zaterdag 9 juli 2016

Zelden zoiets zots gezien

S.L. van Looy, Amsterdam 1925. Ebook op basis van DBNL-bestand.

Zo zeg, de kop is eraf: eindelijk heb ik De wonderlijke avonturen van Zebedeus uit. Althans het eerste van de drie delen die ervan in 1925 verschenen. Ik zou dus ook kunnen zeggen dat ik de oorspronkelijke versie heb gelezen, die uit 1910, want ik geloof niet dat Jac. van Looy daar veel aan veranderd heeft in de tussentijd. Maar zelfs dat deel heb ik nog niet geheel uit, want ik las de 'Bijlagen' nog niet. Mijn e-reader zegt dat ik nu pas 76% gelezen heb. Er komt dus nog een kwart aan bijlagen bij. Maar ik las ook nog niet de Nieuwe bijlagen (deel 2 van Zebedeus uit 1925), en ook niet de Nieuwste bijlagen (deel 3; die delen 2 en 3 zijn wel allebei geheel nieuw ten opzichte van de uitgave uit 1910).

Hoewel ik zou kunnen zeggen dat ik nu wel de hoofdtekst heb gelezen, onderverdeeld in vier boeken, die gezamenlijk de neerslag vormen van vijftig voordrachtsavonden, gehouden door een onbekende oudere heer en alle handelende over die wonderlijke avonturen van ene Zebedeus, niet echt die oud-testamentische figuur, maar wel een mythisch type. Het boek is trouwens samengesteld door de neef van die oudere heer, na diens dood. Hij noemt zich 'De verzamelaar'.

De avonturen van Zebedeus vormen een wonderlijke, een uiterst wonderlijke geschiedenis, onder andere doordat Zebedeus een fantastische figuur is, een reus onder meer, met soms Gulliveriaaanse trekken. Hij is een groot gedeelte van het boek ook min of meer gespleten; zijn hoofd is dan in de vage wolken en de rest, aangeduid als 'Gedaante' blijft, met een koffertje, achter op aarde. Hierin schuilt in zoverre de kern van het boek dat Van Looy ermee zijn kritiek schijnt te hebben verwoord op de hoge vlucht die symbolisme en mysticisme in de literatuur en kunsten van zijn tijd namen. Je moet wel goed lezen, wil je dat eruit halen. Een probleem voor de tegenwoordige lezer is namelijk dat Van Looy aan enorm veel inmiddels onbekend geworden realia refereert (begrijp ik mede uit een verhandeling van Van Dis uit 1952).

Gek genoeg is Zebedeus eigenlijk een symbolische figuur, maar daar staat tegenover dat hij werkelijk heel dol is op de realiteit; die impressioneert hem diep en menigvuldig, als ware hij een ware realist en impressionist. Maar gelet op de bij vlagen uitzonderlijke taalmuziek en de voortdurende associatieve verbanden en sprongen waarmee zijn vertelling gepaard gaat, krijgt hij en krijgen zijn avonturen welhaast sensitivistische trekjes. Heel vaak heeft Zebedeus overigens zelf het woord, terwijl hij, reusachtig, over en door Nederland loopt (ik krijg aanvechtingen Nietzsches Zarathoestra te gaan lezen, maar het is vakantie, dus die neiging onderdruk ik met gemak).

Het boek is alles behalve een rechtlijnige vertelling: het zwabbert alle kanten uit en maakt gebruik van allerlei registers, tot en met dat van avant-gardistische woordstamelarij (waarmee ik niet bedoel dat avant-gardisme hetzelfde is als stamelarij, maar dat hier steeds de overgang gemaakt wordt van ouderwetse lineaire en chronologische vertelling naar een minder eenduidig en chronologisch discours waar de associatieve ontwikkeling en aandacht voor de loutere vorm de overhand lijkt te krijgen, en dan weer terug). En dan ben ik nog niet eens aan de bijlagen toegekomen, die onder meer gepaard gaan van een 'Inleiding' en een 'Na-proloog', teksten van 'De verzamelaar', waardoor het geheel begint te lijken op een kruising van onder andere Multatuli's Ideën, Ulysses van Joyce, 'Manuscript in een kliniek gevonden' van Hermans en tal van post-modern-meerstemmige vertelsels waaronder Ship of Theseus van V.M. Straka oftewel S. van J.J. Abrams & Dough Dorst. Dat het boek is uitgegeven door de neef van de auteur speelt hier natuurlijk ook een rol bij. Dat Van Looy alle onderdelen van de tekst eerst in tijdschriften publiceerde, maar onder de noemer van 'Nieuwe bijlagen' ook teksten voorpubliceerde die in andere boeken terechtkwamen en anderzijds onder de titel 'Feesten' teksten publiceerde die hij vervolgens in Zebedeus opnam ook.

Wat me maar niet uit de gedachten gaat, is dat woord 'wonderlijke'. Het doet me denken aan de eerste zin van 'De uitvreter' van Nescio, waarin een Tachtiger-achtig gezelschap van half-onmaatschappelijke kunstenaars wordt geschetst waarvan ik denk dat Van Looy er met gemak in zijn eentje model voor kan hebben gestaan.

En dan te bedenken dat ik dit boek begon te lezen om wat van de context te weten te komen van een verhalend gedicht dat is opgenomen in de Nieuwe bijlagen terwijl 'De [edititechnische amateur] verzamelaar' weet dat het niet geschreven is door zijn oom.

Wordt vervolgd.

zondag 26 juni 2016

Camus, Le mythe de Sisyphe - L'étranger - De vreemdeling

Essai sur l'absurde. Z.p. 1961. Idées NRF. Pocketboek, 166 pagina's (exclusief 'Appendice: L'espoir et l'absurde dans l'oeuvre de Franz Kafka').

Gezellig. Vertrekt vanuit de overtuiging of van het standpunt dat zelfmoord het enige werkelijk serieuze filosofische probleem is.
Juger que la vie vaut ou ne vaut pas la peine d'être vécue, c'est répondre à la question fondamentale de la philosophie.
Een provocatie, zou je kunnen zeggen. Dat het leven irrationeel is, en dat de mens een nostalgische hang naar eenheid heeft, en dat uit de ontmoeting van die twee het absurde oprijst. Het absurde is minder een thema dat Camus hier fundeert, dan een axioma dat hij vanuit alle kanten illustreert en demonstreert. Bijvoorbeeld met een verkenning van collega-filosofen; erkennen die het absurde wel consequent, of niet, dat is dan de vraag. Niet echt, is het antwoord. Iemand als Kierkegaard, om er maar één te noemen, doet zijn best, maar komt toch uiteindelijk uit bij het geloof, het christendom; toen ik dat onderdeel las, dacht ik steeds: credo quia absurdum, maar dat is niet wat Camus bedoelt; Camus hamert op de aporie. Wie in een soort Hegeliaanse synthese probeert te ontkomen aan de paradox, aan de fundamentele aporie van de condition humaine, liegt. Het heeft, vreemd genoeg, iets puberaals, dat ontoegeeflijk en ongenuanceerd vasthouden van Camus. Dat is er ook aantrekkelijk aan.

Op een gegeven moment had ik het evenwel gezien, die herhaling van zetten; het essay is minder een steeds verder uitdiepen dan een nevens elkander schikken van vergelijkbare gevallen. Het onderdeel over Don Juan kon me niet boeien. Maar bij 'Le conquête' kreeg ik de smaak weer te pakken. Het is of Camus tendeert naar een Nietzscheaanse Übermensch als hij de veroveraar schetst in  diens permanente staat van goddelijke verheffing. Daarnaast dacht ik aan Politicus zonder partij - eveneens een puberaal boek vol paradox - aangezien ook Camus voortdurend erop hamert dat je niet achter andermans of anderszins gevestigde ideeën moet aandraven, maar zelf kritisch na moet nadenken en moet blijven nadenken. Wel grappig dat hij juist zo'n idee uitdraagt als onbetwijfelbaar juist. Dus als ik Camus goed heb begrepen, moet ik mijn twijfels hebben bij zijn overtuigend absurdisme. Maar als ik die twijfels heb, treed ik meteen weer in zijn spoor. Zo is het nooit goed. Absurd.

Het scheppen van kunst, weet Camus, is geen vlucht uit, maar juist een herhaling of en descriptie van de absurditeit. Kunst en filosofie zijn beide mono-toon.

Wel pittig om dit essay in het Frans te lezen. Maar anderzijds: de stijl van Camus is behoorlijk uitgebeend, geloogd en gepekeld. Bevat betrekkelijk weinig al te ingewikkelde zinnen, nauwelijks abstracte woorden.

Reden genoeg om dan ook maar De vreemdeling te lezen (of te herlezen, dat weet ik niet meer, want een eerdere lectuur moet heel erg lang geleden hebben plaatsgevonden, onder invloed van de heer Goedhart, door mij en mijn klasgenoten vriendelijk-smalend Boncoeur genoemd). En dan ook doorbijten en echt L'étranger lezen (Edition du groupe 'Ebooks libres et gratuits', 2011).

Alsof je met je neus in de modern-literaire boter, of liever: -halvarine valt. Een en al korte zin, rechte schikking, korte woorden. Weinig diepgang. Schijn die bedriegt, natuurlijk. Maar kaal, geserreerd is het. En liefdeloos, empathie-arm. Abstract eigenlijk ook: wat voor werk die Meursault doet, ik zou het niet weten. Hij heeft evenwel een baas. Lijkt in dat opzicht op Frits van Egters: wat die overdag doet... geen idee. Meursault heeft niet eens een voornaam.

Ik hoef hier vast niet het verhaaltje samen te vatten, dat is bekend genoeg. Hoewel die Meursault nogal onaangedaan doet - wat meteen aan het begin blijkt uit zijn reactie op de dood van zijn moeder - heeft hij toch niet alles in de hand. Als hij, in de dodencel, bezoek krijgt van een irritante aalmoezenier, hoort hij die wel een tijdje aan, maar dan grijpt hij die vent uiteindelijk agressief bij de strot. Opvliegerig typje.

Misschien ook een beetje een probleemtypje. De dood van zijn moeder doet hem mogelijk meer dan hijzelf doorheeft (zoals ook Laarmans in Kaas net doet of het hem weinig doet). Een kleine Freudiaans analyse is er vast al wel eens op deze roman losgelaten. En er is nog wel meer loos met Meursault.

Het tweede deel van de roman, na de moord op de Arabier, als Meursault in het gevang zit, las ik in de Nederlandse vertaling; dat gaat toch sneller en tegelijk grondiger. (Vertaald door Peter Verstegen. Nawoord van David van Reybrouck. Amsterdam 2014. digitale uitgave naar de 33ste druk) Na afloop heb ik even het hoofdstuk met de moord in het Nederlands herlezen. Toen pas viel me goed op hoe on-onopgesmukt onderdelen daarvan zijn, meer in het bijzonder waar het gaat over de zon en de hitte. De vertelling is daar niet langer een koele, zakelijke opsomming van gewone uiterlijkheden. Het lijkt erop of Meusault zich in een context praat waarin niet hem, maar de weersomstandigheden iets te verwijten valt.

Als hij voor de derde maal die dag het over het strand loopt (waarom doet hij dat eigenlijk, klopt zijn 'argument' wel?) en dan de Arabier weer ziet, wordt de vertelling bijna surrealistisch (zie het tweede citaat hieronder), in de geest van passages in Hermans' 'Manuscript in een kliniek gevonden' (en L'étranger is als tekst eveneens een nagelaten bekentenis, of liever: apologie).

De Arabier beweegt niet als Meursault hem nadert.
De brandende zon trof nu mijn wangen en ik voelde zweetdruppels die zich verzamelden in mijn wenkbrauwen. De zon was net zoals de dag waarop ik mijn moeder had begraven en net als toen had ik vooral pijn aan mijn voorhoofd, en al de aderen daar klopten onder mijn huid.
Dan pakt de Arabier een mes:
Het [zon]licht spatte van het staal en het was of een lang glinsterend lemmet mijn hoofd raakte. Tegelijk droop een straaltje zweet dat zich had opgehoopt in mijn wenkbrauwen op mijn wimpers en bedekte die met een lauw dicht waas. Mijn ogen waren verblind achter dat scherm van tranen en zout. Ik voelde alleen nog de bekkenslag van de zon op mijn gezicht en, onduidelijk, de lichtende kling die opsprong van het mes dat ik nog steeds voor me zag. Dat brandende zwaard beet in mijn oogleden en wroette in mijn pijnlijke ogen. Toen is alles gaan wankelen. De zon heeft een diepe en vurige zucht geslaakt. 
Dit gebeurt, omineus, op een zondag. En inderdaad: op de dag van de begrafenis van zijn moeder schijnt de zon (ook) onbarmhartig. Maar hoe komt het dat er vlak voor de moord op de Arabier opeens sprake is van Meursaults tranen? Het woord 'tranen' komt in de roman vier keer voor, en enkel alleen in het citaat hierboven gaat het over tranen van Meusault, de zogenaamd kille man.

Handig, zo'n e-reader. Opmerkelijk vond ik nog, dat ik, zoekend naar 'zon', veel passages vond met 'zonder' (terwijl, als je in Kloos' gedichten de zon opzoekt, je veel zonde vindt). Een paar voorbeelden:
Ik stond op zonder iets te zeggen
zonder me aan te kijken
Zonder me naar hem om te keren
zonder dat er één stoel kraakte
heeft me toen ingelicht zonder me aan te kijken
Ze knikte me toe zonder een glimlach
zonder brood, want dat had ik niet in huis
maar zonder schittering boven de ficusbomen
Toen antwoordde hij zonder zich om te draaien
met een keuken zonder raam
Toen rookte we nog wat zonder iets te zeggen.
Veel gestoorde contacten, kan een eerste conclusie zijn. Dan klopt het misschien - grotendeels - ook, dat de (roman)wereld van Camus zo leeg is. Des te sterker dat hij zijn essay over het absurde afsluit met: 'Il faut imaginer Sisyphe heureux.'

zondag 15 mei 2016

Cinthia Winter, Nietsdankussen

Novelle. Koppernik 2016. Paperback met flappen. 94 bladzijden.

Cinthia Winter (Amsterdam 1964), ik had nog niet eerder van haar gehoord. Op de binnenkant van de achterflap van wat daar heet 'haar debuut in boekvorm' staat dat zij sinds de zomer van 2010 verblijft in Cap Martin aan de Côte d'Azur. Er is verder niet veel te vernemen van Winter, anders dan twee betrekkelijk recente recensies van haar hand op De Reactor, alsmede wat berichten op een niet veel ouder weblog en een ongeveer dito Facebookaccount. Dat geeft te denken.

Op de binnenkant van de voorflap wordt Nietsdankussen omschreven als een 'sterk autobiografisch getinte novelle'. Wat er op FB staat te zien en te lezen strookt inderdaad met wat er in en over het boekje te vinden is. Verder staat er in die flaptekst dat de novelle geschreven is 'vanuit een besef van verlies, maar met een ongewone, melancholische vitaliteit.' Na de laatste bladzijde van de novelle staat te lezen: 'Ter herinnering aan / de vijf mooiste jaren van mijn leven / - Cap Martin, najaar 2015 -'.

Klopt allemaal: Cinthia Winter rijdt op 'de tweede dag van de lentemaand' anno 2010 naar een rendez-vous met haar geliefde van zo'n dertig jaar geleden: ze was een jaar of veertien toen ze door een noodlottig geluk stapelverliefd werd op een ongeveer vijftien jaar oudere leraar geschiedenis en klassieke talen op haar school. Coup de foudre, heet dat, zoals de verliefdheid van Mathilde von Kaulbach op Max Beckmann, om maar een voorbeeld te noemen dat in de novelle ter sprake komt. Cinthia, dochter van een weduwe, volstrekt aan het puberen, gooit alle remmen los en zet alles op alles om haar Hugo Borgman te verleiden, te overmeesteren, nooit meer los te laten, hun liefde, met andere woorden, te borgen. Dat lijkt te lukken, maar hij is wijzer, neemt na een tijdje ontslag en verdwijnt uit haar leven, maar niet dan nadat hij heeft gezegd: 'Ik zal op je wachten.' En: 'Liefde kun je uitstellen, maar niet loslaten', een uitspraak van Sextus Propertius.

Daarmee is deze novelle een waardige tegenhanger van Nabokovs beroemde roman Lolita (die ik nu beslist eens moet gaan lezen). Ook Borgman is cultureel wat hoger opgeleid dan Cinthia, die er op school een puinhoop van maakt, zeker na de blikseminslag; ook Cinthia is een nimfette te noemen, ook zij is dochter van een weduwe, en ook deze novelle is in de ik-vorm geschreven, en ook hier spat de lyriek en het woordspel soms van de bladzijden af (zoiets las ik over Lolita). Alleen komt het tot niet veel, met die liefde van die man en dat meisje, en is niet hij de verleider maar zij de verleidster; het blijft bij een enkele kus waar zij nietsdankussen wil, naamwoordelijk en werkwoordelijk, en dan liefst nog veel meer en verder. Maar Borgman houdt zich, en haar daarmee, gedeisd.

Als gezegd is deze novelle een vertelling in de ik-vorm; het is een grote, langgerekte monologue intérieur van Cinthia wanneer ze, inmiddels in de overgang, op weg is naar Hugo die toevallig, of liever: om de tweede sterfdag van zijn echtgenote te herdenken, terug in Nederland is (hij werkt inmiddels in het Musée archéologique de Cimiez in Nice en woont in Cap Martin) en haar graag wil ontmoeten in de strandtent Thalassa. Haar monoloog wordt steeds slechts onderbroken door heel korte route- of reisaanduidingen (zoals 'onder het spoor door, dan linksaf'), in kleinkapitaal gezet en tussen gedachtenstrepen, zoals ook de allerlaatste regel van de notitie die op de tekst van de novelle volgt (weer een indicatie hoe nauw leven en novelle op elkaar betrokken zijn).

Haar relaas is alles behalve rechtlijnig en chronologisch, en soms ook spreekt Cinthia in de derde persoon over zichzelf, of spreekt ze Borgman aan alsof hij naast of tegenover haar zit - wat niet zo is, want het hele relaas staat juist in het teken van de obsederende onbereikbaarheid van haar geliefde (opeens denk ik: er is een verband te zien met Als de winter voorbij is van Verbogt). Cinthia is een stevig formulerend type, was als scholiere - fan van Debbie Harry - al niet op haar mondje gevallen, en gaat nu trouwens op pad met een geladen pistool, dat ze van plan is te gebruiken om haar overspelige en inmiddels uit huis vertrokken echtgenoot mee om zeep te helpen, dan wel om Borgman mee om te leggen als hij er blijk van zou geven het gore lef te hebben gehad niet even vol van haar als zij van hem te zijn geweest de afgelopen dertig jaren. Een enkele keer is haar taal me wat te bont, zoals in deze passage:
Du moment dat mijn schoolagenda uit het drievoudig hermetische duister van zijn verdrongenheid was bevrijd, buitelden de herinneringsbeelden over elkaar, om almaar fonkelend in me neer te dalen, en mijn gevoelens deden bepaald niet voor ze onder.
Maar het past eigenlijk wel bij de obsessieve passie die haar beheerst. Wat die levenslange, tragische bezetenheid betreft, doet de novelle (ook) denken aan Godin, held van Gustaaf Peek, maar de vele referenties aan literaire en andere cultuurteksten (van Meat Loaf en Freud, om maar wat te noemen, en alleen al afgaand op het 'vuur' in de eerste regel natuurlijk Lolita), het voortdurend door elkaar heen bespreken van heden, verleden, toekomst, feit en fantasie, en de herhaalde referenties aan bijvoorbeeld de fontein oftewel palm oftewel agave die zich tot een intrigerend beeldmotief ontwikkelen, alsmede de doorgaans secure en verfijnde taalhantering, doen, ook gezien de mooie bladspiegel met de interpunctie aan het eind van de regel nèt buiten de zetspiegel, en ook gelet op dat thema van het levenslang wachten meer nog denken aan een roman als Wachten op een vriend van Huub Beurskens.

zondag 8 mei 2016

Thomas Verbogt, Als de winter voorbij is

4e dr. Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam 2016 (1e dr. 2015). Hardcover, 222 bladzijden.

Deze bijzondere, bedachtzame, stilistisch ogenschijnlijk volkomen onopmerkelijke roman is opgebouwd uit 39 korte hoofdstukken. Dat zet aan tot vlot lezen. En dat is niet goed. Ik denk dat ik er hier even bij moet zeggen dat dit de eerste roman van Verbogt is die ik lees. Die ik lees, tegenwoordige tijd, want ik heb Als de winter voorbij is nu gelezen, maar ik moet en zal het boek nog eens lezen, wil ik er echt iets duidelijks over kunnen zeggen, denk ik.

En zie, zonder dat dat mijn opzet of de bedoeling was, heb ik nu een belangrijke, veel voorkomende en zelfs in de roman zelf besproken wending uit dit boek geciteerd, of wel verdubbeld: denk ik. Vooral het denken, het denken-over, het overdenken is een belangrijke handeling in deze overigens betrekkelijk reuring-arme roman.

De ik-verteller heeft veel weg van de auteur, begrijp ik uit een interview met Verbogt in de Volkskrant van 7 mei jongstleden. Ik zei al, ik ken (de romans van) Verbogt niet; voor de kenners zeg ik, vrees ik, niets nieuws. De ik-verteller, zijn naam wordt eigenlijk maar terloops genoemd, heet ook Thomas. Daarmee is Thomas verdubbeld: er is een ware en een fictionele. In het evangelie van Johannes (20:24) wordt gezegd dat de apostel Thomas ook 'Didymus' wordt genoemd, tweeling(broer).

In de roman wordt het ik-personage Thomas (nog eens) verdubbeld, want een geliefde (maar die aanduiding is eigenlijk verre van correct) vernoemt haar zoon, die ze acht jaar na hun kortstondige, schijnbaar oppervlakkige ontmoeting krijgt met een andere man, naar hem. De ik-verteller is, net als die geliefde, Lin, geen ongelovige, maar een buitengewoon gelovige: hij hoeft juist niet eerst te zien en te voelen eer hij iets als waar ervaart en erkent. Hij leeft bij en in wat wel de tweede werkelijkheid wordt genoemd. Voor hem telt minder de werkelijkheid dan de waarheid, en de waarheid kan behoorlijk subjectief zijn, maar des te meer overrompelend als je een waarheid met iemand blijkt te delen. Dat blijkt dus acht jaar na dato het geval geweest te zijn met Thomas en Lin.

Die Verbogt; hoewel zijn stijl in niets lijkt op die soms wat moeizame, doorwrochte constructies van C.O. Jellema, moest ik bij het lezen van zijn jongste roman toch steeds denken aan deze dichter, die onder meer schreef, in zijn debuut Klein gloria (1961):

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:

een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

(later meer) 
Nu dan (12-05-2016). Herlezen. En ik ben bang dat ik dat nog eens zou moeten doen, bijvoorbeeld om een beter zicht te krijgen op de chronologie, want heden en verleden lopen steeds in elkaar over. Soms wordt het relaas van een kleine gebeurtenis onderbroken door een associatie of overweging van de verteller, die dan weer leidt tot het vertellen van een ander voorval, en zo verder, soms tot aan het einde van het hoofdstuk. Het volgende hoofdstuk pakt dan een van die draden weer op, of gaat met weer een andere verder. Een en ander is de vormgeving in de roman van de levenshouding van de verteller, het grote belang dat hij vaak onbewust hecht aan die tweede werkelijkheid, en de grote invloed van op het moment van gebeuren schijnbaar onbetekenende gebeurtenisjes, zoals die twee zoentjes van Lin.

Anderzijds zitten er in deze roman een paar heel grote gebeurtenissen, vooral abrupte sterfgevallen. Aan de beschrijving daarvan worden maar weinig woorden vuil gemaakt. Daardoor verschuift het belang ervan: grote gebeurtenissen zijn zo verteld, kleine blijven maar doordringen in al het vertelde gedurende vele tientallen bladzijden.

Bij herlezing ben ik gaan twijfelen aan het werkelijkheidsgehalte van sommige gebeurtenissen. Zijn er niet twee (nachtmerrie-achtige) dromen in de roman verwerkt, zonder dat ze als droom worden gepresenteerd? Wie is die Laura, wie die dakdekker?

Daar komt bij dat deze roman in veel passages om het zacht te zeggen heel erg onspecifiek is, om niet te zeggen uitermate vaag, vooral wanneer er iets belangrijks wordt gezegd, zoals over het vertellen van iets belangrijks:
Als je iets vertelt, blijft er toch vaak te weinig over van wat je wilt vertellen, en niet alleen omdat het zich niet vertellen laat. Het is ook iets wat je niet weet. Je weet niet wat het was. Het was er wel en je maakte het mee, maar je kunt er niets over zeggen, terwijl het wel in je gedachten blijft, terwijl het beweging geeft aan veel van wat je wilt doen.
 Het onderwerp van reflectie in deze passage is 'iets' (het derde woord); dat wordt nader aangeduid met 'wat' en vervolgens met 'het', 'Het', 'iets', 'het', 'Het', 'het', 'er', 'het' en 'het'. En de werkwoorden eromheen zijn: 'vertellen', 'overblijven' 'willen vertellen', zich laten vertellen', 'weten', 'weten', 'zijn', 'meemaken', 'zeggen', blijven', 'blijven', willen' en 'doen'.

Dergelijke passages, daar zijn er meer van in deze roman. En toch is het een intrigerende roman, die helemaal in m'n kop is gaan zitten. Ik dacht altijd dat dat makkelijker ging met descripties als die van Steyns diepe basstem die door de vestibule klinkt, of van Hajar Nait Sibaha, uit vijf vwo die haar hoofddoek om houdt wanneer Daan Hollander, leraar geschiedenis aan het DataCare College in Amsterdam, haar voor de eerste keer neukt. Ik noem maar wat: showing, wordt dat wel genoemd. Maar nee hoor: ook die vertelling van Verbogt, met al zijn nuances, overwegingen, beschouwingen, verwarringen en reflecties, kruipt diep in je weg als je goed leest.

vrijdag 11 maart 2016

Lykele Muus, Eland

Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar 2015. Paperback, 484 blz.

Zo, da's lef, debuteren met zo'n dikke pil, en dan ook nog een coming of age novel, die jaren overspant. Bovendien staat achterop dat het heldje van deze roman uit zijn wieg klimt, naar de donkere kamer van zijn vader kruipt en daar "een emmer foto-inkt aan zijn mond zet." Absurd, om niet te zeggen: onmogelijk. Althans: in het echt. Een beetje roman máákt het mogelijk.

Maar wat-de-hek is foto-inkt? Als het al iets is, dan iets voor printers; doch een doka veronderstelt geen digitalia maar analoge fotografie, dus andere chemicaliën; en de roman speelt rond het begin van het computertijdperk. Het eerste hoofdstuk heet 'Het inktincident' en daarin staat het als volgt beschreven: "De tien maanden oude Daniel Meskes [...] stak zijn handjes in een bak met ontwikkelingsvloeistof en bracht ze naar zijn mond." (9) Dat lijkt me al veel beter voorstelbaar. Vreemd, de titel van dit hoofdstuk, in dat licht.

Pas op bladzijde 111 blijkt dat in de romanwereld ook die verwarring over het gif heerst. Daniels vader bezoekt, jaren later, de arts die het kind heeft gered (door het te opereren terwijl het werd gereanimeerd; toe maar). De arts zegt hem: "Elke medicijnenstudent kent het verhaal van uw zoon. De jongen en de bak met inkt." De vader corrigeert hem onmiddellijk: "Het was ontwikkelingsvloeistof." Eerder is al gebleken dat de arts denkt dat het om inkt gaat: "Een kind van tien maanden heeft inkt ingeslikt", vertelt hij aan zijn vrouw, die lollig probeert te doen en zegt: "Inktgeslikt." Die Leonoor Goetmakers heeft sowieso een bijzondere rol in Daniels leven en in de roman. Wat een type.

Geen fout dus, die inkt, maar opzet. Het motto van de roman, ontleend aan Klaus Manns Mephisto, luidt: "Wie de waarheid spreekt, moet op de wraak van de leugenaars rekenen." Daniel heeft zich voorgenomen alleen de waarheid te spreken. Dat is vragen om problemen in het leven, blijkt.

Het is, dit terzijde, wel vreemd dat er op de eerste pagina ook nog dit staat: "Onder de werktafel stond een lage teil, tot de rand toe gevuld met zorgvuldig samengestelde chemicaliën zoals natrium- en kaliumcarbonaat, vermengd met water. Metol, sulfaten, zouten en zuren met toxische eigenschappen." (9) Dat haal je de koekoek. Welke amateurfotograaf pleurt dat dan ook allemaal door elkaar in één teil? Mijn broer had altijd drie aparte bakken: een voor het ontwikkelen, een stopbad en een spoelbad. Dit klinkt meer als een onzorgvuldig bijeengeplempte zooi in een afvalteil.

Hoe het ook zij, het bizarre incident en de even bijzondere reddingsoperatie maken van de kleine Daniel meteen een buitengewoon ventje. Een Obelix, maar dan anders  (Obelix lag in zijn jeugd niet te chillen op het platte dak van de bibliotheek waar zijn moeder werkte en haar aandacht niet strikt bij de boeken hield). Op het achterplat wordt de roman overigens niet gerekend tot de coming of age novels; het wordt een Bildungsroman genoemd. Die zoeken we op.

Het Algemeen letterkundig lexicon wijst vanaf het lemma "coming of age novel" meteen door naar "adolescentenroman", en dat heet een soort roman te zijn die is geschreven, of geschikt wordt bevonden voor jongeren van 15 à 20 jaar, en die op de eerste plaats psychologisch van aard is. Dat is niet helemaal van toepassing op Eland misschien, omdat er er meer handeling dan expliciete psychologie in zit en omdat er nogal wat morele, ethische en psycho-sociale grenzen in worden verkend, om het vriendelijk te zeggen. Ik weet niet weet of iedere opvoeder dat wel geschikte kost vindt voor een echt jonge jongeling. Maar wat weet ik ervan, ik ben zelf al lang geen jongeling meer, en de jongelingen die ik heb opgevoed, zijn inmiddels volwassen. Falende ouders, drugs-, tabak- en drankge- en misbruik, ontrouw, bedrog, lafheid, seks van volwassenen met minderjarigen, noem maar op. Ina Damman leefde al een tijd geleden, zo veel is duidelijk.

Hetzelfde letterkundig lexicon zegt er gelukkig bij dat dit genre past in het bredere concept van de "Bildungsroman", en dat is dan weer het soort roman "waarin de opvoeding [...] en karakter-ontwikkeling van de hoofdpersoon centraal staat. Het gaat daarbij om de vorming [...] van de held door zijn omgeving". Dat geldt zeker voor Eland. Maar het lexicon legt ook een link met de "ontwikkelingsroman", en met die specifieke term kan Eland, gelet op de openingsscène, bij uitstek in verband worden gebracht. De geestelijke en lichamelijke groei van Daniel wordt bovendien gevolgd tot [in] diens volwassenheid en zijn geestelijke rijpheid.

Het is een opmerkelijke roman. Een roman die met een enorme vlotte vertelkracht het rare leven van Daniel uit de doeken doet. En hoewel dit heldje van kleins af aan gevolgd wordt, is het gelukkig niet zo'n vervelende zeurroman met zo'n opzettelijk petieterig kleuterperspectief. Welnee: die Daniel is een held, begaafd met vermogens die zijn ontwikkeling gelet op zijn leeftijd verre ontstijgen. Dat maakt deze historie bijzonder goed te pruimen. En ook dat de personages geen van alle strikt normaal zijn, maar juist een tikkeltje excentrisch, aberratisch, ik zou haast zeggen een beetje Hanneke Hendrixachtig à la De verjaardagen.

Het verhaal van Daniel wordt vermakelijk doorsneden met stukken van onder andere de verhaallijn over de dokter die hem redde en diens vrouw. En die twee lijnen worden uiteindelijk ook streng verweven en dat leidt tot een noodlottige ontwikkeling. Ik heb weinig zin om in details te treden, want ik wil niemand de lol ontnemen van het lezen van deze tintelende literaire soap. Iedere scène jaagt de geschiedenis weer verder, soms snel, dan weer langzaam. Het is een mooi gevarieerd geheel. Ernstige gebeurtenissen, ontroerende, komische, traditionele natuurlijk ook, gelet op het genre. Maar aan het eind laat Muus de genreregels voor wat ze zijn en gaat de roman verder in een vaag soort toekomstige tijd en slaat de vertelling om van auctoriaal naar een ik-vertelling (nota bene precies wanneer Daniel niet meer praten kan).

Het is een heel luchtig verteld boek waarin serieuze thema's als menselijke waarheid en bedrog, goede bedoelingen die verkeerd uitpakken, moederbinding, om er enkele te noemen, goed uit de verf komen. Daar komt bij dat onze Daniel schrijver wordt en paradoxaal genoeg de waarheid gaat liegen, zoals dat heet. Dat betekent dat deze roman ook een kunstenaarsroman is. Nog voor Daniel goed en wel schrijver is, werkt hij al als recensent. Nooit eerder las deze veellezer zo veel nieuwe literatuur:
Het niveau was soms niet al te best, maar het bleek nuttig om ook slechte boeken te lezen. [...] Romanschrijvers van nu legden veel te veel uit en lieten te weinig zien. De moderne roman zat voor het overgrote deel vol dromen, mopjes en onoriginele seks. Als een schrijver het even niet meer leek te weten werden twee tieten beschreven. De boeken die Daniel vroeger las, zorgden ervoor dat je de banaliteit van het leven vergat, al was het voor even. Veel romans die Daniel nu las bevestigden juist de oppervlakkigheid.
Tot die laatste soort hoort Eland niet. Het ontbreekt hier verfrissend aan het plat-alledaags-realistisch-descriptieve geleuter dat nogal wat debuten ontsiert. Als ik meer Irving en Updike en Franzen had gelezen, zou ik waarschijnlijk durven zeggen dat dit boek heeft wat veel Amerikaanse literatuur zo aantrekkelijk maakt. Vaart, verteldrift, en humor die het zware verteerbaar maakt. Ik ben benieuwd wat 'men' van deze roman vindt. Ik zag nog geen landelijke receptie. Dat lijkt me een gemiste kans voor de kritiek. Dit boek lijkt me te goed om onbesproken te laten. Misschien legt Muus soms wat te veel uit. Soit. Maar zijn kracht zit erin dat hij vooral veel laat zien, scènes voor je geestesoog weet op te roepen, personages neerzet. Niet vreemd dat dit boek, verschenen in november 2015, al een derde druk heeft.

vrijdag 26 februari 2016

De thuiskomst van Sander Schwartz

Robert Anker, De vergever. Roman. Querido 2016. 158 bladzijden (geen verantwoording, geen dankwoord, geen literatuurlijst; louter roman).

Niet op al zijn proza staat een fotootje van Anker op het achterplat, maar als wel, dan een klassiek klein kiekje, linksboven. En ja, in de loop der jaren vaak een andere, nieuwe foto. De vergever is zijn kleinste roman tot nu toe (even groot maar een kwart minder dik zelfs dan de verhalenbundel Volledig ontstemde piano uit 1994, kleiner en de helft minder dik dan de verhalenbundel Fortuyn en Liefde uit 2009; het novelletje Alpenrood uit 2007 is het kleinste proza van Anker in alle maten). 

De vergever heeft de grootste achterplatfoto van Anker ooit. De blurb staat over zijn hoofd heen gedrukt zelfs; de schrijver kijkt net onder een regel door. Prominent, en zwart, is de kat die hij stevig vasthoudt. Het beest boort je tegemoet met z'n lichtgroene ogen.

Ondanks de geringe omvang is De vergever een heel vol, en rijk boek. Het beslaat bijna heel het leven van Sander Schwartz, ongeveer van zijn zeventiende tot zijn zeventigste. De roman is niet het levensrelaas, de autobiografie, maar bevat wel het levensrelaas van deze onderzoeksjournalist annex romanschrijver annex literair agent annex tekstschrijver. Het is het in de ik-vorm opgestelde relaas van een achteraf bezien mislukt, of gemist leven, een zelfonderzoek ook, een zelfreflectie ontstaan uit of leidend tot een crisis en catharsis, tot zelfinzicht en een emotionele en levensbeschouwelijke zuivering. Het motto, ontleend aan Jorge Louis Borges, liegt er niet om: 'Ik heb de vreselijkste zonde begaan / Die een mens maar begaan kan. Ik ben niet / Gelukkig geweest.'

De vergever is vintage Anker. Sander Schwartz' leven kent de nodige parallellen met dat van andere Anker-helden. Ze groeien op in een dorpje op het platteland, gaan in de woelige jaren zestig studeren in een stad in het westen, raken door dat contrast tussen bescherming en openheid, regelmaat en vrijheid, plichten en mogelijkheden behoorlijk uit het lood en besteden daardoor een groot deel van hun volwassenheid aan het zoeken naar of bevechten van een eigen manier van leven (de titel van Ankers episodische gedicht Goede manieren kan nu even oplichten op het scherm van het geheugen van wie  al wat Anker las).

Nogal wat helden van Anker hebben een heel grote bek en, zonder dat ze het zelf weten, een navenant klein hartje. Prototypisch, in mijn leesautobiografie nochtans, is 'de gevierde acteur David Oosterbaan' die de hoofdrol heeft in Een soort Engeland, de roman uit 2001 waar Anker de Libris Literatuur Prijs 2002 voor kreeg. En Sander Schwartz is net zo'n prototypische pro-actieve seksist als die Oosterbaan, of zoals die eveneens keihard tegen zijn eigen morele lamp lopende geschiedenisleraar Daan Hollander uit Hajar en Daan (2004); en dan zwijg ik nog over dat ongeleide testosteronprojectiel Michiel de Ruyter, die in Oorlogshond (2011) de grenzen van het betamelijke opzienbarend ver weet op te rekken.

Schwartz is, in wezen, heus de kwaadste niet. Dat zou je kunnen zien aan het gemak waarmee hij steeds weer diepverliefd wordt. En ja, tegelijk blijkt daaruit dat het vaak zo diep toch niet zit. Maar dat doorziet hij niet. En de vrouwen op wie hij verliefd wordt, zien het aanvankelijk ook niet (voor zover de lezer dat weet, want die is helemaal afhankelijk van wat Sander Schwartz ziet en vertelt).

Maar nee, eigenlijk is hij ook een grote hufter. Beter: een antipathiek romanpersonage, in de geest van Hermans (ook Schwartz kent deze klassieker). En in diezelfde geest gaat Schwartz dan ook op een haar na helemaal, in een gigantisch drietrapsproces, naar de gallemiezen. Het lot bedeelt hem zoals Dreverhaven zijn zoon Katadreuffe behandelde: het breekt hem vrijwel helemaal af, tot z'n heupen in dit geval qua fysiek, met een dwarslaesie L3.

Eerst wordt hij als journalist regelrecht een burn-out ingefrustreerd doordat hij geen hoofdredacteur kan worden. Weer opgekrabbeld bouwt hij een glansrijke carrière op als romanschrijver: 'Een van de belangrijkste schrijvers van zijn tijd'! In die hoedanigheid kan hij wraak nemen op de journalistiek. Hij wint zelfs 'de prestigieuze Super de Boer Prijs' (€ 50.000). Maar op een gegeven moment heeft, volgens zijn uitgeefster en ook volgens zijn redactrice (gender alert), de tijd of de tijdsgeest hem ingehaald, juist hem, die de belangrijkste schrijver van zijn tijd was. Zijn nieuwste boek willen ze niet uitgeven.

Weer op de been (pun) na die existentiële dreun, stelt Schwarz een voor de liefhebbers uiterst onaangename analyse op van de actuele Nederlandse literatuur en neemt hij wederom bikkelhard wraak, nu als literair agent en - kort door de bocht, omdat ik geen zin zie in het oplepelen van een plotsamenvatting - ontmoet dan de grote liefde van zijn leven.

Kim.

Om nog korter door de bocht te gaan (wie de roman las ziet hier weer een pun): het lijkt wel of Schwartz, dan wel Anker namens hem, Elsschots essay ter inleiding van Kaas volkomen ter harte genomen en in deze roman ten uitvoer gebracht heeft. De lezer weet van te voren dat er wat gaat gebeuren, maar hoe precies en wanneer niet. Dus wordt de lezer steeds weer vol in het narratieve middenrif getroffen en moet hij/ zij naar adem happen om verder te kunnen lezen. Wat dus ook betekent dat de lezer een beetje pathetiek (understatement) en een beetje schmieren (idem) op prijs moet weten te stellen. Het kostte mij geen enkele moeite.

Het eigenaardige van deze roman is dat de titel ontleend is aan een bijfiguur, een ex-collega die door Schwartz finaal naar de makrelen is geholpen (zoals hij trouwens wel meer offers geslacht langs zijn levensweg achterlaat) maar die daarom en daardoor een semi-religieus heilgenootschap in het leven heeft geroepen voor lotgenoten. Zij zijn tot het inzicht gekomen dat het goed is hun beschadigers te vergeven en hun te vragen of zij die vergeving actief willen accepteren. Schwartz gaat een eind mee, maar vergeven? Spijt? Sorry? No way! De vergever van de titel is niet de held, wel een katalysator in dit verhaal.
Deze figuur veroorzaakt een barst in het wereldse bolster van Schwartz. Niet hij alleen. Zeker en vooral ook Kim, Schwartz' grootse en grootste geliefde. Haar monoloog in de Bijenkorf tegen, ja: tégen hem in zijn rolstoel is snoeihaard en raak en - in diepste wezen - zo liefdevol, dat hij wel in moet zien dat hij heel zijn leven verkeerd geleefd heeft. En zo zijn er meer moreel stevige, maar tekstueel vooralsnog wat minder opvallend gepresenteerde rollen weggelegd voor vrouwen in deze roman, voor Marieke, en voor Samira bijvoorbeeld.

En ja, inderdaad, deze roman behelst een geschiedenis van euforie, tegenslag, ondergang, inzicht, loutering en bekering. Het slot heeft zelfs iets van een softerig mindfullnesstractaat. Maar zo iets past heel goed in het oeuvre van Anker. Zijn helden, die allen eigenlijk getuigen van een staat van verschrikking door het besef in de wereld geworpen te zijn, zoeken grosso modo naar een hechte plek in het heden, een er-zijn te midden van de dingen, een origineel thuis. Ankers debuutbundel heet Waar ik nog ben (1979). In later werk zoeken zijn personages nog steeds naar Goede manieren (1989). Meteen na de bundel/het gedicht met die titel verscheen een verhalenbundel met de omineuze, semi-autobiografische titel De thuiskomst van kapitein Rob (1992; pardon: twee verhalen en een brief, blijkens de ondertitel); en het autobiografische is te checken via Negen levens (2005) en het zomerdagboek Innerlijke vaart (2005).

De interferentie die de lezer kan zien tussen dit werk en het leven van de auteur is soms hoogst irritant, in de zin van: kriebelend, omdat ze onmiskenbaar is, maar ook moeilijk te bewijzen is, doordat de heen-en-weer-verwijzingen van een schier postmoderne ironie zijn. De geboorteplaats van Schwartz, zijn latere links-intellectuele ontwikkeling, de locatie Kostverloren, zijn prominent schrijverschap, inclusief de prestigieuze Super de Boer Prijs, de veranderingen in het  literaire klimaat, en niet te vergeten de parenthetische opmerking '(ik heb een kat genomen)'.

Nogal schrijnend is, tot slot, dat de deze gebolsterde, uiteindelijk nogal een-zame hoofdfiguur zijn memoires te boek stelt en daarbij regelmatig de indruk wekt tegen een schare van gelijkgestemden te spreken, als in een kroeg aan een stamtafel. Op tientallen plaatsen spreekt de ik-verteller, die zijn herinneringen met een laptop in de eerste-klas-wachtkamer van Amsterdam CS noteert, de lezer (??) in een generaliserend appel toe met 'wij' (wij mannen met ex-genotes, p. 28), 'jullie' (29, 59, 78, 83, 97, 98, 104, 108, etc. etc.) waardoor hij retorisch een beroep lijkt te doen op een intiem, sympathiek gehoor van participerende mensen ("Goeie vraag!", p. 116). De lezer is per definitie een van de aangesprokenen. Maar 'ze' in de roman reageren nooit, en de lezer kan dat ook niet. Uiteindelijk lijkt Sander erg eenzaam te zijn, ondanks zijn interactieve lawaai.

Tot slot, zei ik. Maar er is nog zo veel meer. Dat zo'n hyperactieve en rusteloze en in wezen welwillende Macher als Schwartz gedwongen wordt in te zien en te erkennen dat uiteindelijk nota bene verveling de grondstemming van zijn leven is geweest! Imponerend. Maar denk niet dat dit boek je met een blij einde de wereld in stuurt: op het laatst staat er een dialoogje van Kim en Sander bij een toevallige ontmoeting:
'Jezus, wat ben jij veranderd,' zei ze laatst,
'Te laat voor ons.'
'Maar niet te laat voor jou,' zei ze en wreef over haar zwangere buik.'

Zo zoetsappig dat het ironisch wordt. Sowieso zit je als lezer steeds op de wip in deze roman. Zoals wanneer de voormalig belangrijkste schrijver van zijn tijd constateert: 'Het enorme belang dat het schrijven voor me had kan ik me bijna niet meer voorstellen'. (155) En dat zegt hij als hij bijna klaar is met het schrijven van deze roman...

Deze roman ga ik binnenkort maar eens voor de derde maal lezen. Ik heb hem nog lang niet uit.

zaterdag 13 februari 2016

Lize Spit, Het smelt

Das Mag Uitgevers, Amsterdam 2016. Paperback, 478 bladzijden.
Terwijl ik nog bezig was met andere boeken, kwamen, voor ik aan Spits debuut kon beginnen, al de recensies vol lof langsgewapperd op papier en internet. Dus onbevooroordeeld lezen was moeilijk. Vreemd genoeg weet ik niet meer waarom iedereen (want zo erg is het wel, lijkt het) deze roman zo goed vindt. Ik heb de criteria, voor zo ver die al uitgeserveerd worden in recensies, niet paraat. Was dit een recensie geweest, dan was het een genrefout geweest dat ik die primaire receptie niet zou samenvatten; maar dit is slechts een leesverslag, een particuliere mening, dus mag ik, vind ik, alles geheel zelf verzinnen wat ik over dit boek te zeggen heb.
Meteen aan het begin deed zich een met de teneur van de recensies instemmend knikken bij mij voor. Ja, inderdaad, dit is een goed, een sterk geschreven boek. Met hier een daar fraaie metaforiek. En dan bedoel ik dat niet als tegenhanger van: hier en daar minder fraaie metaforiek, maar in de zin van: de metaforiek die erin zit, is niet te dik aangebracht, en wel goed. Zoals het hoort met make-up, als het ware. Eén voorbeeld: 'Laurens loopt met zijn armen van zijn lichaam weg alsof hij net iets te hard is opgeblazen.'
En ja, het zwaait mooi heen en weer tussen twee tijdslagen annex verhaallijnen. Pas achteraf, bladerend in de digitale versie, die een inhoudsopgave heeft, zag ik dat de hoofdstukken streng geordend zijn, met steeds een titel met een tijdsaanduiding, een titel met een datum, en een titel met een woordgroep, en dan weer een met een uur, en zo verder in trio's; het uur en de datum schrijden langzaam voort. Tegelijk is er zo veel inhoudelijke interferentie, dat me die strakke structuur tijdens het lezen niet opgevallen was; toch dringt iets van zo'n hecht raster, denk ik, ongemerkt wel tot je lezen door.
Dat Het smelt weer een nogal autobiografische coming of age-roman is, en als zodanig wat dertien-in-een-dozijnerig is als debuut, valt door al de stilistische kwaliteiten niet zo erg meer op. Al helemaal niet doordat er ook een forse dosis tragiek in het verhaal zit. Geweld trouwens ook. Onaangenaam, maar het wordt zo gepresenteerd, dat het mij althans niet wegjoeg.
Wat ik zo goed vind aan deze roman, is - hoe zeg ik dat - de fijnzinnige gedetailleerdheid gecombineerd met een sterke onderkoeldheid van de registratie van al die in wezen nogal wrange wederwaardigheden van Eva, Tesje, Pim, Laurens, en vooral ook Jan. Dat is dus stijl. En wat ik ook goed vind is het ontbreken van relativerende ironie (of anders de schijn van het ontbreken ervan ten gevolge van een goede dosering).
Maar toen ik op pagina 105 was aanbeland, noteerde ik dat het geheel wel allemachtig breed en dun uitgesmeerd is. Het duurt allemaal wel erg lang. Ik bedoel: Joe Speedboot telt maar 315 bladzijden. Kwestie van smaak. Aan alles is te merken dat Spit de taal- en verhaalteugels stevig in handen heeft: ze beheerst haar vak op micro-, meso- en macro-niveau, want eerlijk is eerlijk: de roman gaat (naar het zich laat aanzien welbewust) tergend traag, beheerst en behoedzaam naar het onafwendbaar en gruwelijk einde toe, een einde dat wordt voorafgegaan door een zo mogelijk nog gruwelijker crisis die in maar liefst drie hoofdstukken beschreven wordt. Een tempo, of ritme, dat mede tot uiting komt in de titels van de hoofdstukken van de 'actuele' verhaallijn, die zich uitspreidt van '9.00 uur' tot een paar minuten na '20.00 uur'. Een van de andere verhaallijnen heeft allerlei data in de zomer 2002 als hoofdstuktitels; bepaald geen Summer of Love.
De informatie wordt zeer langzaam opgediend en druppelsgewijs aangevuld. Knap. Vaak ook blijft de informatie maar heel summier, en dat is fraai, want wat er zich in de roman voordoet is, om het lelijk te zeggen, nogal heftig, en een gezwollen verteltrant zou daarbij funest zijn. Maar halverwege dit dikke boek, dat ook nog eens zo strak in zijn rug gelijmd zit dat je kramp in je handen krijgt van het lezen, had ik het er wel een beetje mee gehad, eerlijk gezegd. Dat komt mede doordat het merendeel van de informatie bij de ik-als-vertelster al lang bekend is: ze is aan het woord als ongeveer dertig-jarige en vertelt over wat haar overkwam toen ze rond de dertien was. Veel geheimen had haar eigen geschiedenis niet voor haar. Dus zo bezien zijn al die info-gaten en cliffhangertjes een beetje gezocht. Maar ik kan nu eenmaal niet cursorisch lezen. Ik moet álles lezen (en gelukkig lenen veruit de meeste zinnen van Spit zich daar geheel toe, dat wel). De verveling sloeg toe; de roman transformeerde tot een trommel vol dorpsanekdotiek over mallotige personen, aangelengd met wat langere verhaaldraden. Dat ik toch tot het einde geraakt ben, kan ik alleen maar op het conto van Spits schrijfmeesterschap schrijven.
Achteraf vraag ik me af waarom er niet een stuk of drie afzonderlijke, nog steviger romans uit dit boek zijn gedistilleerd. Een roman over de eigenzinnige, innemende, tragische Eva, een over de steeds verder verstoord rakende Tesje, en een over Jan, bijvoorbeeld. Een soort Eva de Wolf-cyclus, met als rode draad de schrijnende verbrokkeling van de innige band tussen Eva, Pim en Laurens.
De spade op de voorkant van de roman lijkt wellicht een zinspeling op de naam van de auteur, maar als je het boek uit hebt, is het wat ongemakkelijk om het op te pakken, met dat plaatje erop.

P.S.
Lees hier waarom Christophe van Gerrewey de roman niet goed vindt. Ik merk erbij op dat hij begint met bezwaren tegen de stijl; het gaat om stijl- en stelfouten die mij niet op waren gevallen en niet gestoord hebben (terwijl ik daar doorgaans gemakkelijk over struikel). Maar hij komt erop uit dat de roman eigenlijk niets te zeggen heeft, en barst van effectbejag. Snoeihard, maar helder en met argumentatieve citaten betoogd.