zondag 20 november 2016

Vlam in die sneeu

Die liefdesbriewe van André P. Brink & Ingrid Jonker. Bezorgd door Francis Galloway. E-boek. Umuzi, Kaapstad 2015.

Niet goed van dit boek is allereerst het omslag (zie daarover twee postjes In den vroolijken hermeneut) en tot slot de ondertitel.

Om met het laatste te beginnen: dit boek, waarvan ik weer eens niet weet hoe omvangrijk het is in het 'echt', op papier, is de uitgave van de volledige corrspondentie van Brink en Jonker, voorzover de documenten of de doorslagen en andere kopieën overgeleverd zijn; maar dat spreekt voor zich (wat er niet is, kan je niet uitgeven). En het is duidelijk dat niet alle documenten bewaard zijn gebleven: er zitten gaten in de correspondentie, ook al zijn er ook telegrammen in opgenomen.

Maar de aanduiding 'liefdesbriewe' lijkt me een ferme knieval voor de sensatiebeluste lezer. Het gaat hier nogmaals om de briefwisseling tussen een dichteres en een schrijver/letterkundige, die elkaar (zij 29, hij 27 jaar oud) in Kaapstad ontmoetten op 18 april 1963, waar zij op bezoek waren bij Jan Rabie en Majorie Wallace. Jonker woonde ook in Kaapstad, met haar dochtertje en met, of in de buurt van, een geliefde; Brink woonde hemelsbreed 756 kilometer verderop naar het oosten in Zuid-Afrika, met zijn vrouw en hun zoontje, in Grahamstad. En in de tijden ver voor internet, en in een situatie waarin het niet makkelijk was om ongedwongen telefonisch contact te hebben (nog afgezien van de kosten die dat meebracht voor deze voortdurend armlastige literatoren), schreven mensen elkaar brieven, over hoe het met hen ging, over literatuur in het algemeen en over hun eigen literatuur in het bijzonder, over het weer, over hun kinderen, over de apartheid, over de steeds maar dreigende en erger wordende censuur in hun land, over wel of niet uitgegeven worden, over literaire tijdschriften, over wel of niet een prijs winnen bijvoorbeeld. Over van alles en nog wat. Zoals dat gaat in een briefwisseling.

Maar inderdaad, zoals in de inleiding van het boek staat met betrekking tot bezoek aan Kaapstad door Brink in april '63:  'In die twee dae voordat hy moes terugkeer na Grahamstad, het hulle halsoverkop verlief geraak.' Het onderwerp, het thema 'liefde' is sterk vertegenwoordigd in deze brieven. Heel sterk. Heel hartstochtelijk, en heel fysiek, en heel wanhopig, en uiteindelijk ook fataal voor Jonker, die, voor die ontmoeting met Brink al opgenomen was geweest in een psychiatrische inrichting.

De inleiding tot de brievenuitgave, 'Veroordelende blou woorden op papier', is geschreven door Willie Burger van de Universiteit van Pretoria. Hij weet goed duidelijk te maken dat deze correspondentie niet alleen Liefdes perikelen, maar ook steeds andere onderwerpen aansnijdt, en die weet hij goed aan te duiden. Nochtans vond ik het gemakkelijk om langs die 'andere' onderwerpen heen te lezen en werd mijn aandacht steeds maar weer naar dat zinderende liefdesverhaal gezogen. Dat komt doordat de brieven in het geheel niet geannoteerd zijn. Dat maakt secuur en volledig begrijpend lezen tot een behoorlijke kluif voor iemand die, zoals ik, alles behalve goed op de hoogte is van zowel de Zuid-Afrikaanse geschiedenis als van de Zuid-Afrikaanse literaire wereld van de tweede helft van de vorige eeuw (de gedichten van Jonkman heb ik in huis, van Brink las ik nog geen letter; verder wat hapsnap, Krog maar vooral ouder werk, en Die wit in die poesie, zonder goed besef van 'posities').

Ook de dieptepunten in de persoonlijke relatie tussen Jonker en Brink komen niet heel expliciet  naar voren, om- en doordat die meestal plaatsvonden als ze elkaar in vivo ontmoetten; en dan, tja, vanzelfsprekend, dan schreven ze elkaar geen brieven. Maar precies dat, in combinatie met het ontbreken van geleerd, duidend commentaar, maakt de lectuur van deze correspondentie zo intrigerend en tot een literaire ervaring. Het lijkt me dan ook niet overdreven, zoals Burger suggereert, dat het boek ook goed is te zien als een briefroman, met alle genreconventies die daarbij horen: verloren gegane brieven, brieven die elkaar kruisen, het ontbreken van andere correspondentiebronnen (de bandopnames die ze elkaar sturen, en waar ze wel over schrijven bijvoorbeeld). Het abrupte begin en het dito eind dragen er het nodige aan bij.

En daarmee ben ik toch weer terug bij wat ik elders over het omslag scheef. Jonker lijkt hier enigszins gebruikt te worden, haar naam, haar faam, en haar foto op het omslag van de Afrikaanse uitgave. Dit eens te meer omdat de correspondentie begint met een brief van Brink, daarna vooral zijn kant van de correspondentie weergeeft (omdat die nu eenmaal beter is geconserveerd en toegankelijk is, want de brieven en kopieën komen uit zijn nalatenschap). Naar het slot van de correspondentie (en de relatie) overweegt opmerkelijk genoeg Jonkers - steeds wanhopiger - bijdrage, maar de laatst brief is van Brink en die is desastreus: hij schrijft op 27 april 1965, nota bene na eerst doodleuk Eliot aangehaald te hebben - April is the cruellest month - dat hij een nieuwe geliefde heeft: 'Ja. Ek was toe by haar. En ons het saam geslaap.' Het slot van dit drama is bekend maar blijft uiteraard onbeschreven in de brieven. 




vrijdag 14 oktober 2016

Marc Reugebrink, Het huis van de zalmen

Roman. e-book, Amsterdam-Antwerpen, Querido 2016.

Van Marc Reugebrink heb ik dus te weinig gelezen, dat is wel duidelijk nu. Lang geleden, in 2000, las ik Wild vlees, zijn eerste roman, die in 1998 was verschenen; die was destijds (nog) niet aan mij besteed, zie ik in mijn leesdagboek (ik ben ook geen gemakkelijk te paaien, buigzame lezer, ik weet het, eerder een luie feestlezer). Zeven jaar later, in december 2007, las ik Het grote uitstel. Dat boek heb ik 'gretig ten einde gelezen', blijkens mijn volgende leesdagboek (of: leeslogboek, dat is een betere genre-aanduiding; oh, ik zie dat ik dat jaar dit blog was begonnen en deze roman erin noem). Het huis van de zalmen past wat mijn leesplezier betreft heel goed bij Het grote uitstel.

Zonder dat ik heel het oeuvre kan overzien, verre van dat zoals ik al aangaf (Komgrond en Wade staan hier wel in de kast maar die las ik een kwart eeuw geleden), lijkt het erop dat Reugebrink qua compositorische complexiteit in regressie is. Het huis van de zalmen is kraakhelder. Geen door de lezer uit te pluizen en te deconstrueren focalisatiemachinaties, geen dito verteltechnische manipulaties, geen gewaagde metaforiek, om maar wat te noemen. Maar bijvoorbeeld wel deze fantastische vergelijking: "Ze [het meisje van de Noorse slagerij] klonk als een struise Friezin juist voor het melken." Al weet ik niet zo gauw wat de ground van deze vergelijking is (mijn omgang met struise Friezinnen is zeer beperkt). En bewonderenswaardige beschrijvingen van voedsel, van wijnen, van smaken.

De hoofdpersoon, de ik-verteller, Marcel Rüge (die wat betreft naam, leeftijd, woonplaats, familiale omstandigheden wel wat weg heeft van zijn auctor intellectualis) is (mede-) eigenaar van een restaurant, L'Ange perdu. Vandaar die mooie beschrijvingen en vandaar wellicht ook het gegeven dat Marcel wat te dik is. Hij is in Noorwegen van wege een geschil met zijn chef-kok over de smaak van wilde zalm versus die van kweekzalm, duur versus goedkoop. Doordat hij nogal met zichzelf begaan is (maar misschien onbewust niet tevreden) valt het hem niet meteen op dat er berichten op zijn telefoon verschijnen op de momenten dat hij bereik heeft. Dus overvalt het hem dat zijn moeder is overleden. Zijn vader was al overleden. En: zijn zus, Angelique, met wie hij het restaurant heeft opgezet (heette het toen al zo?) is ook al overleden; en later komt hij erachter dat er een eerste broertje of zusje dood geboren is geweest (wist zijn zus dat wel en heet het restaurant daarom zo?).

Maar als ik het zo opteken, wordt het allemaal al te vlak. Je moet de informatie vernemen in de dosering en het tempo waarin Marcel het allemaal vertelt, waarin Reugebrink het presenteert, want juist in de dosering en het ritme van het narratief schuilt een belangrijke component van de pracht van deze roman. Je voelt de versnellingen, de vertragingen, het stijgen naar een ontlading en dan weer de schok van iets onvoorziens. Die smaakbeschrijvingen van weer een wijn en van weer een amuse-gueule zijn er niet om zichzelf of om de hoofdpersoon te typeren of voor de couleur locale, ze bouwen mee, ze dragen bij aan het ritme van de ontwikkelingen (dus: dat ik elders spelenderwijs geprobeerd heb een kleine passage van deze roman ietwat korter door de bocht te formuleren, blijkt in het licht van wat de roman wil nogal onzinnig; iedere uitweiding of vertraging is hier op zijn plaats en heeft een functie en wat mij betreft ook effect).

Was Het grote uitstel al een coming of age-roman, je zou dat ook van Het huis van de zalmen kunnen zeggen, al gaat het daarin over een heel andere levensfase en leeftijd: Marcel komt er door de dood van zijn moeder achter wat het betekent om te blijven leven terwijl al je naaste verwanten eraan gaan. Hoe zeer zijn Suzanne ook met hem begaan is en hem steunt, hij staat er uiteindelijk helemaal alleen voor; een kille bestaanswind slaat hem om de schoften terwijl zijn stal instort, en hij wil mede daarom zijn familiegeschiedenis reconstrueren, eens te meer omdat hij er niet voor heeft durven kiezen de familielijn voort te zetten, ook al wilde Suzanne dat nadrukkelijk wel. Onderwijl gaat hun restaurant naar de gallemiezen. Ook dat nog.

Ik denk dat ik deze roman, nadat ik hem nog eens gelezen zal hebben, liever niet een psychologische, maar een existentiële roman noem omdat er een wijze van zijn in beschreven wordt die als fundamenteel beschouwd wordt door de ik-verteller (nogal wiedes, anders zou hij er niet zo over uitweiden). Indruk- en huiveringwekkend is de levensgeschiedenis van zijn moeder die Marcel na haar dood (re)construeert op basis van haar nalatenschap, vooral de twee breukmomenten: de geboorte van het eerste kind, het verlies van het tweede.

P.S.
22/11/2016
Herlezen. Die regressie die ik hierboven noemde, zit ook in Marcel die de geschiedenis van zijn moeder (of meer in het algemeen: zijn persoonlijke voorgeschiedenis) probeert te reconstrueren aan de hand van wat hij allemaal vindt in haar laatste woonst (iets zegt mij dat er een verbod is met Gesloten huis van Nicolaas Matsier); vooral veel documenten (wat dat betreft is deze roman wellicht ook te vergelijken met het eerste deel van de biografie van Mulisch die Robert Ammerlaan binnenkort publiceert).

Op basis van haar documenten bouwt Marcel een beeld op van het leven van zijn moeder en vindt hij tegelijkertijd zijn eigen wortels terug (en de breuk daarin), en vooral komt de schade daarboven van het ontkennen, verzwijgen van onderdelen van je geschiedenis. In het leven van zijn moeder is altijd een heel ingrijpende gebeurtenis verzwegen gebleven, zowel tussen Marcels moeder en haar echtgenoot, als tussen haar en haar kinderen.

Fraai vind ik dat Marcel verslag doet van zijn (re)constructie op de wijze waarmee Stern in Max Havelaar omgaat met het materiaal in het pak van Staalman. Er staat ook, met betrekking tot een bron van Marcels persoonlijke (voor)geschiedenis, heel Sterniaans: "(Ik heb het hier voor me liggen.)" Aldus wordt de spanning tussen fictionaliteit en realiteit/historiciteit goed voelbaar gehouden.

In Het huis van de zalmen wordt gerefereerd aan de terugkeer van (wilde) zalmen naar hun geboorteplek, terug de rivier op, om daar te sterven. Dat is bijna wat Marcel doet. Vanuit nota bene Noorwegen moet hij wegens het sterven van zijn moeder terugkeren naar Nederland en vandaar keert hij indirect (reconstruerend) terug naar zijn geboortegrond, het noordoosten van Nederland, in een beschrijving waarvan het woord "komgrond" zelfs een keer valt.

Dit gegeven heeft weer te maken met het conflict tussen Marcel en zijn chef-kok Enzo, dat de inzet van, de aanzet tot het verhaal is: Marcel is op de penning en heeft er geen probleem mee om  gekweekte zalm serveren, zolang de smaak maar goed is; Enzo heeft een andere opvatting en meent te kunnen ervaren als kok dat gekweekte zalm geen geboortegrond heeft, "geen huis, geen thuis. Hij kan niet gehoorzamen aan zijn eigen natuur."

In iets andere woorden: Enzo is meer van een aan mindfulnessiness gerelateerde kookkunst, ook al drapeert hij zijn gerechten nogal nouveau cuisinerig op de borden. Maar Enzo vind er dan ook geen graten in om een beest te doden, schoon te maken, te villen en te bereiden. Marcel is wat pragmatischer, naar het schijnt, en gruwelt ervan als je nog het beest kunt herkennen in het gerecht dat op je bord ligt. Maar hij komt er - het gaat niet snel - achter dat hij toch wat essentialia heeft verwaarloosd door die houding. De roman laat wijselijk in het midden of hij dit inzicht overleeft.

vrijdag 7 oktober 2016

Vikram Seth, The Golden Gate

Dertig jaar geleden verschenen; pas zestien jaar geleden in februari 2000, kreeg ik The Golden Gate cadeau, a novel in Verse, geschreven door Vikram Seth, een boek waarvan zelfs de onderdelen 'Acknowledgments', 'Dedication' en 'Contents' de omvang, metriek en het rijmschema van een sonnet hebben, het Shakespeare-sonnet wel te verstaan, evenals de 590 tekstdelen waaruit de 'eigenlijke' roman is opgebouwd. Alles gesteld in een soepel vloeiend en soms ook statig Engels met een bijzonder rijke woordenschat, waarom ik drie maanden later er een tweetalige versie bij kocht met een Nederlandse vertaling door Paul van den Hout. Wat een prachtig-idiote onderneming, zo'n roman in die vorm.

Vandaag sla ik het boek open en begin erin te lezen en denk onmiddellijk: dit ga ik snel moeten herlezen. Ook al om die fraaie beelden, zoals 'Across the pine-serrated sky', zo mogelijk nog fraaier in vertaling: 'langs spargekarteld hemelblauw'.

En dan staat er in de krant dat ene Murakami grote kans maakt op de Nobel-prijs voor de literatuur met z'n akelige, saaie, platte, grijze, graatmagere taal. Wat een onzin.

Lees meer Seth, da's pas vet!

vrijdag 19 augustus 2016

Julian Barnes, The Noise of Time

Jonathan Cape, London, 2016. Hardcover met stofomslag, 180 blz.

Als je 1984 al gelezen hebt, kan je deze nieuwe roman van Barnes niet ongelezen laten. Maar als je The Noise of Time leest, kan je die roman van Orwell overslaan, bij wijze van spreken. Orwell keek, een tikkeltje pessimistisch, zesendertig jaar vooruit en moest allerlei toen nog 'futuristische' technische gebbetjes verzinnen - zoals die overal aanwezige tv-toestellen en camera's waarmee Grote Broer iedereen in de peiling hield - om de boel een beetje dreigend te krijgen. Barnes blikt eenenveertig tot tachtig jaar terug en maakt gebruik van de historische realiteit van het leven van de componist Dmitri Shostakovich (Sjostakovitsj in het Nederlands) in het Rusland, beter: de Sovjet-Unie van Stalin en Chroesjtsjov. In één woord: huiveringwekkend. In een ander woord: strotbeklemmend.

The Noise of Time is een roman, geen biografie. Misschien kan je het een vie romancée noemen.  Volgens het Algemeen letterkundig lexicon is dat een 'Vorm van de biografie waarin het leven van een bekende of beroemde persoonlijkheid verteld wordt in belletristische (geromantiseerde) vorm. De vie romancée staat ten opzichte van de biografie gewoonlijk in een kwade reuk, omdat veel van het feitenmateriaal door de auteur op diens eigen wijze en vaak ten bate van diens held wordt geïnterpreteerd en veel van eigen vinding aan het historisch materiaal wordt toegevoegd. Daardoor krijgt de vie romancée meer het karakter van een historische roman (soms zelfs een psychologische roman) dan een biografie.' 

Niks kwaads geroken tijdens het lezen; zo min als aan Malva van Hagar Peeters. In tegendeel: Barnes weet juist dat rare en ingewikkelde leven van Sjostakovitsj, met al die idiote en tegenstrijdige standpunten, die hij gedwongen werd in te nemen en waarvan er een paar op z'n minst  nogal afkeurenswaardig zijn, angstaanjagend begrijpelijk te maken, juist doordat hij niet als een gewone biograaf zich droog aan de feiten hoeft te houden, maar overal de hand, de pen in heeft en kan doseren, accentueren, weglaten, herhalen, terug- en vooruitblikken, gesprekken kan weergeven alsof hij erbij was, kan tonen wat zijn hoofdpersoon ziet, denkt, voelt. Hij maakt iets onbegrijpelijks enigszins bevattelijk, iets onvoorstelbaars griezelig voelbaar.

Waar ik de rillingen van kreeg was onder andere juist een subjectieve opmerking van de zich doorgaans nogal op de achtergrond houdende, stilistisch zeer beheerste vertelinstantie op een moment dat de componist weer eens dreigt met of denkt aan zelfmoord: hij voegt weer niet de daad bij die gedachte omdat, zegt de vertelinstantie, hem zelfs het zelfrespect ontbrak dat je nodig hebt om zelfmoord te kunnen plegen. Zoiets. Nee, vrolijk is het allemaal niet, maar enorm indrukwekkend.

En toch, en toch, er zit een noot in die alles glans geeft, een toon die Barnes doorheen heel de roman op de achtergrond klinken laat en die hij in de proloog en de epiloog aanslaat, vooral in de epiloog die ongeveer hetzelfde vertelt als de proloog, maar met één klein verschil. Lees maar, maar wel helemaal van begin tot eind; het is het geheel dat de betekenis draagt.

woensdag 3 augustus 2016

Umbrische luim

Item 1 - Virginia Woolf, Mrs Dalloway. Vert. Nini Brunt. Nawoord door Yannick Dangre. De Bezige Bij, Amsterdam 2014. In de reeks van twaalf meesterwerken, uitgegeven ter gelegenheid van de  (moeizame) 70-ste verjaardag van deze mooie uitgeverij. Digitale uitgave naar de tiende druk. Oorspronkelijke uitgave van The Hogarth Ltd. 1925.

Omdat ik vond dat ik weer eens een klassieker moest lezen. En dan ook maar meteen van een vrouwelijke auteur. Waarom het dan weer iets modernistisch wezen moest, is me een raadsel. Maar dat is het.

Deze pil telt in papieren vorm vierhonderd-zeven-en-vijftig bladzijden, en geen enkel hoofdstuk. En jawel hoor: het is een stream of consciousness, zij het een poly-stream of consciousnesses, ook al staat de titeldame centraal. Deze Clarissa is plm. vijftig jaar oud (en guess what de leeftijd van Woolf ongeveer was toen ze het boek schreef) en is getrouwd met een wat saaie parlementariër en doet zelf eigenlijk alleen maar aan society, shopping en the season. En net als zij weer eens een partijtje werpt, komt Peter Walsh opduiken uit India, om even te scheiden en met een Indiase te trouwen, Peter, met wie lang geleden Clarissa eigenlijk beter/liever had kunnen/willen trouwen, Peter die, toen zij destijds evenwel toch voor Richard koos, naar India vertrok, terwijl hij eigenlijk een oogje had op Sally, maar die... en trouwens, Clarissa had toen ook wel wat met die Sally gehad gewild kunnen hebben en zo.

Daarover, en over het verstrijken van de tijd, gaat het. Van oude menschen meets Eline Vere meets Madame Bovary gemengd met een vleug Proust en zo verder. Leitmotiv is, steeds als de goede oude Big Ben weer slaat: 'De loden cirkels losten op in de lucht.' Althans: zo staat het in de vertaling. In het nawoord heeft Dangre het consequent over 'kringen'. In het origineel is steeds sprake van 'leaden circles dissolved in the air'. Niet wordt uitgelegd wat dat motief precies beduidt. Mooi.

Het is wel een aardig trucje, dat Mrs. D. door London loopt om inkopen te doen voor haar partijtje en dat ze onderwijl al die gedachten heeft en af en aan die bronzen klok maar bonst, in de nabijheid waarvan haar man werkt, ook nog eens. Een man die, en vooral wiens werk dat, haar maar weinig boeit: hij is bezig met humanitaire geopolitiek en zij weet het verschil niet tussen Armeniërs en Albaniërs.

Het was, kortom, een lange zit. Hard core modernism, mij krijg je niet enthousiast. Lady Chatterley's lover vond ik boeiender.


Item 2 - Ali Smith, There for but the. London 2011. Digitale editie. Geen idee hoe dik dit boek in papier is. Hoe dikker, te beter.

Ach, ik denk dat het zo zit:

'The story revolves around Miles Garth, who at a dinner party goes upstairs, locks himself in the spare bedroom and refuses to leave indefinitely. He goes on to become a minor celebrity with crowds gathering outside to try and catch a glimpse of him at the window; and merchandize being produced with his name.
The book is divided into four main narrative parts:
  • There : Tells of Anna Hardie, a social worker who knew Miles some thirty years previously, but the hosts of the party find her email address on Garth's phone and they contact her in the hope that she can persuade Miles to leave. Anna recalls her contact with Miles when in 1980 as a 17-year-old she and Miles travelled together on a coach tour of Europe as winners in a short-story competition.
  • But : In which Mark, a gay photo-researcher who invited Miles to the party mourns an old lover and hears his dead mother speaking to him in rhymes.
  • For : Is set in the head of May Young, an elderly lady in a care home suffering from dementia, who has annual contact with Miles.
  • The : Revolves around Brooke, the daughter of two of the guests of the party—and the only person to have contact with Miles since his self-inflicted imprisonment.' 

     (bron: https://en.wikipedia.org/wiki/There_But_For_The)

Maar echt: in geen tijden zo lekker en zo lang en zo geboeid zitten lezen in een boek waar ik minder dan de helft van doorhad. Het is van een niet-opvallend soort troostend absurdisme. Het uitgangspunt, hierboven weergegeven, is te bezopen om los rond te lopen. En als dat toch en langdurig in een zeer geloofwaardig verhaal - of in vier verhalen - is gegoten, dan kan je volgens mij wel schrijven. Vooral die Brook ('I'm broke.' 'Me too.') uit het laatste deel is een juweel, een negen-jarig linguïstisch equivalent van Pippi Langkous. Zij is dòl op puns en schuift voor die Miles Garth steeds The-Fact-Is-That-notities onder de deur door. Maar meer kan ik er nog niet over zeggen; ik ga het snel herlezen.


Item 3 - Gustaaf Peek, Godin, held. Dat las ik twee jaar geleden al een paar keer (zie hier) en het blijft een bijzonder mooi boek (ik heb het nog net niet uit nu). Wel is het zo dat ik er nu meer de tragische kant van zie, de mislukking van die twee levens, terwijl me eerder vooral de kracht van de passie opviel. Vooralsnog denk ik dat beide lezingen wel kloppen. Het is, ook daardoor, een wondermooi boek.



zaterdag 9 juli 2016

Zelden zoiets zots gezien

S.L. van Looy, Amsterdam 1925. Ebook op basis van DBNL-bestand.

Zo zeg, de kop is eraf: eindelijk heb ik De wonderlijke avonturen van Zebedeus uit. Althans het eerste van de drie delen die ervan in 1925 verschenen. Ik zou dus ook kunnen zeggen dat ik de oorspronkelijke versie heb gelezen, die uit 1910, want ik geloof niet dat Jac. van Looy daar veel aan veranderd heeft in de tussentijd. Maar zelfs dat deel heb ik nog niet geheel uit, want ik las de 'Bijlagen' nog niet. Mijn e-reader zegt dat ik nu pas 76% gelezen heb. Er komt dus nog een kwart aan bijlagen bij. Maar ik las ook nog niet de Nieuwe bijlagen (deel 2 van Zebedeus uit 1925), en ook niet de Nieuwste bijlagen (deel 3; die delen 2 en 3 zijn wel allebei geheel nieuw ten opzichte van de uitgave uit 1910).

Hoewel ik zou kunnen zeggen dat ik nu wel de hoofdtekst heb gelezen, onderverdeeld in vier boeken, die gezamenlijk de neerslag vormen van vijftig voordrachtsavonden, gehouden door een onbekende oudere heer en alle handelende over die wonderlijke avonturen van ene Zebedeus, niet echt die oud-testamentische figuur, maar wel een mythisch type. Het boek is trouwens samengesteld door de neef van die oudere heer, na diens dood. Hij noemt zich 'De verzamelaar'.

De avonturen van Zebedeus vormen een wonderlijke, een uiterst wonderlijke geschiedenis, onder andere doordat Zebedeus een fantastische figuur is, een reus onder meer, met soms Gulliveriaaanse trekken. Hij is een groot gedeelte van het boek ook min of meer gespleten; zijn hoofd is dan in de vage wolken en de rest, aangeduid als 'Gedaante' blijft, met een koffertje, achter op aarde. Hierin schuilt in zoverre de kern van het boek dat Van Looy ermee zijn kritiek schijnt te hebben verwoord op de hoge vlucht die symbolisme en mysticisme in de literatuur en kunsten van zijn tijd namen. Je moet wel goed lezen, wil je dat eruit halen. Een probleem voor de tegenwoordige lezer is namelijk dat Van Looy aan enorm veel inmiddels onbekend geworden realia refereert (begrijp ik mede uit een verhandeling van Van Dis uit 1952).

Gek genoeg is Zebedeus eigenlijk een symbolische figuur, maar daar staat tegenover dat hij werkelijk heel dol is op de realiteit; die impressioneert hem diep en menigvuldig, als ware hij een ware realist en inpressionist. Maar gelet op de bij vlagen uitzonderlijke taalmuziek en de voortdurende associatieve verbanden en sprongen waarmee zijn vertelling gepaard gaat, krijgt hij en krijgen zijn avonturen welhaast sensitivistische trekjes. Heel vaak heeft Zebedeus overigens zelf het woord, terwijl hij, reusachtig, over en door Nederland koopt (ik krijg aanvechtingen Nietzsches Zarathoestra te gaan lezen, maar het is vakantie, dus die neiging onderdruk ik met gemak).

Het boek is alles behalve een rechtlijnige vertelling: het zwabbert alle kanten uit en maakt gebruik van allerlei registers, tot en met dat van avant-gardistische woordstamelarij (waarmee ik niet bedoel dat avant-gardisme hetzelfde is als stamelarij, maar dat hier steeds de overgang gemaakt wordt van ouderwetse lineaire en chronologische vertelling naar een minder eenduidig en chronologisch discours waar de associatieve ontwikkeling en aandacht voor de loutere vorm de overhand lijkt te krijgen, en dan weer terug). En dan ben ik nog niet eens aan de bijlagen toegekomen, die onder meer gepaard gaan van een 'Inleiding' en een 'Na-proloog', teksten van 'De verzamelaar', waardoor het geheel begint te lijken op een kruising van onder andere Multatuli's Ideën, Ulysses van Joyce, 'Manuscript in een kliniek gevonden' van Hermans en tal van post-modern-meerstemmige vertelsels waaronder Ship of Theseus van V.M. Straka oftewel S. van J.J. Abrams & Dough Dorst. Dat het boek is uitgegeven door de neef van de auteur speelt hier natuurlijk ook een rol bij. Dat Van Looy alle onderdelen van de tekst eerst in tijdschriften publiceerde, maar onder de noemer van 'Nieuwe bijlagen' ook teksten voorpubliceerde die in andere boeken terechtkwamen en anderzijds onder de titel 'Feesten' teksten publiceerde die hij vervolgens in Zebedeus opnam ook.

Wat me maar niet uit de gedachten gaat, is dat woord 'wonderlijke'. Het doet me denken aan de eerste zin van 'De uitvreter' van Nescio, waarin een Tachtiger-achtig gezelschap van half-onmaatschappelijke kunstenaars wordt geschetst waarvan ik denk dat Van Looy er met gemak in zijn eentje model voor kan hebben gestaan.

En dan te bedenken dat ik dit boek begon te lezen om wat van de context te weten te komen van een verhalend gedicht dat is opgenomen in de Nieuwe bijlagen terwijl 'De [edititechnische amateur] verzamelaar' weet dat het niet geschreven is door zijn oom.

Wordt vervolgd.

zondag 26 juni 2016

Camus, Le mythe de Sisyphe - L'étranger - De vreemdeling

Essai sur l'absurde. Z.p. 1961. Idées NRF. Pocketboek, 166 pagina's (exclusief 'Appendice: L'espoir et l'absurde dans l'oeuvre de Franz Kafka').

Gezellig. Vertrekt vanuit de overtuiging of van het standpunt dat zelfmoord het enige werkelijk serieuze filosofische probleem is.
Juger que la vie vaut ou ne vaut pas la peine d'être vécue, c'est répondre à la question fondamentale de la philosophie.
Een provocatie, zou je kunnen zeggen. Dat het leven irrationeel is, en dat de mens een nostalgische hang naar eenheid heeft, en dat uit de ontmoeting van die twee het absurde oprijst. Het absurde is minder een thema dat Camus hier fundeert, dan een axioma dat hij vanuit alle kanten illustreert en demonstreert. Bijvoorbeeld met een verkenning van collega-filosofen; erkennen die het absurde wel consequent, of niet, dat is dan de vraag. Niet echt, is het antwoord. Iemand als Kierkegaard, om er maar één te noemen, doet zijn best, maar komt toch uiteindelijk uit bij het geloof, het christendom; toen ik dat onderdeel las, dacht ik steeds: credo quia absurdum, maar dat is niet wat Camus bedoelt; Camus hamert op de aporie. Wie in een soort Hegeliaanse synthese probeert te ontkomen aan de paradox, aan de fundamentele aporie van de condition humaine, liegt. Het heeft, vreemd genoeg, iets puberaals, dat ontoegeeflijk en ongenuanceerd vasthouden van Camus. Dat is er ook aantrekkelijk aan.

Op een gegeven moment had ik het evenwel gezien, die herhaling van zetten; het essay is minder een steeds verder uitdiepen dan een nevens elkander schikken van vergelijkbare gevallen. Het onderdeel over Don Juan kon me niet boeien. Maar bij 'Le conquête' kreeg ik de smaak weer te pakken. Het is of Camus tendeert naar een Nietzscheaanse Übermensch als hij de veroveraar schetst in  diens permanente staat van goddelijke verheffing. Daarnaast dacht ik aan Politicus zonder partij - eveneens een puberaal boek vol paradox - aangezien ook Camus voortdurend erop hamert dat je niet achter andermans of anderszins gevestigde ideeën moet aandraven, maar zelf kritisch na moet nadenken en moet blijven nadenken. Wel grappig dat hij juist zo'n idee uitdraagt als onbetwijfelbaar juist. Dus als ik Camus goed heb begrepen, moet ik mijn twijfels hebben bij zijn overtuigend absurdisme. Maar als ik die twijfels heb, treed ik meteen weer in zijn spoor. Zo is het nooit goed. Absurd.

Het scheppen van kunst, weet Camus, is geen vlucht uit, maar juist een herhaling of en descriptie van de absurditeit. Kunst en filosofie zijn beide mono-toon.

Wel pittig om dit essay in het Frans te lezen. Maar anderzijds: de stijl van Camus is behoorlijk uitgebeend, geloogd en gepekeld. Bevat betrekkelijk weinig al te ingewikkelde zinnen, nauwelijks abstracte woorden.

Reden genoeg om dan ook maar De vreemdeling te lezen (of te herlezen, dat weet ik niet meer, want een eerdere lectuur moet heel erg lang geleden hebben plaatsgevonden, onder invloed van de heer Goedhart, door mij en mijn klasgenoten vriendelijk-smalend Boncoeur genoemd). En dan ook doorbijten en echt L'étranger lezen (Edition du groupe 'Ebooks libres et gratuits', 2011).

Alsof je met je neus in de modern-literaire boter, of liever: -halvarine valt. Een en al korte zin, rechte schikking, korte woorden. Weinig diepgang. Schijn die bedriegt, natuurlijk. Maar kaal, geserreerd is het. En liefdeloos, empathie-arm. Abstract eigenlijk ook: wat voor werk die Meursault doet, ik zou het niet weten. Hij heeft evenwel een baas. Lijkt in dat opzicht op Frits van Egters: wat die overdag doet... geen idee. Meursault heeft niet eens een voornaam.

Ik hoef hier vast niet het verhaaltje samen te vatten, dat is bekend genoeg. Hoewel die Meursault nogal onaangedaan doet - wat meteen aan het begin blijkt uit zijn reactie op de dood van zijn moeder - heeft hij toch niet alles in de hand. Als hij, in de dodencel, bezoek krijgt van een irritante aalmoezenier, hoort hij die wel een tijdje aan, maar dan grijpt hij die vent uiteindelijk agressief bij de strot. Opvliegerig typje.

Misschien ook een beetje een probleemtypje. De dood van zijn moeder doet hem mogelijk meer dan hijzelf doorheeft (zoals ook Laarmans in Kaas net doet of het hem weinig doet). Een kleine Freudiaans analyse is er vast al wel eens op deze roman losgelaten. En er is nog wel meer loos met Meursault.

Het tweede deel van de roman, na de moord op de Arabier, als Meursault in het gevang zit, las ik in de Nederlandse vertaling; dat gaat toch sneller en tegelijk grondiger. (Vertaald door Peter Verstegen. Nawoord van David van Reybrouck. Amsterdam 2014. digitale uitgave naar de 33ste druk) Na afloop heb ik even het hoofdstuk met de moord in het Nederlands herlezen. Toen pas viel me goed op hoe on-onopgesmukt onderdelen daarvan zijn, meer in het bijzonder waar het gaat over de zon en de hitte. De vertelling is daar niet langer een koele, zakelijke opsomming van gewone uiterlijkheden. Het lijkt erop of Meusault zich in een context praat waarin niet hem, maar de weersomstandigheden iets te verwijten valt.

Als hij voor de derde maal die dag het over het strand loopt (waarom doet hij dat eigenlijk, klopt zijn 'argument' wel?) en dan de Arabier weer ziet, wordt de vertelling bijna surrealistisch (zie het tweede citaat hieronder), in de geest van passages in Hermans' 'Manuscript in een kliniek gevonden' (en L'étranger is als tekst eveneens een nagelaten bekentenis, of liever: apologie).

De Arabier beweegt niet als Meursault hem nadert.
De brandende zon trof nu mijn wangen en ik voelde zweetdruppels die zich verzamelden in mijn wenkbrauwen. De zon was net zoals de dag waarop ik mijn moeder had begraven en net als toen had ik vooral pijn aan mijn voorhoofd, en al de aderen daar klopten onder mijn huid.
Dan pakt de Arabier een mes:
Het [zon]licht spatte van het staal en het was of een lang glinsterend lemmet mijn hoofd raakte. Tegelijk droop een straaltje zweet dat zich had opgehoopt in mijn wenkbrauwen op mijn wimpers en bedekte die met een lauw dicht waas. Mijn ogen waren verblind achter dat scherm van tranen en zout. Ik voelde alleen nog de bekkenslag van de zon op mijn gezicht en, onduidelijk, de lichtende kling die opsprong van het mes dat ik nog steeds voor me zag. Dat brandende zwaard beet in mijn oogleden en wroette in mijn pijnlijke ogen. Toen is alles gaan wankelen. De zon heeft een diepe en vurige zucht geslaakt. 
Dit gebeurt, omineus, op een zondag. En inderdaad: op de dag van de begrafenis van zijn moeder schijnt de zon (ook) onbarmhartig. Maar hoe komt het dat er vlak voor de moord op de Arabier opeens sprake is van Meursaults tranen? Het woord 'tranen' komt in de roman vier keer voor, en enkel alleen in het citaat hierboven gaat het over tranen van Meusault, de zogenaamd kille man.

Handig, zo'n e-reader. Opmerkelijk vond ik nog, dat ik, zoekend naar 'zon', veel passages vond met 'zonder' (terwijl, als je in Kloos' gedichten de zon opzoekt, je veel zonde vindt). Een paar voorbeelden:
Ik stond op zonder iets te zeggen
zonder me aan te kijken
Zonder me naar hem om te keren
zonder dat er één stoel kraakte
heeft me toen ingelicht zonder me aan te kijken
Ze knikte me toe zonder een glimlach
zonder brood, want dat had ik niet in huis
maar zonder schittering boven de ficusbomen
Toen antwoordde hij zonder zich om te draaien
met een keuken zonder raam
Toen rookte we nog wat zonder iets te zeggen.
Veel gestoorde contacten, kan een eerste conclusie zijn. Dan klopt het misschien - grotendeels - ook, dat de (roman)wereld van Camus zo leeg is. Des te sterker dat hij zijn essay over het absurde afsluit met: 'Il faut imaginer Sisyphe heureux.'