zondag 19 augustus 2018

Laurent Binet, HhhH

Himmlers hersens heten Heydrich. Roman. Vert. [uit het Frans] door Liesbeth van Nes. 13e dr. [1e dr. 2010]. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2011. Hardback, wrs. oorspr. met stofomslag, maar mijn exemplaar zonder. 347 blz. (Oorspr. HHhH, 2009)

Mijn stofomslagloze exemplaar van deze roman heb ik of gevonden, of in de ramsj of bij een uitverkoop op de kop getikt, al een tijdje geleden; typisch geval van: 'Wil ik eigenlijk ook nog lezen, destijds goede dingen over gelezen, geloof ik.'

Nou, niks mis mee, om negen jaar na verschijnen een succes-debuutroman alsnog te lezen. Een voordeel van dit late lezen en van het succes dat het boek had en heeft, is dat ik nu vast niet meer het verhaaltje hoef na te vertellen.

De titelpagina geeft het nadrukkelijk aan, en ook de ik-verteller laat er geen twijfel over bestaan: dit boek is een roman. Maar doordat die verteller zo druk doende is met het schrijven en het reflecteren daarop, moet dit ook een meta-roman heten. De naamloze ik-verteller reflecteert van meet af aan over de tekst die hij aan het schrijven is, over zijn personages, of misschien moet ik zeggen: over de figuren in zijn roman, die, doordat dit een roman is, personages zijn geworden, terwijl ze gebaseerd zijn op historische mensen, zoals alles in deze roman stevig gefundeerd is in de werkelijkheid, vooral de afgrijselijke werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog. Daarom wil de verteller, die haast onvermijdelijk gelijk te stellen is aan de schrijver, nadrukkelijk proberen niet(s) te fabuleren. Toch neemt hij, zoals iedere verteller van een historische roman, af en toe zijn toevlucht tot verzinsels, beter gezegd: fictionele reconstructies, maar nooit zonder daar dan weer bij stil te staan.

Deze constructie is dus zeer expliciet en zichtbaar, wat de lezer, deze lezer althans, intrigeert en bij de les houdt, en misschien ook wel om de tuin leidt, want wat kan deze zelfbewuste verteller je allemaal op de mouw spelden wanneer hij per ongeluk of expres eens niet reflecteert op zijn eigen fictionalisering?

Binet heeft voor deze roman mijns inziens de Pris Concourt du Prmier roman (2010) niet voor niets gekregen. Hij heeft enorm veel noten op zijn zang, heeft enorm veel historisch onderzoek gedaan (vermoed ik en vertelt hij - maar anders dan Johnatan Littell in zijn De welwillenden geeft hij geen bronnen), stapelt 257 hoofdstukken van zeer uiteenlopende lengte op elkaar, schiet heen en weer van vertellerstijd naar vertelde tijd en reageert daarbij ook nog op andere boeken en films over 'zijn' onderwerp, waarbij vooral het drie jaar oudere De welwillenden het moet ontgelden, al was het maar omdat de hoofdpersoon daarvan een geheel fictionele constructie is. Bovendien weet Binet zijn verhaal heel goed te versnellen en vertragen, te concretiseren en te vervagen, en heen en weer te slepen naar het historische dan wel het theoretische, tussen het feitelijke en het persoonlijk betrokkene. Mede door dat sterk afwisselende vertelritme komen de gruwelijke feiten van het nazionaal-socialisme ijzingwekkend hard aan. 

Bijzonder is dat toch: dat de werkelijkheid, die je al wel een beetje dacht te kennen, duidelijk(er) wordt door middel van de fictie. Zeker in dit geval, omdat Binet er aandacht voor heeft dat het leven, zelfs het über-georganiseerde nazi-leven, vol zit van stupide toevalligheden, onverklaarbare stompzinnigheden; dat houdt de menselijke maat erin, die de onmenselijkheid van de oorlogsmisdaden des te erger doet uitkomen.

vrijdag 13 juli 2018

Patricia Jozef, Glorie

De Geus, Amsterdam 2017. Hardback met stofomslag. 255 blz.

Debuutroman van de schilderes en filosofe Patricia Jozef (1975). Het boek was genomineerd voor de ANV-debutantenprijs 2018, maar heeft helaas de meet van de publieksjury niet gehaald. Zonder iets ten nadele van de de andere genomineerde boeken te willen zeggen, was ik op grond van de informatie die ik onder andere kreeg door de interviews van Jelle van Riet met de drie auteurs wier werk genomineerd was, tijdens de feestelijke uitverkiezing van het beste debuut van 2017/2018 op 1 juli jongstleden in een zonoverdonderd Dordrecht, het meest nieuwsgierig naar Glorie.

En nu heb ik het boek tweemaal gelezen, en vind ik het inderdaad een intrigerende en goede roman (waar, geloof ik, ook nog eens geen enkele spel-, taal- of stijlfout in staat). Een boek na de eerste keer meteen nog een keer willen lezen, is voor mij sowieso een goed teken, al kan het ook betekenen dat ik niet goed heb opgelet bij de eerste lezing. Een combi kan ook. Ik denk het.

Dat ik niet meteen goed genoeg las, althans niet met oog voor kleine aanwijzingen, die achteraf toch  wegwijzers naar parallellen blijken te zijn en die verbindingen leggen tussen de onderdelen, werd zeker ook veroorzaakt door de luchtige vertelwijze en de opzettelijk confettiachtige verhaalstructuur. Misschien was ook de tekst van Guido Belcanto (serieus) achterop het boek aanleiding om minder vorsend te lezen:
Een tragikomische blik achter de schermen van de kunstwereld, beurtelings aangrijpend, deemoedig en hilarisch, met twee protagonisten die zo levensecht zijn geschetst dat je niet ander kunst dan met ze meeleven.
Daar is geen woord van gelogen. Anderzijds: als ik door dat interview niet een andere verwachting van het boek had gekregen, was ik er naar aanleiding van die blurb nooit aan begonnen; ik kreeg klamme angstvisioenen van een Marijke Höweler-roman.

Maar dit is een goede roman. Hij  bestaat uit twee grote delen en een kort derde deel. Het eerste heet 'Marcel Jacobs', vernoemd naar de ik-verteller, een filosoof die, door middel van een even ludieke als grondige vervalsing van zijn cv na drie jaar qua gebrek aan uitzicht verergerende werkloosheid, zich aan de Antwerpse Teniersacademie weet te verbinden als event manager. Al snel was ik verkocht en verknocht aan deze roman, want die Marcel Jacobs is ongeveer Frans - Kaas - Laarmans 3.0.

Doordat de geschiedenis van zijn carrière voortdurend wordt doorsneden door het verhaal van zijn (samengestelde) gezin en door het relaas van de dreigende teloorgang van zijn moeder, was ik voortdurend nieuwsgierig waar het geheel toe zou leiden. En dat vind ik aangenaam: een verhaal waarvan je niet zowel hier als daar en ook nog eens elders ziet aankomen wat ongeveer het eindpunt zal zijn, of hoe dat eindpunt bereikt zal worden. Dat de goede man, Marcel Jacobs dus, zijn positie wel snel weer kwijt zal raken, lijkt me geen verrassing, maar dat hindert me dus niet. De tragikomische blik die de leer achter de schermen van de kunst(opleidings)wereld gegund wordt, is misschien niet über-origineel, maar toch wel erg leuk; het is bovendien niet de enige verhaallijn, maar een onderdeel van het verhalennetwerk dat zich gaandeweg ontspint (als je dat zo kunt zeggen).

Het tweede deel heet 'Bodine Bourdeaud'hui' en is genoemd naar de (tweede) ik-verteller, een wat leerschool en loopbaan betreft solistische vrouw, die zich met vallen, opstaan, doorgaan, reflectie, herbeginnen en gezwoeg heeft ontworsteld aan haar sociale achtergrond en opgewerkt tot een kunstenares met een forse cult-status. Ze raakt, nadat haar carrière of haar zicht op een ontwikkeling van die carrière op een dood spoor is gekomen, onder invloed van de geboorte van haar zoontje Abel, verzeild in Berlijn, op een congres dat is georganiseerd door de Teniersacademie; die Marcel is daar dan al de laan uit gestuurd.

Beide ik-vertellers leven in en vertellen over hun heden, maar blikken elk ook voortdurend en ver terug op de door hen persoonlijk afgelegde weg. Dus ook wat dat betreft loopt deze roman niet eenvoudig en chronologisch van A via B en zo verder naar het einde. Ja, die Bodine Bourdeaud'hui wordt zeker wel genoemd in het eerste deel, namelijk wanneer Marcel Jacobs bezig is dat congres over The Artist as a researcher in Berlijn op poten te zetten; maar toch... waarom het eerste deel opeens is afgelopen, en waarom daarna die Bourdeaud'hui het vertelheft in handen krijgt, mij was het niet duidelijk - maar daar gaf ik ook niet om: de vertellingen zijn kruidig, geestig, herkenbaar, en verrassend genoeg om snel verder te willen lezen.

Na twee delen van respectievelijk honderd en honderddertig pagina's volgt nog 'Marcel en Bodine', dat slechts zeven bladzijden telt, en waarin een afstandelijke vertelinstantie deze twee personages aan het woord laat en zo de hoofdlijnen expliciet verbindt en de strekking van het geheel verdiept. Marcel zegt daarin: 'Ik zei dat het leven zo in elkaar zit, dat verschillende denkwerelden zich als atomen kunnen gedragen, botsen, samenklitten en zich weer van elkaar verwijderen.' Hij is dan inmiddels begonnen aan een opleiding tot schrijnwerker (zelfs dat komt bij nader inzien niet onverwacht) en vraagt aan Bodine: 'Ken je het verschil tussen een zwaluwstaartverbinding en een pen-en-gatverbinding?'

En nee, dat kent Bodine niet, en ja, dat verschil heeft alles met de thematiek van de roman te maken, en nee, Marcel gaat dat verschil niet in deze roman uitleggen. Ook dat maakt Glorie aantrekkelijk en intrigerend: veel wordt niet verteld, vaak wordt zelfs niet eens gesuggereerd dat wat er weggelaten wordt, wel eens belangrijk zou kunnen zijn. Kwestie van informatiedosering en van perspectief, focalisatie, zo u wilt.

donderdag 24 mei 2018

Mike McCormack, Solar Bones

Tramp Press, z.p., 2016. Gebrocheerde paperback met flappen, 223 pagina's.

Van de schrijver had ik nog nooit gehoord, maar hij is blijkens de achterflap een 'award-winning novelist and short story writer from Mayo.' En dat laatste is zowel een graafschap, een kiesdistrict als ook een plaats in de republiek Ierland, aan de westkust.

Vlak onder Mayo, in Galway, was ik een keer op vakantie. En ja, dat speelt mee als impuls om dit boek te kopen (tijdens een andere vakantie, in Glasgow). Boglands.

Wat ook meespeelde, was dat dit boek uit één zin bestaat. Uit dat vaatje heeft eerlang ook Rutger Pontzen getapt met Nu ik, maar daar was ik niet van onder de indruk. En ik denk dat ik van Solar Bones een recensie heb gelezen (geen idee meer waar of wanneer), waardoor ik dacht: ik waag het erop. Dit gaat goed gaan. Dit is een leven-omspannende monoloog, een epische, ruraal gefundeerde vertelling die zich in het heden voltrekt, maar breed uitwaaiert.

En het gaat goed. Al was het maar omdat McCormack alle schijn vermijdt de indruk te wekken dat deze roman werkelijk één nette, welgevormde zin is. De tekst is namelijk opgebouwd uit typografisch gemarkeerde, thematisch samenhangende blokken van zeer ongelijke lengte die weliswaar formeel deel uitmaken van een lange, een zeer langgerekte zin zonder ook maar één punt en zonder ook maar één puntkomma en zonder ook maar één gedachtenstreepje, met alleen wel hier en daar een komma, maar geen hoofdletters, tenzij bij namen en merken (bijna geen merken, tenzij het over trekkers gaat).

Doordat de roman spaarzaam maar soms juist weer heel opvallend gebruikmaakt van herhalingen van formuleringen (ze vallen mede op doordat de elementen als bij een nieuwe alinea inspringen) en doordat de onderlinge verbinding van de herinneringen en mijmeringen van de ik-verteller, Marcus Conway, associatief en nauwelijks verhalend/handelend verbonden zijn, doet de tekst vaak aan (epische) poëzie denken. Ook de enjambementen dragen daaraan bij. De meeste alinea's eindigen namelijk midden in een deelzin, heel vaak met een voegwoord of een aanwijzend voornaamwoord of een betrekkelijk voornaamwoord – nee, je krijgt echt niet de kans om te vergeten dat het een, één, doorlopende zin is, een voortstuwende gedachtenstroom.

Daardoor, en doordat het boek (dus) ook geen hoofdstukken kent, is het heel moeilijk om het weg te leggen, en zo mogelijk nog moeilijker om, wanneer je dat dan toch hebt gedaan (de stofwisseling gaat gewoon door) het boek weer op te nemen, of beter: de draad ervan weer op te nemen. Dat maakt dat het lezen van Solar Bones een andere ervaring is dan het lezen van een gewone roman. Je zou er het woord 'de-automatisering' voor uit het archief kunnen halen.

Op onverwachte momenten weet McCormack in zijn vertelling aan het persoonlijke, individuele een enorme, collectieve of metafysische overspanning te geven (en dat is niet alleen omdat de ik-figuur een ingenieur is). Zo is er een prachtige scène waarin Marcus zich herinnert hoe zijn vader, een halve eeuw eerder, zijn trekker geheel demonteerde omdat die niet lekker meer liep; en uiteindelijk lagen alle onderdelen, systematisch op orde, uitgespreid op de vloer van de deel als een weerspiegeling van de sterren in de hemel: een overdonderende hoeveelheid kleine onderdelen die samen een nauw geïntegreerd, aarde-om-en-overspannend geheel vormen (je zou er zo de opening van De theorie van de roman van Georg Lukács bij kunnen citeren).

De kleine Marcus was er diep van onder de indruk, en ook van zijn vader, natuurlijk. Meer dan honderd bladzijden later, als zijn vader aan het aftakelen is na het overlijden van zijn (Marcus') moeder, koopt Conway senior alsnog een nieuwe trekker, hoewel zijn boerenbedrijf niet meer bestaat en hij zelfs helemaal niet meer met de trekker kan rijden of werken – het enige wat hij ermee doet, is het ding poetsen en af en toe starten. Totdat dat niet meer lukt. Zoon probeert pa te helpen, maar moet zijn heil zoeken bij de leverancier, die erachter komt dat pa niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet, en dat de fabrikant daarom via een satellietverbinding de startinrichting buitenwerking heeft gesteld... Overdonderd speuren zoon en vader de hemel af naar de maltraiterende satelliet. Een pracht van een herhaling en omkering van die andere trekkerscène (en een prachtig bruggetje naar Februari's Klont).

Die zoon, de ik-verteller, was ooit priester in opleiding, maar is ingenieur geworden. Pa was boer. De zoon kan met allerlei technische hulpmiddelen prima navigeren op zee. Zijn vader echter weet zijn positie op zee scherp te peilen met triangulatie (de driepuntsmeting). De vader weet waar hij is in de werkelijkheid, de zoon ziet voor zich waar hij zich bevindt. Dat is wel even iets anders.

Onthutsend is het einde van de roman, waarin Marcus Conway het verslag geeft van zijn eigen dood door een hartaanval, op de weg terug naar huis met medicijnen voor zijn zieke vrouw. Dan wordt ook pas duidelijk dat heel deze vertelling een lange, moderne Mémoire d'outre-tombe is (wie opnieuw vanaf het begin leest, ziet echter genoeg aanwijzingen - of misschien lag het aan mij dat ik er in eerste instantie langsheen las).

Dat wrange slot is niet tekenend voor heel de roman, wel voor een deel ervan: er spreekt bepaald geen optimisme met betrekking tot de wereld uit dit boek dat handelt over de fundamentele vergankelijkheid van wat mensen op het ondermaanse maken, over economische crisis en fraude; maar anderzijds is de intensiteit van Marcus' herinneringen en de meeslepende, bijna letterlijk boeiende vorm waarin ze opgetekend zijn, het blijk van een grote menslievendheid, meer in het bijzonder de liefde van de hoofdpersoon voor zijn vrouw en kinderen, ook al gaan die verhoudingen evenmin louter over rozen.

P.S.

vrijdag 27 april 2018

Julian Barnes, The Only Story

Jonathan Cape, London, 2018. Gebrocheerde hardback met stofomslag. 213 blz.

Dat ene of enige verhaal, een liefdesverhaal wel te verstaan, of: het verhaal over de ene of enige liefde, dat in deze roman verteld wordt, hakt er nogal in. Het speelt zich af ten zuiden van Londen, niet in Londen zelf, in de woelige jaren zestig - waar overigens niets van te merken is, tenzij zeer indirect. Een negentien-jarige jongeman raakt in suburbia verzeild in een overweldigende liefdesrelatie met een tweemaal zo oude, onfortuinlijk gehuwde vrouw. Niemand gaat met hun relatie akkoord, voor zover die bekend wordt, zeker de leden van de tennisclub niet, behalve Paul en Susan zelf.

Maar niets en niemand houdt hen tegen. Zeker niet in het eerste deel van de roman, waarin Paul de ik-verteller is die, ongeveer een mensenleven later, terugkijkt op zijn jarenlange affaire, die daarom al geen affaire meer kan heten, en zijn herinneringen welbewust  noteert; niet de feiten, niet de waarheid, maar zijn herinneringen: 'You understand, I hope, that I'm telling you everything as I remember it?' Overrompelend is dat verhaal van hem en Susan MacLleod. Doordat er een kleine convertible een rolletje in speelt, moest ik soms denken aan Aimez-vous Brahms van Françoise Sagan (The Graduate, om een andere, mogelijke parallel te noemen, ken ik niet).

Die Susan is een apart type, niet alleen omdat ze haar eigen gang gaat, en haar man behandelt als een quantité négligeable, maar ook bijvoorbeeld omdat ze haar dochters, Martha en Clara (even volwassen als Paul), Miss G en Miss NS noemt, welke initialen staan voor Grumpy respectievelijk Not So (Grumpy). Een nog fraaier type is overigens Susans vriendin Joan, die zich nogal fors,  ondersteund door gin, staande houdt na een leven dat helser was dan een in het inferno. Paul is, met andere woorden, niet in een buitenschoolse opvang terecht gekomen.

Het tweede deel, dat na een kleine negentig bladzijden begint, is een mix van ik-vertelling met vooral veel vertelling in de tweede persoon enkelvoud – alsof Paul toch enige distantie neemt. En in dat tweede deel komt er een aap uit de mouw: dat liefdesleven was maar een deel van de herinnerde werkelijkheid: gaandeweg wordt duidelijk dat Susan niet alleen drinkt, maar zich ontwikkelde tot een professionele alcoholiste; en we krijgen te weten waar die verloedering aan te wijten is. Ze gaat volkomen naar de gallemiezen. Paul blijft haar nochtans heel lang trouw.

Het derde deel is (vrijwel geheel) in de derde persoon enkelvoud gegoten. Het gaat over Paul die niet meer met Susan is – het was onmogelijk. Maar wat er precies in dat slotdeel verteld wordt, weet ik niet, want ik ben met lezen gestopt op pagina 174. Het ging me allemaal veel te traag. En: de vertelling is bijzonder eloquent, zeer Brits, zou ik willen zeggen, getuigt van een prima taalbeheersing, kent een rijk vocabulaire, maar is ook van een enorme afstandelijkheid en cerebraliteit, als die twee al niet op hetzelfde neerkomen, zeker waar het gaat om een liefdesgeschiedenis. Paul noteert met gemak zinnen als de volgende: 'No doubt in religious, patriarchal, hierarchical societies, such conflicts continued and still gavethemes to writers.' Buitengewoon kil.

Die wat klinische benadering heeft misschien te maken met het gegeven dat de onervaren negentien-jarige Paul de hele boel wat beschroomd en geïmponeerd benaderde. De steeds grotere afstand(elijkheid), die wordt gesuggereerd door de overgang van eerste naar tweede naar derde persoon enkelvoud, is ook een indicatie van af- of verweer, zelfbescherming; zeer toepasselijk vanuit psychologisch opzicht wellicht, maar naar mijn smaak niet goed voor het verhaal. De geschiedenis is evenwel zo indrukwekkend, dat de roman mijns inziens overeind blijft staan. Maar tegen de achtergrond van de recente lectuur Winter van Ali Smith viel het me wat moeilijk heel enthousiast te worden van de jongste van Barnes. Maar dan nog: een (relatief) sub-optimale Barnes is en blijft een goede, aangrijpende, stilistisch mooi gevormde roman. 

dinsdag 17 april 2018

Ali Smith, Winter

Hamish Hamilton, z.p. 2017. Vrij stug in de rug gelijmde hardback, met half stofomslag, 322 blz.

Deel twee van een seizoenskwartet. Autumn verscheen het jaar ervoor. Wat ik over de structuur daarvan zei, geldt in grote lijnen ook voor dit tweede deel. En ook geldt (of anders: met terugwerkende kracht) dat ik me weer geheel heb laten inpakken door dit boek. Eenmaal gelezen; toen onmiddellijk begonnen aan de herlezing - daar kwam wat tussen; daarna aan de tweeëneenhalfde lezing begonnen, en die - in weerwil van mijn welwillende intentie - toch weer in fragmenten voltooid.

Arthur, in problemen geraakte volwassen man, gaat kerstmis vieren bij zijn - op z'n zachtst gezegd - eigenzinnige moeder-de-zakenvrouw in Cornwall; dat is, lieve lezer, het uiterste, westelijke zuidpuntje van het Verenigd Koninkrijk. Lands End. Finisterre. Arthur heeft beloofd met zijn partner te komen, maar die, ik bedoel: zij, heeft net zijn notitieblok met aantekeningen voor zijn natuur-blog losbladig het raam uit de sneeuw in geflikkerd omdat ze die blog-troep van hem volkomen a-politiek vond; de accu heeft ze uit z'n laptop geschroefd, en de hele handel onklaar gemaakt. Gewoon, door een niet passende schroevendraaier te gebruiken.

Eigenlijk vind ik dit al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Arthur, die in de problemen geraakte volwassen man, durft het bezoek aan zijn moeder niet aan, en paait een min of meer toevallige passante. Of: passante, dat is ze juist niet: ze zit al uren achtereen in een bushaltehokje een vouwblad van een wegwerprestaurant te te lezen. Voor duizend pond is ze, een in het post-Brexit Verenigd Koninkrijk van dakloosheid verzekerde Oost-Europese, bereid drie dagen lang te doen of ze Arts Charlotte is. Fijn... 'maar ik denk,' denkt en zegt Arthur, 'niet dat al die kettinkjes, studs, piercings en wat er al niet meer in je gezicht steekt, erg overtuigend op mijn moeder overkomen'. Probleemloos schroeft 'Charlotte' alles uit haar facie. Arts moeder-lief vraagt, na haar aankomst: 'Kind, weet je wel dat je gezicht vergeven van de gaatjes is?'

Eigenlijk is dit aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek. En dan weet je nog niet eens dat en hoe dit verbonden raakt met het oeuvre van Barbara Hepworth (staaltje ingeweven cultuurgeschiedenis zoals dat over het werk van Pauline Boty in Autumn).

Sophie, de moeder van Arthur, is niet echt een lief persoon. Haar relatie met haar zus, Iris, is totaal verzuurd. Die met Arthur eigenlijk ook. En Iris is een post-protester, een soort overjarige actievoerster. De halve twintigste eeuw komt daardoor over de vloer in dit boek, dat alles behalve een rechtlijnig chronologische vertelling is. Maar ja, kerstfeest. Dus Iris komt voor het eerst sinds decennia weer bij Sophie in huis, op verzoek van Arthur, die ook niet op zijn gemak is met zijn nep-Charlotte, die eigenlijk Lux heet, zoals in Velux. En ondertussen heeft de echte Charlotte de natuur-blog van Arthur gehackt (Art in Nature) en ze belaagt hem via dat blog met wanstaltige berichten en projecten, waardoor er onder meer busladingen vogelaars uit noord- en midden-Brittannië over de vloer komen bij Sophie c.s. om een zeldzame vogel te spotten, Sophie, die overigens door Iris ook Filo wordt genoemd, maar niet naar aanleiding van 'filosophie' [spoiler reduction].

Dit is eigenlijk al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Sophie, die schijnbaar niet heel aardige moeder van Arthur (kortweg Art, wat weer veel aanleiding geeft tot heel melige en heel leuke woordspelingen) heeft een bijzonder ingewikkelde achtergrond met onder meer een reuze melancholische liefdesgeschiedenis - ja, een eennachtwip - waar Arthur het resultaat van is, die zo intens fraai beschreven is, zo snijdend en mooi, dat je zoiets iedereen eigenlijk wel voor eenmaal in het leven toewenst. En daar komt de kracht van Ali Smiths schrijverschap overduidelijk naar voren. Zoals zij de verschillende tijdslagen enerzijds versnippert over het boek en anderzijds thematisch aaneen weet te smeden, is werkelijk om helemaal knapperend haardvuur met goede thee en sloffen aan met een goed boek van te worden.

Dit is aanleiding te meer en genoeg voor de conclusie: lees dit boek, want tegelijkertijd is dit alles behalve een gezellig winteravondverhaal. Het gaat heel hard en nors over nu en de hedendaagse, ongelooflijke waanzin. En het is zo rijk, zo boordenvol. En zo menselijk, als in: comédie humaine, hoe tragisch toch ook. Zo vol verhalen en vol ook van het belang van verhalen. Lees dit boek.




vrijdag 5 januari 2018

Maxim Februari, Klont

Hardback. 270 blz. Omslagontwerp Tessa van der Waals. Prometheus, Amsterdam 2017.

Het boek eenmaal gelezen en onmiddellijk daarna aan deze notitie begonnen, schrijf ik er meteen bij dat ik - hoewel niemand die dit nu leest, het merkt - eerst slechts een aanzetje van die notitie noteer, omdat ik vandaag, en dat is pas vele weken na de eerste lezing, onmiddellijk begonnen ben aan de tweede, en pas daar weer na deze notitie afrond. Maar ik kan dus al wel notuleren dat ik dit een daverende roman vind.

[Beetje slordig, dat ik, nu ik opnieuw voor de tweede maal de roman aan het lezen ben, niet meer weet wanneer ik de eerste notitie noteerde; en ja: 'opnieuw voor de tweede maal', want de eerste herlezing strandde doordat er andere werken in het leesvaarwater verschenen, maar nu, sinds 1 januari 2018 ben ik bezig met de voortzetting van de volledige, integrale herlezing; deze herlezing is dus Oud-en-Nieuw-overbruggend].

Bij een van de boekpresentaties (gek, dat zoiets een meervoudige bijeenkomst is op allerlei plaatsen en tijden), namelijk die in oktober 2017 in een broeiend-warm Brussel, bij De Buuren, viel me – weer – op wat een innemende, intelligente, welbespraakte, meer nog: goed formulerende, erudiete, beleefde en zeer vriendelijke man Februari is, en daarna hoezeer de verteller in/van zijn roman dat ook is, maar dan veel veel minder bescheiden en iets minder fijnbesnaard. Mooi contrast, waar deze roman, meer nog: de centrale personages in de roman volgens mij niet echt helemaal los te zien zijn van de persoon Maxim Februari zoals die zich onder meer uit in zijn column in NRC Handelsblad en in het 3-D-openbaar als romanschrijver.

In zijn prachtige recensie op De Reactor schijft Bart Vervaeck dat deze roman hem doet denken aan Bint (1934) van Bordewijk. Vervaeck vraagt zich zelfs in de titel van zijn bespreking af of deze roman wellicht de nieuwe Bint is. Dat doet hij natuurlijk mede op basis van de bonkigheid van de titels van beide romans. Misschien speelt ook het de prachtige omslag mee. En ook dat er een actuele ethische kwestie wordt aangesneden door middel van een verhaal. Ja. Maar Vervaeck merkt ook op dat Klont bepaald niet zo bondig is als Bint: 'Klont heeft niet de meesterlijke beknoptheid van Bint, maar het is een even dwingend verhaal over maatschappelijke disciplinering.'

Inderdaad. Stel je voor, tachtig jaar later... Het is maar goed ook dat Februari stilistisch niet (meer) bordewijkt. In Klont wordt namelijk narratief juist on-Bordewijks meesterlijk geschmierd, op een wijze die mij veeleer aan Kellendonk denken doet (maar nou ja, die twee, Kellendonk en Bordewijk, liepen op een of andere, namelijk: poëticale wijze ook niet voor elkaar weg). Heerlijk.

Het boek is inmiddels in de pers de hemel in geprezen. En terecht. Mooi, hoef ik dat niet nog eens expliciet te doen.

Klont snijdt een forse problematiek aan (dataficering, plagiaat en kortademige 'nieuws'garing), en tegelijk is het boek zowel luchtig als zeer lucide, en daarnaast complex (of: ik lees te snel en slordig doordat ik me mee laat slepen door de doorgaans luchtige vertreltrant). Als gezegd schmiert Februari in deze roman, zowel stilistisch als narratief. De platte spreektaal waarin een 'hogere' thematiek door sommige personages wordt aangesneden, wil ik noemen als voorbeeld van stilistisch schmieren; de al in het tweede hoofdstuk op het laatste moment ingetrokken maar reeds aangekondigde zelfmoord van een van de hoofdpersonages, Bodo Klein, als voorbeeld van hetzelfde op het gebied van de narratio. Daarenboven lopen er verschillende verhaallijnen door elkaar en verschillende vertellagen. Het eerste hoofdstuk is bijvoorbeeld niet een echt hoofdstuk maar een voorwoord, en het is, afgaande op de titel – 'Alexei Krups schrijft een voorwoord' – door een van de hoofdpersonages geschreven (met aanvankelijk de ironische mogelijkheid dat hij ook de verteller is van de hoofdstukken die handelen over het andere hoofdpersonage, Bodo Klein). Krups is ook het personage dat in het vierde hoofdstuk – 'In de werkplaats van Alexei Krups, de oplichter' – tegen andere personages zegt dat hij een boek gaat schrijven dat als titel zal dragen: Klont. Jawel, in de roman zelf wordt deze roman geschreven... 'For fuck's sake.' Aldus Krups zelf.

En dan is er nog een hoofdstuk waarin Krups en Klein in dezelfde ruimte verblijven: Klein luistert naar een rede van Krups, om meer over hem en zijn vermoede plagiaat te weten te komen. Krups is daarin in de eerste persoon enkelvoud aan het woord, terwijl er in de derde persoon enkelvoud over Klein wordt verteld. Ze komen dus niet echt op een en hetzelfde vertelniveau al bevinden ze zich wel op hetzelfde verhaalniveau, als u begrijpt wat ik bedoel.

En toch oogt de roman nadrukkelijk niet als een klassiek gevalletje (al dan niet: neo-) post-modern vertellen. Vind ik. Hoewel voor deze lezer (nu, dit noterende bij de herlezing, tot pagina 60 gevorderd), niet duidelijk is wie dan weer verantwoordelijk is voor de hoofdstuktitels, die afkomstig lijken uit / ontleend lijken aan een negentiende-eeuwse avonturenroman – wat op zich wel weer een post-modern dingetje is...

Tweeëndertig bladzijden verder, wist ik niet meer precies hoe die romantheorie van Krups in het geheel past, maar dat wordt later opgelost; of eerder al, door pagina 76-77 goed te herlezen. Daar citeert de charlatan Krups een essay van Walter Benjamin over de crisis van de roman: 'Die Geburtskammer des Romans ist das Individuum in seiner Einsamkeit.' En: 'Een roman schrijven, zegt Benjamin, houdt in dat je in je schets van het menselijk bestaan het unieke op de spits drijft. Het met andere mensen onderling onvergelijkbare, het incommensurabele, das Inkommensurable. / Maar in de eenentwintigste eeuw was opeens niets meer incommensurabel.' En dat laatste komt doordat we niet   meer als individuen leven in de gewone, reële werkelijkheid, op de aardkloot, maar als abstracties in een daarvan afgeleide onoverzichtelijke hoeveelheid eenvoudig meetbare (en verhandelbare) gegevens, in de klont.

Voor je het weet, ga je te snel door dit boek heen, bleek me, zoals onder andere bovenaan pagina 93, waar Krups betrekkelijk onbehouwen uit de hoek komt:
Het meisje met wie ik in die begindagen van mijn grote lezing een affaire had, Susan nog-iets, bracht me tijdens onze gezamenlijke uitstapjes in contact met de offline wereld van de rijken, voor wie ze badkamers ontwierp.
Nogal Kellendonkiaans, lijkt me, in de schijnbaar los uit de pols genoteerde bijzinnen, die op de bijbel steunen. En dat 'op de spits drijven', is dat niet vergelijkbaar met Kellendonks oprecht veinzen?

De onderkoelde beschrijving van het apocalyptische noodweer in het hoofdstuk 'Regen en rampspoed' (alleen die titel al, nèt op het randje) past al op het eerste gezicht wonderwel in het verhaal en doet overigens denken aan in wezen niet minder hilarische descripties van ogenschijnlijk realistische scènes in Spieltrieb en Unterleuten van Julie Zeh, Bert Natters Begeerte heeft ons aangeraakt ('De spruitiging' heet het hoofdstuk, meen ik, dat ik hier vooral bedoel), Tommy Wieringa's Joe Speedboot, Peter Buwalda's Bonita Avenue (passim), Kellendonks Mystiek lichaam (partout) en het oeuvre van Bordewijk (integraal). Vergeet ik bijna (vooral het opzettelijke treinongeluk in) De verjaardagen van Hanneke Hendrix.

Op een gegeven moment bekent Krups dat hij zijn eigen succes-lezing pas begon te begrijpen nadat hij er al beroemd mee was geworden en er een reputatie als intellectueel mee had opgebouwd. Maar hij ziet dan in dat het ware verhaal over de klont heel saai zou zijn. Daarom bleef hij liever zijn lezing onveranderd houden over de dood van de roman... 'ik schmierde erop los.'

Zo hoort het, althans: zo kan het leuk worden: in de roman wordt niet alleen de roman zelf pas net  geschreven, ze wordt er ook al in geanalyseerd.

Wel weer vrolijk-makend-vreemd is het gegeven dat de ontmaskering van Krups niet en détail wordt weergegeven, maar op een wat abstracte en indirecte wijze wordt behandeld door datacenter-mannetjes in een hoofdstuk dat uit een thriller-achtige spionageroman afkomstig lijkt.

Het slot is deels menselijk – dat wil hier ook zeggen: data(ficatie)loos – en deels vrolijk, namelijk door de geboorte in Bodo Kleins huis van een nieuw mens (een stiefkleinkind van Klein), en deels zwart, vooral door de totale ondergang van de echt niet volledig misdadige Krups en door de – na zijn loutering – toch nog onverwacht uitzichtloze Sisyphus-situatie waarin de eenzame Bodo Klein zich terugvindt. Bijzonder naar en wanhopig is diens gedachte: 'Kinderloosheid is een vergrijp tegen de gemeenschap' (waardoor deze roman wellicht een even wrange spanning krijgt als Kellendonks controversiële roman eertijds, anno 1986).

Ik geloof d.d. 5 januari 2018 dat ik toe ben aan een derde lezing.