Posts tonen met het label Julian Barnes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Julian Barnes. Alle posts tonen

zaterdag 4 april 2026

Julian Barnes, Departure(s)

Vintage. E-boek op basis van de eerste uitgave, Jonathan Cape, z.p., 2026.

1. Op de 19van de in totaal 271 ‘bladzijden’ die het boek op mijn e-lezer telt, vraagt de ik-verteller, na uitgeweid te hebben over Involuntary Autobiographical Memory, een onderwerp waarvan elk woord zonder moeite is in te passen in de thematiek van het oeuvre van Barnes, heel droog de aandacht voor twee dingen (ja, er staat letterlijk: ‘things’):

1) There will be a story – or a story within the story – but not just yet; and
2) This will be my last book.

Uit de krant wist ik het tweede ding al. De verschijning van het boek viel samen met Barnes’ 80ste verjaardag. De auteur lijdt al een paar jaar aan leukemie, bloedkanker zoals de Britten dit recht voor je raap noemen. Hij stopt ermee, met schrijven, althans met publiceren. In het boek zelf refereert hij eraan dat hij dit in zijn mid-zeventiger jaren aan het schrijven is (onder de laatste woorden dateert hij het boek op 2022-25). Ik schrok er toch (weer) van.

Het eerste ding maakt duidelijk dat de auteur zich oud, ervaren en wijs genoeg acht om zijn eigen tempo te bepalen en, zeker in samenhang met het tweede ding, om zijn eigen genregrenzen te trekken en te overschrijden. Technisch-proza-analytisch moet ik eigenlijk een subtiel onderscheid maken tussen de auteur en de ik-verteller, zeker omdat hij als eerste ding de mogelijkheid openhoudt dat het kader om de aangekondigde vertelling zelf ook een vertelling kan zijn, fictie dus; anderzijds laat hij geen middel onbenut om argumenten op te stapelen voor de stelling dat (ook) de ingebedde vertelling zo auto- en allobiografisch is dat het ordinaire concept ‘fictie’ er een veel te strakke blazer voor is.

Het eerste hoofstuk heet ‘The Great I Am’. Het duurt niet lang voor Barnes uitlegt dat IAM de afkorting is van Involuntary Autobiographical Memory, een fenomeen dat door heel het boek een rol speelt. De hoofdstuktitel is natuurlijk ironisch, want grote zelfgenoegzaamheid lijkt me niet Barnes’ sterkste karaktertrek, zijn bestaan is bijna ten einde, en het functioneren en de betrouwbaarheid van het geheugen legt hij voortdurend kritisch onder de loep. Anderzijds wijdt hij goede gedachten aan de relatie tussen geheugen/herinnering en identiteit.

2. Het tweede hoofdstuk heet ‘The beginning of the story’. Het lijkt erop dat de roman of de ingebedde roman, dat is maar net hoe je het zien wilt, nu begint. Maar Barnes zou natuurlijk Barnes niet zijn als die vertelling, want dat is hier een betere vertaling van ‘story’, nu alsnog daadwerkelijk zou beginnen.

Ik vind het heel prettig hoe hij daar een paar keer steeds maar net niet aan toe komt maar eerst even over zichzelf en over herinneringen en hoe die werken vertelt en daarna pas geleidelijk begint aan het verhaal of het ingebedde verhaal of het begin daarvan, zijnde het schetsen van de achtergronden ervan, op zo’n manier dat je tegelijkertijd ook nog bezig bent in het niet-fictieve verhaal van en over Julian Barnes en zijn verleden waaruit hij de materie haalt voor het hier te vertellen verhaal.

Heel veel is er van dat verhaal aan het eind van het tweede hoofdstuk eigenlijk nog niet verteld. Ik vind dat een prettig trage maar gestage opbouw. Ik kan me ook goed voorstellen dat er lezers zijn die het maar een beetje slap geklets vinden van een oude man die moeite heeft om op zijn verhaal te komen. Nu ik het per ongeluk zo heb geformuleerd, moet ik meteen aan Willem Brakman denken en diens onnavolgbare, verstrengelde verhaallijnen die vaak ook gaan over werkelijkheid en verbeelding, de menselijke faculteit die, net zo goed als herinnering, invloed heeft op hoe wij de werkelijkheid waarnemen, vervormen en verwerken.

3. Ik ga verder met het derde hoofdstuk, ‘Manageable’, en het zal niemand verbazen dat dit deel van het verhaal en/of van het ingebedde verhaal begint met met het woord ‘I’, een aanduiding van degene die aan het woord is, en dat is zowel Julian Barnes, de reële schrijver die zijn laatste boek aan het schrijven is, als ook de narratologische verteller van het verhaal in dat boek van Julian Barnes. Er zijn schrijvers van wie ik dit soort gedoe met intra- en extradiëgetische aspecten niet trek omdat ik het van onder hun pen een lui, gemakzuchtig kunstje vind. Bij Barnes ga ik er met genoegen in mee; ik blijf aandachtig, ik blijf nieuwsgierig naar wat er gaat komen.

Dit derde hoofdstuk gaat alleen over Barnes’ bloedkanker, de behandeling ervan (ongeneeslijk maar er valt, onder aanhoudende geneeskundige behandeling, best mee te leven) en de herinneringen aan die eerste dagen van dat nieuwe leven. Het boek, dat geen genre-aanduidende ondertitel heeft, blijkt langzamerhand het best te beschrijven of catalogiseren als een memoir, een autobiografische terugblik op (aspecten van) het eigen verleden, inclusief het schrijven van het laatste boek zelf.

4. Verrassend genoeg heeft het vierde hoofdstuk als titel: ‘The End of the Story’. Maar dat is dan het eind van het verhaal dat als een autobiografische anekdote begon in het eerste hoofdstuk, met als enig fictief element dat de namen van de twee hoofdpersonages niet de werkelijke namen zijn van de vrienden van Barnes die erachter schuilgaan: hij had beloofd nooit over hun liefdesgeschiedenis te schrijven, en verbreekt nu (eigenlijk) die belofte; (het personage) Barnes blijft de schrijver Barnes die ook in de voorgaande hoofdstukken als verteller aan het woord is en die tevens de auteur van dit boek is. Het begin van het (ingebedde) verhaal gaat over de manier waarop Barnes in zijn studietijd twee vrienden aan elkaar koppelt en zo bijna hun huwelijk regelt; zo ver komt het echter niet. De (post-academische) contacten komen vervolgens vier decennia lang op een bijzonder laag pitje te staan.

Het eind van het verhaal is niet, zoals je zou kunnen verwachten, een gelukkige her-eniging van Stephen en Jean veertig jaar nadat ze uit elkaar waren gegaan. Het einde is dat zij, wederom dank zij de bemiddeling van Barnes, alsnog trouwen, maar al snel (vier maanden, geloof ik) weer uit elkaar gaan, nu definitief. Barnes had gedacht dat hij echte mensen bijeen zou kunnen brengen, en zeker de eerste keer leek dat goed te gaan, maar hij vergat dat mensen geen personages zijn.

Jean bleek zich uiteindelijk te voelen als het antwoord op een vraag die niet eens aan haar zelf gesteld was. Barnes realiseert zich dat de meeste literaire fictie niet over gelukkige relaties gaat, en besluit mede door dit besef, zijn belofte te breken dat hij niet over Stephen en Jean zou schrijven.

5. Het verhaal over Jean en Stephen is ten einde gekomen; Barnes gaat echter verder met hoofdstuk vijf, ‘Going Nowhere’. Zijn aandacht gaat (weer) volop naar ’s levens onvermijdelijke einde, en zet onder meer de titel van het boek in het licht, bijvoorbeeld doordat hij erop wijst dat een normaal vertrek gericht is op een reisdoel en gevolgd wordt door een aankomst. Bij het laatste vertrek is dat niet het geval, althans niet in Barnes’ atheïstische en/of agnostische levensbeschouwing.

Zo’n oude schrijver, zo’n scherp observator en fijnzinnig en kritisch denker als Barnes heeft heel wat te vertellen, al terugblikkend. Zijn spitse ironie en compositorische geverseerdheid houden het boek licht, zijn brede belezenheid maakt het veelkantig, zijn (Britse) humor leuk, vakmanschap stilistisch briljant. Terwijl ik Barnes gelijk geef waar hij schrijft: ‘novelists shouldn’t speak down to readers from an assumption of greater wisdom’, ben ik blij dat hij met betrekking tot dit boek zegt: ‘this isn’t a novel, let alone a thriller’.

Het boek is nergens rechtlijnig, maar steeds fijnzinnig kronkelend en genuanceerd; Barnes is voortdurend bereid een onderwerp van meer dan een kant te bekijken, te belichten, te onderzoeken. Mocht ik een ondertitel voor het boek voorstellen, zou ik minstens proberen het woord ‘fenomenologisch’ erin op te nemen, naast ‘luchtig’, misschien ook ‘causerie’. 

De wijze waarop Julian Barnes op het laatst van het boek afscheid neemt van zijn lezers, vervult deze lezer met een heel warme maar droeve melancholie.

 

zaterdag 12 april 2025

Julian Barnes, Changing my Mind

Notting Hill Editions, Mirefoot, Burneside, Kendal 2025. Paperbackje, 57 pagina’s.

Toen hij tachtig was, gaf zakenman Tom Kremer (1930-2017) ruimte aan zijn ambitie ook iets voor de literatuur te betekenen en richtte Notting Hill Editions op waarin het essay kon herleven. In het onderhavige boekje zijn de teksten verzameld van Barnes’ bijdragen aan het programma The Essay van BBC Radio 3 in 2016.

Nu ik al dagen duizelig verzonken ben in de literaire flipperkast van Jamal Ouariachi’s Een honger (2015), is door het tussendoor lezen van dit essaybundeltje die kast eventjes denderend op tilt geslagen. Of: zoals die vele honderden bladzijden dikke Nederlandse roman iets weg heeft van een literair-stilistische rollercoaster, lijkt deze kleine verzameling van uitgebeende, Engelstalige essaytjes op een rustieke rots met ruime restauratieve voorzieningen plus een geparasolde ligstoel op parelend zand met een zachte zonsondergang op de achtergrond.

Barnes’ hier verzamelde (en daarmee: tijdelijk vastgelegde) bedachtzame audio-overdenkingen betreffen de gedurende zijn inmiddels bijna tachtig levensjaren veranderde of veranderende mentale positie ten opzichte van ogenschijnlijk immobiele ideeën over herinneringen, woorden en betekenissen, politiek, boeken (meer in het bijzonder: romans c.q. oeuvres) en leeftijd en tijd. Van rotsvaste overtuigingen kan, achteraf bezien, zeker geen sprake (meer) zijn, en van moreel of andersoortig zwalken evenmin of zelfs nog minder. Zonder te verdwalen of verzanden in obligaat modern of postmodern relativisme, weet Barnes duidelijk te maken dat geen menselijke overtuiging ooit in beton gegoten of graniet gebeiteld kan zijn.

Wat een verademing. Nu kan ik weer verder in die dikke baksteen van Ouariachi.


zondag 24 april 2022

Julian Barnes, Elizabeth Finch

Vintage, 2022. Ebook.

In zijn recensie van Elizabeth Finch (de vertaling door Ronald Vlek, uitgegeven door Atlas Contact) schrijft Joost de Vries in De groene Amsterdammer (jrg. 146, nr 16 – 21 april 2022 –, p. 62-63) dat Barnes, toen hij op 34-jarige leeftijd debuteerde met Metroland (1980), ‘al het perspectief vond dat hem het meest nabij lag: die [sic] van de oudere, comfortabele mens, terugblikkend met een lichte melancholie, maar ook genoeg charme en zelfspot dat [sic] die melancholie nooit heel zwaar trekt.’ En zo’n type is ook weer de vertellende hoofdfiguur Neil in deze roman, ook al stelt de titel ervan iemand anders in het licht, de docente wier cursus Culture and Civilisation hij volgt op latere leeftijd, althans als dertiger. Finch is de docente van wie, en vooral van wier denken, hij zo onder de indruk is dat hij wel verliefd lijkt.

Tientallen jaren van afstandelijke vriendschap later, onderhouden met regelmatige lunchgesprekken, na haar onverwachte dood, krijgt Neil via Finchs broer, de beschikking over haar persoonlijke notities en haar bibliotheek en besluit hij geen biografie over, maar wel een eerbetoon aan haar te schrijven; eigenlijk is het de inlossing van een oude schuld: het voor haar cursus vereiste eindwerkstuk, heeft Neil nooit op papier gekregen, maar nu zal het er toch van komen.

Het wordt een enorm traktaat over Julian the Apostate (bij ons bekend als Julianus de Afvallige, over wie Marcellus Emants in 1874 een drama in vijf bedrijven publiceerde), barstend van de citaten uit de geleerde notities van Finch en werk van anderen. Dat stuk beslaat het tweede van de drie delen waaruit de roman bestaat. De Vries parafraseert een Britse criticus die noteerde dat je als schrijver wel veel zelfvertrouwen moet hebben ‘om zo'n meanderende, taaie lap tekst in je roman op te nemen.’

Het lijkt mij wel ironisch dat deze ik-verteller, die qua stijl en focalisatie lijkt op Julian Barnes, over een (andere) Julian gaat schrijven (ik ben benieuwd of en zo ja hoe in de Nederlandse vertaling de link tussen de hoofdpersoon van de ingebedde tekst en de auteur van de roman duidelijk behouden blijft).

Deel twee is inderdaad een stuk stoffiger dan deel een, maar een taaie lap tekst zou ik nou ook weer niet noemen. Dat dacht ik althans bij eerste lezing; maar nu ik me er een tweede keer doorheen werk, kan ik het toch moeilijk anders benoemen dan als ‘an almost unendurable bore’, woorden waarmee een criticus van de Telegraph ooit Ibsens Julianus-drama Emperor and Galiliean uit 1873 omschreef. Een dikke voldoende zou Neil er niet mee behaald hebben, vrees ik, als Finch überhaupt al cijfers gaf.

Ik werd vervolgens door mijn eigen woorden verrast toen ik hier herlas wat ik na de eerste lezing over deel drie schreef:

In deel drie blijft Neil doordruppelen over die vierde-eeuwse Romeinse keizer die van het christelijke pad naar dat van het klassieke veelgodendom probeerde terug te keren. Misschien kwam er nog iets hoog-interessants... De Vries stipt er niet iets van aan, en ik heb het niet gezien omdat ik deed wat ik nog niet eerder hoefde te doen: een roman van Julian Barnes voortijdig, tot op het bot verveeld en zwaar teleurgesteld, dichtklappen (althans, m’n e-lezer met deze roman erin). Goed geschreven, hoor, al die zinnen, laat dat maar aan Barnes over, maar wel een bloedeloos vervelend verhaal. Volgens De Vries – die nogal moeite heeft met vlot formuleren – ‘lijkt Elizabeth Finch [...] een boek geworden dat [Barnes] vooral voor zichzelf lijkt te hebben geschreven, en minder voor de lezer.’ 

Zo kan je het ook zeggen: een roman van een goede schrijver blijft een roman van een goede schrijver, ook als je het eigenlijk helemaal geen goede roman vindt.

Na herlezing van (de Engelstalige) Elizabeth Finch, direct nadat ik Barnes’ laatste boek, Departure(s), had gelezen, is mijn niet zo diepe indruk van deze roman niet sterk veranderd. Behalve dat het in deel drie niet alleen maar over Julian gaat, maar ook en zelfs vooral over Finchs aantekeningen, over Neils overwegingen om toch een soort biografie of memoir over haar te schrijven, en over een lezing van Finch over keizer Julian, die tot onaangename en onheuse publiciteit over haar heeft geleid in kranten.

Nu is dat niet meteen hoog-interessant, maar helemaal van het narratieve padje raakt Neil toch ook weer niet (al moet hij zich soms wel tot de orde van dat pad roepen, maar dat is weer een fijn Barnesiaans trekje). Ik denk dus dat deel twee van de roman mijn genoegen in het lezen ervan behoorlijk de das om heeft gedaan.

Wat ik bij eerste lezing niet kon weten, maar wat me nu opvalt, is dat Elizabeth Finch net als Departure(s) twee hoofdbestanddelen heeft met de geschiedenis van de relatie tussen twee personages, en daartussen een middenperiode van meerdere decennia waarin het contact afwezig of heel anders van aard is, en dat in beide romans de verteldraad veel kronkels heeft, waarvan de waardering afhankelijk lijkt van de kracht van de vertelling, en dat die in de oudere roman in mijn optiek veel zwakker is dan die in Barnes’ laatste, wat komt doordat de geschiedenis in de ene roman veelal (cultuur-historische) ideeën betreft en die in de andere vooral over intermenselijk verkeer gaat waarbij de ideeën aanhaken op een meer organische wijze, namelijk als abstracte theorie bij de concrete gebeurtenissen. En Neil (en ook Julian) in Elizabeth Finch is een minder intrigerend personage dan Julian in Departure(s).

Totdat hij op het allerlaatst via anderen, destijds medestudenten, tot een beter, meer gelaagd beeld komt van de door hem wellicht iets te veel geïdealiseerde Elizabeth Finch. Niet dat hij het oorspronkelijke beeld overboord kiepert, maar hij neemt het nieuwe wel in zich op. En hij besluit zijn memoir over haar, wat dus eigenlijk de onderhavige roman is (geen Barnes zonder postmoderne twist), beter maar niet af te maken; het is een van zijn vele onvoltooide werken; hij breekt zijn werk af omdat hij, denkend aan Epictetus, inziet dat je alleen op je moet nemen of aan moet gaan wat je op je kunt nemen of aan kunt gaan. ‘Some things are up to us and some are not up to us’, de hier vaak aangehaalde opening van diens Enchiridion.

Dit slot, met de omslag, die me doet denken aan de strekking van Changing my mind (2025), maakt het hele boek alsnog een goede Barnes, hoewel er te veel in wordt gezeverd over Julian the Apostate. Maar: had het boek werkelijk anders kunnen zijn? Zonder al die poespas over Julianus zou de lezer wellicht niet zo dicht bij de bezetenheid van de verteller hebben kunnen komen, en dus ook niet bij zijn peripeteia. Al met al ben ik blij dat ik Elizabeth Finch herlezen heb.

Het oorspronkelijke bericht van april 2022 werd aangepast en aangevuld na de tweede lezing van de roman in april 2026.

vrijdag 27 april 2018

Julian Barnes, The Only Story

Jonathan Cape, London, 2018. Gebrocheerde hardback met stofomslag. 213 blz.

Dat ene of enige verhaal, een liefdesverhaal wel te verstaan, of: het verhaal over de ene of enige liefde, dat in deze roman verteld wordt, hakt er nogal in. Het speelt zich af ten zuiden van Londen, niet in Londen zelf, in de woelige jaren zestig - waar overigens niets van te merken is, tenzij zeer indirect. Een negentien-jarige jongeman raakt in suburbia verzeild in een overweldigende liefdesrelatie met een tweemaal zo oude, onfortuinlijk gehuwde vrouw. Niemand gaat met hun relatie akkoord, voor zover die bekend wordt, zeker de leden van de tennisclub niet, behalve Paul en Susan zelf.

Maar niets en niemand houdt hen tegen. Zeker niet in het eerste deel van de roman, waarin Paul de ik-verteller is die, ongeveer een mensenleven later, terugkijkt op zijn jarenlange affaire, die daarom al geen affaire meer kan heten, en zijn herinneringen welbewust  noteert; niet de feiten, niet de waarheid, maar zijn herinneringen: 'You understand, I hope, that I'm telling you everything as I remember it?' Overrompelend is dat verhaal van hem en Susan MacLleod. Doordat er een kleine convertible een rolletje in speelt, moest ik soms denken aan Aimez-vous Brahms van Françoise Sagan (The Graduate, om een andere, mogelijke parallel te noemen, ken ik niet).

Die Susan is een apart type, niet alleen omdat ze haar eigen gang gaat, en haar man behandelt als een quantité négligeable, maar ook bijvoorbeeld omdat ze haar dochters, Martha en Clara (even volwassen als Paul), Miss G en Miss NS noemt, welke initialen staan voor Grumpy respectievelijk Not So (Grumpy). Een nog fraaier type is overigens Susans vriendin Joan, die zich nogal fors,  ondersteund door gin, staande houdt na een leven dat helser was dan een in het inferno. Paul is, met andere woorden, niet in een buitenschoolse opvang terecht gekomen.

Het tweede deel, dat na een kleine negentig bladzijden begint, is een mix van ik-vertelling met vooral veel vertelling in de tweede persoon enkelvoud – alsof Paul toch enige distantie neemt. En in dat tweede deel komt er een aap uit de mouw: dat liefdesleven was maar een deel van de herinnerde werkelijkheid: gaandeweg wordt duidelijk dat Susan niet alleen drinkt, maar zich ontwikkelde tot een professionele alcoholiste; en we krijgen te weten waar die verloedering aan te wijten is. Ze gaat volkomen naar de gallemiezen. Paul blijft haar nochtans heel lang trouw.

Het derde deel is (vrijwel geheel) in de derde persoon enkelvoud gegoten. Het gaat over Paul die niet meer met Susan is – het was onmogelijk. Maar wat er precies in dat slotdeel verteld wordt, weet ik niet, want ik ben met lezen gestopt op pagina 174. Het ging me allemaal veel te traag. En: de vertelling is bijzonder eloquent, zeer Brits, zou ik willen zeggen, getuigt van een prima taalbeheersing, kent een rijk vocabulaire, maar is ook van een enorme afstandelijkheid en cerebraliteit, als die twee al niet op hetzelfde neerkomen, zeker waar het gaat om een liefdesgeschiedenis. Paul noteert met gemak zinnen als de volgende: 'No doubt in religious, patriarchal, hierarchical societies, such conflicts continued and still gavethemes to writers.' Buitengewoon kil.

Die wat klinische benadering heeft misschien te maken met het gegeven dat de onervaren negentien-jarige Paul de hele boel wat beschroomd en geïmponeerd benaderde. De steeds grotere afstand(elijkheid), die wordt gesuggereerd door de overgang van eerste naar tweede naar derde persoon enkelvoud, is ook een indicatie van af- of verweer, zelfbescherming; zeer toepasselijk vanuit psychologisch opzicht wellicht, maar naar mijn smaak niet goed voor het verhaal. De geschiedenis is evenwel zo indrukwekkend, dat de roman mijns inziens overeind blijft staan. Maar tegen de achtergrond van de recente lectuur Winter van Ali Smith viel het me wat moeilijk heel enthousiast te worden van de jongste van Barnes. Maar dan nog: een (relatief) sub-optimale Barnes is en blijft een goede, aangrijpende, stilistisch mooi gevormde roman. 

vrijdag 19 augustus 2016

Julian Barnes, The Noise of Time

Jonathan Cape, London, 2016. Hardcover met stofomslag, 180 blz.

Als je 1984 al gelezen hebt, kan je deze nieuwe roman van Barnes niet ongelezen laten. Maar als je The Noise of Time leest, kan je die roman van Orwell overslaan, bij wijze van spreken. Orwell keek, een tikkeltje pessimistisch, zesendertig jaar vooruit en moest allerlei toen nog 'futuristische' technische gebbetjes verzinnen - zoals die overal aanwezige tv-toestellen en camera's waarmee Grote Broer iedereen in de peiling hield - om de boel een beetje dreigend te krijgen. Barnes blikt eenenveertig tot tachtig jaar terug en maakt gebruik van de historische realiteit van het leven van de componist Dmitri Shostakovich (Sjostakovitsj in het Nederlands) in het Rusland, beter: de Sovjet-Unie van Stalin en Chroesjtsjov. In één woord: huiveringwekkend. In een ander woord: strotbeklemmend.

The Noise of Time is een roman, geen biografie. Misschien kan je het een vie romancée noemen.  Volgens het Algemeen letterkundig lexicon is dat een 'Vorm van de biografie waarin het leven van een bekende of beroemde persoonlijkheid verteld wordt in belletristische (geromantiseerde) vorm. De vie romancée staat ten opzichte van de biografie gewoonlijk in een kwade reuk, omdat veel van het feitenmateriaal door de auteur op diens eigen wijze en vaak ten bate van diens held wordt geïnterpreteerd en veel van eigen vinding aan het historisch materiaal wordt toegevoegd. Daardoor krijgt de vie romancée meer het karakter van een historische roman (soms zelfs een psychologische roman) dan een biografie.' 

Niks kwaads geroken tijdens het lezen; zo min als aan Malva van Hagar Peeters. In tegendeel: Barnes weet juist dat rare en ingewikkelde leven van Sjostakovitsj, met al die idiote en tegenstrijdige standpunten, die hij gedwongen werd in te nemen en waarvan er een paar op z'n minst  nogal afkeurenswaardig zijn, angstaanjagend begrijpelijk te maken, juist doordat hij niet als een gewone biograaf zich droog aan de feiten hoeft te houden, maar overal de hand, de pen in heeft en kan doseren, accentueren, weglaten, herhalen, terug- en vooruitblikken, gesprekken kan weergeven alsof hij erbij was, kan tonen wat zijn hoofdpersoon ziet, denkt, voelt. Hij maakt iets onbegrijpelijks enigszins bevattelijk, iets onvoorstelbaars griezelig voelbaar.

Waar ik de rillingen van kreeg was onder andere juist een subjectieve opmerking van de zich doorgaans nogal op de achtergrond houdende, stilistisch zeer beheerste vertelinstantie op een moment dat de componist weer eens dreigt met of denkt aan zelfmoord: hij voegt weer niet de daad bij die gedachte omdat, zegt de vertelinstantie, hem zelfs het zelfrespect ontbrak dat je nodig hebt om zelfmoord te kunnen plegen. Zoiets. Nee, vrolijk is het allemaal niet, maar enorm indrukwekkend.

En toch, en toch, er zit een noot in die alles glans geeft, een toon die Barnes doorheen heel de roman op de achtergrond klinken laat en die hij in de proloog en de epiloog aanslaat, vooral in de epiloog die ongeveer hetzelfde vertelt als de proloog, maar met één klein verschil. Lees maar, maar wel helemaal van begin tot eind; het is het geheel dat de betekenis draagt.

donderdag 1 december 2011

Julian Barnes, The Sense of an Ending

Misschien mosterd na de maaltijd, aangezien de Man Bookerprijs al anderhalve maand geleden werd toegekend, maar aan de andere kant doet het geen kwaad, denk ik, op basis van eigen, herhaalde leeservaring te bevestigen dat dit wel een heel fraaie roman is, herstel een heel fraai romannetje, want het ding telt net 150 bladzijden. En met fraai bedoel ik niet alleen de vormgeving, maar ook de inhoud, hoe onspectaculair die in zekere zin ook is. Wat, immers, is er nieuw sinds Emants' Een nagelaten bekentenis (1894)? Man blikt terug op leven, dat hem niet bood wat hij ervan verwachtte, of: waar hij niet uit haalde wat erin zat.

Die teleurstelling verklaart wellicht het zwarte aspect van de vormgeving, een teleurstelling die zijn fundament onder andere blijkt te hebben in de zelfmoord van een middelbareschoolgenoot, op een mislukte liefdesrelatie, in de zelfmoord van een andere, hoger gewaardeerde, filosofisch ingestelde schoolmaat nadien, en in een mislukt huwelijk.

Zo samengevat lijkt dit boek een niemendalletje van dertien in een dozijn. En dat is het niet. Dat komt doordat deze roman onder andere voortdurend reflecteert over wat tijd of geschiedenis is en doet, en wat de mens en wat een individu daarin en daarmee doet. En het komt doordat die Barnes goed, mooi, weloverwogen, gevarieerd kortom heel 'Engels' schrijft. Zoals deze verwoording van het standpunt van sommigen van de klasgenoten van de hoofdpersoon over individu, geschiedenis en verantwoordelijkheid:

The more anarchic, like Colin, argued that everything was down to chance, that the world existed in a state of perpetual chaos, and only some primitive storytelling instinct, itself doubtless a hangover from religion, retrospectively imposed meaning on what might or might not have happenend.
Het boek is, net als dat van Emants, een ik-vertelling; een verteltechniek die me, door het lezen van wat veel debuten de laatste tijd, ver en danig de keel is uit gaan hangen, althans wanneer weer zo'n door de muzen verwaarloosde beginneling er in creatieve wanhoop naar grijpt om er z'n nauwelijks gestoffeerde autobiografie in te verpakken en er de wereld mee in het gelaat te slaan. Zo niet wanneer een door de wol geverfde auteur er gebruik van maakt. Die mag meer omdat hij meer kan, meer stijl heeft.

Wanneer Tony Webster, bijvoorbeeld, bij de familie van zijn vriendin (of bijna-vriendin) logeert en zich niet geheel op zijn gemak voelt, noteert hij: 'part of me felt like stealing some towels, or walking mud into the carpet'. Niet op zijn gemak? 'I was so ill at ease that I spent the entire weekend constipated: this is my principal factual memory.' En als dan eindelijk die kwelling, die in twee en een halve bladzijde wordt verslagen, voorbij is en hij weer thuis is, noteert hij: 'I remember that I had a bloody good long shit.' Dus in zijn stijl heeft Barnes mede de beschikking over een goede doseertechniek en gevoel voor de afwisseling van ernst en luim, platheid en verheffing.

Een en ander had misschien op mij het effect dat ik te gretig doorlas en me te gemakkelijk liet inpakken door de relazen en overwegingen van deze verteller, die met het grootste gemak zijn hele leven uit de doeken doet, van ver in zijn middelbareschooltijd in de jaren zestig der twintigste, tot en met zijn huidige karige, kale en eenzame bestaan in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. En een verteller die bij nader inzien helemaal niet zo sympathiek is als hij soms probeert te lijken, onder andere door heel af ten toe de lezer toe te spreken, zo niet direct, dan wel indirect met frases als: 'Je zou kunnen denken dat...' of met kleine vragen tussendoor, schijnbaar aan niemand gericht, die de vertelling een duwtje geven en tegelijk de sfeer van de intimiteit van een monoloog geven of weer in herinnering roepen. 'And what kind of a trade-off had I got myself into now? A better, or a worse one?'

Door alle mededogen die Tony oproept, al was het maar doordat deze sul niet alle 'historische' lol van de jaren zestig aan den lijve heeft ervaren, vergat ik misschien te veel dat hij steeds een zeer grote tijdsspanne overbrugt, dat er veel afstand is, dat er veel vergeten is, dat er steeds weer documenten verdwenen zijn, dat hij herhaaldelijk en expliciet mensen buiten zijn hier opgediste herinneringen houdt, en dat hij verschillende malen zegt dat hij iets in een rechtszaal al dan niet zou kunnen herhalen: 'Susie [zijn dochter] and I get on fine, as I have a tendency to repeat. And that will do as a statement I would happily swear to in a court of law.' Maar over Susie, die natuurlijk al lang Susan wordt genoemd, krijgt de lezer bar weinig informatie. En wat misschien erger is: van haar krijgt de lezer helemaal niets te horen.

En daar zit de pit. Tony Webster is een volkomen onbetrouwbare verteller, wiens onbetrouwbaarheid minder opvalt doordat hij zich welbewust lijkt te zijn van de moeilijke toegankelijkheid van het verleden, terwijl daar zich wel heel onaangename zaken hebben afgespeeld en hij zelfs zo etterig is om jegens anderen te suggereren dat er zich in het verleden van zijn vriendin Veronica ooit wel eens iets beschadigends voorgedaan zou kunnen hebben. En daar komt bij dat hij dus steeds refereert aan een rechtszaak; alsof hij onbewust weet dat er iets fors mis is, dat niet de geschiedenis of het leven, maar hij zelf in staat van beschuldiging gesteld zou kunnen worden.

Als hij veertig jaar na dato wanhopig in het reine probeert te komen met Veronica, voegt zij, onwelwillend, hem meer dan eens toe: 'You just don't get it, do you? You never did, and you never will.' Hilarisch en tragisch is dan dat deze onwetendheid gespiegeld wordt in een maffe scène in een pub rondom handgesneden patatjes, die Tony liever dun wil dan dik, wat in een dialoog met de barman niet blijkt te kunnen. 'I'm just puzzled. I never realized that "hand-cut" meant "fat" rather than "necessarily cut by hand".' / 'Well, you do now.' / 'I'm sorry. I just didn't get it.'

Irritant is dat ik ook nog steeds niet precies weet wat er nou mis is gegaan in dat leven van Tony, of meer nog in het leven van Victoria; want als er iemand de tragische held van deze roman blijkt te zijn, is zij het wel, hoe weinig ze ook van Tony op de voorgrond mag treden. Dus, met andere woorden, en om voor de duidelijkheid dan maar de roman te parafraseren: I just don't get it, do I? En zo samengevat, is mijn leeservaring een uitwerking van een centrale notie van de roman. Is dit de kwadratuur van de semiotische donut?