Posts tonen met het label essays. Alle posts tonen
Posts tonen met het label essays. Alle posts tonen

woensdag 14 oktober 2026

Julian Barnes, Flaubert‘s Parrot

Picador Edition, London 1985. Paperback, 190 bladzijden. (1st ed. Jonathan Cape, London 1984). Straatbibliotheekexemplaar.

Toen ik een eindje gevorderd was in dit boek, las ik pas de loftuitingen op het voorplat (een echte Barnes is immers altijd goed). Daar wordt het zowel ‘A tour de force’ genoemd als ‘A book to revel in!’ (dat dacht ik op voorhand). Ik werd verrast door: ‘The best novel published in England in 1984’ en ‘An intricate and delightfull novel’. ‘[B]est’, ‘intricate’ en ‘delightful’, ja, ja natuurlijk, maar dat het een roman wordt genoemd...

Verder lezend kwam ik erachter dat de inhoud niet anoniem wordt gepresenteerd door de schrijver zelf maar als ware het de tekst, een monoloog of vertelling, van ene Geoffrey Braithwait, weduwnaar en voormalig arts (een soort dokter Bovary). Inderdaad, het boek ontplooit zich gaandeweg als een roman; een hilarische roman, die even zo goed een biografie-in-wording lijkt te zijn als ook een verzameling opstellen over wetenswaardigheden en trivia betreffende Gustave Flaubert, benevens een een ironisch-kritische reflectie op academische literatuurstudie en nog zo wat.

Het is een boek in de geest van Nabokovs Pale Fire en willekeurig welk werk van Atte Jongstra maar dan met veel minder voet- en eindnoten. Je weet na drie bladzijden niet meer of het allemaal onzin is of toch helemaal niet. Noem het vertelbranie, of -bravoure. Hilarisch, dat zei ik al.

Het is ook een literaire flipperkast; anders gezegd: als lezer voel ik me als een kogel die rond wordt gekaatst door zo’n mechanische speelkast; geen idee wie er aan de knoppen zit. En het gekke is niet dat ik door die wisselende tekstsoorten en (ingebedde) vertellende instanties en perspectieven en focalisaties steeds de weg kwijt raak tussen waarheid en fictie, maar dat er, ondanks al de kolder en ironie die er doorheen is gehusseld, toch allerlei waarheid in te vinden is, niet noodzakelijk op biografisch niveau, maar waarheid zoals die in een roman is te vinden, uitspraken die je je als lezer aantrekt. Dat werk.

Ik neem aan dat me dit te binnen schoot doordat er opeens een hoofdstuk kwam waarin Flauberts minnares Louise Colet lang en aanhoudend in de ik-vorm aan het woord komt. Een intrigerende contra-focalisatie.

Maf en mij ontregelend is het dat na dit persoonlijke verhaal een hoofdstuk volgt met een Flaubert-pastiche van de hand van de oorspronkelijke verteller, getiteld ‘Braithwaite’s Dictionary of Accepted Ideas’. Zo weet je aan het eind van een hoofdstuk nooit wat er om de hoek op je staat te wachten. Heerlijk.

Het geheel wordt afgesloten met een hoofdstuk over de twijfelachtige echtheid van een of twee (geleende) opgezette papegaaien van Flaubert, een chapiter dat evident ook iets zegt over al de in het voorgaande opgediste feiten, weetjes en halve of hele waarheden over leven en werk van Flaubert.

Het herlezen zeker waard, denk ik. Dat wordt dan de Nederlandse vertaling van dit boek.

maandag 22 december 2025

Piet Gerbrandy, Het woord en de wereld

Duidingen van een dichter. Door de auteur geselecteerde en bewerkte essays. Een lekker dikke paperback met papier van paperbackkwaliteit (een beetje opdikkend), gezet uit een klassieke Bembo (-achtige, typische paperbackletter), gevat in een opmerkelijk slappe kaft, waardoor het boek goed in de hand van de geleunstoelde of treinreizende lezer ligt, en goed openvalt, en dat een goede bladspiegel heeft op alle, maar liefst 316 bladzijden, inclusief Verantwoording, Bibliografie en Register van namen. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2025.

Tot mijn schrik moet ik constateren dat ik nog niet volledig ben wat betreft het verzamelen (en lezen) van Gerbrandy’s essays. Zeker in het geval van Gerbrandy is zo’n omissie pijnlijk want deze classicus, dichter en essayist leest wél iedere tekst en ieder oeuvre waar hij over schrijft volledig en grondig. Een steeneik op de rotsen (Meulenhoff, 2003), Omroepers van oproer (Contact, 2006), De jacht op het sublieme (De Bezige Bij, 2014) staan hier op de plank, maar Grondwater (Atlas Contact, 2018) ontbreekt er nog, om maar iets en nog niet alles te noemen want Gerbrandy’s bibliografie is lang, langer dan de opsomming achterin het onderhavige boek, die alleen werk omvat dat bij Atlas Contact (en/of Contact) verscheen.

Wat een kennis, wat een wijsheid, wat een rijke wijsheid en daarop gebaseerde fraaie speculatie. Speculatieve wijsheid, wijsheid die doorborduurt, verbanden legt, verder reikt dan de vele feiten. Inzicht. Uitzicht.

Bijna halverwege dit boek met drieëntwintig, ten behoeve van deze bundeling bijeengegaarde en aangepaste essays, die oorspronkelijk tussen 2018 en 2024 verschenen in uiteenlopende periodieken en boeken, las ik dat Gerbrandy een categoraal-gymnasiale opleiding heeft genoten in Arnhem, mijn woonstee sedert enige jaren. Dat moet in het Stedelijk Gymnasium geweest zijn, dat dicht bij mijn toentertijd nog toekomstige woonst gehuisvest was; de huidige locatie is maar een ietsiepietsie verder; ik ambuleer er dagelijks langs met de hond; dat schept een band. In het betreffende stuk – ‘Waar waart gij, toen ik de aarde grondde?’ – gaat Gerbrandy vol op het orgel over de wormstekige, of moet ik zeggen: uiterst schrale kwaliteit van het middelbare en hogere gymnasiale onderwijs in Nederland. Ik zat als gepatenteerde alfa-neerlandicus al lezend meewarig instemmend te knikken, met enig recht omdat ik van dezelfde jaargang ben als Gerbrandy, al heb ik volgens sommigen betrekkelijk weinig recht van knikken omdat mijn gymnasium in Zeist er slechts een binnen een scholengemeenschap was, niet categoraal.

Opmerkelijk mag het heten dat Gerbrandy als oud-gymnasiast met een indrukwekkend vanzelfsprekend gezag deze typering van het gymnasiale onderwijs aan het papier weet toe te vertrouwen. Deze (gesettelde, witte, westerse, heteroseksuele, hoog-culturele) man heeft zijn diploma evident gebruikt als startlicentie voor een aansluitende, verdiepende, levenslange studie en professie om zoveel kennis en inzicht te vergaren dat hij de paradox die in deze debunking schuil lijkt te gaan, met verve en luister heeft opgeheven.

In een ander stuk weet hij, in een handomdraai, een van de grondslagen van het christelijk geloof om zeep te helpen, overigens zonder tegelijk de christelijke cultuur, de overgeleverde traditie met het badwater van zich te werpen. Iets dergelijks, een innemend lankmoedige houding, blijkt uit zijn essay over Herman Gorters studie De groote dichters. Nagelaten studiën over de wereldlitteratuur en haar maatschappelijke grondslagen (1935), een boek waar hij met intense aandacht over schrijft, waar hij het fundamenteel mee oneens is, maar waarover hij met geen syllabe neerbuigend of depreciërend op neerziet.

Niet alle essays zijn voor mij even interessant (mij ontbreekt in enkele gevallen het relevante referentiekader nu eenmaal, met dank aan mijn scholengemeenschap) maar het merendeel is dat wel, en dat op prikkelende wijze omdat Gerbrandy een essayist is van de soort die de lezer niet in de steek laat maar stevig mee voert langs de stadia van zijn betoog. Nooit eerder zag ik, bij wijze van voorbeeld, een overtuigende uiteenzetting met een als schier vanzelfsprekende tussentijdse conclusie als deze:

Het sonnet, kortom, is de blues van de Europese lyrische traditie.

In dat licht is het niet gek in één essay zowel Martinus Nijhoff als Robert Johnson geciteerd te zien worden; ik had nog nooit gehoord van Robert Johnson (1911 – 1938) maar hij ‘was [blijkens Wikipedia] an [invloedrijke] American blues musician and songwriter’.*

Referenties van dit type zijn extra krenten in de voedzame pap van Het woord en de wereld, net als, maar op een andere manier dan, de volgende bewering, die, in de context van het essay over de terloopse eenvoud van Martin Reints, niet uit de lucht komt vallen maar mij desalniettemin onverwacht door een grijze vrijdagochtend heen heeft geholpen:

Het heeft geen zin tegen iemand te zeggen dat hij niet moet vergeten te ijsberen. 

Tegen het eind van de bundel, kwam ik, aan het begin van de tweede alinea van een essay over H.C. ten Berge, een notitie tegen die me uit de brand hielp bij het piekeren over de vraag wat nu een goede weergave zou zijn van de onderliggende thematiek van de gehele bundel:

De vroegste filosofen waren dichters, en dichters zijn altijd denkers geweest. Poëzie onderzoekt ‘wat het is te zijn’, om een formulering van Aristoteles te lenen.

Daarmee is meteen die wereld uit de titel verklaard: de essays gaan niet over activistische poëzie of iets dergelijks, maar over taal en teksten waarmee dichters en denkers zich een inzicht banen in het zijnde en (zoals het volgens Wikipedia in een eerdere bundeling van Gerbrandy heet) literatuur en existentie. De fundamentele intertekstualiteit van al het denken en dichten is met dit citaat impliciet ook erkend. Al de lange lijnen die Gerbrandy trekt tussen oudheid en actualiteit (of moet ik zeggen: laat-postmoderniteit) doen de titel en ondertitel van deze bundel volledig recht. Of andersom.

De essays behandelen zeer uiteenlopende onderwerpen, onder heel veel andere: poëzie als symbiose, Lucebert en diens geheim, het belang van algemene vorming, de betoverende poëzie van Annemarie Estor, Luceberts ‘Romeinse elehymnen’, het oeuvre van Sasja Janssen, wat een versregel geslaagd maakt, Herman Gorter en de canon van de poëzie, de paradoxen van het sonnet, Gorters Mei, Obe Postma, Martin Reints, H.C. ten Berge en Hans Faverey. Ik had bijna geschreven: met zo’n classicus heb je geen neerlandici meer nodig.

Het laatste essay, over ‘De poëzie van Hans Faverey als ontologische allegorie’ deed me, hoe meer ik het einde naderde, de vrees om het hart slaan. Het stuk sluit af met een citaat, de laatste strofe van het slotgedicht van Faverey’s laatste dichtbundel, Het ontbrokene (1990):

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

De ondertitel van deze essaybundel van Gerbrandy luidt: Duidingen van een dichter. Dat kan beduiden dat hij deze essays heeft geschreven als dichter, meer dan als classicus of essayist. Dat mag duidelijk zijn voor de meeste van de essays die ik hierboven opsomde, maar de overige hebben toch echt meer weg van werkstukken van een classicus. Misschien stelt hij zich vooral in de traditie waar hij eerder op wees: ‘Dichters zijn altijd denkers geweest.’ En dichters onderzoeken ‘wat het is te zijn’. Dat doen ze, zeker als ze essayeren, het liefst via het werk van andere dichters en denkers en filosofen, en, zeker als ze Gerbrandy heten, ook via jazzmusici.

Een dichter als Gerbrandy weet natuurlijk donders goed dat dit van in de ondertitel ambigue is. Er kan sprake zijn van: duidingen die worden gedaan door een dichter, maar ook van: duidingen die betrekking hebben op een dichter, in casu: Piet Gerbrandy zelf. In al deze essays zegt Gerbrandy enerzijds iets over het betreffende onderwerp van de tekst (vaak in de titel of ondertitel ervan aangegeven), maar anderzijds zeggen al deze essays onontkoombaar iets over de dichter Piet Gerbrandy zelf.

Ik mag toch hopen dat het afsluitende Faverey-citaat geen referentie is aan een eigen dichterlijk en/of essayistisch stilzwijgen. Daar wil ik nog lang niet bij staan.


*Ik voel de dreiging van de gruwelijke doem der goden boven mij samentrekken als ik eraan denk dat Gerbrandy er ooit achter zou komen dat ik deze bron van node had voor nadere info en metterdaad gebruikte. Johnson stierf al op zijn 27-ste maar had postuum veel invloed. Het verderfelijke Spotify (kan er ook nog wel bij) heeft naast het origineel een lijst covers van alleen al ‘Ramblin’ On My Mind’, het  nummer waar Gerbrandy uit citeert. 

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen.

zaterdag 12 april 2025

Julian Barnes, Changing my Mind

Notting Hill Editions, Mirefoot, Burneside, Kendal 2025. Paperbackje, 57 pagina’s.

Toen hij tachtig was, gaf zakenman Tom Kremer (1930-2017) ruimte aan zijn ambitie ook iets voor de literatuur te betekenen en richtte Notting Hill Editions op waarin het essay kon herleven. In het onderhavige boekje zijn de teksten verzameld van Barnes’ bijdragen aan het programma The Essay van BBC Radio 3 in 2016.

Nu ik al dagen duizelig verzonken ben in de literaire flipperkast van Jamal Ouariachi’s Een honger (2015), is door het tussendoor lezen van dit essaybundeltje die kast eventjes denderend op tilt geslagen. Of: zoals die vele honderden bladzijden dikke Nederlandse roman iets weg heeft van een literair-stilistische rollercoaster, lijkt deze kleine verzameling van uitgebeende, Engelstalige essaytjes op een rustieke rots met ruime restauratieve voorzieningen plus een geparasolde ligstoel op parelend zand met een zachte zonsondergang op de achtergrond.

Barnes’ hier verzamelde (en daarmee: tijdelijk vastgelegde) bedachtzame audio-overdenkingen betreffen de gedurende zijn inmiddels bijna tachtig levensjaren veranderde of veranderende mentale positie ten opzichte van ogenschijnlijk immobiele ideeën over herinneringen, woorden en betekenissen, politiek, boeken (meer in het bijzonder: romans c.q. oeuvres) en leeftijd en tijd. Van rotsvaste overtuigingen kan, achteraf bezien, zeker geen sprake (meer) zijn, en van moreel of andersoortig zwalken evenmin of zelfs nog minder. Zonder te verdwalen of verzanden in obligaat modern of postmodern relativisme, weet Barnes duidelijk te maken dat geen menselijke overtuiging ooit in beton gegoten of graniet gebeiteld kan zijn.

Wat een verademing. Nu kan ik weer verder in die dikke baksteen van Ouariachi.


donderdag 29 december 2022

Jan Postma, Vroege werken

Via Twitter, toen dat nog niet zo'n putlucht genereerde, raakte ik bekend met het bestaan van ene Jan Postma; beter nog: via retweets; die had je daar. Opmerkelijk, dat ik hem nog niet kende, want ik ben al een tijd opnieuw geabonneerd op De groene Amsterdammer waarvan hij redacteur is, waarin hij ook regelmatig schijnt te schrijven. Altijd overheen gelezen (of: wel gelezen, maar niet gelet op de naam van de auteur). Inmiddels volg ik hem welbewust, niet meer op Twitter maar op Mastodon en voortaan zal ik mijn weekblad zorgvuldiger doornemen, al moet ik er voor de volledigheid bij noteren dat ik daarin welbewust enkele andere columnisten oversla wegens hun duurzaam gebrek aan kwaliteit (zowel inhoudelijk als qua stijl) en een dito, dus volstrekt congeniaal gebrek aan interesse van mijn kant. Misschien had ik één schaap te veel over dezelfde kam geschoren. Misschien is een column nog wel eventjes iets anders dan een echt essay dat bundelwaardig is, in mijn optiek, maar sommige columnisten geven daar geen zier om en bundelen doodleuk hun futiele columnpjes, en andere noemen hun essays, wellicht onder dwang van de hoofdredactie of het format, toch maar columns. Het kan verkeren.

Wat me opviel aan de berichtjes van Postma op het sociale medium: scherpte van zowel visie als verwoording, gekoppeld aan een gezonde dosis absurditeit, c.q. een gezond oog daarvoor, en een indrukwekkend grote en gevarieerde belezenheid  – zowel letterlijk als figuurlijk, wilde ik erbij tikken, maar ik realiseer me dat ik eerst nog goed moet nadenken over wat ik onder 'figuurlijke belezenheid' versta. Deze kwaliteiten doen de in Vroege werken verzamelde essays (Das Mag, 2017) ver uitsteken boven wat er zoal in Nederland geprobeerd wordt op het slecht afgebakende, drijfzandrijke grondgebied van het essay. Maxim Februari steekt er wat mij betreft trouwens net zo ver bovenuit, al zijn diens kwaliteiten anders gedistribueerd. Februari start, denk ik, doorgaans met een professioneel probleem met een kaliber van minimaal landsbelang, terwijl Postma dichter bij huis, vaak zelfs letterlijk thuis begint maar uiteindelijk vergelijkbaar ver reikende onderwerpen blijkt te behandelen. Beiden staan graag in de kombuis van de ethiek en de moraal te proberen voedsel voor de geest van topkwaliteit te bereiden.

Het tuiltje Vroege werken lijkt niet erg samenhangend, zeker niet in de zin van monomaan of rechtlijnig. De onderwerpen lopen uiteen van Jan zelf, een naamgenoot, (straat)fotografie – of is dat al uit het volgende boek, Is dit alles? (2021), waar ik inmiddels aan begonnen ben, terwijl ik me voorgenomen had eerst verder te lezen in De man zonder eigenschappen –, kunstenaars en/of denkers die ik nog niet of niet goed kende, een muizenplaag, roodharigheid en nog zo wat. Ik moet heel hard naar de precieze onderwerpen zoeken in mijn steeds verstekkeriger geheugen; had het boek geleend in/van de Online Bibliotheek en de uitleentermijn is verstreken; aantekeningen heb ik niet gemaakt, want ik kon geen tekst knippen&plakken; mocht niet.

Daar (d.w.z. de onderlinge samenhang van de stukken in de bundel) komt bij dat ik de bundel niet op m'n e-lezer mocht opslaan en dus (?) afwisselend op m'n telefoon en iPad heb gelezen, de een eigenlijk te klein voor de lectuur van een boek, de ander te zwaar om mee in de trein te nemen of in bed te lezen, beide geplaagd door een te spiegelend en te veel licht uitstralend oppervlak dat zich hinderlijk tussen lezer en tekst in dringt. Mijn lectuur was, anders gezegd, niet optimaal. En ja hoor: ik wil Vroege werken herlezen!

Daar (d.w.z. die bundelsamenhang) komt bij dat de essays stuk voor stuk ook niet recht van draad zijn: Postma maakt met zwier gebruik van allerlei zijwegen, waar zich die ook aandienen in zijn door hemzelf aangelegde denkpistes, op zo'n manier echter dat je je als lezer nooit verloren waant. Zelfs niet als het bij voorbeeld in een stuk 'Over echt doen alsof' – onder de titel 'Aantekeningen uit de nieuwe wereld' – ineens over poëzie gaat. Graag citeer ik die passage, hoewel de Online Bibliotheek dat niet probeert te faciliteren:

Poëzie is gelegen in de poging de kloof tussen dat wat zich laat weten en dat wat zich laat beseffen met woorden te overbruggen. Ik geloof dat in de poëzie het meest overtuigende menselijke antwoord op de natuurwetten schuilt. Waarmee niet gezegd is dat ik aan een van beide zaken veel tijd besteed.

Typisch. Dat essay gaat dus niet over poëzie, maar hier drong ze zich niettemin op. Het gaat veeleer over die 'kloof tussen weten en wat zich laat beseffen', net als veel van de andere essays, uiteindelijk. Als ik niet beter wist, zou ik ze proberen te omschrijven als sociaal-fenomenologische, ethische micro-verkenningen. Postma's peripathetische gang zegt iets over de afgeslotenheid van zijn essays. Afgesloten betogen zijn het namelijk niet. Gelukkig niet. Postma beantwoordt geen vragen, lost geen problemen op, maar onderzoekt ze, verkent ze, belicht ze, overdenkt ze en houdt ze tegen het licht en allerlei achtergronden en zet ze in kaders om te bezien of ook die kunnen helpen om tot een beter begrip te komen, alles vanuit een durende verwondering over het menselijk zijn dat zich even complex als ondoorgrondelijk voordoet, om niet te zeggen: absurd, maar dat toch geleefd moet (en lijkt te kunnen) worden.

Maar het is beter dat ieder die dit leest, Vroege werken zelf leest; beter dan dat ik het probeer het samen te vatten. Ik wil het alleen maar aanraden, aanprijzen, aanbevelen. Lees, let op, en laat je verrassen.

zaterdag 26 december 2020

Brian Dillion, Suppose a Sentence

Fitzcarraldo Editions, London 2020. Paperback met flappen, gebrocheerd, 192 blz. Boekontwerp Ray O'Meara; gezet uit de Fitzcarraldo.

Stel je voor dat een docent Creative Writing van de Queen Mary University of London 27 essays zou bundelen met elk een zin van steeds een andere auteur als enig onderwerp, die alle geschreven zijn met geen andere motivatie dan dat hij het heerlijk vindt om zinnen, die hem bij zijn dagelijkse lectuur bevallen vanwege wat hij aanduidt als affinity, in notitieboeken over te nemen en er vervolgens een essay over te schrijven. Alleen goede, mooie zinnen, louter essays die over die zinnen gaan of er dicht bij in de buurt blijven. Geen bundeling van schrijfvoorschriften, geen verzameling van stijlkritieken, geen pessimistische verzuchtingen over de teloorgang van de taal en de taalbeheersing, maar een welhaast onverantwoorde collectie van enthousiaste bespiegelingen over en naar aanleiding van zinnen uit de meest uiteenlopende boeken en tijdschriften over een waaier van onderwerpen en van recente datum tot een paar eeuwen oud (maar andersom geordend).

Dat boek, dat is er al, om Piggelmee's Toovervischje te parafraseren. En het is mooi. En Brian Dillon kan zelf, wie zal het verbazen, schrijven als een van de besten, met kennis niet alleen van zinnen, grammatica, syntaxis en stijl, maar ook van cultuur, geschiedenis, muziek en wat er nog meer ter sprake komt in de teksten waar hij zijn onderwerpszinnen in heeft aangetroffen.

Ieder hoofdstuk begint, na de titel natuurlijk, met de betreffende zin en de naam van de auteur ervan, maar de inzet is steeds anders, en niet zelden maakt Dillion er – niet noodzakelijk in het begin – werk van uit te leggen in welke uitgave hij de zin aantrof. Heel vaak citeert hij de zin, al dan niet in een afwijkende versie, verderop in het essay nog eens; meerdere malen haalt hij halverwege als het ware even adem tijdens zijn beschouwing en zegt: 'Let's run through the sentence again', of: 'Look again at the sentence', of, de redacteur van de schrijfster ervan parafraserend: 'But run it through again, because we're not quite there.'

Die laatste frase is een heel impliciete maar zeker even wijze raadgeving aan wie zelf wel eens een zin wil schrijven. Dillon, die zich in een bijzin bescheiden beschrijft als 'slow reader, slow thinker', heeft de tijd genomen er zelf gehoor aan te geven; zijn boek is er het blijk van. Niet zelden houdt hij halt bij een komma om er de goede plaatsing van te bespreken, soms zelfs de waarde ervan aan te geven voor de constructie van heel de brontekst. En en passant laat hij je kennis maken of hernieuwt hij de kennismaking met onder anderen John Donne, Sir Thomas Browne, Thomas de Quincey, Virginia Woolf, Joan Didion, Whitney Balliett, Annie Dillard, Hillary Mantel.