zondag 13 januari 2019

Nathalie Heinich, Ce que n'est pas l'identité

Gallimard - le débat, z.p. 2018 (édition électronique).

De titel vind ik een pracht van een lokker, want bij identiteit denk ik in allereerste instantie aan iets wat juist is. Het boekje is een prachtige, korte, heel heldere uiteenzetting in zeven hoofdstukken van wat 'identiteit' niet is, gevolgd door een voorzichtige, abstracte omschrijving van wat het wel is; en die omschrijving, dat kan je op de vingers van één hand uittellen, is niet simplistisch.

De zeven negaties (hoofdstuktitels) zijn achtereenvolgens:

L'identité n'est pas une notion de droite (ni de gauche, d'ailleurs)
L'identité n'est ni une réalité objective ni une illusion
L'identité ne se réduit pas à l'identité nationale
L'identité n'est réductible ni à l'assimilation ni à la différenciation
L'identité n'est pas unidimensionnelle (ni même bidimensionnelle)
Il n'y a pas de sentiment d'identité sans crise d'identité
Les troubles identitaires ne sont pas incurables.

Een interview van Bas Heije met Heinich maakte me attent op dit essay. Dat interview is ook al informatief en monter. Dit boekje, dat ik vast na één keer lezen nog niet geheel doorgrond heb, is echt een wonder van helderheid; Heinich heeft een heel lucide betoogtrant, terwijl ze toch bijna geen mogelijkheid voor een nuancerende bijzin ongebruikt laat. Ze voert de lezer heel rustig en docerend mee langs de - als ik dat zo mag zeggen - veelkantige aspecten van 'identiteit'. Een welsprekende  verademing te midden van de hedendaagse botte hijgerigheid die publiek debat heet.


zondag 23 december 2018

Bregje Hofstede, Drift

Roman. Das Mag Uitgevers, z.p. 2018. Paperback. 397 bladzijden. Gratis e-book-versie erbij, of andersom - wat wil zeggen: je mag van Das Mag niet kiezen. Misschien maar goed ook: ik wilde het e-book hebben, omdat mijn kasten echt overvol zijn, maar heb uiteindelijk de papieren versie gelezen... wel weer eens lekker, immers, zo'n dikke emo-pil in handen. Bovendien qua binnenwerk mooi verzorgd. Fijne blad- en zetspiegels (ja, meervoud), goede letter, zowel het grotere als het kleinere romeinse corps, als ook het cursieve. In het e-book gaat dat zetspiegel- en corpsonderscheid, het onderscheid tussen hoofdtekst en ingebedde tekst, helaas goeddeels verloren.

De gelaagdheid van de vertelling, en de inter- of intra-tekstualiteit ervan en de tekstualiteit of schriftuurlijkheid van de ervaringen van de hoofdpersoon, die schrijfster is, en Bregje Hofstede heet, en een romandebuut achter de rug heeft, die gelaagdheid wordt mooi uitgebeeld door het gevarieerde zetwerk.

Leuk is dat het personage Bregje Hofstede gedebuteerd is met de roman De welp, wat dus niet het debuut is van Bregje Hofstede, want dat is De hemel boven Parijs (2014), en dat delen van die roman in deze roman zijn opgenomen, in een kleinere letter dan de rest en met behoud van zijn 'oorspronkelijke' paginanummering. Maar na zo'n De welp-passage blijkt ondertussen de numeroteur van de Drift-pagina's ook door te hebben geteld. Dat spel met paginanummers ben ik, als mijn opmerkzaamheid en herinnering me niet in de steek laten, nog niet eerder tegengekomen in een roman.

In een interview met Hofstede (excuus, geen link) las ik dat De welp wel een roman-in-aanbouw was van de echte Bregje Hofstede, maar dat die integraal in de prullenmand terecht is gekomen, alhoewel blijkens de 'Verantwoording' achterin Drift onderdelen ervan zijn voorgepubliceerd in Revisor en Das Magazin. Met een hoofdpersonage, een auteur en twee debuten zitten we, nog afgezien van al de andere citaten en quasi-citaten, lekker tussen de feit- en fictiepuzzelstukjes.

Een beetje slordig is dat het eerste deel (hoofdstuk?) uit De welp begint op een pagina met nummer 1. Boeken beginnen in het echt meestal op pagina 7, of, zoals Drift, op pagina 9.

Maar mooi weer vind ik dat de roman eindigt met het hoofdstuk 'Blik' uit die ingeblikte roman, waarin een jeugdiger heldin (tussen basis- en middelbare school), die nog geen dagboeken bijhield, zich een weg baant naar haar eigen identiteit.

Over de inhoud van Drift kan ik kort zijn. Op de binnenkant van het voorkaft staat die als volgt weergegeven: 
een onverbloemd verhaal over iemand die wegloopt van huis omdat ze jarenlang wegliep van zichzelf. Over hoe overweldigend een eerste liefde is, totdat die je benauwt. En hoe elk liefdesverhaal uiteindelijk draait om bedrog.
Dat verhaal, dat paradoxaal genoeg onverbloemd heet te zijn, waarin die liefde, die volgens het hoofdpersonage mythisch is, wordt gere- en gedeconstrueerd, beslaat een periode van een bijbels aantal van veertig dagen waarin de wegloopster doolt, op drift is, van haar ankers geslagen. Dat hadden er voor de waarschijnlijkheid best 39 kunnen wezen, lijkt me. De mythe is nu wel heel hecht doortimmerd.

Aan de binnenzijde van de achterflap wordt een zin geciteerd, die me intrigeert: 'Door mijn hele lichaam heb ik het gevoel als na het missen van een trede.' Die deed me denken aan: 'In plaats van fantastisch en benijdenswaardig voelde ik me in Londen zoals wanneer je één stap te veel zet onderaan een trap'. Die laatste is uit de Nederlandse vertaling van Lisa Halliday's Asymmetry, een roman die - gedeeltelijk - ook over een mythisch te noemen en mislukte liefde gaat en waarin ook een roman geschreven wordt, maar die daarnaast nog veel meer biedt en meer open van structuur is, avontuurlijker, en meer nadenkt over de wereld van nu buiten de domeinen waar het navelpluis zweeft.


zaterdag 1 december 2018

Lisa Halliday, Asymmetry

Granta, London 2018 [oorspr. Simon & Schuster, New York, 2018]. Pocket, 271 blz.

Van sommige boeken, romans, en zelfs (?) van sommige debuten, lees je (en dat is mijn generalisering) recensies en denk je... denk ik: 'Interessant... heel aantrekkelijk... kopen!'

Achteraf weet je (weer een rare generalisering; ik bedoel: weet ik) van die recensies niet eens de strekking, qua inhoud, alleen: dat het boek goed, beter, best beoordeeld werd, en wel op grond van criteria die (of: waarvan je er enige) herkent als de jouwe, dan wel deel uitmakend van jouw scala van kerncriteria.*

*En nu valt het me - dit geheel ter zijde - op hoe penetrant het Latijn in onze cultuur is; dat  we afgesproken hebben wel criteria en niet kriteria, wel scala en niet skala te schrijven... en bios af te breken voor koop in plaats van na bio en voor skoop.

Inmiddels heb ik het driedelige Asymmetry in het Engels uit. En ben een beetje verbijsterd.

Nog inmiddelser begonnen aan de herlezing van het boek in de Nederlandse vertaling (de Engelstalige pocket heb ik uitgeleend) in e-boek-uitgave (op basis van de eerste druk, een uitgave van Atlas Contact, 2018).

En jawel, dan vallen er dingetjes op hun plaats. Zoals de referentie aan de uitspraak van Tsjechov, dat wanneer er in hoofdstuk 1 een geweer aan de muur hangt, het in een volgend hoofdstuk wel af moet gaan moet zijn (een Russische bron van Hermans' mus). Hoewel ik nu nog niet precies weet hoe een en ander in elkaar steekt, zie ik wel dat er veel verbindingslijntjes tussen de delen bestaan, en dat ik onder invloed van het leesplezier weer eens de quasi-academische lees-accuratesse uit het oog ben verloren. Signaal van genoegen, inderdaad.

Die Nederlandse vertaling, door Lisette Graswinckel, lijkt me trouwens echt heel erg goed. Dat zeg ik op basis van het gesmeerde leesplezier dat ik eraan beleef en dat, mijns ervarens, vergelijkbaar is met dat van het origineel. En omdat de vertaalster soms heel lepe keuzes maakt, zoals in de volgende zinnen, wanneer Ezra en Alice een afspraak proberen te plannen:
'Misschien in juli. Misschien het weekend van de Fourth of July. We zien nog wel.'
In de bron:
"Maybe in July. Maybe Fouth of July weekend. We'll see." 
(p. 46, in een versie op internet). Dat 'weekend' niet vertaald wordt tot 'weekeinde' is onvermijdelijk in het tijdperk-Van Engelshoven, maar de keuze om in deze context 'Fourth of July' niet om te zetten naar een Nederlandstalige frase is slim, omdat anders de referentie aan de Amerikaanse feestdag Independence Day verloren zou gaan (en dat in een tijd waarin inmiddels volkomen klak- en contextloos het afschuwwekkende 'Black Friday' in het straatbeeld en via advertenties in al de de media verschenen is).

Hier staat tegenover dat ik een beetje teleurgesteld was door de vertaling van een heel mooie zin uit de roman (mede door de context waarin die zin staat opgenomen, dus lees vooral het geheel, de zin staat aan het eind van een een betrekkelijk lange passage waarin beschreven wordt hoe Alice de sensatie ondergaat van een zowel qua beweging als geluid stilvallend New York ten gevolge van een stroomstoring):
A fire engine Dopplered north.
(p. 63, in een versie op internet).  Dat werd in het Nederlands:
Een brandweerauto snelde met dopplereffect uptown.
Dat kon spitsvondiger, denk ik dan. Maar daar staat tegenover dat de vertaling van de zesmaal voorkomende frase 'Shave and a haircut, two bits' weer heel erg goed is: 'Die zien we nooit meer... te-rug.' Lees maar na. Ik noteer er meteen de bekentenis bij dat ik (het beoogde effect van) deze passages in het Engels in het geheel niet begreep, maar in het Nederlands in één keer, en daarna niet begreep dat ik dat Engels niet doorhad.

Des niet tegenstaande: op dit moment van tikken heb ik deel I van de roman in vertaling gelezen; en weer ben ik geroerd door het diep-melancholische sentiment dat daaroverheen ligt, mede tot uitdrukking gebracht door een betrekkelijk slordig ogende vertelwijze. Dialogen, psychologische portretten, sfeerschetsen, gebruiksaanwijzingen, verkiezingstoespraken, honkbalwedstrijdverslagen en wat al niet buitelen over elkaar heen zonder expliciete, lezersvriendelijke overgangen. En opeens, zonder uitzicht op een werkelijk duidelijk afgehechte verhaaldraad is dat deel, 'Zotternij' ('Folly'), ten einde en begint deel II, 'Waanzin' ('Madness'), met een  volkomen nieuw hoofdpersonage, de Iraaks-Amerikaanse econoom Amal Ala Jaafari, als ik-verteller (terwijl deel I een anonieme vertelinstantie heeft die de focalisatie bij de Amerikaanse redactrice Alice Dodge legt), een nieuwe setting en en nieuwe verhaallijn, zo die er al is, maar wel, zie ik nu, met een zekere climax. Dat is  lol van deze roman: je weet nooit waar de verbindingen liggen. En eerlijk gezegd was ik bij de eerste lezing daar niet eens nieuwsgierig naar, het boek boeit sowieso.

Achteraf en bij herlezing (in mijn geval, althans, ik lees van nature in eerste instantie veel te argeloos) valt op hoe strikt de referenties zijn; dat bijvoorbeeld het personage Alice in deel I mogelijk de niet met name genoemde schrijfster is, aan wie waaraan Blazer refereert in deel III, waarin een interview wordt uitgeschreven uit een BBC-radioprogramma The Desert Island Discs, waarin Ezra Blazer in werkelijkheid natuurlijk nooit te gast is geweest, en dat deze roman, Asymmetry, waarover in deze roman al wordt gesproken, de vrucht is van haar verbeelding. Een zeer geslaagde, natuurlijk overkomende, niet-geposeerde vorm van literaire inter- dan wel intra-tekstuele gelaagdheid. Blazer zegt in het interview:
Een jonge vriendin van me [Alice is decennia jonger dan Blazer] heeft trouwens een zeer verrassende roman over dit onderwerp geschreven. Over de mate waarin we in staat zijn door de spiegel heen te stappen en ons een leven, of eigenlijk een bewustzijn, voor te stellen dat de blinde vlekken in ons eigen bestaan grotendeels invult.
En Blazer benadert de interviewster in deel III met dezelfde woorden als waarmee hij Alice in deel I benaderde: 'Are jou game?'

Of het altijd zo is, weet ik niet, maar het het komt voor dat in een roman op onopvallende manier wordt gereflecteerd op de roman, zoals in de passage uit het net genoemde interview waarin Ezra Blazer uiteenzet dat je als schrijver soms
je personages gewoon hun gang [moet] laten gaan, waar ik mee bedoel, naast elkaar laten bestaan. Als ze elkaars pad kruisen en iets van elkaar kunnen leren, prima. Zo niet, dan is dat ook interessant. En als het niet interessant is, moet je je misschien eens achter je oren krabben en opnieuw beginnen, maar dan heb je de geloofwaardigheid tenminste geen geweld aangedaan.
Geloofwaardig is deze roman zeker. Niet alleen doordat ze volgestouwd is met (referentiële) feiten en gegevens en visies van personages; niet alleen doordat deel twee een benauwende, uiterst breed uitgesmeerde en met terzijdes doorspekte beschrijving is van de Kafkaeske terreur van een moderne, althans post-9/11, douane of grensbewakingsdienst die er maar niet in slaagt te geloven dat de Iraaks-Amerikaanse Jaafari, op weg voor een familiebezoek en op zoek naar zijn broer, eenvoudigweg een tussenstop in London maakt om daar een vriend te bezoeken; niet doordat er zo veel details blijken te kloppen met de werkelijkheid; maar ook en misschien vooral doordat Halliday alle ruimte biedt aan toeval en willekeur, die soms minder toevallig en minder willekeurig blijken te zijn, zonder dat er sprake is van (de illusie van) een hecht doortimmerde en strak geregisseerde literaire 'mythe' om aan alles een diepere zin te geven (die er dus eens te meer is, en wat weer in overeenstemming is met het mensbeeld en de literatuuropvatting die Blazer in deel III formuleert).

Zo, nu ga ik snel de laatste bladzijden van de vertaling her-lezen.
En de bespreking door Jamal Ouariachi in De morgen.

P.S.
09-12-2019
De vertaling ten tweeden male gelezen. Allemachtig, wat een parallellen tussen al die delen. Neem alleen al de opening, waarin Alice een boek leest dat 'vrijwel geheel' bestaat 'uit lange alinea's, met nergens een aanhalingsteken te bekennen', en zich een beetje boos afvraagt 'wat heeft een boek zonder aanhalingstekens nou voor zin'... en dan lees je deel II en ja hoor: geen aanhalingstekens. Maar dat is dan hoogstwaarschijnlijk wel mooi het boek dat Alice zich verderop toch voorneemt te schrijven.

woensdag 10 oktober 2018

Juli Zeh, Neujahr

Roman. Hardcover met stofomslag en leeslint. München, 2018. 191 bladzijden.

Eigenlijk hoort dit leesverslag niet hier, want, nee, echt grote 'Klasse!' vind ik deze roman niet. Ik had me er wel op verheugd, na Spieltrieb en Ons soort mensen. Daarna verscheen nog Leere Herzen, maar de recensies daarvan, althans van Lege harten, waren niet bepaald florissant. Die lectuur sloeg ik dus over.

Maar toen zag ik, onlangs, op de boekenmarkt van het ILFU, opeens deze nog nieuwere roman liggen, en kon hem daar niet laten. Mooi boek. Wel vreemd dat er nu op de tafel waaraan ik dit tik, ook een boek ligt dat veertig bladzijden meer omvat maar even dik is. Ik vrees dat Neujahr materieel een beetje gepimpt is. Met opdikkend esparto-papier, of iets dergelijks. En inhoudelijk met exuberant uitgedijde, breed uitgewalste descripties van heftige, al dan niet ingebeelde ervaringen van personages die onder de indruk van iets zijn.

Nu zijn er romans die gebruikmaken van bijvoorbeeld heel lange, uitgebreide, zeer dun over zeer veel pagina's uitgesmeerde beschrijvingen om de lezer mee te sleuren in de hallucinaire staat van zijn van het dienstdoende focaliserende of vertellende hoofdpersonage. Daarmee wordt het lezen van een dergelijke roman tevens een soort theatrale of schier fysieke ervaring. Als je je er als lezer aan kunt overgeven - en niet botweg doorbladert naar de eerstvolgende witregel - krijgt het lezen van zo'n roman een extra dimensie. Iets dergelijks gold wat mij betreft voor onder andere Solar Bones.

Maar met het lezen van Neujahr had ik meer moeite dan een bijzondere leeservaring. Dat komt misschien mede doordat het verhaal eerst verteld wordt met de focalisatie van een volwassen, in crisis verkerende man, en daarna met de focalisatie van diezelfde man toen hij nog maar een - wat zou het zijn - vijfjarig jongetje was; en daarna weer door de volwassen Henning, die  dan opeens alles snapt wat hij eerder maar niet begreep. Enfin, een heel psychologisch verhaal. Eind goed, al goed.

Nou ben ik al geen groot fan van verhalen met een perspectief van een kind (ik vind het te gemakzuchtig wanneer een volwassen schrijver voor volwassen lezers quasi gaat zitten doen of de wereld nog te ingewikkeld is om te begrijpen - ik vind dat sinds Het bittere kruid moeilijk te verteren, alleen Werther Nieland kon ermee door, maar dat is dan ook zo ontzettend ironisch), maar dit kinderlijke geneuzel over "Oooh, wat zou er nu toch aan de hand zijn?", en: "Wat doet die vreemde  blote meneer daar bovenop mama???" vind ik echt bijzonder langweilig.

Omdat Zeh het schreef, heb ik toch alles gelezen. Neujahr is het verhaal van een echtgenoot, vader en professional in crisis; via hem gaat dit verhaal ook over angst en waarneming. Onder invloed van angst (of stress - is er verschil?) gaat een mens zijn werkelijkheid onhelder, vertekend waarnemen, dingen zien die er niet zijn of ze verkeerd interpreteren. Hoofdpersoon Henning is al piekerend zover geraakt dat hij besluit dat hij zijn leven moet verbeteren: zijn vrouw zou hij meer moeten knuffelen, zijn kinderen zou hij (deeltijd-werker en -vader) meer aandacht moeten geven, en hij zou meer moeten sporten.

Hij begint zijn verbetering met dat laatste, op 1 januari 2018. Onvoorbereid stapt hij op een ongeschikte huurfiets om een vulkanische bergtop te bereiken. Het wordt een wielermarteling, doorregen met persoonlijke reflecties en herinneringen. Eenmaal boven - en dat duurt heel lang eer het zo ver is - belandt hij in een paradijselijke situatie, die hij lijkt te herkennen. Maar hij wordt al snel weer uit dat paradijs gekeild doordat hij iets raars doet. Hij weet niet waardoor.

En dan begint het derde deel van deze roman, het verhaal over Henning als jochie van een jaar of vijf, en zijn tweejarig zusje; ze worden op een dag door hun ouders, die toen nog samen waren, aan hun lot overgelaten, en dat leidt tot een steeds grotere paniek. Het is een eindeloos wanhopig verhaal vol angst en onzinnige vlagen van ongegronde hoop. Het zomerhuis op Lanzarote wordt een smerige puinzooi. In het vierde deel wordt alles duidelijk, heel expliciet.

Neujahr gaat niet alleen over waarnemingen die worden vertekend door angsten uit het verleden; uiteindelijk gaat het boek ook over de misvormende (latere) ervaringen ten gevolge van (vroeger) niet onderkende of erkende reële gevaren of angsten. Interessant als je van een psychologische roman houdt, maar het is erg jammer dat de spiegelingen tussen vroeger en nu (Henning was in zijn jeugd, anders dan hij zeker dacht te weten, al wel eens op Lanzarote geweest) er zo duimendik bovenop liggen; jammer ook dat heel erg lang oningevuld blijft wat voor engs zich ooit precies heeft afgespeeld op die ene enge plek in dat zomerhuis, waarna het meerdere keren onthuld wordt.

Zeker het eerste gedeelte, die langdurige bergbestijging, is best goed te pruimen (ook al is zo'n tocht  als metafoor voor een poging tot inzicht op zijn minst zo oud als de weg naar de top van de Drachenfels, en ook al is de timing ervan - nieuwjaarsdag - niet bijster overdonderend origineel), maar dat geneuzel van dat jochie is hemeltergend lang van draad - hoewel toch ook een goede weergave van des jongetjes wanhoop - je ontkomt er niet aan begrijpend te knikken bij de rotzooi die hij van zijn ongelukkige situatie weet te brouwen...

Roem van de auteur en verwachting van de lezer op basis van eerdere lectuur beïnvloeden de graad of de aard van het oordeel, kennelijk.

zondag 7 oktober 2018

Lieke Marsman, De volgende scan duurt vijf minuten

Uitgeverij Pluim, Amsterdam-Antwerpen 2018. Paperbackje, 63 blz.

Een bijzonder kleinood. Glashelder. Mengeling van allerlei genres, van poëzie via autobiografie tot pamflet en weer terug. Had ik niet haar vorige boek, Het tegenovergestelde van een mens (2017, naar het schijnt een roman) gelezen en gefascineerd herlezen, dan weet ik niet wat ik van dit tussendoortje had gevonden, eerlijk gezegd. Maar nu dit wel het geval was, nu ik via Twitter al wat meer van Marsmans denkbeelden, standpunten en omstandigheden had vernomen, is dit een extra dierbaar boekje. Met weinig traditionele grenzen, ja.

Lees het, en dus vooral: koop het. "Met [...] wat [...] geluk vult dit boekje [...] het tekort dat in [haar] pensioenspaargeld is ontstaan aan." Schenk haar dat geluk.

zondag 19 augustus 2018

Laurent Binet, HhhH

Himmlers hersens heten Heydrich. Roman. Vert. [uit het Frans] door Liesbeth van Nes. 13e dr. [1e dr. 2010]. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2011. Hardback, wrs. oorspr. met stofomslag, maar mijn exemplaar zonder. 347 blz. (Oorspr. HHhH, 2009)

Mijn stofomslagloze exemplaar van deze roman heb ik of gevonden, of in de ramsj of bij een uitverkoop op de kop getikt, al een tijdje geleden; typisch geval van: 'Wil ik eigenlijk ook nog lezen, destijds goede dingen over gelezen, geloof ik.'

Nou, niks mis mee, om negen jaar na verschijnen een succes-debuutroman alsnog te lezen. Een voordeel van dit late lezen en van het succes dat het boek had en heeft, is dat ik nu vast niet meer het verhaaltje hoef na te vertellen.

De titelpagina geeft het nadrukkelijk aan, en ook de ik-verteller laat er geen twijfel over bestaan: dit boek is een roman. Maar doordat die verteller zo druk doende is met het schrijven en het reflecteren daarop, moet dit ook een meta-roman heten. De naamloze ik-verteller reflecteert van meet af aan over de tekst die hij aan het schrijven is, over zijn personages, of misschien moet ik zeggen: over de figuren in zijn roman, die, doordat dit een roman is, personages zijn geworden, terwijl ze gebaseerd zijn op historische mensen, zoals alles in deze roman stevig gefundeerd is in de werkelijkheid, vooral de afgrijselijke werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog. Daarom wil de verteller, die haast onvermijdelijk gelijk te stellen is aan de schrijver, nadrukkelijk proberen niet(s) te fabuleren. Toch neemt hij, zoals iedere verteller van een historische roman, af en toe zijn toevlucht tot verzinsels, beter gezegd: fictionele reconstructies, maar nooit zonder daar dan weer bij stil te staan.

Deze constructie is dus zeer expliciet en zichtbaar, wat de lezer, deze lezer althans, intrigeert en bij de les houdt, en misschien ook wel om de tuin leidt, want wat kan deze zelfbewuste verteller je allemaal op de mouw spelden wanneer hij per ongeluk of expres eens niet reflecteert op zijn eigen fictionalisering?

Binet heeft voor deze roman mijns inziens de Pris Concourt du Prmier roman (2010) niet voor niets gekregen. Hij heeft enorm veel noten op zijn zang, heeft enorm veel historisch onderzoek gedaan (vermoed ik en vertelt hij - maar anders dan Johnatan Littell in zijn De welwillenden geeft hij geen bronnen), stapelt 257 hoofdstukken van zeer uiteenlopende lengte op elkaar, schiet heen en weer van vertellerstijd naar vertelde tijd en reageert daarbij ook nog op andere boeken en films over 'zijn' onderwerp, waarbij vooral het drie jaar oudere De welwillenden het moet ontgelden, al was het maar omdat de hoofdpersoon daarvan een geheel fictionele constructie is. Bovendien weet Binet zijn verhaal heel goed te versnellen en vertragen, te concretiseren en te vervagen, en heen en weer te slepen naar het historische dan wel het theoretische, tussen het feitelijke en het persoonlijk betrokkene. Mede door dat sterk afwisselende vertelritme komen de gruwelijke feiten van het nazionaal-socialisme ijzingwekkend hard aan. 

Bijzonder is dat toch: dat de werkelijkheid, die je al wel een beetje dacht te kennen, duidelijk(er) wordt door middel van de fictie. Zeker in dit geval, omdat Binet er aandacht voor heeft dat het leven, zelfs het über-georganiseerde nazi-leven, vol zit van stupide toevalligheden, onverklaarbare stompzinnigheden; dat houdt de menselijke maat erin, die de onmenselijkheid van de oorlogsmisdaden des te erger doet uitkomen.

vrijdag 13 juli 2018

Patricia Jozef, Glorie

De Geus, Amsterdam 2017. Hardback met stofomslag. 255 blz.

Debuutroman van de schilderes en filosofe Patricia Jozef (1975). Het boek was genomineerd voor de ANV-debutantenprijs 2018, maar heeft helaas de meet van de publieksjury niet gehaald. Zonder iets ten nadele van de de andere genomineerde boeken te willen zeggen, was ik op grond van de informatie die ik onder andere kreeg door de interviews van Jelle van Riet met de drie auteurs wier werk genomineerd was, tijdens de feestelijke uitverkiezing van het beste debuut van 2017/2018 op 1 juli jongstleden in een zonoverdonderd Dordrecht, het meest nieuwsgierig naar Glorie.

En nu heb ik het boek tweemaal gelezen, en vind ik het inderdaad een intrigerende en goede roman (waar, geloof ik, ook nog eens geen enkele spel-, taal- of stijlfout in staat). Een boek na de eerste keer meteen nog een keer willen lezen, is voor mij sowieso een goed teken, al kan het ook betekenen dat ik niet goed heb opgelet bij de eerste lezing. Een combi kan ook. Ik denk het.

Dat ik niet meteen goed genoeg las, althans niet met oog voor kleine aanwijzingen, die achteraf toch  wegwijzers naar parallellen blijken te zijn en die verbindingen leggen tussen de onderdelen, werd zeker ook veroorzaakt door de luchtige vertelwijze en de opzettelijk confettiachtige verhaalstructuur. Misschien was ook de tekst van Guido Belcanto (serieus) achterop het boek aanleiding om minder vorsend te lezen:
Een tragikomische blik achter de schermen van de kunstwereld, beurtelings aangrijpend, deemoedig en hilarisch, met twee protagonisten die zo levensecht zijn geschetst dat je niet ander kunst dan met ze meeleven.
Daar is geen woord van gelogen. Anderzijds: als ik door dat interview niet een andere verwachting van het boek had gekregen, was ik er naar aanleiding van die blurb nooit aan begonnen; ik kreeg klamme angstvisioenen van een Marijke Höweler-roman.

Maar dit is een goede roman. Hij  bestaat uit twee grote delen en een kort derde deel. Het eerste heet 'Marcel Jacobs', vernoemd naar de ik-verteller, een filosoof die, door middel van een even ludieke als grondige vervalsing van zijn cv na drie jaar qua gebrek aan uitzicht verergerende werkloosheid, zich aan de Antwerpse Teniersacademie weet te verbinden als event manager. Al snel was ik verkocht en verknocht aan deze roman, want die Marcel Jacobs is ongeveer Frans - Kaas - Laarmans 3.0.

Doordat de geschiedenis van zijn carrière voortdurend wordt doorsneden door het verhaal van zijn (samengestelde) gezin en door het relaas van de dreigende teloorgang van zijn moeder, was ik voortdurend nieuwsgierig waar het geheel toe zou leiden. En dat vind ik aangenaam: een verhaal waarvan je niet zowel hier als daar en ook nog eens elders ziet aankomen wat ongeveer het eindpunt zal zijn, of hoe dat eindpunt bereikt zal worden. Dat de goede man, Marcel Jacobs dus, zijn positie wel snel weer kwijt zal raken, lijkt me geen verrassing, maar dat hindert me dus niet. De tragikomische blik die de leer achter de schermen van de kunst(opleidings)wereld gegund wordt, is misschien niet über-origineel, maar toch wel erg leuk; het is bovendien niet de enige verhaallijn, maar een onderdeel van het verhalennetwerk dat zich gaandeweg ontspint (als je dat zo kunt zeggen).

Het tweede deel heet 'Bodine Bourdeaud'hui' en is genoemd naar de (tweede) ik-verteller, een wat leerschool en loopbaan betreft solistische vrouw, die zich met vallen, opstaan, doorgaan, reflectie, herbeginnen en gezwoeg heeft ontworsteld aan haar sociale achtergrond en opgewerkt tot een kunstenares met een forse cult-status. Ze raakt, nadat haar carrière of haar zicht op een ontwikkeling van die carrière op een dood spoor is gekomen, onder invloed van de geboorte van haar zoontje Abel, verzeild in Berlijn, op een congres dat is georganiseerd door de Teniersacademie; die Marcel is daar dan al de laan uit gestuurd.

Beide ik-vertellers leven in en vertellen over hun heden, maar blikken elk ook voortdurend en ver terug op de door hen persoonlijk afgelegde weg. Dus ook wat dat betreft loopt deze roman niet eenvoudig en chronologisch van A via B en zo verder naar het einde. Ja, die Bodine Bourdeaud'hui wordt zeker wel genoemd in het eerste deel, namelijk wanneer Marcel Jacobs bezig is dat congres over The Artist as a researcher in Berlijn op poten te zetten; maar toch... waarom het eerste deel opeens is afgelopen, en waarom daarna die Bourdeaud'hui het vertelheft in handen krijgt, mij was het niet duidelijk - maar daar gaf ik ook niet om: de vertellingen zijn kruidig, geestig, herkenbaar, en verrassend genoeg om snel verder te willen lezen.

Na twee delen van respectievelijk honderd en honderddertig pagina's volgt nog 'Marcel en Bodine', dat slechts zeven bladzijden telt, en waarin een afstandelijke vertelinstantie deze twee personages aan het woord laat en zo de hoofdlijnen expliciet verbindt en de strekking van het geheel verdiept. Marcel zegt daarin: 'Ik zei dat het leven zo in elkaar zit, dat verschillende denkwerelden zich als atomen kunnen gedragen, botsen, samenklitten en zich weer van elkaar verwijderen.' Hij is dan inmiddels begonnen aan een opleiding tot schrijnwerker (zelfs dat komt bij nader inzien niet onverwacht) en vraagt aan Bodine: 'Ken je het verschil tussen een zwaluwstaartverbinding en een pen-en-gatverbinding?'

En nee, dat kent Bodine niet, en ja, dat verschil heeft alles met de thematiek van de roman te maken, en nee, Marcel gaat dat verschil niet in deze roman uitleggen. Ook dat maakt Glorie aantrekkelijk en intrigerend: veel wordt niet verteld, vaak wordt zelfs niet eens gesuggereerd dat wat er weggelaten wordt, wel eens belangrijk zou kunnen zijn. Kwestie van informatiedosering en van perspectief, focalisatie, zo u wilt.