woensdag 2 februari 2022
Juli Zeh, Adler und Engel / Adelaars en engelen
dinsdag 21 december 2021
Damon Galgut, De belofte
Vertaald door Rob van der Veer. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2021 (The Promise, 2021). Digitale uitgave.
De vier hoofdstukken waaruit deze roman bestaat, heten naar de personages wier dood en begrafenis erin beschreven wordt, achtereenvolgens 'Ma', 'Pa', 'Astrid' en 'Anton'; die laatste twee zijn de oudste dochter en de enige zoon van ma en pa. De jongste dochter, Amor, blijft het gehele boek door in leven, van haar eerste menstruatie, in haar dertiende levensjaar, tijdens de begrafenisdienst van ma, tot en met het einde van haar vruchtbaarheid, zo'n veertig jaar later. In het geheel omspant de roman (ook) de recente geschiedenis van Zuid-Afrika, vanaf de opstanden in de townships, meer in het bijzonder in 1986, via het einde van de Apartheid en de vrijlating en de verkiezing tot president van Nelson Mandela (1990, 1994), vervolgens het jaar van de inhuldiging van Mbeki en Zuid-Afrika's wedstrijd in de halve finale van het wereldkampioenschap rugby (1999), tot ongeveer het heden. Gek genoeg, in zekere zin, staat die maatschappelijke context alles behalve centraal in het verhaal.
De titel van de roman kan verklaard worden door een samenvatting van het verhaal zoals die in de NRC wordt gegeven, een samenvatting die ook in andere bronnen opduikt: "Wanneer de moeder van het gezin overlijdt, dwingt ze bij haar man de belofte af dat hij hun zwarte huishoudster Salomé het huis waarin ze woont zal schenken. De jongste dochter Amor luistert het gesprek af en zal haar vader, haar zus Astrid en haar broer Anton gedurende de decennia die volgen aan die belofte blijven herinneren". Dit resumé leunt sterk op de flaptekst van de Nederlandse uitgave, die niet is opgenomen in het e-book. Gelukkig maar. Ik las het verhaal wellicht een beetje anders dan een papier-lezer. Om dat duidelijk te maken, moet ik even ingaan op de opmerkelijke vertelwijzen die Galgut in deze roman hanteert.
Er waart een soort alwetende vertelinstantie door het verhaal die diep in de personages kan kijken en hun gedachten en woorden in directe rede weergeeft en ook in die heerlijk buigzame erlebte Rede, waarbij de vertelinstantie deels de woorden van een personage direct citeert en er persoonlijke noties van overneemt maar toch zelf nadrukkelijk aan het woord blijft en het niet afstaat aan het personage, een instantie ook die het vertelde soms, al dan niet tussen haakjes, voorziet van kritisch of toelichtend commentaar, en ook met meer persoonlijke interjecties strooit als 'geloof me maar'; daarnaast is er regelmatig de suggestie dat zelfs die vertellende instantie niet weet hoe de vork aan de steel zit. Bovendien loopt er een rode stippellijn van referenties aan een dagboek en al dan niet 'onuitgewerkte aantekeningen' van personage Anton, die al vrij vroeg te kennen geeft dat zijn voornaamste ambitie is: 'het schrijven van een roman'. Een van de aantekeningen luidt: 'Is dit een familiesage of een plaasroman?', een vraag die je ook kan stellen aan De belofte. Maar als Anton de intradiëgetische verteller is, is het wel vreemd dat de roman nog doorgaat als Anton al gestorven is, en dat hij als verteller Amor soms ook heel afstandelijk aanduidt als 'het meisje'. Daar komt nog bij dat de vertelwijze zelfs binnen een zin kan overgaan van auctoriaal-personaal naar directe rede en zelfs van de derde persoon enkelvoud naar de eerste, zoals in deze weergave van de gedachten van Amor: 'Maar vanavond lijkt haar broer, vanaf zijn hoge plekje, me opgemerkt te hebben.' Opmerkelijk is ook dat de vertelinstantie of dat een personage zelf soms verrast lijkt door de ontwikkelingen: 'Ja, dat het aan het gebeuren is, valt niet te ontkennen.' En meer dan eens zaait de vertelinstantie (die trouwens ook heel vaak refereert aan 'we', en dus gaandeweg persoonlijker wordt) twijfel over zijn eigen betrouwbaarheid, door iets nadrukkelijk stellig te beweren: 'Het is beslist Astrid die dit zegt', en ook hier: 'God vergeve me, zegt de priester, of misschien denkt hij het alleen, maar soms de waarheid het beste.'
Samenvattend: ik moest bij het lezen als het ware steeds een andere bril opzetten om de boel een beetje in de gaten te kunnen houden. Bij mijn eerste lezing van de roman, bekroop me in toenemende mate de twijfel of ik wel goed had opgelet, want steeds maar weer spraken personages over die belofte, zoals in deze woorden Amor: 'Dat zeg jij. Niemand anders heeft die belofte gehoord. Maar ik wel, Anton.' Maar ik kon me die belofte niet herinneren, ik kon me niet herinneren die belofte gelezen te hebben. En tegen het eind van de roman, als Amor eindelijk in staat is eraan bij te dragen dat de belofte van haar vader daadwerkelijk gestand wordt gedaan en dat de wens van haar moeder ten uitvoer wordt gebracht, staat er: 'En op dat moment legt Amor het vel papier, dat ze met geen mogelijkheid al in haar bezit kan hebben, op tafel.'
Bij herlezing van de cruciale belofte-passage, zag ik dat ik toch goed had opgelet. Er staat:
Maar Amor ziet haar [dit is: Salomé] door het raam, dus onzichtbaar is ze toch niet. Ze zit na te denken over een herinnering, tot nu toe onbegrepen, aan een middag nog maar twee weken geleden, in diezelfde kamer, met ma en pa. Ze waren vergeten dat ik er ook zat, in de hoek. Ze zagen me niet, ik was voor hen net een zwarte vrouw. // (Beloof je 't me, Manie [dit is: pa]? // Zich aan hem vasthoudend, skeletachtige handen die grijpen, als in een horrorfilm. // Ja, ik zal het doen. // Want ik wil echt dat ze iets krijgt. Na alles wat ze gedaan heeft. // Ik begrijp het, zegt hij. // Beloof me dat je het zult doen. Zeg het in woorden. // Ik beloof het, zegt pa, met een verstikt stemgeluid.)
Wie hier de feitelijke inhoud van de belofte in kan aanwijzen, leest mijns inziens meer dan er staat. Ik zie hier vooral een idee, een ideaal ontstaan in het hoofd van Amor, een gedachte, een wens, maar geen reële, letterlijke belofte van pa om de wens van ma ten uitvoer te brengen; en ook de wens van ma (een indirecte belofte aan Salome) staat hier helemaal niet in concreto te lezen. Die is eigenlijk alleen maar in het hoofd van Amor tot stand gekomen, terwijl ze zich twee weken na dato een gesprek van haar moeder en vader, waar ze niet direct bij betrokken was, gedeeltelijk herinnert. Het beeld van dat gesprek is haar nog wel duidelijk. Maar: 'Het geluid klinkt ergens anders, hoger en afzonderlijk, en nu pas komen de woorden bij haar aan. Maar eindelijk begrijpt ze over wie ze het hadden. Natuurlijk. Hèhè.'
De rest van de roman zorgt er wel voor dat het steeds aannemelijker wordt, zowel voor de personages als voor de lezer (althans voor mij als lezer) dat ma die wens heeft geuit. Maar in (bijna) heel de rest van de roman, in al die decennia na ma's overlijden, zorgt niemand ervoor dat haar wens inderdaad uitkomt. En zelfs aan het eind van de roman lijkt me er alle reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van wat Amor denkt dat er dan toch uiteindelijk dank zij haar gebeurd is, namelijk dat Solomé, de zwarte vrouw die heel haar leven de witte familie Swart op hun boerderij heeft gediend, eindelijk de eigenaresse wordt van het verkrotte huis op hun erf waar ze al die tijd heeft mogen wonen.
Misschien is dat een neerslachtige gedachte, maar erg hoopvol is deze vertelling dan ook niet, wat de personages betreft noch wat Zuid-Afrika betreft; maar heel overtuigend door de paradoxale wijze waarop dat duidelijk wordt gemaakt.
woensdag 20 oktober 2021
Juli Zeh, Über Menschen
Roman. E-Buch. Luchterhand Literaturverlag, München, 2021.
Een nadeel van het lezen per e-lezer is dat het aantal bladzijden in/op zo'n apparaat volkomen nietszeggend is. Dat verstoort de leeservaring van een van origine papieren lezer zoals ik nogal danig, om maar eens voorzichtig te alluderen op een cliché van Oehoeboeroe, de wijze vriend van Paulus de Boskabouter. Ik wist dat dit boek niet dun was (ik had het al gesignaleerd in de boekhandel) maar keek toch wel op van de 999 bladzijden die ik voor de boeg bleek te hebben toen ik begon te lezen. Gelukkig was er de verrassing dat het verhaal na 905 bladzijden al af was. De rest was reclame voor ander werk van Zeh, inclusief de nodige Leseproben.
De verrassing van het einde was er niet helemaal een van de prettige soort. Dat het boek domweg eindigt met de begrafenis van de ene hoofdpersoon, bijgewoond door de andere, vergezeld door al haar medepersonages, bracht een zegswijze met een koude kermis in mijn gedachten. Tegelijkertijd had ik het tegen die tijd wel gehad met deze roman.
Niet dat het onderwerp, de thematiek oninteressant is, niet dat Zeh niet geweldig goed schrijft (qua stijl, taalbeheersing, afwisseling van zinstructuren, variatie van luchtigheid en ernst), niet dat de relatie van deze roman met zowel Unterleuten als Corpus delicti niet heel prikkelend is, maar de verhaalstructuur en de grote verhaaldraad zijn toch wel een beetje van de flauwe, om dan ook Klukkluk maar te parafraseren.
In verschillende Duitse recensies zag ik vergelijkingen met de structuur van een televisieserie. Het toeval wil dat ik al een hele tijd naar Downton Abbey kijk, terwijl het verhaal me al lang niet meer boeit, als dat er al is: het rammelt maar door van voorval naar voorval, personages kunnen dood als dat beter uitkomt, of langer leven als dat handiger is. Inderdaad, precies, of laat ik voorzichtig zijn: zo'n beetje de makke van deze roman, met vijftig chronologisch geordende hoofdstukken, ook. Ze is meer vermaak, maar wel goed vermaak, dan echt boeiend, intrigerend, tot nadenken stemmend.
Kortom: een goede roman (de samenvatting staat ergens in de krant, achterop het boek, op internet), maar niet de beste van Zeh. Maar ze kan natuurlijk ook niet steeds opnieuw de beste schrijven. Ik koop de volgende zodra die er is.
Om toch iets over de inhoud te zeggen: hoofdpersoon is Dora, werkzaam bij een verantwoord reclamebureau samenwonend in Berlijn met iemand die verslingerd raakt aan gezondheidskolder zodra de pandemische pleuris anno 2020 uitbreekt, kapt met haar stadse leven en trekt naar een dorpje op het platteland en valt daar niet met haar neus in de idyllische boter die ze er stiekem toch verwacht had, maar struikelt er over het rechtse- tot extreemrechtse en viruswaanzinnige denkwerk van haar dorpsgenoten, niet in de laatste plaats van buurman Gote, die zich aan haar voorstelt als de dorps-nazi.
Hoewel de man voor een fors geweldsmisdrijf heeft gezeten, blijkt hij toch ook zo verrot weer niet als een stereotype zou vereisen; zijn dochtertje Franzi is al helemaal een verbinding tussen Dora en Gote, zodat zich gaandeweg een soort gezinsstructuur ontwikkelt. Dan blijkt Gote een tumor in zijn kop te hebben.
Een beetje al te melodramatisch is het verhaal misschien toch wel, ook al gaat het over individualiteit en gemeenschap.
dinsdag 24 augustus 2021
Robert Seethaler, Der Trafikant
De titel is meteen al een dingetje. Liesbeth van Nes heeft uitgelegd waarom: er is niets iets vergelijkbaars in Nederland, laat staan een vergelijkbaar woord in het Nederlands. Een Trafikant en een Trafik zijn typisch Oostenrijkse verschijnselen (enigszins vergelijkbaar met le tabac in het Frans en Frankrijk). De Nederlandse vertaling van de titel is De Weense sigarenboer geworden, maar het verhaal gaat eigenlijk over een 17-jarige jongen, Franz Huchel, die van het Oostenrijkse platteland komt en in Wenen in de leer gaat bij een Eerste Wereldoorlog-invalide, Otto Trsnjek, die een tabak- en krantenkiosk uitbaat aan de Währingerstraße.
Wenen is wat mij betreft ook een dingetje. Toen ik las waar Franz uit de trein stapte en hoe hij naar de kiosk liep, spiekte ik even op Google Maps omdat ook het neunten Wiener Gemeindebezirk genoemd wordt (die Seethaler is een zeer uitbundig beschrijver van plaatsen, mensen, en gedachten). En het klopte, natuurlijk. Wie er meer van weet, had onmiddellijk opgemerkt dat de Berggasse maar een kwartiertje lopen verderop ligt, en dat daar, op nr. 19, Sigmund Freud woonde (dat wist ik dan weer wel) en dat die sigaren rookte (idem). Voor Seethaler is 1 plus 1 gelijk aan 2, dus Franz, wanneer hij hopeloos verliefd is geworden op een variétédanseres, gaat bij Freud te rade en neemt een sigaar van diens favoriete merk voor hem mee, een sigaar uit Trsnjeks doos; de jonge en de oude man kunnen het goed met elkaar vinden; beiden begrijpen niets van 'de' vrouw, geven ze elkaar toe (behalve de moeder en de geliefde van Franz treden er trouwens nauwelijks vrouwen van belang naar voren in dit verhaal, afgezien van Freuds ene dochter dan, Anna). Het was overigens Freud die Franzje had geadviseerd maar eens de liefde in de praktijk te verkennen om er beter over te kunnen oordelen.
De geschiedenis van Oostenrijk is een derde dingetje, wat mij betreft. Ik weet daar echt weinig van. Nog nooit had ik van Schuschnigg gehoord. En wanneer die Anschluss ook alweer was, wist ik niet, of: niet precies genoeg; anders was me de verdeling van deze roman in twee delen meteen duidelijk geweest, alsmede de omslag in de gebeurtenissen in de wereld buiten de Trafik.
Want dat is prettig merkwaardig aan deze roman: die Franz is een onbeschreven blad qua wereldkennis (woonde tot zijn zeventiende onder de vleugels van mama in een dorpje), en Trsnjek doet alsof het hem allemaal weinig interesseert, en met Freud over de wereld buiten de ziel praten, ligt kennelijk ook niet voor de hand; Franz' moeder vertelt hem via haar ansichtkaarten en brieven ook al niet veel. En dat terwijl Trsnjek als eerste opdracht aan Franz geeft: lees de kranten. Lees ze allemaal, en grondig, maar na een tijdje zie je dat je kunt volstaan met één, want ze verschillen niet. Er wordt veel gelezen, maar er wordt weinig over medegedeeld. Toch is deze roman ook een soort Oostenrijkse geschiedenis (juist over een periode die nadien als niet officieel, hors concours is bestempeld).
Het geeft een bijzondere sfeer aan de roman: de beschreven gebeurtenissen betreffen vooral de persoonlijke lotgevallen van individuele mensen, landschappen en liefdes. Maar als er iets van de buitenwereld doordringt, is het meteen dik hommeles. En nog opmerkelijker: wanneer Franz zich uiteindelijk daadwerkelijk actief bemoeit met de buitenwereld <spoiler> gemotiveerd door de arrestatie van en moord op Trsnjek, de emigratie van Freud en de affaire van zijn liefje met een nazi </spoiler> wordt dat door de almachtige, maar zich heel vaak ook nadrukkelijk op de achtergrond en van den domme houdende alwetende verteller heel afstandelijk verteld, als ware het een geciteerd relaas van een anonymus. Anderzijds weet diezelfde verteller over iedereen alles te vertellen, als dat zo uitkomt. En dat in een fantastisch heldere stijl, met zowel zeer korte als zeer uitgebreide, langwerpige maar bijzonder toegankelijke, zwierige zinnen, bij vlagen doorspekt van een specifiek Oostenrijks vocabulaire waar het woordenboek in m'n e-lezer bij lange na niet altijd raad mee weet.
Tot slot een stijlstaaltje:
Gestern hatte sich Schuschnigg mit einer großen Rede an sein Volk gewandt. In seiner Heimatstadt Innsbruck präsentierte er sich im zünftigen Tiroler Anzug und fragte seine Zuhörer, ob sie sich in der für den 13. März angekündigten Volksabstimmung für ein 'freies, deutsches, unabhängiges, soziales, christliches und vereintes Österreich' entscheiden wollten. Und während über zwanzigtausend Anhänger ihre Zustimmung in die klare Tiroler Bergluft hinausbrüllten, saß Adolf Hitler wahrscheinlich gerade irgendwo in Berlin vor dem Radio und leckte sich die Lippen. Österreich lag vor ihm wie ein dampfendes Schnitzel auf dem Teller.
Geen onvertogen woord, maar een scherp, ironisch beeld van twee onbetrouwbare figuren. Met een mooie vergelijking tot slot. Hoewel: Hitler at toch vegetarisch?
maandag 16 augustus 2021
Rachel Cusk, Contouren
woensdag 4 augustus 2021
Rachel Cusk, Second Place
Nooit nog had ik een roman van Cusk gelezen. Maar nu wel. En het is een goede. Interessant en aangenaam. Wat niet voor de hand ligt, want dit boek is een monoloog, en je moet van goeden huize komen wil je mij aan een monoloog geboeid houden. QED.
Dat onderhoudende heeft vast te maken met de afwisseling tussen het relaas van de gebeurtenissen en de reflectie op diezelfde (en andere) gebeurtenissen, en met het gegeven dat de roman in medias res begint en de vertelster wel de moeite neemt om tussendoor de voorgeschiedenis uit de doeken te doen. En dat heeft misschien wel te maken met weer een ander, een eigenlijk heel vreemd structuuraspect: heel de roman is een monoloog die wordt afgestoken tegen een bij voortduring aangesproken persoon, Jeffers geheten.
De eerste zin van de roman begint zo: 'I once told you, Jeffers, about the time I met the devil on a train leaving Paris [...].' Dat de vertelster zich ervan bewust is dat ze zich tot Jeffers richt met haar relaas, is misschien in het voordeel van de lezer: ze is ter wille van Jeffers bereid tot uitleg, tot duidelijk formuleren.
Wie Jeffers is, hoe Jeffers en de vertelster zich tot elkaar verhouden, en of Jeffers überhaupt iets terugzegt, doet er kennelijk in genen dele toe. De monoloog eindigt met deze twee zinnen: 'True art means seeking to capture the unreal. Do you think so, Jeffers?' Ook dan komt er geen reactie. Er volgt alleen nog een brief van L aan M. En M is de vertelster, L is de kunstenaar die zij uitgenodigd heeft om tijdelijk zijn intrek te nemen in het gastenverblijf op haar erf, of beter: op het afgelegen erf, ergens aan een kust, van haar en haar man Tony. Dat is natuurlijk vragen om problemen, want M was nogal onder de indruk van het werk van L, ooit. Da's mooie stof voor een verhaal, eens te meer wanneer L uiteindelijk, na wat ge-ja en ge-nee, toch komt, en/maar dan een jonge vrouw meeneemt, Brett. Daar had M niet mee gerekend.
'One of the difficulties, Jeffers,' zo begint het derde (niet genummerde of betitelde) hoofdstuk, 'in telling what happened is that the telling comes after the fact.' Jeffers is als een spiegel voor de vertellende M, en is mogelijk tevens de verpersoonlijking van de lezer. Daarmee stijgt de graad van complexiteit van deze roman, die toch al niet gering is, afgaande op een notie achterin het boek. Daar verklapt Cusk dat de roman is gebaseerd op Lorenzo in Taos, 'Mabel Dodge Luhan's 1932 memoir of the time D.H. Lawrence came to stay with her in Taos, New Mexico.'
Leve de digitalisering (Archives.org, in dit geval): het voorwoord van Lorenzo in Taos is een brief van Mabel Dodge Luhan aan de dichter Robinson Jeffers; en het eerste onderdeel van het boek begint aldus: 'You know, Jeffers, after I met you, I felt that you and Lawrence ought to know each other [...].' Daarmee blijken de aanduidingen M en L niet geheel willekeurig te zijn. Lorenzo in Taos is opgedragen aan onder anderen Tony, de echtgenoot van Luhan; en zo heet ook de (tweede) echtgenoot van M.
Dit klinkt een beetje als opzichtige, academische roman-dikdoenerij, iets in de orde van 'hoe gelaagder, hoe geslaagder'. En het gegeven dat dat M, net als Cusk, schrijfster is, doet daar nog eens een schepje bovenop, net zoals het gegeven dat veel van de gesprekken in de roman gaan over kunst en de waarde of betekenis van kunst, terwijl de roman zelf daar evident ook over gaat. Daarnaast gaat die over liefde, autonomie, er-zijn en zelf-zijn. Maar er zit ook zo veel 'omgeving' in de roman en zo veel ontvouwing van persoonlijke geschiedenissen dat het geheel een grote indruk van concreetheid en authenticiteit wekt. Maar het is geen plat realisme. In tegendeel: de roman handelt (mede) over de eigenschap van kunst om dat wat (er) niet is, naar voren te halen, te presenteren; de titel is niet voor niet voor meer dan een uitleg vatbaar. Het is een onderwerp dat C.O. Jellema in zijn werk ook probeerde te vangen en waarvoor hij het begrip 'tweede werkelijkheid' gemunt heeft, bijvoorbeeld in zijn debuut Klein gloria (1961): 'Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid, / dat is de buigzame herinnering; / beleven is te snel zelfs voor verwondering: / een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort...'
Julie Zeh, Corpus Delicti
Het is wel raar om een dystopische, futuristische, politieke ideeënroman te lezen die al meer dan tien jaar geleden is geschreven en een verhaal vertelt over een toekomst die inmiddels nog maar ongeveer dertig jaar van ons verwijderd is (in plaats van veertig) terwijl we al in een situatie zitten die volgens sommigen angstaanjagend veel gelijkenis vertoont met dat onzalige fictionele uitzicht.
Deze roman speelt zich af in een totalitaire staat die gebaseerd is op het boek Gesundheit als Prinzip staatlicher Legitimation van de journalist Heinrich Kramer. Iedereen, zo is de staatsrechtelijke link, wil van nature gezond zijn, dus is het niet gek een staat zo in te richten dat ieders gezondheid er zo wel mogelijk bij vaart. Wel vervelend dat die gezondheid geheel fysisch wordt gedefinieerd, maar dit ter zijde.
Het niet met name genoemde land waar het verhaal zich afspeelt en dat in het begin kort maar krachtig als irreëel maar mogelijk wordt neergezet, kent een rigoreus doordacht en spijkerhard gehandhaafd totalitair regime, dat aangeduid wordt als de METHODE. Het is, door de taal waarin het boek is geschreven en op basis van een beetje historisch besef niet moeilijk om aan Duitsland te denken, zij het heel Duitsland in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw, zij het vooral Oost-Duitsland dat daarna ontstond. Het is ook niet moeilijk om te denken aan George Orwells 1984 en z'n Big Brother. Er zijn veel meer associaties mogelijk, maar die betreffen dan romans die ik niet gelezen heb. Bint van Bordewijk ligt iets minder voor de hand omdat at alleen maar over het schoolsysteem gaat, niet over de gehele maatschappij; maar afgezien daarvan zijn ook daaarvan de overeenkomsten met het genre in z'n algemeenheid treffend.
Anders dan in het geval van Bint en 1984 is zowel de auteur als ook de hoofdpersoon van Corpus Delicti een vrouw. De heldin, biologe Mia Holl, aanvankelijke onderhorige aan en volgelinge van de METHODE, brengt het hele stelsel ogenschijnlijk aan het wankelen. Opmerkelijk is dat al haar tegenspelers mannen zijn, afgezien van een van de rechters die zij tegenover zich vindt, maar deze Sophie kan Mia uiteindelijk niet aan en wordt vervangen (door een zestigjarige mannelijke collega). Opmerkelijk is ook dat deze Sophie alleen bij haar voornaam genoemd wordt, anders dan de andere gerechtsdienaren. Niet alleen heeft Mia alleen mannen tegenover zich, ook haar voorbeeld en motivatie om zich af uiteindelijk volledig te wenden van de METHODE, is een man, haar jongere, romantisch geïnspireerde broer Moritz, een eigenzinnige vrijdenker, zozeer dat hij zich ook niet wil verbinden met de in principe congeniale revolutionair-activistische beweging R.a.K. (Recht auf Krankheit).
De roman begint (en eindigt) met de rechtszaak die is aangespannen tegen Mia, dus nadat alles al gebeurd is. Mia's misdrijf heet 'Vernachlässigung der Meldepflichten' en bestaat uit de volgende misdragingen:
Schlafbericht und Ernährungsbericht wurden im laufenden Monat nicht eingereicht. Plötzlicher Einbruch im sportlichen Leistungsprofil. Häusliche Blutdruckmessung und Urintest nicht durchgeführt.
In gewoon Nederlands: ze was totaal van slag doordat haar valselijk van verkrachting en moord beschuldigde broer in de gevangenis zelfmoord heeft gepleegd. Dit persoonlijke lotgeval maakt deze ideeënroman uiterst warmbloedig, nog afgezien van het ferme karakter van Mia, de ondoorgrondelijke menselijkheid van staatsideoloog Kramer, met wie Mia op bijzondere wijze in verbinding raakt en met wie ze interessante discussies voert. En ook de schaamteloos auctoriale vertelinstantie en de messcherpe stijl van Zeh dragen de hoge kwaliteit van deze roman.
Het is een zeer rijke geschiedenis met vele verwikkelingen en ook veel humor en drama, maar het ernstigste punt is wel dat alles enerzijds evident fictioneel is en anderzijds ongekend veel raakpunten heeft met de of zelfs onze, huidige samenleving en de conflicten die daarin spelen. De coronamaatregelen lijken wel uitgevonden voor de maatschappelijke toetsing van deze roman. Meer in het bijzonder het probleem van de vaccinatie die net nog niet verplicht is, sluit aan bij wat in de roman is uitvergroot tot een staatsideologie. Kortom: het probleem van individuele vrijheid en algemeen belang, daar komt het op neer. Maar deze casus is veel interessanter dan alleen maar dat probleem. Dat heeft alles te maken met de vaardigheid en creativiteit waarmee Zeh deze roman heeft opgezet en uitgewerkt.





