vrijdag 27 april 2018

Julian Barnes, The Only Story

Jonathan Cape, London, 2018. Gebrocheerde hardback met stofomslag. 213 blz.

Dat ene of enige verhaal, een liefdesverhaal wel te verstaan, of: het verhaal over de ene of enige liefde, dat in deze roman verteld wordt, hakt er nogal in. Het speelt zich af ten zuiden van Londen, niet in Londen zelf, in de woelige jaren zestig - waar overigens niets van te merken is, tenzij zeer indirect. Een negentien-jarige jongeman raakt in suburbia verzeild in een overweldigende liefdesrelatie met een tweemaal zo oude, onfortuinlijk gehuwde vrouw. Niemand gaat met hun relatie akkoord, voor zover die bekend wordt, zeker de leden van de tennisclub niet, behalve Paul en Susan zelf.

Maar niets en niemand houdt hen tegen. Zeker niet in het eerste deel van de roman, waarin Paul de ik-verteller is die, ongeveer een mensenleven later, terugkijkt op zijn jarenlange affaire, die daarom al geen affaire meer kan heten, en zijn herinneringen welbewust  noteert; niet de feiten, niet de waarheid, maar zijn herinneringen: 'You understand, I hope, that I'm telling you everything as I remember it?' Overrompelend is dat verhaal van hem en Susan MacLleod. Doordat er een kleine convertible een rolletje in speelt, moest ik soms denken aan Aimez-vous Brahms van Françoise Sagan (The Graduate, om een andere, mogelijke parallel te noemen, ken ik niet).

Die Susan is een apart type, niet alleen omdat ze haar eigen gang gaat, en haar man behandelt als een quantité négligeable, maar ook bijvoorbeeld omdat ze haar dochters, Martha en Clara (even volwassen als Paul), Miss G en Miss NS noemt, welke initialen staan voor Grumpy respectievelijk Not So (Grumpy). Een nog fraaier type is overigens Susans vriendin Joan, die zich nogal fors,  ondersteund door gin, staande houdt na een leven dat helser was dan een in het inferno. Paul is, met andere woorden, niet in een buitenschoolse opvang terecht gekomen.

Het tweede deel, dat na een kleine negentig bladzijden begint, is een mix van ik-vertelling met vooral veel vertelling in de tweede persoon enkelvoud – alsof Paul toch enige distantie neemt. En in dat tweede deel komt er een aap uit de mouw: dat liefdesleven was maar een deel van de herinnerde werkelijkheid: gaandeweg wordt duidelijk dat Susan niet alleen drinkt, maar zich ontwikkelde tot een professionele alcoholiste; en we krijgen te weten waar die verloedering aan te wijten is. Ze gaat volkomen naar de gallemiezen. Paul blijft haar nochtans heel lang trouw.

Het derde deel is (vrijwel geheel) in de derde persoon enkelvoud gegoten. Het gaat over Paul die niet meer met Susan is – het was onmogelijk. Maar wat er precies in dat slotdeel verteld wordt, weet ik niet, want ik ben met lezen gestopt op pagina 174. Het ging me allemaal veel te traag. En: de vertelling is bijzonder eloquent, zeer Brits, zou ik willen zeggen, getuigt van een prima taalbeheersing, kent een rijk vocabulaire, maar is ook van een enorme afstandelijkheid en cerebraliteit, als die twee al niet op hetzelfde neerkomen, zeker waar het gaat om een liefdesgeschiedenis. Paul noteert met gemak zinnen als de volgende: 'No doubt in religious, patriarchal, hierarchical societies, such conflicts continued and still gavethemes to writers.' Buitengewoon kil.

Die wat klinische benadering heeft misschien te maken met het gegeven dat de onervaren negentien-jarige Paul de hele boel wat beschroomd en geïmponeerd benaderde. De steeds grotere afstand(elijkheid), die wordt gesuggereerd door de overgang van eerste naar tweede naar derde persoon enkelvoud, is ook een indicatie van af- of verweer, zelfbescherming; zeer toepasselijk vanuit psychologisch opzicht wellicht, maar naar mijn smaak niet goed voor het verhaal. De geschiedenis is evenwel zo indrukwekkend, dat de roman mijns inziens overeind blijft staan. Maar tegen de achtergrond van de recente lectuur Winter van Ali Smith viel het me wat moeilijk heel enthousiast te worden van de jongste van Barnes. Maar dan nog: een (relatief) sub-optimale Barnes is en blijft een goede, aangrijpende, stilistisch mooi gevormde roman. 

dinsdag 17 april 2018

Ali Smith, Winter

Hamish Hamilton, z.p. 2017. Vrij stug in de rug gelijmde hardback, met half stofomslag, 322 blz.

Deel twee van een seizoenskwartet. Autumn verscheen het jaar ervoor. Wat ik over de structuur daarvan zei, geldt in grote lijnen ook voor dit tweede deel. En ook geldt (of anders: met terugwerkende kracht) dat ik me weer geheel heb laten inpakken door dit boek. Eenmaal gelezen; toen onmiddellijk begonnen aan de herlezing - daar kwam wat tussen; daarna aan de tweeëneenhalfde lezing begonnen, en die - in weerwil van mijn welwillende intentie - toch weer in fragmenten voltooid.

Arthur, in problemen geraakte volwassen man, gaat kerstmis vieren bij zijn - op z'n zachtst gezegd - eigenzinnige moeder-de-zakenvrouw in Cornwall; dat is, lieve lezer, het uiterste, westelijke zuidpuntje van het Verenigd Koninkrijk. Lands End. Finisterre. Arthur heeft beloofd met zijn partner te komen, maar die, ik bedoel: zij, heeft net zijn notitieblok met aantekeningen voor zijn natuur-blog losbladig het raam uit de sneeuw in geflikkerd omdat ze die blog-troep van hem volkomen a-politiek vond; de accu heeft ze uit z'n laptop geschroefd, en de hele handel onklaar gemaakt. Gewoon, door een niet passende schroevendraaier te gebruiken.

Eigenlijk vind ik dit al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Arthur, die in de problemen geraakte volwassen man, durft het bezoek aan zijn moeder niet aan, en paait een min of meer toevallige passante. Of: passante, dat is ze juist niet: ze zit al uren achtereen in een bushaltehokje een vouwblad van een wegwerprestaurant te te lezen. Voor duizend pond is ze, een in het post-Brexit Verenigd Koninkrijk van dakloosheid verzekerde Oost-Europese, bereid drie dagen lang te doen of ze Arts Charlotte is. Fijn... 'maar ik denk,' denkt en zegt Arthur, 'niet dat al die kettinkjes, studs, piercings en wat er al niet meer in je gezicht steekt, erg overtuigend op mijn moeder overkomen'. Probleemloos schroeft 'Charlotte' alles uit haar facie. Arts moeder-lief vraagt, na haar aankomst: 'Kind, weet je wel dat je gezicht vergeven van de gaatjes is?'

Eigenlijk is dit aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek. En dan weet je nog niet eens dat en hoe dit verbonden raakt met het oeuvre van Barbara Hepworth (staaltje ingeweven cultuurgeschiedenis zoals dat over het werk van Pauline Boty in Autumn).

Sophie, de moeder van Arthur, is niet echt een lief persoon. Haar relatie met haar zus, Iris, is totaal verzuurd. Die met Arthur eigenlijk ook. En Iris is een post-protester, een soort overjarige actievoerster. De halve twintigste eeuw komt daardoor over de vloer in dit boek, dat alles behalve een rechtlijnig chronologische vertelling is. Maar ja, kerstfeest. Dus Iris komt voor het eerst sinds decennia weer bij Sophie in huis, op verzoek van Arthur, die ook niet op zijn gemak is met zijn nep-Charlotte, die eigenlijk Lux heet, zoals in Velux. En ondertussen heeft de echte Charlotte de natuur-blog van Arthur gehackt (Art in Nature) en ze belaagt hem via dat blog met wanstaltige berichten en projecten, waardoor er onder meer busladingen vogelaars uit noord- en midden-Brittannië over de vloer komen bij Sophie c.s. om een zeldzame vogel te spotten, Sophie, die overigens door Iris ook Filo wordt genoemd, maar niet naar aanleiding van 'filosophie' [spoiler reduction].

Dit is eigenlijk al aanleiding genoeg voor de conclusie: lees dit boek.

Sophie, die schijnbaar niet heel aardige moeder van Arthur (kortweg Art, wat weer veel aanleiding geeft tot heel melige en heel leuke woordspelingen) heeft een bijzonder ingewikkelde achtergrond met onder meer een reuze melancholische liefdesgeschiedenis - ja, een eennachtwip - waar Arthur het resultaat van is, die zo intens fraai beschreven is, zo snijdend en mooi, dat je zoiets iedereen eigenlijk wel voor eenmaal in het leven toewenst. En daar komt de kracht van Ali Smiths schrijverschap overduidelijk naar voren. Zoals zij de verschillende tijdslagen enerzijds versnippert over het boek en anderzijds thematisch aaneen weet te smeden, is werkelijk om helemaal knapperend haardvuur met goede thee en sloffen aan met een goed boek van te worden.

Dit is aanleiding te meer en genoeg voor de conclusie: lees dit boek, want tegelijkertijd is dit alles behalve een gezellig winteravondverhaal. Het gaat heel hard en nors over nu en de hedendaagse, ongelooflijke waanzin. En het is zo rijk, zo boordenvol. En zo menselijk, als in: comédie humaine, hoe tragisch toch ook. Zo vol verhalen en vol ook van het belang van verhalen. Lees dit boek.




vrijdag 5 januari 2018

Maxim Februari, Klont

Hardback. 270 blz. Omslagontwerp Tessa van der Waals. Prometheus, Amsterdam 2017.

Het boek eenmaal gelezen en onmiddellijk daarna aan deze notitie begonnen, schrijf ik er meteen bij dat ik - hoewel niemand die dit nu leest, het merkt - eerst slechts een aanzetje van die notitie noteer, omdat ik vandaag, en dat is pas vele weken na de eerste lezing, onmiddellijk begonnen ben aan de tweede, en pas daar weer na deze notitie afrond. Maar ik kan dus al wel notuleren dat ik dit een daverende roman vind.

[Beetje slordig, dat ik, nu ik opnieuw voor de tweede maal de roman aan het lezen ben, niet meer weet wanneer ik de eerste notitie noteerde; en ja: 'opnieuw voor de tweede maal', want de eerste herlezing strandde doordat er andere werken in het leesvaarwater verschenen, maar nu, sinds 1 januari 2018 ben ik bezig met de voortzetting van de volledige, integrale herlezing; deze herlezing is dus Oud-en-Nieuw-overbruggend].

Bij een van de boekpresentaties (gek, dat zoiets een meervoudige bijeenkomst is op allerlei plaatsen en tijden), namelijk die in oktober 2017 in een broeiend-warm Brussel, bij De Buuren, viel me – weer – op wat een innemende, intelligente, welbespraakte, meer nog: goed formulerende, erudiete, beleefde en zeer vriendelijke man Februari is, en daarna hoezeer de verteller in/van zijn roman dat ook is, maar dan veel veel minder bescheiden en iets minder fijnbesnaard. Mooi contrast, waar deze roman, meer nog: de centrale personages in de roman volgens mij niet echt helemaal los te zien zijn van de persoon Maxim Februari zoals die zich onder meer uit in zijn column in NRC Handelsblad en in het 3-D-openbaar als romanschrijver.

In zijn prachtige recensie op De Reactor schijft Bart Vervaeck dat deze roman hem doet denken aan Bint (1934) van Bordewijk. Vervaeck vraagt zich zelfs in de titel van zijn bespreking af of deze roman wellicht de nieuwe Bint is. Dat doet hij natuurlijk mede op basis van de bonkigheid van de titels van beide romans. Misschien speelt ook het de prachtige omslag mee. En ook dat er een actuele ethische kwestie wordt aangesneden door middel van een verhaal. Ja. Maar Vervaeck merkt ook op dat Klont bepaald niet zo bondig is als Bint: 'Klont heeft niet de meesterlijke beknoptheid van Bint, maar het is een even dwingend verhaal over maatschappelijke disciplinering.'

Inderdaad. Stel je voor, tachtig jaar later... Het is maar goed ook dat Februari stilistisch niet (meer) bordewijkt. In Klont wordt namelijk narratief juist on-Bordewijks meesterlijk geschmierd, op een wijze die mij veeleer aan Kellendonk denken doet (maar nou ja, die twee, Kellendonk en Bordewijk, liepen op een of andere, namelijk: poëticale wijze ook niet voor elkaar weg). Heerlijk.

Het boek is inmiddels in de pers de hemel in geprezen. En terecht. Mooi, hoef ik dat niet nog eens expliciet te doen.

Klont snijdt een forse problematiek aan (dataficering, plagiaat en kortademige 'nieuws'garing), en tegelijk is het boek zowel luchtig als zeer lucide, en daarnaast complex (of: ik lees te snel en slordig doordat ik me mee laat slepen door de doorgaans luchtige vertreltrant). Als gezegd schmiert Februari in deze roman, zowel stilistisch als narratief. De platte spreektaal waarin een 'hogere' thematiek door sommige personages wordt aangesneden, wil ik noemen als voorbeeld van stilistisch schmieren; de al in het tweede hoofdstuk op het laatste moment ingetrokken maar reeds aangekondigde zelfmoord van een van de hoofdpersonages, Bodo Klein, als voorbeeld van hetzelfde op het gebied van de narratio. Daarenboven lopen er verschillende verhaallijnen door elkaar en verschillende vertellagen. Het eerste hoofdstuk is bijvoorbeeld niet een echt hoofdstuk maar een voorwoord, en het is, afgaande op de titel – 'Alexei Krups schrijft een voorwoord' – door een van de hoofdpersonages geschreven (met aanvankelijk de ironische mogelijkheid dat hij ook de verteller is van de hoofdstukken die handelen over het andere hoofdpersonage, Bodo Klein). Krups is ook het personage dat in het vierde hoofdstuk – 'In de werkplaats van Alexei Krups, de oplichter' – tegen andere personages zegt dat hij een boek gaat schrijven dat als titel zal dragen: Klont. Jawel, in de roman zelf wordt deze roman geschreven... 'For fuck's sake.' Aldus Krups zelf.

En dan is er nog een hoofdstuk waarin Krups en Klein in dezelfde ruimte verblijven: Klein luistert naar een rede van Krups, om meer over hem en zijn vermoede plagiaat te weten te komen. Krups is daarin in de eerste persoon enkelvoud aan het woord, terwijl er in de derde persoon enkelvoud over Klein wordt verteld. Ze komen dus niet echt op een en hetzelfde vertelniveau al bevinden ze zich wel op hetzelfde verhaalniveau, als u begrijpt wat ik bedoel.

En toch oogt de roman nadrukkelijk niet als een klassiek gevalletje (al dan niet: neo-) post-modern vertellen. Vind ik. Hoewel voor deze lezer (nu, dit noterende bij de herlezing, tot pagina 60 gevorderd), niet duidelijk is wie dan weer verantwoordelijk is voor de hoofdstuktitels, die afkomstig lijken uit / ontleend lijken aan een negentiende-eeuwse avonturenroman – wat op zich wel weer een post-modern dingetje is...

Tweeëndertig bladzijden verder, wist ik niet meer precies hoe die romantheorie van Krups in het geheel past, maar dat wordt later opgelost; of eerder al, door pagina 76-77 goed te herlezen. Daar citeert de charlatan Krups een essay van Walter Benjamin over de crisis van de roman: 'Die Geburtskammer des Romans ist das Individuum in seiner Einsamkeit.' En: 'Een roman schrijven, zegt Benjamin, houdt in dat je in je schets van het menselijk bestaan het unieke op de spits drijft. Het met andere mensen onderling onvergelijkbare, het incommensurabele, das Inkommensurable. / Maar in de eenentwintigste eeuw was opeens niets meer incommensurabel.' En dat laatste komt doordat we niet   meer als individuen leven in de gewone, reële werkelijkheid, op de aardkloot, maar als abstracties in een daarvan afgeleide onoverzichtelijke hoeveelheid eenvoudig meetbare (en verhandelbare) gegevens, in de klont.

Voor je het weet, ga je te snel door dit boek heen, bleek me, zoals onder andere bovenaan pagina 93, waar Krups betrekkelijk onbehouwen uit de hoek komt:
Het meisje met wie ik in die begindagen van mijn grote lezing een affaire had, Susan nog-iets, bracht me tijdens onze gezamenlijke uitstapjes in contact met de offline wereld van de rijken, voor wie ze badkamers ontwierp.
Nogal Kellendonkiaans, lijkt me, in de schijnbaar los uit de pols genoteerde bijzinnen, die op de bijbel steunen. En dat 'op de spits drijven', is dat niet vergelijkbaar met Kellendonks oprecht veinzen?

De onderkoelde beschrijving van het apocalyptische noodweer in het hoofdstuk 'Regen en rampspoed' (alleen die titel al, nèt op het randje) past al op het eerste gezicht wonderwel in het verhaal en doet overigens denken aan in wezen niet minder hilarische descripties van ogenschijnlijk realistische scènes in Spieltrieb en Unterleuten van Julie Zeh, Bert Natters Begeerte heeft ons aangeraakt ('De spruitiging' heet het hoofdstuk, meen ik, dat ik hier vooral bedoel), Tommy Wieringa's Joe Speedboot, Peter Buwalda's Bonita Avenue (passim), Kellendonks Mystiek lichaam (partout) en het oeuvre van Bordewijk (integraal). Vergeet ik bijna (vooral het opzettelijke treinongeluk in) De verjaardagen van Hanneke Hendrix.

Op een gegeven moment bekent Krups dat hij zijn eigen succes-lezing pas begon te begrijpen nadat hij er al beroemd mee was geworden en er een reputatie als intellectueel mee had opgebouwd. Maar hij ziet dan in dat het ware verhaal over de klont heel saai zou zijn. Daarom bleef hij liever zijn lezing onveranderd houden over de dood van de roman... 'ik schmierde erop los.'

Zo hoort het, althans: zo kan het leuk worden: in de roman wordt niet alleen de roman zelf pas net  geschreven, ze wordt er ook al in geanalyseerd.

Wel weer vrolijk-makend-vreemd is het gegeven dat de ontmaskering van Krups niet en détail wordt weergegeven, maar op een wat abstracte en indirecte wijze wordt behandeld door datacenter-mannetjes in een hoofdstuk dat uit een thriller-achtige spionageroman afkomstig lijkt.

Het slot is deels menselijk – dat wil hier ook zeggen: data(ficatie)loos – en deels vrolijk, namelijk door de geboorte in Bodo Kleins huis van een nieuw mens (een stiefkleinkind van Klein), en deels zwart, vooral door de totale ondergang van de echt niet volledig misdadige Krups en door de – na zijn loutering – toch nog onverwacht uitzichtloze Sisyphus-situatie waarin de eenzame Bodo Klein zich terugvindt. Bijzonder naar en wanhopig is diens gedachte: 'Kinderloosheid is een vergrijp tegen de gemeenschap' (waardoor deze roman wellicht een even wrange spanning krijgt als Kellendonks controversiële roman eertijds, anno 1986).

Ik geloof d.d. 5 januari 2018 dat ik toe ben aan een derde lezing.

donderdag 28 december 2017

Maartje Wortel, IJstijd

Roman. Digitale uitgave op basis van de eerste druk. De Bezige Bij, Amsterdam 2014.

De eerste keer las ik deze roman in het kader van een college over literaire kritiek, en nu heb ik hem herlezen omdat de eerste-jaars Nederlandse Taal en Cultuur aan de UU de roman moeten lezen in de literair-historische cursus Moderne Tijd. En opnieuw heb ik er zeer van genoten (terwijl ik in de tussentijd Wortels verhalenbundel Er moet iets gebeuren anno 2015 las, die me duidelijk minder beviel, zo weinig zelfs, dat ik in kon stemmen met Arjan Peters' karakterisering 'dertien kleuterverhalen', al vond ik dat één verhaal er duidelijk positief uit sprong).

De tragiek van de romance tussen James Dillard en Marie, de woeste eenzaamheid van de in hotels wonende James en het mesjoche marktgedrag van literair redactrice Monica weet Wortel in een gortdroge stijl prachtig en aangrijpend neer te zetten (en ik ben bang dat het juist die stijl is die me deed stuiteren van ongenoegen bij het lezen van die verhalenbundel uit 2015; gek toch, zoals dat leesplezierkwartje kantelen kan). 

Het boek past helemaal in één van de tendensen die er in de hedendaagse literatuur zijn te onderscheiden. Welke, ga ik hier niet noteren - stel je voor dat studenten de weg naar dit blog weten te vinden... ik wil de goede antwoorden niet verklappen, zo die er al zijn.

vrijdag 22 september 2017

Ali Smith, Autumn

Hamish Hamilton, z.p., 2016. Hardback met half stofomslag, 260 blz.

Deze roman heeft wel wat van een collage. Er zit geen eenduidige, eh: geen rechtlijnige ontwikkeling in. De verhaallijnen zijn verknipt, in stukken, en die zijn niet evident logisch-chronologisch geordend, maar op grond van een ander principe; welk, is mij nog niet bekend. In en tussen de verhaallijnen zelf wordt heel veel gebruik gemaakt van associatieve verbanden, meer dan van wat ik voor het gemak maar even noem: realistische ontwikkelingsverbanden. Het geheel is daardoor heerlijk springerig.

Daar komt nog bij dat er een tamelijk expliciete verteller is, die een hoofdstuk begint met een opmerking als deze:
Here's something else from another time, from when Elisabeth was thirteen, that she als remembers shreds and fragments of.
Een verteller ook die nauwelijks onderscheid maakt tussen vertellerstekst en personagetekst, tussen gesprekken en gedachten, tussen haar ' eigen' verhaal en intertekstuele referenties. Deze roman is een collage.

Maar nu moet ook weer niet de indruk ontstaan dat het maar een zooitje is, want er zit wel degelijk de suggestie van een verhaal in, en wel een rond de personages Mr Daniel Gluck en Elisabeth Demand en haar moeder. Fragmenten van Elisabeths vroege jeugd, haar puberteit, haar adolescentie en haar volwassenheid worden door elkaar gehusseld   gepresenteerd, en steeds is Daniel oftewel Mr Gluck ergens in de buurt, letterlijk of figuurlijk, reëel of imaginair, feitelijk of in Elisabeths gedachten.

Aan het eind van wat misschien zijn leven was, is Gluck ruim over de honderd jaar oud. Aan het begin van het verhaal spoelt hij aan op de kust van wat Rilke wel eens heeft omschreven als 'das gutgelegene, das immersüsse'. Daniel Gluck verkeert dan, in medias res, in een coma, enigszins vergelijkbaar met die van Fransje Hermans in de openingsscène van Tommy Wieringa's Joe Speedboot. Maar voor de rest slaat een vergelijking tussen deze twee romans echt helemaal nergens op. Behalve dat Mr Gluck in Elisabeths gedachten even mythische proporties heeft als Joe Speedboot in die van Fransje Hermans.

Over de bijzondere band die er ontstaat, nee: die er is tussen Elisabeth en Daniel, zegt de auteur ergens
Well. When she walks past his door, music is always playing. His house is full of art. Love and the imagination are connected. And he's different from anyone else she's met. And she already sees him for what he is, past appearance, and that's how he sees her. And a hundred other tiny details. But above all, she, like he, knows somewhere at core as soon as they meet that they're about to be the lifelong friends that they'll become – I have a theory that we do know our lifelong friends, we intuit it as soon as we meet them. It's something about recognition. And love takes all sorts of forms that the cliched archetypes of love don't habitually leave much room for.
Maar ja: ik heb het nu - impliciet - op me genomen, uit te leggen waarom deze roman uitzonderlijk (misschien niet voor iedereen in dezelfde mate goed, maar wel) intrigerend is. Dat komt vooral doordat Smith heen en weer flipt tussen episch en lyrisch, tussen vertellen en dichten, tussen verhaal en taal, wekelijkheid en fantasie, referentialiteit en verbeelding. Dat maakt het boek zo vrolijk, terwijl het toch ook gaat over een land dat naar de gallemiezen gaat ten gevolge van interne verdeeldheid en eenzijdige afzondering van de rest van wat je toch ook als een soort - zij het moeizame - eenheid of gemeenschappelijkheid kan zien (noem het Europa).

De bijzondere band tussen Daniel en Elisabeth is ook een fraai onderdeel. Hoe ze elkaar uitdagen in dialogen (waarin de kleine Elisabeth veel te wijs praat voor haar leeftijd, maar dat maakt in de quasi sprookjes- of droomachtige setting helemaal niet uit), hoe ze met elkaar verhalen bouwen op basis van andere verhalen, hoe ze elkaar herinnerde of verdwenen schilderijen vertellen. En op een steelse wijze is dat een draadje naar een ingeweven essayistische biografie van Pauline Boty, de enige Britse vrouwelijke Pop Art-kunstenaar, die in haar schilderijen de collagetechniek prominent toepaste en wier schilderij Scandal '63 van de aardbodem verdwenen is; dat schilderij refereert aan een politieke leugen, die weer te verbinden is met de politieke leugens die ten grondslag liggen aan de Brexit, die ook in deze roman een rol speelt.

Zo'n roman is het. Lees 'm maar eens.

donderdag 7 september 2017

Ali Smith, Public library and other stories

Hamish Hamilton, z.p. 2015. Hardcover met stofomslag, 220 blz.
Ik las een exemplaar van de speciale oplage gemaakt voor de bekende Britse boekhandels Waterstones, die een exclusief zkv bevat (zie foto beneden).

In The guardian van 3 november 2015 staat een recensie van deze bundel, die ik volmondig (aan het ontbijt, namelijk) instemmend knikkend heb gelezen. Dus volg de link maar die verstopt is in die krantentitel. Het is een heldere bespreking, helderder dan wat ik hier zou kunnen noteren.

Misschien komt dat doordat Smiths schrijven besmettelijk is. En da's niet best voor het gewone dagelijks leven. Je krijgt de indruk dat zij, of de vertellers die ze opvoert, ongebreideld vertelt respectievelijk vertellen en blijven vertellen, daarbij vrijwel geen enkel associatief zijpad in het tekstenbos overslaand terwijl ze toch het (welk?) spoor niet bijster raken.

Daar komt bij dat Smith een bijna absurde aandacht heeft voor woorden en woordbetekenissen, waardoor een vertelling op onverwachte plekken opeens uit het verhaal en in de taal schiet.

Daar komt ook bij dat deze bundel doorstoken is van commentaren van vrienden, bekenden en wie nog meer, die Smith optekende terwijl zij de bundel aan het samenstellen was, en die alle betrekking hebben op het belang van (het behoud van) openbare bibliotheken. En alle verhalen die door deze teksten  omringd worden, zijn weer doorstoken van het rijke gevolg van het bestaan van bibliotheken: ze barsten uit hun hechte voegen van de ingelaste encyclopedische feitjes en van de referenties aan literaire schrijvers en teksten.

Klik om te vergroten

maandag 28 augustus 2017

Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

[ook in de digitale versie die ik las, heeft dit boek als ondertitel] roman. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2017 (e-boek op basis van de eerste papieren druk, 2017).

Als er één ding duidelijk blijkt uit alle - doorgaans positieve, maar tegelijk over de genre-aanduiding struikelende - recensies, dan is het dat dit boek allerlei is, maar geen (doorsnee-) roman. Het is trouwens ook geen verhalenbundel, geen dichtbundel, geen essaybundel, geen verzameling beschouwingen, geen plaatjesboek, geen graphic novel, geen bloemlezing, geen veldboeket zkv's, geen autobiografie, geen klimatologisch rapport, geen onderzoeksverslag, geen wat-dan-ook. Een handiger ondertitel was misschien geweest: literatuur, of: bellettrie. Gemakkelijkste ondertitel wellicht: geen. Of, bij nader inzien, best goed gekozen, deze ondertitel: roman.

Al dat geneuzel in recensies over plot, personages, (thematische) samenhang, klimaatbeschouwing (met als literair-kritisch dieptepunt de opmerking: 'Er is aan Lieke Marsman geen grote realistische romancier verloren gegaan', een gotspe in de orde van: er is aan Lionel Hampton geen groot trombonist verloren gegaan) is een hilarische demonstratie van een klamme generische hokjesgeest. Dit boek is ronduit een literair leesboek, en wel een dat je alle hoeken van je binnenkamertje en de buitenwereld laat zien. Heerlijk. Wat literatuur (onder andere) moet zijn.

Alleen plaatjes staan er niet in; maar voor de rest zo veel wèl, dat ik althans die plaatjes geen seconde miste. Ik was voor de eerste lectuur al wel 'gewaarschuwd', maar dat hielp niet: ik struikelde  blij-verbaasd drieëndertig keer rond in dit boek; en bij tweede lezing vierenzestig keer. Het lijkt me zowel roman, als (quasi-) autobiografie, als ook filosofie, als ook essay, als ook poëtisch, als ook afstandelijk en tevens navelstaarderig beschouwend, poëticaal, sekse- en/of gender-kritisch, eco-kritisch, nou ja, dat doet er allemaal ook niet toe. Het is een leesfeest, dat tegelijk een feest van verwarring in je hoofd veroorzaakt.

Dus: nee, het boek biedt geen antwoorden, geen eenduidige antwoorden in ieder geval. Maar het stelt wel veel zaken aan de orde, en legt tegelijk uit waardoor de aangekaarte problemen zo problematisch zijn. Als ik er een les uit zou moeten trekken, dan deze: dat de mens eindelijk eens zou moeten leren bescheidener te zijn; een les die Marsman opmerkelijk genoeg duidelijk probeert te maken door als naamgeving van het huidige geologische tijdvak voor te stellen: het antropoceen. Een paradox meer of minder,  zoals ook die van de genre-aanduiding, - Marsman draait haar pen er niet voor om met een schijnbaar luchthartig schrijfgemak. Knap, zeker waar het boek enerzijds navelstaarderig zou kunnen lijken, maar het dat toch niet is. Het schiet maar heen en weer van literatuur naar filosofie naar eco-pessimisme naar liefdesverdriet naar de wereld en naar de lezer en weer terug.