bekende, goede, geordende, veilige wereld van de jeugd, en dwars daar tegenin weg willen naar een onbekende, dynamische, hedendaagsere wereld van volwassenheid. Het is Ankers fenomenale taalbeheersing gecombineerd met een ongegeneerd grove wijze van vertellen, namelijk het gebruik maken van vergaande identificering van de auctoriale verteller met zijn (hoofd)personage (ook qua focalisatie, natuurlijk), en tegelijk een zich mijlen ver boven de verhaalwerkelijkheid uittorenende supervisie door de verteller.

Wat dat laatste betreft: 'Lezer saluut!', staat er op pagina 30, 'U had mijn aanwezigheid natuurlijk al vermoed, dus laat ik even naar voren komen. Geloof me als ik zeg dat ik een lichte buiging voor u maak.' Je zou - even weinig nuancerend als deze verteller - kunnen zeggen dat hier een postmoderne verhaaltechniek wordt ingezet: de constructie van de fictie komt aan de oppervlakte. Maar intrigerend is dat het schijnbaar onschuldige woord 'aanwezigheid' een Leitmotiv is in het titelverhaal, en sowieso een motief is in al Ankers proza en poëzie. Die 'aanwezigheid' heeft - geloof ik - te maken met 'er zijn' in een schier Heideggeriaanse, en anders wel existentialistische zin. Ankers schrijverschap is een voortdurende zoektocht naar het juiste engagement. Anker is, zo lees ik dat, zich voortdurend bewust van de dialectiek van kunst en werkelijkheid, van de omweg tot de werkelijkheid via de kunst. Hij zoekt, of: zijn personages zoeken, of beter nog: hij zoekt door middel van zijn personages een eigen plaats in wat steeds weer heet (in een niet-pleonastische woordgroep): het hedendaagse heden.

Van deze bundel trekt me het titelverhaal het meest aan, omdat het een verhaal is ( de andere twee vertellingen zijn zeer fragmentarisch, kaleidoskopisch). Bovendien zit het vol mooie onmogelijkheden, die het effect van het realistische volkomen vernietigen, maar toch het verhaal geen geweld aan doen (voorbeeld: het overlevingsvat dat na de schipbreuk een rijke wijnkelder blijkt te bevatten, alsmede een meerdelig servies en, handig op zo'n standaard onbewoond eiland met Nederlands kunnende praten papepgaai, een parasol). Ik ben benieuwd wat de zoon ervan vindt, maar ik zie weer dat ik het hem terecht heb aangeraden.

woensdag 14 januari 2009

Maarten van Buuren, Kikker gaat fietsen!

Of: over het leed dat leven heet. 3e dr. Lemniscaat, Rotterdam 2008. 251 pagina's. Paperback met flappen.

Ditmaal een minder omvangrijk boek, maar wel weer een dat me onmiddellijk en onvoorwaardelijk in zijn greep hield tot ik het uit las, weinig dagen na aanschaf, vanmorgen, grieppreventief wat langer in bed. Allemachtig wat een aangrijpende geschiedenis. En met wat een knetterende vaart en lijkt het geschreven, en met een ferme greep op de materie. Hoe bestaat een mens het met zoveel beheersing zo diep in de eigen existentiële afgrondelijkheid te schouwen en er zo helder over te vertellen. Om niet te zeggen: superieur, wat onder meer inhoudt: met een uitnemende beheersing van de Nederlandse taal, met gevoel voor anekdotiek, met de nodige, maar zeker niet te veel, ironie of zelfspot. Dat is wel aangenaam bij alle diepe ernst die het boek behelst.

Het Kikkergerelateerde oeuvre van Velthuis heb ik waarschijnlijk integraal en meermaals voorgelezen als beginnende ouder. En met plezier, ook van de voorgelezene. Op de website van Max Velthuis' uitgever staat: 'Kikker was zijn alter ego, een even sympathieke als naieve optimist. "Is het leven niet prachtig!" was zijn motto.' Daar klopt natuurlijk geen donder van. Ik begreep meteen waarom Van Buuren in zijn titel refereert aan dit niet-geschreven Kikkerboek: een klassieke depressiepatiënt, dat beest (net zoals die Krekel van Toon Tellegen).

In hoofdstuk 10, 'Terug in de wereld', schrijft Van Buuren: 'Na deze crisis zal ik nooit meer de illusie kunnen koesteren (voor zover ik die al had) dat mijn identiteit draait om een kern die stabiel en onveranderlijk is. Het herstellen van een in elkaar gezakte identiteit stel ik me dan ook niet voor als het herstel van een vaste kern, maar als het met oude kaarten opbouwen van een nieuw kaartenhuis. Waarin verschilt de nieuwe constructie van de oude? In elk geval in één belangrijk opzicht, en wel dat de kracht waarvan ik tot voor kort aannam dat die mijn min of meer stabiele kern vormde, vervangen moet worden door zwakte; dat het surplus dat ik tot voor kort dacht te zijn, vervangen moet worden door een tekort.'

Dat is een schokkend inzicht voor iemand die zijn hele leven onder meer de behoefte heeft gevoeld zich de ziel uit zijn longen te sporten (vandaar de titel). Zijn kracht was altijd vanzelfsprekend. 'Of het nu de materiële wereld was, de sociale wereld van intimi en collega's, of de geestelijke wereld: in al deze werelden bracht ik het verder dan mijn leeftijdgenoten, familieleden of collega's. Dat was geen arrogantie of waan, maar een zekerheid waar ik van uitging zonder haar ooit te formuleren of me er zelfs scherp van bewust te zijn. Ik zet haar voor het eerst op papier en ik kijk er met enige verbazing naar.'

Competitie is hem niet vreemd, en hij gaat die steeds aan 'met het plezier en het vertrouwen dat ik in mijn eigen league tot de sterksten behoor.' Het lijkt erop dat Van Buuren ook wat betreft depressie zijn peers wil overtreffen. Hij is niet alleen in een depressieve crisis geraakt, hij krabbelt er ook weer (enigszins, voorlopig?) uit en sleept er dit boek uit. Sterker nog: zonder het schrijven van dit boek was hem die recuperatie niet gelukt.

Dat sluit aan bij een andere paradox. Van Buuren maakt er geen geheim van niet een makkelijk babbelend, sociabel mens te zijn. Maar verrassend genoeg spreekt hij in dit boek heel vaak de lezer direct aan. Nu is dat misschien nog makkelijk, omdat de lezer niets terug kan zeggen, maar toch getuigt dit boek van durf, lijkt me, want Van Buuren leeft niet alleen, maar stelt zich met heel zijn hebben en houden ten toon aan lezend Nederland (de derde druk is al uit), en aan de stad Utrecht, en aan het dorp dat daarin ligt, de Universiteit. Misschien vindt hij het zelf niet erg, maar wat moet ik, als ik straks achter hem in de rij sta in De Schrans? 'Tof boek, Maarten!'? Ongemakkelijk vooruitzicht.

Ook (of: juist) als je zelf niet depressief bent of was en als je geen depressanten in eigen kring kent, is dit enerverende boek bijzonder de moeite waard; en: het lezen kost geen moeite. Het gaat, gek genoeg, ook over een gewoon mens, de mens, over jou en mij, maar dan wel de verborgen, soms wat duistere kantjes die ons eigen zijn.

dinsdag 6 januari 2009

Jonathan Littell, De welwillenden

roman. Vertaald door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2008 [oorspr. Les Bienveillantes. Gallimard, Paris 2006]. 980 bladzijden, inclusief bijlagen, waarnaar wordt verwezen in een 'Noot uitgever' op p. 36, geheel in de traditie van de ouderwetse, realistische authenticiteitsfictiegenreregels.

Of dit boek het wel verdient om opgenomen te worden in een collectie met de noemer 'Klasse!' kan van harte worden betwijfeld, want het is tot op het bot verrot (voorzover boeken botten hebben, natuurlijk). Het boek, het verhaalde, de hoofdpersoon annex verteller, de erin beschreven ideologie, ethiek, moraal, en wat er ook in behandeld en besproken wordt, de menselijke relaties, de sexualiteit, de bureaucratie, alles maar dan ook alles is door en door pervers, geperverteerd. Als het je nog niet groen en geel van letterlijke en figuurlijke ellende, etter en pus in de ogen is na het lezen van - ik noem maar wat - De Sade, Céline, Hermans, Houellebecq, dan helpt Littell je met zijn Max Aue wel over de drempel van de hel. Mijn god, wat een treunis, verrotting, ellende, stank, modder, kots, stront, bloed, zaad, urine en Schnaps, in allerlei graden van ontbinding, gisting, schifting, en in alle, nauwkeurig gedocumenteerde diktes, storten die over de lezer uit (type ervaring van de heldin van Zwartboek na de bevrijding). Alles wordt evenwel heel monter en rustig en zakelijk, en vaak ook uitermate saai verteld. Typerend (ondermeer) voor dit overweldigende boek is dat het met zijn gigantsche omvang maar zeven hoofdstukken telt, dat het nauwelijks paragrafen, en al bijna helemaal geen alinea's kent. Sterker: zelfs de directe redes, dialogen van personages zijn achter elkaar door op de regel gezet, waardoor de bladzijden alle overladen met letters zijn. Het boek oogt van binnen zwart, ondanks de prachtige, paarse verpakking. Er is geen rustpauze ingelast. Als je een afspraak hebt of slapen wilt, en denkt: 'Effe nog dit hoofdstuk uitlezen', is de kans groot dat je nog tweehonderd pagina's voor de boeg hebt; da's ongeveer de omvang van een gewone roman. En dan is dit een boek zonder cliffhangers.

Behalve pervers is het boek, het lezen van het boek, schier perverterend. Je ontkomt er niet aan mee te denken met personages, en je ontkomt er niet aan de ene moordenaar, verkrachter, machtswellusteling, onderkruiper minder erg te vinden tegen het stinkende licht van de andere. Steeds weer moet je je aan je eigen luizige, schurftige, vette lezersharen uit dit giftige moeras omhoogtrekken en je bedenken: ik wil dit allemaal niet eens weten, zelfs niet het minste; ik hoor hier niet bij; dit is van een gestoordheid... die is onmenselijk. Helaas. Zoals Baudelaire het eerste gedicht van Les fleurs du mal eindigt met: 'Hypocrite lecteur, - mon semblable, - mon frère!', zo begint dit boek met: 'Mensenbroeders! [ook nog Beethoven en Schiller erbij halen], laat me u vertellen hoe het is gegaan. Wij zijn uw broeders niet, zult u antwoorden, en we willen het niet eens weten.' Je bent dan al als het ware medeplichtig. Dit lezen is als wat je als kind wellicht hebt gedaan: stiekem, met knikkende knieën en zelfs enige tegenzin naar een verkeersongeluk gaan kijken, en het hoofd afwenden als je het bloed, de botsplinters al gezien hebt. Te laat. En je kunt het niet laten.

Die Max Aue is een nette man, die van lezen houdt, van muziek ook, hoewel hij zelf geen instrument kan spelen tot zijn spijt (maar zijn hoofdstukken wel 'Toccata' noemt, en 'Allemandes I en II', 'Courante', 'Sarabande', 'Menuet (in rondo's)', 'Air' en 'Gigue'), van filosoferen en discussiëren; kortom: niet van de straat, gepromoveerd in de rechten, plichtsgetrouw en punctueel. Hij berekent de vertelde tijd van de hoofdvertelling (oorlog) nauwkeurig: drie jaar, tien maanden, zestien dagen, twintig uren en één minuut. En voegt eraan toe: 'Wie ironisch doet over die inderdaad wat schoolmeesterachtige minuut, mag niet vergeten dat zo'n minuut toch staat voor 13,04 doden extra, op basis van het gemiddelde'.

Hij doet me denken aan de verteller van Het bureau van Voskuil, wat betreft z'n gortdroge beschrijvingen van werkelijk alles en iedereen. Aue weet van iedereen altijd precies de rang, functie, leeftijd, achtergrond; hij slaat geen detail over. Ik denk althans dat hij wat dat betreft op die baas van Maarten Koning lijkt. Ik weet dat niet zeker, want ik heb Het bureau na 75 bladzijden gillend van verveling voorgoed toevertrouwd aan de boekenplank en het stof en de vergetelheid. In vergelijking daarmee alleen al moet ik De welwillenden wel tot de klasse-literatuur rekenen. Want het boek heeft me ondanks alles wat ik hiervoor al noemde, en ondanks ook de saaie stijl (ik schrok bijna toen ik een omschrijving tegenkwam van huizen die zich verdringen om een dorpsplein; dat getuigt opeens van schrijfplezier) toch van het begin af aan bij de kladden gehad en tot het einde toe niet meer losgelaten, ook al kostte de lectuur me ruim een kerstreces.

Dat is niet gering. Als ik terugblik naar de boeken van meer dan 500 bladzijden die dat gelukt is (uitgezonderd biografieën), kom ik namelijk tot een treurig kort rijtje:

Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse
Brouwers, De zondvloed
Brouwers, Casino
Canetti, Het martyrium
Franzen, De correcties
Hofstadter, Gödel, Escher, Bach
Lanoye, Zwarte tranen
Möring, Dis
Mulisch, De ontdekking van de hemel
Van Oostrom, Stemen op schrift
Du Perron, Het land van herkomst
Stahlie, De lijfarts
Verhaegen, Omega minor

Samen goed voor 9073 pagina's platte tekst (geen registers, bijlagen enzo geteld). En ik lees niet zo snel. Dus een dikkerd moet me wel boeien. Dat is niet gelukt door een nog treuriger stemmend rijtje; nou, laat ik dat nuanceren: het is die boeken niet geluk me ertoe over te halen dat het de moeite loonde om er zo veel tijd in te steken als een volledige lectuur zou vergen (maar van sommige heb ik welbewust de lezing gestaakt):

Van der Heijden, Onder het plaveisel het moeras
Van der Heijden, Het schervengericht
Joyce, Ulysses
Musil, De man zonder eigenschappen
Rosenboom, Gewassen vlees
Seth, A Suitable Boy
Voskuil, Het bureau
Whitman, Leaves of Grass

Samen goed voor 11689 bladzijden, waarvan ik er in sommige boeken evenwel honderden heb gelezen... Ik weet niet wat erger is. Ik weet ook niet of ik De welwillende wel kan of wil aanraden. Maar het moet haast wel.

zondag 16 november 2008

Atte Jongstra, Klinkende ikken

Niet-digitale, originele composiet van 't omslag van mijn exemplaar en knipsel uit de reclamefolderBekentenissen van een zelfontwijker. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2008. Privé-domein nr. 266. 422 bladzijden, inclusief register, exclusief ongenummerd fotokatern.

Veel uit het prachtig uitgegeven Privé-domein (vroeger moest je ze nog zelf opensnijden) heb ik niet gelezen (wat moet een mens met dat privé-geneuzel van mensen die beter raad weten met de openbaarheid dan via een dagboek, of ze moeten Van Deyssel heten), maar dit deel kocht en las ik meteen en zonder een recensie gelezen te hebben. En terecht. Het is weer Jongstra op z'n best.

Vanaf het omslag en de titel is het boek zo schaamteloos ik-gericht - als doel of uitgangspunt -, dat je er meteen aan gaat twijfelen of dit niet evenzeer fictie is als ander werk dat 'roman' heet of iets dergelijks. Dat er foto's van de schrijver zelf bij geleverd worden, doet aan die twijfel in het geval-Jongstra alleen maar toe en niet af, indachtig het gebeuren rond Henry II Fix bijvoorbeeld.

Het boek is onnavertelbaar, want allesomvattend en -doordwarrelend wat betreft het gestaag uitdijend heelal dat de naam van deze schrijver draagt en dat vol is van hele en halve nova's, melkwegen en zwarte gaten, planeten, sterren en planetoïden en sterroïden c.q. de beschrijving ervan c.q. de referentie eraan. En natuurlijk word je daar af en toe helemaal iebel van. En natuurlijk denk je af en toe: blij dat de man schrijft en ik hem niet dagelijks in levenden lijve over de vloer of in de kroeg heb. Maar het is een groot plezier om dit alles te lezen, want, om maar eens een frase uit de laat-negentiende-eeuwse literatuurkritiek te gebruiken: wat een meesterschap over de taal heeft die Jongstra. Iedere zin spartelt dartel in het leefnet van zijn notities, met de verzekerde overtuiging na gebruik te worden teruggezet in de even zuurstofrijke boezem van de Nederlandse taal.

En ik kan niet anders dan Tom van Deel, die er flink van langs krijgt, enigszins gelijk geven: er hangt een inktig waas van Brakman over deze heer, althans: Jongstra's ruimhartig en weloverwogen taalgebruik schept een in de verte met die van Brakman vergelijkbare afstand tot het beschrevene en verraadt een dito behagen in het beschrijven en niet minder in het terugblikken op het beschrevene, zij het dan wel met de onnavolgbare 'perifere blik'. En ook wat betreft het plezier (door Van Deel kennelijk slechts als 'lollig' ervaren) is het op iedere bladzijde hier volop genieten, in het besef dat dit niet anders dan decor kan zijn. Des te merkwaardiger misschien, of juist passend, dat ik ten bewijze van een en ander dit ene citaat uit het boek licht: 'Melancholie. Een hoek in het gemoed die men niet alle dagen betreedt. Ik zie er smalle stroken grond met warme, witte bessen bij.' (p. 388) Prachtig.

maandag 10 november 2008

Achtergrond

Al die Klasse!, zo zonder enige achtergrond, dat krijgt maar geen karakteristieke dimensie, dat heeft geen fond, dat drijft los in het veld zonder kader. Geen grote klasse zonder onderklasse, zo iets; geen hoogste klasse zonder massa van goed via middelmaat tot matig en verder. Dus nu toch maar eens die (slechts fatsoenshalve enigszins gecorrigeerde) opsomming van al wat het kopje niet op eigen kracht boven het maaiveld kreeg geheven sinds Enters Spel, of is het juist al wat dat kopje wel zo ver kreeg maar de zeis des oordeelkrachts niet zag aankomen, van links noch van rechts? Let wel: er zit heel veel heel goeds bij hoor. Maar alleen het aller-, allerbeste is van een Klasse! apart. Een zinloos lijstje dus.

Umbgrove, Midden op de weg, zo hard mogelijk (wel een geweldige titel)
Van Hassel, Witte veder
Pfeijffer, Het ware leven (een echte baggerroman; lecturus interruptus)
Palmen, Lucifer (dan liever Pfeijffer; lecturus interruptus)
Van der Heijden, Het schervengericht (lecturus interruptus)
Van der Heijden, Mim
Jongstra, Cicerone (goed)
Jongstra, Psychologie van de zwavel (goed)
DeLillo, Falling Man
Wieringa, De dynamica der begeerte
Boon, Mijn kleine oorlog (wel intrigerend, daar niet van)
Boon, De atoombom en het kleine mannetje met den bolhoed
Haasse, Oeroeg
Leopold, Verzamelde verzen (mooi, maar niet mooist)
Thomese, Vladiwostok! (erg)
Anker, Nieuw-Lelievelt (jammer, haalt net niet het niveau van Een soort Engeland)
Van der Meulen, Multatuli (wel goed, niet best zoals Hanssen en Hilberdink)
Spinoy, Ik, en andere gedichten (ik heb daar geen veine voor, om met Couperus te spreken)
Mutsaers, Koetsier Herfst (echt niet te genieten)
Peper, Vingers van marsepein (AVI-6)
Noordervliet, Snijpunt (ga ik beslist herlezen)
Meijsing, Over de liefde (lecturissimus interruptus gravidus)
Bogaers, Onderlangs (lecturus interruptus; te veel van hetzelfde)
Draaisma, De herinneringenfabriek (hoe overtref je een succesnummer?)
Van de Woestijne, Verzameld dichtwerk (misschien te veel van gelezen in te korte tijd; zit veel fraais in, en 't is helemaal niet allemaal somder, echt niet)
Hooijer, Sleur is een roofdier (was het maar waar)
Pruis, Atoomgeheimen (waar?)
Van den Akker, De afstand
Kopland, Een man in de tuin (passé)
Polak, Over de grens (uitverkoop)
Boijens, Carel Vosmaer (maar is ook al wel oud voor een biografie)
Seth, A Suitable Boy (lecturus interruptus, helaas. Maar ja, 1400 bladzijden en meer voor een soort soap, althans: tot waar ik erin kwam; maar iedere keer als er weer wat gebeurt in India, denkt ik: ik ga dat boek toch eens uitlezen)
Heimans, Hemelsleutels (AVI-4)
Knibbe, Bedrieglijke dagen (moet ik nog eens op m'n gemak herlezen)
De Roode, Stad en land (niet)
Otten, De eend (hors concours eigenlijk; wat een leuk eposje is dat)
Gorter, Lucifer ('k heb een oud zwak voor Gorter)
Grunberg, Onze oom (stop ik nu echt mee, dat oeuvre)
Verhulst, Godverdomse dagen op een godverdomse boel (iets te uitgesponnen)
Blokker, Blokker en Blokker, Nederland in twaalf moorden (wel een erg leuk, perspectiefverschuivend boek, maar dat belerende, betweterige toontje van die Blokkertjes gaat jeuken na een tijdje)
Van Leeuwen, Alles nieuw (Toon Tellegen, maar dan met mensen).

zondag 12 oktober 2008

Nathan Englander, The Ministry of Special Cases

Alfred A. Knopf, New York 2007. 339 bladzijden.

Een bijzonder romandebuut; zeer wrang maar tegelijk bijzonder humoristisch, historisch-realistisch en tegelijk volkomen absurd. Heel in het kort gaat het over twee ouders op zoek naar hun zoon die verdwijnt tijdens de vuile oorlog in Argentinië. Maar zo'n samenvatting doet het boek geen recht. Want een gewone historische roman is dit zeker niet; evenmin een tranentrekkend verloren-kind-boek. Misschien komt het doordat de hoofdpersonen joods zijn, wat een bijzondere dimensie aan het verhaal geeft. In een recensie in de Volkskrant las ik dat tijdens die vuile oorlog van de bijna 30.000 politieke dissidenten, vakbondsleiders en studenten die verdwenen, naar schatting tien procent joods was, 'een opmerkelijk hoog percentage wanneer je beseft dat joden slechts één procent van de Argentijnse bevolking uitmaken'. Maar uit helemaal niets in de roman blijkt dat de verdwijning van Pato daar iets mee te maken zou hebben; het is veeleer een ordinaire daad van staatsterreur. Maar zijn ouders ontkomen er niet aan toch de verbinding te leggen. Wat hen er onder andere toe drijft, mede door onvoorziene omstandigheden, een afschuwelijke maar ook hilarische neuscorrectie te ondergaan, om maar minder herkenbaar te zijn. Wat falikant verkeerd uitpakt. Dat komt ook doordat zeker de vader niet, zoals de moeder, alleen een tragische figuur is, maar ook een goeiige, luie, welwillende, altijd maar miskleunende sukkel, een heuse schlemiel.

Voeg daarbij dat de vertelinstantie zich voor geen van zijn drastische commentaren op en ingrepen in de geschiedenis en de vertelling schaamt, en je hebt de belangrijkste ingrediënten van dit overdonderende boek, dat overigens weinig moeite doet om de lezer bij de kladden te vatten. Het eerste hoofdstuk heb ik althans meermalen vol onbegrip gelezen; op een gegeven moment ben ik zelfs naar de openbare bibliotheek te Overvecht gegaan, om daar het enig in Utrecht niet uitgeleende exemplaar van de Nederlandse vertaling te raadplegen, in een poging om in het verhaal te komen. Toen dat niet echt hielp, heb ik toch maar domweg doorgezet in mijn eigen, transatlantisch import-exemplaar. De eerste zin is wèl een binnenkomer: 'Jews bury themselves the way they live, crowded together, encroaching on one another's space.' Maar de absurde activiteiten van de hoofdfiguur lieten me toch enigszins verdwaasd in mijn leesstoel: hij is stiekem namen van grafstenen aan het verwijderen op een afgescheiden stukje van de joodse begraafplaats, waar de oneervollen liggen, hoerenzonen en zo. Die hoofdfiguur heet nota bene Kaddish, dus naar het centrale gebed in de joodse eredienst, en, zegt Wikipedia, 'The central line of the kaddish in Jewish tradition is the congregation's response "May His great name be blessed forever and to all eternity"', wat in deze context minstens absurd is; kaddish is ook het gebed voor de doden (zie hier). Achteraf zie je, dat Kaddish in zekere zin doet wat ook de junta doet, maar dan met de doden: hij laat onwelkomen, ongewensten verdwijnen. Als hij evenwel zijn meesterzet denkt te verrichten, slaat het lot hem moeiteloos weer de mislukking in. Zo, op tegelijk botte en lucide wijze, krijgt alles een naargeestige nasmaak. Knap werk.

zondag 7 september 2008

Bert Natter, Begeerte heeft ons aangeraakt

roman. Thomas Rap, Amsterdam. 1e dr. mei 2008, 2e dr. augustus 2008. 271 pagina's.

Het is lang geleden dat ik zo'n denderend goede roman van vaderlandse bodem las! Ik begin vandaag nog aan de eerste herlezing. Wat een imposante, maar schijnbaar moeiteloos gehanteerde techniek waarmee die Natter langzaam aan een wereld weet op te roepen, neer te zetten, met kleuren en geuren weet te schilderen, een wereld die heel gewoon lijkt (Den Haag, Enschede, een Gronings gehucht) maar waarin steeds waanzinniger tonelen zich af gaan spelen, resulterend in een volslagen rampzalig feestmaal ter afsluiting van een begrafenis, en daarna nog een afschuwelijker einde.

De debuutprijs voor 2008 moet al wel klaarliggen (naast de Libris), alsmede het verkoopcontract van de filmrechten; ik zie de hele cast van Oud Geld al aantreden, en een prachtige bijrol voor Rutger Hauer als notaris Kinschot, alles onder beeldregie van Erwin Olaf of zo.

Er zitten eigenlijk verschillende romans in deze ene verpakt. Een over een dramatische vriendschap die ook nog eens tragisch blijkt te zijn. Een over verlorenheid in de wereld, tegen de achtergrond van de Enschedese vuurwerkramp. Een angstaanjagend liefdesverhaal. Een heel geconcentreerde familiegeschiedenis. Een dorpsnovelle. Een een kunsthistorische detective met een zeventiende-eeuws klavecimbel als spil.

In Trouw staat dat de roman vreemd en onbestendig zou zijn. Dat is ze ook, en dat is maar goed ook. Je verveelt je geen moment met dit waanzinnige verhaal, waarin ook nog eens de nodige (ook letterlijk) humor is verwerkt.

Lezen, dit boek! Nu.