dinsdag 17 april 2018

Ali Smith, Winter

Hamish Hamilton, z.p. 2017. Vrij stug in de rug gelijmde hardback, met half stofomslag, 322 blz.

Deel twee van een seizoenskwartet. Autumn verscheen het jaar ervoor. Wat ik over de structuur daarvan zei, geldt in grote lijnen ook voor dit tweede deel. En ook geldt (of anders: met terugwerkende kracht) dat ik me weer geheel heb laten inpakken door dit boek. Eenmaal gelezen; toen onmiddellijk begonnen aan de herlezing - daar kwam wat tussen; daarna aan de tweeëneenhalfde lezing begonnen, en die - in weerwil van mijn welwillende intentie - toch weer in fragmenten uitgelezen.

Arthur, in problemen geraakte volwassen man, gaat kerstmis vieren bij zijn - op z'n zachtst gezegd - eigenzinnige moeder-de-zakenvrouw in Cornwall; dat is, lieve lezer, het uiterste, westelijke zuidpuntje van het Verenigd Koninkrijk. Lands End. Finisterre. Arthur heeft beloofd met zijn partner te komen, maar die, ik bedoel: zij, heeft net zijn notitieblok met aantekeningen voor zijn natuur-blog losbladig het raam uit de sneeuw in geflikkerd omdat ze die blog-troep van hem volkomen a-politiek vond; de accu heeft ze uit z'n laptop geschroefd, en de hele handel onklaar gemaakt. Gewoon, door een niet passende schroevendraaier te gebruiken.

Eigenlijk vind ik dit al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Arthur, die in de problemen geraakte volwassen man, durft het bezoek aan zijn moeder niet aan, en paait een min of meer toevallige passante. Of: passante, dat is ze juist niet: ze zit al uren achtereen in een bushaltehokje een vouwblad van een wegwerprestaurant te te lezen. Voor duizend pond is ze, een in het post-Brexit Verenigd Koninkrijk van dakloosheid verzekerde Oost-Europese, bereid drie dagen lang te doen of ze Arts Charlotte is. Fijn... 'maar ik denk,' denkt en zegt Arthur, 'niet dat al die kettinkjes, studs, piercings en wat er al niet meer in je gezicht steekt, erg overtuigend op mijn moeder overkomen'. Probleemloos schroeft 'Charlotte' alles uit haar facie. Arts moeder-lief vraagt, na haar aankomst: 'Kind, weet je wel dat je gezicht vergeven van de gaatjes is?'

Eigenlijk is dit aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek. En dan weet je nog niet eens dat en hoe dit verbonden raakt met het oeuvre van Barbara Hepworth (staaltje ingeweven cultuurgeschiedenis zoals dat over het werk van Pauline Boty in Autumn).

Sophie, de moeder van Arthur, is niet echt een lief persoon. Haar relatie met haar zus, Iris, is totaal verzuurd. Die met Arthur eigenlijk ook. En Iris is een post-protester, een soort overjarige actievoerster. De halve twintigste eeuw komt daardoor over de vloer in dit boek, dat alles behalve een rechtlijnig chronologische vertelling is. Maar ja, kerstfeest. Dus Iris komt voor het eerst sinds decennia weer bij Sophie in huis, op verzoek van Arthur, die ook niet op zijn gemak is met zijn nep-Charlotte, die eigenlijk Lux heet, zoals in Velux. En ondertussen heeft de echte Charlotte de natuur-blog van Arthur gehackt (Art in Nature) en ze belaagt hem via dat blog met wanstaltige berichten en projecten, waardoor er onder meer busladingen vogelaars uit noord- en midden-Brittannië over de vloer komen bij Sophie c.s. om een zeldzame vogel te spotten, Sophie, die overigens door Iris ook Filo wordt genoemd, maar niet naar aanleiding van 'filosophie' [spoiler reduction].

Dit is eigenlijk al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Sophie, die schijnbaar niet heel aardige moeder van Arthur (kortweg Art, wat weer veel aanleiding geeft tot heel melige en heel leuke woordspelingen) heeft een bijzonder ingewikkelde achtergrond met onder meer een reuze melancholische liefdesgeschiedenis - ja, een eennachtwip - waar Arthur het resultaat van is, die zo intens fraai beschreven is, zo snijdend en mooi, dat je zoiets iedereen eigenlijk wel voor eenmaal in het leven toewenst. En daar komt de kracht van Ali Smiths schrijverschap overduidelijk naar voren. Zoals zij de verschillende tijdslagen enerzijds versnippert over het boek en anderzijds thematisch aaneen weet te smeden, is werkelijk om helemaal knapperend haardvuur met goede thee en sloffen aan met een goed boek van te worden.

Dit is aanleiding te meer en genoeg voor de conclusie: lees dit boek, want tegelijkertijd is dit alles behalve een gezellig winteravondverhaal. Het gaat heel hard en nors over nu en de hedendaagse, ongelooflijke waanzin. En het is zo rijk, zo boordenvol. En zo menselijk, als in: comédie humaine, hoe tragisch toch ook. Zo vol verhalen en vol ook van het belang van verhalen. Lees dit boek.




vrijdag 5 januari 2018

Maxim Februari, Klont

Hardback. 270 blz. Omslagontwerp Tessa van der Waals. Prometheus, Amsterdam 2017.

Het boek eenmaal gelezen en onmiddellijk daarna aan deze notitie begonnen, schrijf ik er meteen bij dat ik - hoewel niemand die dit nu leest, het merkt - eerst slechts een aanzetje van die notitie noteer, omdat ik vandaag, en dat is pas vele weken na de eerste lezing, onmiddellijk begonnen ben aan de tweede, en pas daar weer na deze notitie afrond. Maar ik kan dus al wel notuleren dat ik dit een daverende roman vind.

[Beetje slordig, dat ik, nu ik opnieuw voor de tweede maal de roman aan het lezen ben, niet meer weet wanneer ik de eerste notitie noteerde; en ja: 'opnieuw voor de tweede maal', want de eerste herlezing strandde doordat er andere werken in het leesvaarwater verschenen, maar nu, sinds 1 januari 2018 ben ik bezig met de voortzetting van de volledige, integrale herlezing; deze herlezing is dus Oud-en-Nieuw-overbruggend].

Bij een van de boekpresentaties (gek, dat zoiets een meervoudige bijeenkomst is op allerlei plaatsen en tijden), namelijk die in oktober 2017 in een broeiend-warm Brussel, bij De Buuren, viel me – weer – op wat een innemende, intelligente, welbespraakte, meer nog: goed formulerende, erudiete, beleefde en zeer vriendelijke man Februari is, en daarna hoezeer de verteller in/van zijn roman dat ook is, maar dan veel veel minder bescheiden en iets minder fijnbesnaard. Mooi contrast, waar deze roman, meer nog: de centrale personages in de roman volgens mij niet echt helemaal los te zien zijn van de persoon Maxim Februari zoals die zich onder meer uit in zijn column in NRC Handelsblad en in het 3-D-openbaar als romanschrijver.

In zijn prachtige recensie op De Reactor schijft Bart Vervaeck dat deze roman hem doet denken aan Bint (1934) van Bordewijk. Vervaeck vraagt zich zelfs in de titel van zijn bespreking af of deze roman wellicht de nieuwe Bint is. Dat doet hij natuurlijk mede op basis van de bonkigheid van de titels van beide romans. Misschien speelt ook het de prachtige omslag mee. En ook dat er een actuele ethische kwestie wordt aangesneden door middel van een verhaal. Ja. Maar Vervaeck merkt ook op dat Klont bepaald niet zo bondig is als Bint: 'Klont heeft niet de meesterlijke beknoptheid van Bint, maar het is een even dwingend verhaal over maatschappelijke disciplinering.'

Inderdaad. Stel je voor, tachtig jaar later... Het is maar goed ook dat Februari stilistisch niet (meer) bordewijkt. In Klont wordt namelijk narratief juist on-Bordewijks meesterlijk geschmierd, op een wijze die mij veeleer aan Kellendonk denken doet (maar nou ja, die twee, Kellendonk en Bordewijk, liepen op een of andere, namelijk: poëticale wijze ook niet voor elkaar weg). Heerlijk.

Het boek is inmiddels in de pers de hemel in geprezen. En terecht. Mooi, hoef ik dat niet nog eens expliciet te doen.

Klont snijdt een forse problematiek aan (dataficering, plagiaat en kortademige 'nieuws'garing), en tegelijk is het boek zowel luchtig als zeer lucide, en daarnaast complex (of: ik lees te snel en slordig doordat ik me mee laat slepen door de doorgaans luchtige vertreltrant). Als gezegd schmiert Februari in deze roman, zowel stilistisch als narratief. De platte spreektaal waarin een 'hogere' thematiek door sommige personages wordt aangesneden, wil ik noemen als voorbeeld van stilistisch schmieren; de al in het tweede hoofdstuk op het laatste moment ingetrokken maar reeds aangekondigde zelfmoord van een van de hoofdpersonages, Bodo Klein, als voorbeeld van hetzelfde op het gebied van de narratio. Daarenboven lopen er verschillende verhaallijnen door elkaar en verschillende vertellagen. Het eerste hoofdstuk is bijvoorbeeld niet een echt hoofdstuk maar een voorwoord, en het is, afgaande op de titel – 'Alexei Krups schrijft een voorwoord' – door een van de hoofdpersonages geschreven (met aanvankelijk de ironische mogelijkheid dat hij ook de verteller is van de hoofdstukken die handelen over het andere hoofdpersonage, Bodo Klein). Krups is ook het personage dat in het vierde hoofdstuk – 'In de werkplaats van Alexei Krups, de oplichter' – tegen andere personages zegt dat hij een boek gaat schrijven dat als titel zal dragen: Klont. Jawel, in de roman zelf wordt deze roman geschreven... 'For fuck's sake.' Aldus Krups zelf.

En dan is er nog een hoofdstuk waarin Krups en Klein in dezelfde ruimte verblijven: Klein luistert naar een rede van Krups, om meer over hem en zijn vermoede plagiaat te weten te komen. Krups is daarin in de eerste persoon enkelvoud aan het woord, terwijl er in de derde persoon enkelvoud over Klein wordt verteld. Ze komen dus niet echt op een en hetzelfde vertelniveau al bevinden ze zich wel op hetzelfde verhaalniveau, als u begrijpt wat ik bedoel.

En toch oogt de roman nadrukkelijk niet als een klassiek gevalletje (al dan niet: neo-) post-modern vertellen. Vind ik. Hoewel voor deze lezer (nu, dit noterende bij de herlezing, tot pagina 60 gevorderd), niet duidelijk is wie dan weer verantwoordelijk is voor de hoofdstuktitels, die afkomstig lijken uit / ontleend lijken aan een negentiende-eeuwse avonturenroman – wat op zich wel weer een post-modern dingetje is...

Tweeëndertig bladzijden verder, wist ik niet meer precies hoe die romantheorie van Krups in het geheel past, maar dat wordt later opgelost; of eerder al, door pagina 76-77 goed te herlezen. Daar citeert de charlatan Krups een essay van Walter Benjamin over de crisis van de roman: 'Die Geburtskammer des Romans ist das Individuum in seiner Einsamkeit.' En: 'Een roman schrijven, zegt Benjamin, houdt in dat je in je schets van het menselijk bestaan het unieke op de spits drijft. Het met andere mensen onderling onvergelijkbare, het incommensurabele, das Inkommensurable. / Maar in de eenentwintigste eeuw was opeens niets meer incommensurabel.' En dat laatste komt doordat we niet   meer als individuen leven in de gewone, reële werkelijkheid, op de aardkloot, maar als abstracties in een daarvan afgeleide onoverzichtelijke hoeveelheid eenvoudig meetbare (en verhandelbare) gegevens, in de klont.

Voor je het weet, ga je te snel door dit boek heen, bleek me, zoals onder andere bovenaan pagina 93, waar Krups betrekkelijk onbehouwen uit de hoek komt:
Het meisje met wie ik in die begindagen van mijn grote lezing een affaire had, Susan nog-iets, bracht me tijdens onze gezamenlijke uitstapjes in contact met de offline wereld van de rijken, voor wie ze badkamers ontwierp.
Nogal Kellendonkiaans, lijkt me, in de schijnbaar los uit de pols genoteerde bijzinnen, die op de bijbel steunen. En dat 'op de spits drijven', is dat niet vergelijkbaar met Kellendonks oprecht veinzen?

De onderkoelde beschrijving van het apocalyptische noodweer in het hoofdstuk 'Regen en rampspoed' (alleen die titel al, nèt op het randje) past al op het eerste gezicht wonderwel in het verhaal en doet overigens denken aan in wezen niet minder hilarische descripties van ogenschijnlijk realistische scènes in Spieltrieb en Unterleuten van Julie Zeh, Bert Natters Begeerte heeft ons aangeraakt ('De spruitiging' heet het hoofdstuk, meen ik, dat ik hier vooral bedoel), Tommy Wieringa's Joe Speedboot, Peter Buwalda's Bonita Avenue (passim), Kellendonks Mystiek lichaam (partout) en het oeuvre van Bordewijk (integraal). Vergeet ik bijna (vooral het opzettelijke treinongeluk in) De verjaardagen van Hanneke Hendrix.

Op een gegeven moment bekent Krups dat hij zijn eigen succes-lezing pas begon te begrijpen nadat hij er al beroemd mee was geworden en er een reputatie als intellectueel mee had opgebouwd. Maar hij ziet dan in dat het ware verhaal over de klont heel saai zou zijn. Daarom bleef hij liever zijn lezing onveranderd houden over de dood van de roman... 'ik schmierde erop los.'

Zo hoort het, althans: zo kan het leuk worden: in de roman wordt niet alleen de roman zelf pas net  geschreven, ze wordt er ook al in geanalyseerd.

Wel weer vrolijk-makend-vreemd is het gegeven dat de ontmaskering van Krups niet en détail wordt weergegeven, maar op een wat abstracte en indirecte wijze wordt behandeld door datacenter-mannetjes in een hoofdstuk dat uit een thriller-achtige spionageroman afkomstig lijkt.

Het slot is deels menselijk – dat wil hier ook zeggen: data(ficatie)loos – en deels vrolijk, namelijk door de geboorte in Bodo Kleins huis van een nieuw mens (een stiefkleinkind van Klein), en deels zwart, vooral door de totale ondergang van de echt niet volledig misdadige Krups en door de – na zijn loutering – toch nog onverwacht uitzichtloze Sisyphus-situatie waarin de eenzame Bodo Klein zich terugvindt. Bijzonder naar en wanhopig is diens gedachte: 'Kinderloosheid is een vergrijp tegen de gemeenschap' (waardoor deze roman wellicht een even wrange spanning krijgt als Kellendonks controversiële roman eertijds, anno 1986).

Ik geloof d.d. 5 januari 2018 dat ik toe ben aan een derde lezing.