woensdag 8 april 2026

Bert Natter, Aan het einde van de oorlog - (deel III: Nabetrachting)

In (deel I van) mijn blogpost over Natters jongste roman, Aan het einde van de oorlog, schrijf ik het volgende: ‘Op pagina 141 gebeurt het voor het eerst even dat de handelingen in twee opeenvolgende tekstonderdelen rechtstreeks met elkaar te maken hebben.’

Het gaat om twee fragmenten met de aanhef of kop: ‘Giselle tussen de kleedruimte en de gaskamer’, respectievelijk: ‘Szymon bij de ingang van de gaskamer’. Szymon is lid van het Sonderkommando en moet een nieuwe vracht vrouwen, onder wie de (veronderstelde) communiste Giselle, de dood in dwingen, slaan, schoppen of sleuren. Giselle is welbewust in haar eentje wraak aan het nemen op alle nazi’s door een nazi-joch dat zich in haar omgeving ophield, met zich mee te dwingen, de gaskamer in. Het is in mijn optiek ongeveer het morele diepte- en tragische hoogtepunt van deze roman, in de zin dat de lezer hier intensief met beide personages kan, en, ik zou ook zeggen: moet meedenken over de beoordeling van de gruwelijke handelingen.

Deze verhaaldraad wordt, met minstens tien andere draden erdoorheen en soms parallel eraan, gesponnen vanaf ongeveer pagina 141 (d.w.z. na 22,24% van het geheel). Je moet je lezerskop stevig bij de tekst houden en bijvoorbeeld goed letten op de plaatsaanduidingen in de kleinkapitale kop boven elk verhaallijnfragment.* Gevangene Giselle, die op pagina 85 haar opwachting maakt in de roman, wordt in zes fragmenten tergend langzaam verplaatst van ‘de laadbak van de vrachtwagen’ waarmee ze met tientallen anderen vervoerd wordt (p. 85-112), naar ‘buiten het kamp’ waarover verteld wordt in vijf fragmenten (114-121), en in nog eens vijf fragmenten naar een verblijf ‘in de kleedruimte’ (127-134), waarna ze vier fragmenten lang vertoeft ‘tussen de kleedruimte en de gaskamer’ (136-141), om na de elf fragmenten van haar verblijf ‘in de gaskamer’ (144-162), te overlijden; na pagina 162 is ze als focalisator uit  de vertelling verdwenen (voor zover ik het boek las, maar het lijkt me sterk dat ze nog terugkeert).

Ernst – de elfjarige zoon van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorfer, plaatsvervangend-kampcommandant – gaat in dezelfde romansectie van ‘buiten het kamp’ (86-119, elf fragmenten), waar hij met zijn oudere broer aan het vissen was maar waar, een eindje verderop, ook de (eufemistische) kleedruimte en de gaskamer van het kamp gelegen zijn, niet vrijwillig naar ‘de kleedruimte’  (132-136, twee fragmenten) en dan ‘de gaskamer’ in (142-160, negen fragmenten). Daarna is hij geen subject meer van enige focalisatie, slechts object van veel andere focalisatoren, vooral van zijn vader. Zijn laatste gedachte (of misschien is het toch een ingeving van de vertelinstantie): ‘Knappe luis die dit overleeft.’

Alle bladzijden van de roman die ik verder gelezen heb – dat waren er nog ruim  driehonderd – gaan over de zoektocht naar Ernst. Het feitelijke verhaal van Ernsts verdwijning, hoe afgrijselijk ook, is daarbij vergeleken met zijn tachtig pagina’s maar een klein verhaaltje, en inhoudelijk bezien slechts een aanleiding of aanzet tot, voorspel van, prelude tot het grote verhaal van de zoektocht, waar zo’n beetje alle andere personages bij betrokken zijn of worden. Vandaar dat ik sprak van een ‘mini-plotje’. Een lelijke, pleonastische samenstelling, die aanduiding, zie ik nu; ‘plotje’ in z’n eentje lijkt afdoende. Of ‘subplot’, ‘onderplot’, dan wel ‘steunplot’. Ik verkies ‘plotje’, rekening houdend met de narratieve omvang en het relatief ondergeschikte belang ervan.

De zoektocht van Ernsts vader daarentegen is het grote verhaal van deze roman. Dat staat ook zo aangegeven in de achterflaptekst: ‘De elfjarige Ernst raakt vermist […] Hij zal toch niet in het water zijn gevallen?’ Karl, zijn vader, ‘gaat […] op zoek naar zijn zoon.’

Ik had dát dus niet een ‘plotje’ moeten noemen, maar gewoon: het ‘plot’ (alternatieven als ‘superplot’, ‘opperplot’ respectievelijk ‘hoofdplot’ vind ik niet fraai). De verdwijning van Ernst is mijns inziens relatief een plotje in dienst van het grote, honderden pagina’s beslaande plot. Dat onderscheid had ik, als gezegd, best in die termen kunnen gieten.

Het (grote) plot biedt in mijn ogen echter weinig of niets nieuws boven of buiten het zoeken naar dat joch, terwijl alle lezers al precies weten waar Ernst was en waar hij is en waar hij is verdwenen en waardoor en door wie en hoe en in welke omstandigheden. Daardoor blijft die vaderlijke zoektocht naar mijn smaak relatief een wat bleke, dunne, slap neerhangende, lang uitgerekte verhaallijn; het is er niet een van de kleurrijke, stevige, strakgespannen en spanning opwekkende soort. Daarom noemde ik het plot een plotje, en daarom moest ik dat andere, veel beknoptere plotje wel een mini-plotje noemen. Hoe benoemd dan ook, de kwaliteit van het (grote) plot is voor mij een van de aanleidingen geweest om de lezing van de roman te staken eer ik de laatste bladzij ervan had bereikt.

In zijn tweede reactie, ik bedoel zijn reactie op mijn blogpost waarin ik reageer op Natters reactie op mijn tweedelige blogpost over zijn roman, noteert Natter dat ik mijn oorspronkelijke, tweedelige blogpost

eenvoudigweg samenvat als ‘een verslag van mijn ervaringen bij het lezen van Natters roman’, ondanks de waardeoordelen die er in worden gegeven: ‘oeverloos’, ‘’schier eindeloos uitgewalste’, ‘universele, stugge, grijze lexicon’, ‘te platte, te kartonnen personages’, ‘het plotje’, etc.

Ik begrijp hieruit dat het Natter liever was geweest als ik mijn onderscheid tussen een complex, uitgebreid plot en een daaraan ondergeschikt beknopter plot in andere termen had gevat, en wel omdat ik met ‘plotje’ een waardeoordeel geef. Dat er een waardeoordeel in zit, was mijn de bedoeling of anders was het wel onvermijdelijk, omdat ik immers de twee plots tegen elkaar afweeg.

Verder begrijp ik uit dit deel van Natters tweede reactie dat in zijn denkraam een leesverslag geen waardeoordelen mag bevatten. Probleem hierbij is, dat ik al aan had gegeven dat ik mijn blogpost niet ‘eenvoudigweg’ samenvatte, maar er juist nogal uitgebreid bij stil had gestaan, en er ook het volgende bij had genoteerd:

Het mislukte contact tussen het boek en mij intrigeert me enorm. Zo ook in dit geval. Ik wil weten waardoor het misgaat, of ik kan achterhalen waar het aan ligt, met in mijn achterhoofd de gedachte dat ik niet zonder reden aan het boek begonnen was, maar bijvoorbeeld wegens positieve ervaringen met ander werk van de betreffende schrijver, een nominatie voor of toekenning van een literaire prijs, een gedegen kritisch oordeel in de media, advies van een bevriende lezer, nieuwsgierigheid naar een beroemd maar mij nog niet bekend oeuvre, en zo voorts.

Lezen zonder enig oordeel, dat doen alleen computers (maar dat is volgens mij geen echt lezen).


* Opmerkelijk vind ik dat Natter aangeeft dat zo’n, wat hij noemt: kopregeltje ‘eigenlijk niet bij de tekst hoort; sterker: ‘je zou het boek [...] zonder die regeltjes ook kunnen lezen’ volgens hem. Ik heb een steekproef genomen, en op basis daarvan stelde ik vast dat de gehele roman waarschijnlijk 1463 van die regeltjes bevat, het equivalent van 35,68 bladzijden van 41 zetregels, oftewel 5,77% van de romantekst, waarmee ik bedoel: het hele boek tot en met pagina 634, minus het voorwerk van 16 pagina’s. Het boek kon dus best wel wat korter, dacht deze lezer in het voetspoor van de schrijver.

Geen opmerkingen: