woensdag 10 oktober 2018

Juli Zeh, Neujahr

Roman. Hardcover met stofomslag en leeslint. München, 2018. 191 bladzijden.

Eigenlijk hoort dit leesverslag niet hier, want, nee, echt grote 'Klasse!' vind ik deze roman niet. Ik had me er wel op verheugd, na Spieltrieb en Ons soort mensen. Daarna verscheen nog Leere Herzen, maar de recensies daarvan, althans van Lege harten, waren niet bepaald florissant. Die lectuur sloeg ik dus over.

Maar toen zag ik, onlangs, op de boekenmarkt van het ILFU, opeens deze nog nieuwere roman liggen, en kon hem daar niet laten. Mooi boek. Wel vreemd dat er nu op de tafel waaraan ik dit tik, ook een boek ligt dat veertig bladzijden meer omvat maar even dik is. Ik vrees dat Neujahr materieel een beetje gepimpt is. Met opdikkend esparto-papier, of iets dergelijks. En inhoudelijk met exuberant uitgedijde, breed uitgewalste descripties van heftige, al dan niet ingebeelde ervaringen van personages die onder de indruk van iets zijn.

Nu zijn er romans die gebruikmaken van bijvoorbeeld heel lange, uitgebreide, zeer dun over zeer veel pagina's uitgesmeerde beschrijvingen om de lezer mee te sleuren in de hallucinaire staat van zijn van het dienstdoende focaliserende of vertellende hoofdpersonage. Daarmee wordt het lezen van een dergelijke roman tevens een soort theatrale of schier fysieke ervaring. Als je je er als lezer aan kunt overgeven - en niet botweg doorbladert naar de eerstvolgende witregel - krijgt het lezen van zo'n roman een extra dimensie. Iets dergelijks gold wat mij betreft voor onder andere Solar Bones.

Maar met het lezen van Neujahr had ik meer moeite dan een bijzondere leeservaring. Dat komt misschien mede doordat het verhaal eerst verteld wordt met de focalisatie van een volwassen, in crisis verkerende man, en daarna met de focalisatie van diezelfde man toen hij nog maar een - wat zou het zijn - vijfjarig jongetje was; en daarna weer door de volwassen Henning, die  dan opeens alles snapt wat hij eerder maar niet begreep. Enfin, een heel psychologisch verhaal. Eind goed, al goed.

Nou ben ik al geen groot fan van verhalen met een perspectief van een kind (ik vind het te gemakzuchtig wanneer een volwassen schrijver voor volwassen lezers quasi gaat zitten doen of de wereld nog te ingewikkeld is om te begrijpen - ik vind dat sinds Het bittere kruid moeilijk te verteren, alleen Werther Nieland kon ermee door, maar dat is dan ook zo ontzettend ironisch), maar dit kinderlijke geneuzel over "Oooh, wat zou er nu toch aan de hand zijn?", en: "Wat doet die vreemde  blote meneer daar bovenop mama???" vind ik echt bijzonder langweilig.

Omdat Zeh het schreef, heb ik toch alles gelezen. Neujahr is het verhaal van een echtgenoot, vader en professional in crisis; via hem gaat dit verhaal ook over angst en waarneming. Onder invloed van angst (of stress - is er verschil?) gaat een mens zijn werkelijkheid onhelder, vertekend waarnemen, dingen zien die er niet zijn of ze verkeerd interpreteren. Hoofdpersoon Henning is al piekerend zover geraakt dat hij besluit dat hij zijn leven moet verbeteren: zijn vrouw zou hij meer moeten knuffelen, zijn kinderen zou hij (deeltijd-werker en -vader) meer aandacht moeten geven, en hij zou meer moeten sporten.

Hij begint zijn verbetering met dat laatste, op 1 januari 2018. Onvoorbereid stapt hij op een ongeschikte huurfiets om een vulkanische bergtop te bereiken. Het wordt een wielermarteling, doorregen met persoonlijke reflecties en herinneringen. Eenmaal boven - en dat duurt heel lang eer het zo ver is - belandt hij in een paradijselijke situatie, die hij lijkt te herkennen. Maar hij wordt al snel weer uit dat paradijs gekeild doordat hij iets raars doet. Hij weet niet waardoor.

En dan begint het derde deel van deze roman, het verhaal over Henning als jochie van een jaar of vijf, en zijn tweejarig zusje; ze worden op een dag door hun ouders, die toen nog samen waren, aan hun lot overgelaten, en dat leidt tot een steeds grotere paniek. Het is een eindeloos wanhopig verhaal vol angst en onzinnige vlagen van ongegronde hoop. Het zomerhuis op Lanzarote wordt een smerige puinzooi. In het vierde deel wordt alles duidelijk, heel expliciet.

Neujahr gaat niet alleen over waarnemingen die worden vertekend door angsten uit het verleden; uiteindelijk gaat het boek ook over de misvormende (latere) ervaringen ten gevolge van (vroeger) niet onderkende of erkende reële gevaren of angsten. Interessant als je van een psychologische roman houdt, maar het is erg jammer dat de spiegelingen tussen vroeger en nu (Henning was in zijn jeugd, anders dan hij zeker dacht te weten, al wel eens op Lanzarote geweest) er zo duimendik bovenop liggen; jammer ook dat heel erg lang oningevuld blijft wat voor engs zich ooit precies heeft afgespeeld op die ene enge plek in dat zomerhuis, waarna het meerdere keren onthuld wordt.

Zeker het eerste gedeelte, die langdurige bergbestijging, is best goed te pruimen (ook al is zo'n tocht  als metafoor voor een poging tot inzicht op zijn minst zo oud als de weg naar de top van de Drachenfels, en ook al is de timing ervan - nieuwjaarsdag - niet bijster overdonderend origineel), maar dat geneuzel van dat jochie is hemeltergend lang van draad - hoewel toch ook een goede weergave van des jongetjes wanhoop - je ontkomt er niet aan begrijpend te knikken bij de rotzooi die hij van zijn ongelukkige situatie weet te brouwen...

Roem van de auteur en verwachting van de lezer op basis van eerdere lectuur beïnvloeden de graad of de aard van het oordeel, kennelijk.

zondag 7 oktober 2018

Lieke Marsman, De volgende scan duurt vijf minuten

Uitgeverij Pluim, Amsterdam-Antwerpen 2018. Paperbackje, 63 blz.

Een bijzonder kleinood. Glashelder. Mengeling van allerlei genres, van poëzie via autobiografie tot pamflet en weer terug. Had ik niet haar vorige boek, Het tegenovergestelde van een mens (2017, naar het schijnt een roman) gelezen en gefascineerd herlezen, dan weet ik niet wat ik van dit tussendoortje had gevonden, eerlijk gezegd. Maar nu dit wel het geval was, nu ik via Twitter al wat meer van Marsmans denkbeelden, standpunten en omstandigheden had vernomen, is dit een extra dierbaar boekje. Met weinig traditionele grenzen, ja.

Lees het, en dus vooral: koop het. "Met [...] wat [...] geluk vult dit boekje [...] het tekort dat in [haar] pensioenspaargeld is ontstaan aan." Schenk haar dat geluk.

zondag 19 augustus 2018

Laurent Binet, HhhH

Himmlers hersens heten Heydrich. Roman. Vert. [uit het Frans] door Liesbeth van Nes. 13e dr. [1e dr. 2010]. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2011. Hardback, wrs. oorspr. met stofomslag, maar mijn exemplaar zonder. 347 blz. (Oorspr. HHhH, 2009)

Mijn stofomslagloze exemplaar van deze roman heb ik of gevonden, of in de ramsj of bij een uitverkoop op de kop getikt, al een tijdje geleden; typisch geval van: 'Wil ik eigenlijk ook nog lezen, destijds goede dingen over gelezen, geloof ik.'

Nou, niks mis mee, om negen jaar na verschijnen een succes-debuutroman alsnog te lezen. Een voordeel van dit late lezen en van het succes dat het boek had en heeft, is dat ik nu vast niet meer het verhaaltje hoef na te vertellen.

De titelpagina geeft het nadrukkelijk aan, en ook de ik-verteller laat er geen twijfel over bestaan: dit boek is een roman. Maar doordat die verteller zo druk doende is met het schrijven en het reflecteren daarop, moet dit ook een meta-roman heten. De naamloze ik-verteller reflecteert van meet af aan over de tekst die hij aan het schrijven is, over zijn personages, of misschien moet ik zeggen: over de figuren in zijn roman, die, doordat dit een roman is, personages zijn geworden, terwijl ze gebaseerd zijn op historische mensen, zoals alles in deze roman stevig gefundeerd is in de werkelijkheid, vooral de afgrijselijke werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog. Daarom wil de verteller, die haast onvermijdelijk gelijk te stellen is aan de schrijver, nadrukkelijk proberen niet(s) te fabuleren. Toch neemt hij, zoals iedere verteller van een historische roman, af en toe zijn toevlucht tot verzinsels, beter gezegd: fictionele reconstructies, maar nooit zonder daar dan weer bij stil te staan.

Deze constructie is dus zeer expliciet en zichtbaar, wat de lezer, deze lezer althans, intrigeert en bij de les houdt, en misschien ook wel om de tuin leidt, want wat kan deze zelfbewuste verteller je allemaal op de mouw spelden wanneer hij per ongeluk of expres eens niet reflecteert op zijn eigen fictionalisering?

Binet heeft voor deze roman mijns inziens de Pris Concourt du Prmier roman (2010) niet voor niets gekregen. Hij heeft enorm veel noten op zijn zang, heeft enorm veel historisch onderzoek gedaan (vermoed ik en vertelt hij - maar anders dan Johnatan Littell in zijn De welwillenden geeft hij geen bronnen), stapelt 257 hoofdstukken van zeer uiteenlopende lengte op elkaar, schiet heen en weer van vertellerstijd naar vertelde tijd en reageert daarbij ook nog op andere boeken en films over 'zijn' onderwerp, waarbij vooral het drie jaar oudere De welwillenden het moet ontgelden, al was het maar omdat de hoofdpersoon daarvan een geheel fictionele constructie is. Bovendien weet Binet zijn verhaal heel goed te versnellen en vertragen, te concretiseren en te vervagen, en heen en weer te slepen naar het historische dan wel het theoretische, tussen het feitelijke en het persoonlijk betrokkene. Mede door dat sterk afwisselende vertelritme komen de gruwelijke feiten van het nazionaal-socialisme ijzingwekkend hard aan. 

Bijzonder is dat toch: dat de werkelijkheid, die je al wel een beetje dacht te kennen, duidelijk(er) wordt door middel van de fictie. Zeker in dit geval, omdat Binet er aandacht voor heeft dat het leven, zelfs het über-georganiseerde nazi-leven, vol zit van stupide toevalligheden, onverklaarbare stompzinnigheden; dat houdt de menselijke maat erin, die de onmenselijkheid van de oorlogsmisdaden des te erger doet uitkomen.

vrijdag 13 juli 2018

Patricia Jozef, Glorie

De Geus, Amsterdam 2017. Hardback met stofomslag. 255 blz.

Debuutroman van de schilderes en filosofe Patricia Jozef (1975). Het boek was genomineerd voor de ANV-debutantenprijs 2018, maar heeft helaas de meet van de publieksjury niet gehaald. Zonder iets ten nadele van de de andere genomineerde boeken te willen zeggen, was ik op grond van de informatie die ik onder andere kreeg door de interviews van Jelle van Riet met de drie auteurs wier werk genomineerd was, tijdens de feestelijke uitverkiezing van het beste debuut van 2017/2018 op 1 juli jongstleden in een zonoverdonderd Dordrecht, het meest nieuwsgierig naar Glorie.

En nu heb ik het boek tweemaal gelezen, en vind ik het inderdaad een intrigerende en goede roman (waar, geloof ik, ook nog eens geen enkele spel-, taal- of stijlfout in staat). Een boek na de eerste keer meteen nog een keer willen lezen, is voor mij sowieso een goed teken, al kan het ook betekenen dat ik niet goed heb opgelet bij de eerste lezing. Een combi kan ook. Ik denk het.

Dat ik niet meteen goed genoeg las, althans niet met oog voor kleine aanwijzingen, die achteraf toch  wegwijzers naar parallellen blijken te zijn en die verbindingen leggen tussen de onderdelen, werd zeker ook veroorzaakt door de luchtige vertelwijze en de opzettelijk confettiachtige verhaalstructuur. Misschien was ook de tekst van Guido Belcanto (serieus) achterop het boek aanleiding om minder vorsend te lezen:
Een tragikomische blik achter de schermen van de kunstwereld, beurtelings aangrijpend, deemoedig en hilarisch, met twee protagonisten die zo levensecht zijn geschetst dat je niet ander kunst dan met ze meeleven.
Daar is geen woord van gelogen. Anderzijds: als ik door dat interview niet een andere verwachting van het boek had gekregen, was ik er naar aanleiding van die blurb nooit aan begonnen; ik kreeg klamme angstvisioenen van een Marijke Höweler-roman.

Maar dit is een goede roman. Hij  bestaat uit twee grote delen en een kort derde deel. Het eerste heet 'Marcel Jacobs', vernoemd naar de ik-verteller, een filosoof die, door middel van een even ludieke als grondige vervalsing van zijn cv na drie jaar qua gebrek aan uitzicht verergerende werkloosheid, zich aan de Antwerpse Teniersacademie weet te verbinden als event manager. Al snel was ik verkocht en verknocht aan deze roman, want die Marcel Jacobs is ongeveer Frans - Kaas - Laarmans 3.0.

Doordat de geschiedenis van zijn carrière voortdurend wordt doorsneden door het verhaal van zijn (samengestelde) gezin en door het relaas van de dreigende teloorgang van zijn moeder, was ik voortdurend nieuwsgierig waar het geheel toe zou leiden. En dat vind ik aangenaam: een verhaal waarvan je niet zowel hier als daar en ook nog eens elders ziet aankomen wat ongeveer het eindpunt zal zijn, of hoe dat eindpunt bereikt zal worden. Dat de goede man, Marcel Jacobs dus, zijn positie wel snel weer kwijt zal raken, lijkt me geen verrassing, maar dat hindert me dus niet. De tragikomische blik die de leer achter de schermen van de kunst(opleidings)wereld gegund wordt, is misschien niet über-origineel, maar toch wel erg leuk; het is bovendien niet de enige verhaallijn, maar een onderdeel van het verhalennetwerk dat zich gaandeweg ontspint (als je dat zo kunt zeggen).

Het tweede deel heet 'Bodine Bourdeaud'hui' en is genoemd naar de (tweede) ik-verteller, een wat leerschool en loopbaan betreft solistische vrouw, die zich met vallen, opstaan, doorgaan, reflectie, herbeginnen en gezwoeg heeft ontworsteld aan haar sociale achtergrond en opgewerkt tot een kunstenares met een forse cult-status. Ze raakt, nadat haar carrière of haar zicht op een ontwikkeling van die carrière op een dood spoor is gekomen, onder invloed van de geboorte van haar zoontje Abel, verzeild in Berlijn, op een congres dat is georganiseerd door de Teniersacademie; die Marcel is daar dan al de laan uit gestuurd.

Beide ik-vertellers leven in en vertellen over hun heden, maar blikken elk ook voortdurend en ver terug op de door hen persoonlijk afgelegde weg. Dus ook wat dat betreft loopt deze roman niet eenvoudig en chronologisch van A via B en zo verder naar het einde. Ja, die Bodine Bourdeaud'hui wordt zeker wel genoemd in het eerste deel, namelijk wanneer Marcel Jacobs bezig is dat congres over The Artist as a researcher in Berlijn op poten te zetten; maar toch... waarom het eerste deel opeens is afgelopen, en waarom daarna die Bourdeaud'hui het vertelheft in handen krijgt, mij was het niet duidelijk - maar daar gaf ik ook niet om: de vertellingen zijn kruidig, geestig, herkenbaar, en verrassend genoeg om snel verder te willen lezen.

Na twee delen van respectievelijk honderd en honderddertig pagina's volgt nog 'Marcel en Bodine', dat slechts zeven bladzijden telt, en waarin een afstandelijke vertelinstantie deze twee personages aan het woord laat en zo de hoofdlijnen expliciet verbindt en de strekking van het geheel verdiept. Marcel zegt daarin: 'Ik zei dat het leven zo in elkaar zit, dat verschillende denkwerelden zich als atomen kunnen gedragen, botsen, samenklitten en zich weer van elkaar verwijderen.' Hij is dan inmiddels begonnen aan een opleiding tot schrijnwerker (zelfs dat komt bij nader inzien niet onverwacht) en vraagt aan Bodine: 'Ken je het verschil tussen een zwaluwstaartverbinding en een pen-en-gatverbinding?'

En nee, dat kent Bodine niet, en ja, dat verschil heeft alles met de thematiek van de roman te maken, en nee, Marcel gaat dat verschil niet in deze roman uitleggen. Ook dat maakt Glorie aantrekkelijk en intrigerend: veel wordt niet verteld, vaak wordt zelfs niet eens gesuggereerd dat wat er weggelaten wordt, wel eens belangrijk zou kunnen zijn. Kwestie van informatiedosering en van perspectief, focalisatie, zo u wilt.

donderdag 24 mei 2018

Mike McCormack, Solar Bones

Tramp Press, z.p., 2016. Gebrocheerde paperback met flappen, 223 pagina's.

Van de schrijver had ik nog nooit gehoord, maar hij is blijkens de achterflap een 'award-winning novelist and short story writer from Mayo.' En dat laatste is zowel een graafschap, een kiesdistrict als ook een plaats in de republiek Ierland, aan de westkust.

Vlak onder Mayo, in Galway, was ik een keer op vakantie. En ja, dat speelt mee als impuls om dit boek te kopen (tijdens een andere vakantie, in Glasgow). Boglands.

Wat ook meespeelde, was dat dit boek uit één zin bestaat. Uit dat vaatje heeft eerlang ook Rutger Pontzen getapt met Nu ik, maar daar was ik niet van onder de indruk. En ik denk dat ik van Solar Bones een recensie heb gelezen (geen idee meer waar of wanneer), waardoor ik dacht: ik waag het erop. Dit gaat goed gaan. Dit is een leven-omspannende monoloog, een epische, ruraal gefundeerde vertelling die zich in het heden voltrekt, maar breed uitwaaiert.

En het gaat goed. Al was het maar omdat McCormack alle schijn vermijdt de indruk te wekken dat deze roman werkelijk één nette, welgevormde zin is. De tekst is namelijk opgebouwd uit typografisch gemarkeerde, thematisch samenhangende blokken van zeer ongelijke lengte die weliswaar formeel deel uitmaken van een lange, een zeer langgerekte zin zonder ook maar één punt en zonder ook maar één puntkomma en zonder ook maar één gedachtenstreepje, met alleen wel hier en daar een komma, maar geen hoofdletters, tenzij bij namen en merken (bijna geen merken, tenzij het over trekkers gaat).

Doordat de roman spaarzaam maar soms juist weer heel opvallend gebruikmaakt van herhalingen van formuleringen (ze vallen mede op doordat de elementen als bij een nieuwe alinea inspringen) en doordat de onderlinge verbinding van de herinneringen en mijmeringen van de ik-verteller, Marcus Conway, associatief en nauwelijks verhalend/handelend verbonden zijn, doet de tekst vaak aan (epische) poëzie denken. Ook de enjambementen dragen daaraan bij. De meeste alinea's eindigen namelijk midden in een deelzin, heel vaak met een voegwoord of een aanwijzend voornaamwoord of een betrekkelijk voornaamwoord – nee, je krijgt echt niet de kans om te vergeten dat het een, één, doorlopende zin is, een voortstuwende gedachtenstroom.

Daardoor, en doordat het boek (dus) ook geen hoofdstukken kent, is het heel moeilijk om het weg te leggen, en zo mogelijk nog moeilijker om, wanneer je dat dan toch hebt gedaan (de stofwisseling gaat gewoon door) het boek weer op te nemen, of beter: de draad ervan weer op te nemen. Dat maakt dat het lezen van Solar Bones een andere ervaring is dan het lezen van een gewone roman. Je zou er het woord 'de-automatisering' voor uit het archief kunnen halen.

Op onverwachte momenten weet McCormack in zijn vertelling aan het persoonlijke, individuele een enorme, collectieve of metafysische overspanning te geven (en dat is niet alleen omdat de ik-figuur een ingenieur is). Zo is er een prachtige scène waarin Marcus zich herinnert hoe zijn vader, een halve eeuw eerder, zijn trekker geheel demonteerde omdat die niet lekker meer liep; en uiteindelijk lagen alle onderdelen, systematisch op orde, uitgespreid op de vloer van de deel als een weerspiegeling van de sterren in de hemel: een overdonderende hoeveelheid kleine onderdelen die samen een nauw geïntegreerd, aarde-om-en-overspannend geheel vormen (je zou er zo de opening van De theorie van de roman van Georg Lukács bij kunnen citeren).

De kleine Marcus was er diep van onder de indruk, en ook van zijn vader, natuurlijk. Meer dan honderd bladzijden later, als zijn vader aan het aftakelen is na het overlijden van zijn (Marcus') moeder, koopt Conway senior alsnog een nieuwe trekker, hoewel zijn boerenbedrijf niet meer bestaat en hij zelfs helemaal niet meer met de trekker kan rijden of werken – het enige wat hij ermee doet, is het ding poetsen en af en toe starten. Totdat dat niet meer lukt. Zoon probeert pa te helpen, maar moet zijn heil zoeken bij de leverancier, die erachter komt dat pa niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet, en dat de fabrikant daarom via een satellietverbinding de startinrichting buitenwerking heeft gesteld... Overdonderd speuren zoon en vader de hemel af naar de maltraiterende satelliet. Een pracht van een herhaling en omkering van die andere trekkerscène (en een prachtig bruggetje naar Februari's Klont).

Die zoon, de ik-verteller, was ooit priester in opleiding, maar is ingenieur geworden. Pa was boer. De zoon kan met allerlei technische hulpmiddelen prima navigeren op zee. Zijn vader echter weet zijn positie op zee scherp te peilen met triangulatie (de driepuntsmeting). De vader weet waar hij is in de werkelijkheid, de zoon ziet voor zich waar hij zich bevindt. Dat is wel even iets anders.

Onthutsend is het einde van de roman, waarin Marcus Conway het verslag geeft van zijn eigen dood door een hartaanval, op de weg terug naar huis met medicijnen voor zijn zieke vrouw. Dan wordt ook pas duidelijk dat heel deze vertelling een lange, moderne Mémoire d'outre-tombe is (wie opnieuw vanaf het begin leest, ziet echter genoeg aanwijzingen - of misschien lag het aan mij dat ik er in eerste instantie langsheen las).

Dat wrange slot is niet tekenend voor heel de roman, wel voor een deel ervan: er spreekt bepaald geen optimisme met betrekking tot de wereld uit dit boek dat handelt over de fundamentele vergankelijkheid van wat mensen op het ondermaanse maken, over economische crisis en fraude; maar anderzijds is de intensiteit van Marcus' herinneringen en de meeslepende, bijna letterlijk boeiende vorm waarin ze opgetekend zijn, het blijk van een grote menslievendheid, meer in het bijzonder de liefde van de hoofdpersoon voor zijn vrouw en kinderen, ook al gaan die verhoudingen evenmin louter over rozen.

P.S.

vrijdag 27 april 2018

Julian Barnes, The Only Story

Jonathan Cape, London, 2018. Gebrocheerde hardback met stofomslag. 213 blz.

Dat ene of enige verhaal, een liefdesverhaal wel te verstaan, of: het verhaal over de ene of enige liefde, dat in deze roman verteld wordt, hakt er nogal in. Het speelt zich af ten zuiden van Londen, niet in Londen zelf, in de woelige jaren zestig - waar overigens niets van te merken is, tenzij zeer indirect. Een negentien-jarige jongeman raakt in suburbia verzeild in een overweldigende liefdesrelatie met een tweemaal zo oude, onfortuinlijk gehuwde vrouw. Niemand gaat met hun relatie akkoord, voor zover die bekend wordt, zeker de leden van de tennisclub niet, behalve Paul en Susan zelf.

Maar niets en niemand houdt hen tegen. Zeker niet in het eerste deel van de roman, waarin Paul de ik-verteller is die, ongeveer een mensenleven later, terugkijkt op zijn jarenlange affaire, die daarom al geen affaire meer kan heten, en zijn herinneringen welbewust  noteert; niet de feiten, niet de waarheid, maar zijn herinneringen: 'You understand, I hope, that I'm telling you everything as I remember it?' Overrompelend is dat verhaal van hem en Susan MacLleod. Doordat er een kleine convertible een rolletje in speelt, moest ik soms denken aan Aimez-vous Brahms van Françoise Sagan (The Graduate, om een andere, mogelijke parallel te noemen, ken ik niet).

Die Susan is een apart type, niet alleen omdat ze haar eigen gang gaat, en haar man behandelt als een quantité négligeable, maar ook bijvoorbeeld omdat ze haar dochters, Martha en Clara (even volwassen als Paul), Miss G en Miss NS noemt, welke initialen staan voor Grumpy respectievelijk Not So (Grumpy). Een nog fraaier type is overigens Susans vriendin Joan, die zich nogal fors,  ondersteund door gin, staande houdt na een leven dat helser was dan een in het inferno. Paul is, met andere woorden, niet in een buitenschoolse opvang terecht gekomen.

Het tweede deel, dat na een kleine negentig bladzijden begint, is een mix van ik-vertelling met vooral veel vertelling in de tweede persoon enkelvoud – alsof Paul toch enige distantie neemt. En in dat tweede deel komt er een aap uit de mouw: dat liefdesleven was maar een deel van de herinnerde werkelijkheid: gaandeweg wordt duidelijk dat Susan niet alleen drinkt, maar zich ontwikkelde tot een professionele alcoholiste; en we krijgen te weten waar die verloedering aan te wijten is. Ze gaat volkomen naar de gallemiezen. Paul blijft haar nochtans heel lang trouw.

Het derde deel is (vrijwel geheel) in de derde persoon enkelvoud gegoten. Het gaat over Paul die niet meer met Susan is – het was onmogelijk. Maar wat er precies in dat slotdeel verteld wordt, weet ik niet, want ik ben met lezen gestopt op pagina 174. Het ging me allemaal veel te traag. En: de vertelling is bijzonder eloquent, zeer Brits, zou ik willen zeggen, getuigt van een prima taalbeheersing, kent een rijk vocabulaire, maar is ook van een enorme afstandelijkheid en cerebraliteit, als die twee al niet op hetzelfde neerkomen, zeker waar het gaat om een liefdesgeschiedenis. Paul noteert met gemak zinnen als de volgende: 'No doubt in religious, patriarchal, hierarchical societies, such conflicts continued and still gavethemes to writers.' Buitengewoon kil.

Die wat klinische benadering heeft misschien te maken met het gegeven dat de onervaren negentien-jarige Paul de hele boel wat beschroomd en geïmponeerd benaderde. De steeds grotere afstand(elijkheid), die wordt gesuggereerd door de overgang van eerste naar tweede naar derde persoon enkelvoud, is ook een indicatie van af- of verweer, zelfbescherming; zeer toepasselijk vanuit psychologisch opzicht wellicht, maar naar mijn smaak niet goed voor het verhaal. De geschiedenis is evenwel zo indrukwekkend, dat de roman mijns inziens overeind blijft staan. Maar tegen de achtergrond van de recente lectuur Winter van Ali Smith viel het me wat moeilijk heel enthousiast te worden van de jongste van Barnes. Maar dan nog: een (relatief) sub-optimale Barnes is en blijft een goede, aangrijpende, stilistisch mooi gevormde roman. 

dinsdag 17 april 2018

Ali Smith, Winter

Hamish Hamilton, z.p. 2017. Vrij stug in de rug gelijmde hardback, met half stofomslag, 322 blz.

Deel twee van een seizoenskwartet. Autumn verscheen het jaar ervoor. Wat ik over de structuur daarvan zei, geldt in grote lijnen ook voor dit tweede deel. En ook geldt (of anders: met terugwerkende kracht) dat ik me weer geheel heb laten inpakken door dit boek. Eenmaal gelezen; toen onmiddellijk begonnen aan de herlezing - daar kwam wat tussen; daarna aan de tweeëneenhalfde lezing begonnen, en die - in weerwil van mijn welwillende intentie - toch weer in fragmenten voltooid.

Arthur, in problemen geraakte volwassen man, gaat kerstmis vieren bij zijn - op z'n zachtst gezegd - eigenzinnige moeder-de-zakenvrouw in Cornwall; dat is, lieve lezer, het uiterste, westelijke zuidpuntje van het Verenigd Koninkrijk. Lands End. Finisterre. Arthur heeft beloofd met zijn partner te komen, maar die, ik bedoel: zij, heeft net zijn notitieblok met aantekeningen voor zijn natuur-blog losbladig het raam uit de sneeuw in geflikkerd omdat ze die blog-troep van hem volkomen a-politiek vond; de accu heeft ze uit z'n laptop geschroefd, en de hele handel onklaar gemaakt. Gewoon, door een niet passende schroevendraaier te gebruiken.

Eigenlijk vind ik dit al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Arthur, die in de problemen geraakte volwassen man, durft het bezoek aan zijn moeder niet aan, en paait een min of meer toevallige passante. Of: passante, dat is ze juist niet: ze zit al uren achtereen in een bushaltehokje een vouwblad van een wegwerprestaurant te te lezen. Voor duizend pond is ze, een in het post-Brexit Verenigd Koninkrijk van dakloosheid verzekerde Oost-Europese, bereid drie dagen lang te doen of ze Arts Charlotte is. Fijn... 'maar ik denk,' denkt en zegt Arthur, 'niet dat al die kettinkjes, studs, piercings en wat er al niet meer in je gezicht steekt, erg overtuigend op mijn moeder overkomen'. Probleemloos schroeft 'Charlotte' alles uit haar facie. Arts moeder-lief vraagt, na haar aankomst: 'Kind, weet je wel dat je gezicht vergeven van de gaatjes is?'

Eigenlijk is dit aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek. En dan weet je nog niet eens dat en hoe dit verbonden raakt met het oeuvre van Barbara Hepworth (staaltje ingeweven cultuurgeschiedenis zoals dat over het werk van Pauline Boty in Autumn).

Sophie, de moeder van Arthur, is niet echt een lief persoon. Haar relatie met haar zus, Iris, is totaal verzuurd. Die met Arthur eigenlijk ook. En Iris is een post-protester, een soort overjarige actievoerster. De halve twintigste eeuw komt daardoor over de vloer in dit boek, dat alles behalve een rechtlijnig chronologische vertelling is. Maar ja, kerstfeest. Dus Iris komt voor het eerst sinds decennia weer bij Sophie in huis, op verzoek van Arthur, die ook niet op zijn gemak is met zijn nep-Charlotte, die eigenlijk Lux heet, zoals in Velux. En ondertussen heeft de echte Charlotte de natuur-blog van Arthur gehackt (Art in Nature) en ze belaagt hem via dat blog met wanstaltige berichten en projecten, waardoor er onder meer busladingen vogelaars uit noord- en midden-Brittannië over de vloer komen bij Sophie c.s. om een zeldzame vogel te spotten, Sophie, die overigens door Iris ook Filo wordt genoemd, maar niet naar aanleiding van 'filosophie' [spoiler reduction].

Dit is eigenlijk al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Sophie, die schijnbaar niet heel aardige moeder van Arthur (kortweg Art, wat weer veel aanleiding geeft tot heel melige en heel leuke woordspelingen) heeft een bijzonder ingewikkelde achtergrond met onder meer een reuze melancholische liefdesgeschiedenis - ja, een eennachtwip - waar Arthur het resultaat van is, die zo intens fraai beschreven is, zo snijdend en mooi, dat je zoiets iedereen eigenlijk wel voor eenmaal in het leven toewenst. En daar komt de kracht van Ali Smiths schrijverschap overduidelijk naar voren. Zoals zij de verschillende tijdslagen enerzijds versnippert over het boek en anderzijds thematisch aaneen weet te smeden, is werkelijk om helemaal knapperend haardvuur met goede thee en sloffen aan met een goed boek van te worden.

Dit is aanleiding te meer en genoeg voor de conclusie: lees dit boek, want tegelijkertijd is dit alles behalve een gezellig winteravondverhaal. Het gaat heel hard en nors over nu en de hedendaagse, ongelooflijke waanzin. En het is zo rijk, zo boordenvol. En zo menselijk, als in: comédie humaine, hoe tragisch toch ook. Zo vol verhalen en vol ook van het belang van verhalen. Lees dit boek.