woensdag 29 februari 2012

Huub Beurskens, De hemelse kamer

Wereldbibliotheek, Amsterdam 2012. Paperback met flappen, gebrocheerd, 335 bladzijden.

Mooi boek, materieel bezien, bijvoorbeeld door het licht getinte papier. Wervelend boek, inhoudelijk bezien. Beter nog: verteltechnisch bezien. Voor alle duidelijkheid moet ik misschien aangeven dat ik vooringenomen begon aan de lectuur: Beurskens' poëzie en essays heb ik met groot genoegen genoten. Maar ook: zijn proza ken ik ongeveer niet. Popelend lezen, dat was het.

Op het achterplat staat dit: 'Een man wordt wakker naast een jonge vrouw die sprekend lijkt op zijn jeugdliefde. Een nachtmerrie begint.' Niet bepaald een tekst die mij naar een boek sleurt. Gelukkig klopt de tekst niet, of niet helemaal, of niet in essentie; zoals wel vaker het geval is met wervend(bedoeld)e flapteksten. De roman begint niet met deze scène, en eindigt er ook niet mee. De roman zit zo vol met ontmoetingen en personages dat ik nu zelfs niet durf te zeggen dat ik die scène wel bewust gelezen heb. Of juist meerdere keren. Wat wel weer klopt met het begin van de roman: 'Waarom volstaat het niet als een wolf te huilen, als een zeboe te loeien, als een leeuw te brullen of als een muis te piepen? Aan elk verhaal gaan altijd weer verhalen vooraf.' Dat is het tegenovergestelde van een open einde.

De roman begint (uiteindelijk toch wel) als een zwaar aangezet verslag van een onmogelijke jeugdliefde door Lino Nomellini. Bekende gegevens, clichés: puberjongen, pubermeisje, halfmediterrane afkomst, iets geheimzinnigs in het verzet van Lino's moeder tegen zijn omgang met Inés, middelbare school, geheime plek in het bos, veel lyrisch gedoe, de plotselinge verdwijning van Inés. En dat allemaal achteraf beschreven door de inmiddels niet meer jonge man Lino Nomellini, die dan hoboïst is, met alle mogelijkheden tot con- en intertextuele uitweidingen (een informatief boek is het dus ook). Vervolgens een leven lang dromen van Inés, haar overal zien, herkennen, en zelfs iemand die eruitziet zoals Lino zich had voorgesteld dat zij eruit zou zien als tweeëntwintigjarige. En nog vele verwikkelingen meer met look-alikes met hier of daar een herkenbaar sproetje (of niet).

Het vreemde is dat het verhaal, Lino's vertelling, welhaast voortdurend over de top is, om het zo eens te zeggen. Neem deze passage: 'En meer dan eens verzuchtte zij in mijn armen dat ze het nauwelijks nog langer dacht te kunnen volhouden, dat ze me, "Lino", eigenlijk, "Li-no", eindelijk, "O, Li... no...", in haar wilde hebben, "nu, hier, helemaal, ik droomde er zelfs van, het zalige gevoel alsof er onophoudelijk gulpen warm water in me binnenzwalpten."' Je moet maar durven. De pathetiek. Maar wel zorgvuldig geformuleerd (bijvoorbeeld dat kleine crescendo met drie vormen van ´Lino´ en dat 'eigenlijk' en 'eindelijk' ertussen, en 'binnenzwalpten' dat weer uit een heel ander register is. Daardoor ben je voortdurend te gelijk aan het lezen en aan het reflecteren over wat je leest.

En dat in een arabeskrijke stijl, met vaak schaamteloos lange enumeraties en dito kronkelende zinnen die allemaal feilloos kloppen en welbewust geformuleerd zijn. Opmerkelijk: ergens gebruikt Beurskens de vreselijke stoplap 'op een of andere manier' maar het is geen ondoordachte stoplap, maar welbewust taalgebruik waar hij - of de dienstdoende verteller - enkele regels later op terugkomt. Op dezelfde bladzij geeft hij me eindelijk het woord voor de typische geur van voorheen mijn kleuterschool: de looigeurende populieren. Geweldig.

Die fenomenale taalbeheersing ken ik uit zijn poëzie. Het enigszins larmoyante verhaal, voor een deel een soort remake van 'Larrios' uit Slauerhoffs Schuim en asch, past echter niet in mijn Beurskensbeeld. Maar als gezegd: daar komt bij dat ik tegelijk voortdurend dacht bij het lezen: dit kan niet, dit klopt niet, dit gaat ergens ontsporen. De verteller, Lino, gedraagt zich te afstandelijk; hij richt zich te vaak en te expliciet tot de lezer ('u') in reflecties op zijn eigen geschiedenis en tekst, om door te kunnen gaan voor een doorsnee oud-kalververliefde.

De roman ontspoort inderdaad, de vertelling wordt - het is beter het zo te zeggen - op een ander spoor gezet, om niet te zeggen: op een narratieve fly over. Lino blijkt niet de uiteindelijke verteller van dit verhaal te zijn; hij is zelf onderwerp van een tekst, ondergeschikt aan een andere verteller, die personage was in zijn vertelling. In zijn eigen vertelling was Lino al enerzijds een vertellende en anderzijds vertelde ik-figuur; dat is niet bijzonder, maar vervolgens blijkt hij in zijn geheel ingebed te zijn in een andere, nauw verwante, maar 'hogere' vertelling, en blijkt ook de tot dan toe met 'u' aangesproken lezer niet de echte lezer te zijn, maar een personage binnen die omkaderende vertelling. En daar blijft het niet bij. De vertellagenontwikkeling gaat duizelingwekkend verder. Dit is een roman waarvan je in een bespreking de verteltechniek eigenlijk niet uit de doeken moet doen, om de lol voor de lezer niet te bederven.

Ik sla hier dus maar het nodige over. Het laatste hoofdstuk heet 'Naschrift'. Daarin kantelt de gehele vertelling nog een keer, en neemt weer een ander het woord, de macht over het woord over. Vreemd genoeg is dat een leraar uit Amsterdam die ooit die Lino Nomellini, die de roman begon te vertellen, in de klas heeft gehad en die, wanneer hij in Madrid is om voor te dragen uit zijn gedichten, de man tegenkomt die in eerdere lagen van de vertelling al een rol speelde. Het kan nog doller, want op 13 februari 2012 was ik aanwezig bij de presentatie van de roman; die vond plaats op de school waar Beurskens docent is; en in de aula zaten onder anderen zijn leerlingen, onder wie een die Lino heet; maar die bleek dan weer geen hobo te spelen.

Ik ben een veel te argeloze lezer en heb me volkomen in de luren laten leggen door deze roman. Ik moet het boek herlezen. Al was het maar om te bezien of het klopt dat die achterflaptekst niet klopt. Ik meende me te herinneren dat de eerste 'wissel' in de roman in de buurt van pagina 185 zit. Ik sla net pagina 182-183 op en lees daar het begin van het hoofdstuk 'A mon seul désir': 'Ik werd waarschijnlijk wakker door het gepruttel en gesputter van het koffiezetapparaat of door de geur ervan uit de keuken.' Lino realiseert zich dat hij zich in een hemelse kamer bevindt. Yasmín, de 'jonge vrouw die sprekend lijkt op zijn jeugdliefde' is dan al buiten de sponde. Lino wordt inderdaad niet naast haar wakker. Nou ja, 'waarschijnlijk' niet. Het eraan voorafgaande hoofdstuk, 'Een handgesneden houten fruitschaal', eindigt aldus: 'Ik hoefde niet meer te dromen toen we eindelijk in slaap vielen in de heerlijke krapte van de twijfelaar.' Die sponde heeft, gelet op de vertelstructuur van deze roman, een wel zeer pregnante naam.

zondag 15 januari 2012

Piet Gerbrandy, Smijdige witheid

een vertroosting. Amsterdam 2011.

Dit boek (55 bladzijden), mooi vorm gegeven door Melle Hammer, verscheen medio 2011, en vandaag zag ik dat LiteRom er maar twee recensies van heeft verzameld uit de papieren media; in de gauwigheid googlede ik er nog een stuk of vier digitale besprekingen bij.

Vreemd, ik herlas het vandaag en gisteren drie maal. Omdat het boek me intrigeert, omdat ik het mooi vind, ontroerend zelfs, terwijl het toch in zekere zin zeer afstandelijk, betogend, redenerend, filosoferend is, en niet gemakkelijk toegankelijk; maar ja, wie verwacht dat nog bij de poëzie van Gerbrandy. Hoewel, anderzijds: de zinnen in dit boek zijn volkomen helder, de woorden alles behalve archaïsch en bomastisch-retorisch. Helderheid overheerst de syntaxis en het vocabulaire.

Het lastige, als ik dat zo kan zeggen, van dit boek zit erin, bijvoorbeeld, dat het geen poëzie is. Er zijn wel gedichten in verweven. Dat maakt het boek al intrigerend. Je moet het, denk ik, wel op de wijze van poëzie lezen.

Wat het boek wel is, behalve een vertroosting, is moeilijk te zeggen. Het bevat zeven teksten. Dat zijn geen gedichten, ook geen prozagedichten, en zeker geen korte verhalen. Het eerste zou ik wel in hoge mate een vertelling willen noemen, maar de tweede is vooral een dialoog (inclusief scènebeschrijvingen). Dan volgt een brief, een tweestemmige vertelling, een poëticale beschouwing, een pleitrede of apologie, en tot slot weer een vertelling, en wel een die qua personages aansluit bij de eerste; en die ook aan het eind van die eerste blijkt te zijn aangekondigd in een metafictioneel commentaar: 'Heb je ingecalculeerd dat er altijd iemand kan komen.' In overeenstemming met het onduidelijke, vaak paradoxale karakter van zowel de vorm als de inhoud van dit boek is dat een vraag zonder vraagteken (en dus misschien geen vraag, want de laatste tekst begint met: 'Er is iemand verschenen').

In iedere tekst wordt ruim geciteerd, uit bijvoorbeeld een fictief dagboek, maar vooral veel uit klassieke of minder oude wijsgeren. En in iedere tekst is als gezegd een gedicht verwerkt (niet een bekend gedicht, of een citaat, maar gewoon: een gedicht van Gerbrandy, denk ik). En ja: iedere tekst, en ook het geheel, is voorzien van een motto in het Grieks of het Latijn, aan de voet van de pagina geplaatst, en achterin de bundel voorzien van vertaling en aanduiding van de herkomst (zoals ook in bijvoorbeeld Vriendinnen of Drievuldig, feilloos, vals al het geval was).

Het boek handelt over de liefde, dat is duidelijk, en over de moeilijkheid, de onmogelijkheid van de liefde, over samenzijn en afscheid, over volkomen en onvolkomen liefde. Maar het precieze hoe en wat en waarom en waartoe komt me niet goed voor de geest; de vraag: geef in eigen woorden weer wat de dichter bedoelt, zou ik niet eventjes kunnen beantwoorden zonder de open deur van de ondertitel verder open te zetten. En wat meer is: dat hoeft ook niet, ik vind het boek, zoals ik het nu ken, al heel mooi; en ik ga het binnenkort weer lezen want ik kan die ene passage nu niet terugvinden, iets met: Waar geen blijven kon zijn is weggaan niet erg. Wat ik wel zo kan opslaan is dit, uit 'Een welgeronde bol' (welgeronde, een prachtig woord,ook te vinden in het Hooglied, dat toch een plekje in het WNT zou moeten hebben): 'Ons samenzijn is niets dan een poging de zinnen gaande te houden. Want buiten die zinnen is het wit.'

woensdag 21 december 2011

Robert Anker, In het westen, de laatste trans

Querido, Amsterdam-Antwerpen 2011. 35 blz.

6 December jongstleden was een rijke post-sinterklaasdag. Er verschenen nog twee cultuurcadeaus die het schenken zeker waard zijn; leuk voor onder de kerstboom. Over het denderende album El camino van The Black Keys zal ik het hier niet hebben; luister zelf maar via hun website; het is een schijf met toegankelijke, gevarieerde, snoeiharde, typische Dan Auerbach en Patrick Carney-muziek, waarvan 'Lonely Boy' en 'Little Black Submarines' dit jaar al in de Top-2000 mogen worden opgenomen als je het mij zou vragen.

Op diezelfde dag verscheen de jongste bundel van Robert Anker. En ook die is betrekkelijk toegankelijk, zeker vergeleken met de ruige, straattaalrijke verzameling ge-'kaaanker' gemraad slasser d.d.t., zijn vorige bundel, die in 2009 verscheen. Maar ook nu weer in In het westen, de laatste trans, gaat Anker behoorlijk tekeer tegen de wereld en dan vooral het verval van de cultuur en de moraal, en tegen de onmacht van de dichter. En tegen de platheid, het gebrek aan verdieping en bezinning. Alleen het in plat-Haags gestelde gedicht 'Lèpugikuh' sluit qua taal wel aan bij het getier in gemraad slasser d.d.t.; maar dat platte Haags heeft hier duidelijker een contrastfunctie. Het staat tegenover de letterlijk en figuurlijk meer verheven taal van Jarvaï en Mensoorah, twee personages die het merendeel van het boekje vullen met hun op de laatste trans uitgesproken dialogen (tweemaal in toneelvorm gegoten).

Er is een vergelijking te trekken tussen Tempel en kruis (1940) van Marsman en deze bundel van Anker. Beide dichters zijn ontsteld over hun tijd. Beide dichters hadden hun oeuvre in zekere zin afgesloten voor het verschijnen van weer een nieuwe bundel, door hun eigen werk te verzamelen. Marsman publiceerde in 1938 een selectieve verzameling van al zijn poëzie, proza en critisch proza, Anker verzamelde, zonder selectie, in 2008 al zijn gedichten onder de eerder al gebruikte titel Nieuwe veters. Beiden kijken na dat verzamelde werk niet alleen verontrust naar hun eigen tijd, maar proberen daarin ook hun eigen positie te peilen en te bepalen, mede door terug te blikken op het eerdere werk en hoe dat zich verhield tot de werkelijkheid. Beiden doen dat in een bundel met zeer gevarieerde gedichten; in het geval van Anker variërend van proza, toneel, woordspel en breed uitwaaierende versregels tot korte lyriek en psalmachtige verzen.

Het is opmerkelijk dat Anker niet verder is gegaan met het woeste en woedende register van gemraad slasser d.d.t. maar teruggrijpt op de stijl en de quasi-mythische sfeer van een dichter die hij bewonderde nog voor hij debuteerde, Adriaan Roland Holst (een dichter die net als tijdgenoot Marsman wel wat te foeteren had op zijn tijd). De titel van Ankers bundel refereert aan het avondland dat ook Holst destijds ten onder zag gaan. In het gedicht 'Over de grens' is diens toon het duidelijkst te horen, en zijn bundel De wilde kim wordt er bijna letterlijk in aangehaald, wanneer Mensoorah begint:

Bijna ongemerkt maar zelden onbezonnen - eindelijk
Zijn wij en eindelijk ben jij op die wijze hier gekomen
Jarvaï, bij de laatste trans op de laatste grens
Alleen laag onder de westerluchten ligt nog koud en leeg
Het licht, beneden ruist de brede stem van het einde
Wijl in het oosterveld het nieuwe leven morgent -
Genoeg, dit hoge spreken troost niet meer de mensen
En aan het einde van dat gedicht spreekt Mensoorah Jarvaï zeer aristocratisch toe:
Voer in je woedende banier ELITE als een geuzennaam
Breng het muitende volk in zijn maaiveld tot staan!

In het prozagedicht 'Lichaam mijn verrader' pakt Anker de metafoor van 'het schip van het Zelf' weer op, die al voorkomt in zijn poëziedebuut, Waar ik nog ben (1979), in de afdeling 'Schepen, de rivier'. Daar luidt het: 'U bent met ruimte toegerust, / de lading wacht u onderweg.' Hier: 'Nu gaat het erom cargo binnen te halen en dat gebeurt door te varen.' Navigare necesse est, dus. Tekenend misschien voor de positie van Anker nu, is dat hij deze bundel - waarin hij (althans Mensoorah), net als Marsman, constateert: 'Niemand die je nog leest' - afsluit met een gedicht dat als titel heeft: 'Gestrand'.

Maarrrr de toon van deze bundel als geheel is niet negatief. Er zijn strijdbare en strijdklare figuren aan het woord, die zich te weer stellen tegen de vervlakking. Zelfs de 'Verantwoording' achterin past daarbij:

In deze tijd waarin authenticiteit en originaliteit zo hysterische worden beschermd en opgeëist dat daarmee is aangetoond dat ze niet meer bestaan, is het misschien verstandig erop te wijzen dat dit boek wemelt van de citaten en parafrases van, en reminiscenties aan het werk van anderen - van Elvis Presley en Bob Dylan tot Lucebert en William Shakespeare.
Die laatste roman van Anker, Oorlogshond, ga ik, gesticht door de herhaalde lectuur van deze daverende bundel, toch maar eens herlezen.

donderdag 1 december 2011

Julian Barnes, The Sense of an Ending

Misschien mosterd na de maaltijd, aangezien de Man Bookerprijs al anderhalve maand geleden werd toegekend, maar aan de andere kant doet het geen kwaad, denk ik, op basis van eigen, herhaalde leeservaring te bevestigen dat dit wel een heel fraaie roman is, herstel een heel fraai romannetje, want het ding telt net 150 bladzijden. En met fraai bedoel ik niet alleen de vormgeving, maar ook de inhoud, hoe onspectaculair die in zekere zin ook is. Wat, immers, is er nieuw sinds Emants' Een nagelaten bekentenis (1894)? Man blikt terug op leven, dat hem niet bood wat hij ervan verwachtte, of: waar hij niet uit haalde wat erin zat.

Die teleurstelling verklaart wellicht het zwarte aspect van de vormgeving, een teleurstelling die zijn fundament onder andere blijkt te hebben in de zelfmoord van een middelbareschoolgenoot, op een mislukte liefdesrelatie, in de zelfmoord van een andere, hoger gewaardeerde, filosofisch ingestelde schoolmaat nadien, en in een mislukt huwelijk.

Zo samengevat lijkt dit boek een niemendalletje van dertien in een dozijn. En dat is het niet. Dat komt doordat deze roman onder andere voortdurend reflecteert over wat tijd of geschiedenis is en doet, en wat de mens en wat een individu daarin en daarmee doet. En het komt doordat die Barnes goed, mooi, weloverwogen, gevarieerd kortom heel 'Engels' schrijft. Zoals deze verwoording van het standpunt van sommigen van de klasgenoten van de hoofdpersoon over individu, geschiedenis en verantwoordelijkheid:

The more anarchic, like Colin, argued that everything was down to chance, that the world existed in a state of perpetual chaos, and only some primitive storytelling instinct, itself doubtless a hangover from religion, retrospectively imposed meaning on what might or might not have happenend.
Het boek is, net als dat van Emants, een ik-vertelling; een verteltechniek die me, door het lezen van wat veel debuten de laatste tijd, ver en danig de keel is uit gaan hangen, althans wanneer weer zo'n door de muzen verwaarloosde beginneling er in creatieve wanhoop naar grijpt om er z'n nauwelijks gestoffeerde autobiografie in te verpakken en er de wereld mee in het gelaat te slaan. Zo niet wanneer een door de wol geverfde auteur er gebruik van maakt. Die mag meer omdat hij meer kan, meer stijl heeft.

Wanneer Tony Webster, bijvoorbeeld, bij de familie van zijn vriendin (of bijna-vriendin) logeert en zich niet geheel op zijn gemak voelt, noteert hij: 'part of me felt like stealing some towels, or walking mud into the carpet'. Niet op zijn gemak? 'I was so ill at ease that I spent the entire weekend constipated: this is my principal factual memory.' En als dan eindelijk die kwelling, die in twee en een halve bladzijde wordt verslagen, voorbij is en hij weer thuis is, noteert hij: 'I remember that I had a bloody good long shit.' Dus in zijn stijl heeft Barnes mede de beschikking over een goede doseertechniek en gevoel voor de afwisseling van ernst en luim, platheid en verheffing.

Een en ander had misschien op mij het effect dat ik te gretig doorlas en me te gemakkelijk liet inpakken door de relazen en overwegingen van deze verteller, die met het grootste gemak zijn hele leven uit de doeken doet, van ver in zijn middelbareschooltijd in de jaren zestig der twintigste, tot en met zijn huidige karige, kale en eenzame bestaan in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. En een verteller die bij nader inzien helemaal niet zo sympathiek is als hij soms probeert te lijken, onder andere door heel af ten toe de lezer toe te spreken, zo niet direct, dan wel indirect met frases als: 'Je zou kunnen denken dat...' of met kleine vragen tussendoor, schijnbaar aan niemand gericht, die de vertelling een duwtje geven en tegelijk de sfeer van de intimiteit van een monoloog geven of weer in herinnering roepen. 'And what kind of a trade-off had I got myself into now? A better, or a worse one?'

Door alle mededogen die Tony oproept, al was het maar doordat deze sul niet alle 'historische' lol van de jaren zestig aan den lijve heeft ervaren, vergat ik misschien te veel dat hij steeds een zeer grote tijdsspanne overbrugt, dat er veel afstand is, dat er veel vergeten is, dat er steeds weer documenten verdwenen zijn, dat hij herhaaldelijk en expliciet mensen buiten zijn hier opgediste herinneringen houdt, en dat hij verschillende malen zegt dat hij iets in een rechtszaal al dan niet zou kunnen herhalen: 'Susie [zijn dochter] and I get on fine, as I have a tendency to repeat. And that will do as a statement I would happily swear to in a court of law.' Maar over Susie, die natuurlijk al lang Susan wordt genoemd, krijgt de lezer bar weinig informatie. En wat misschien erger is: van haar krijgt de lezer helemaal niets te horen.

En daar zit de pit. Tony Webster is een volkomen onbetrouwbare verteller, wiens onbetrouwbaarheid minder opvalt doordat hij zich welbewust lijkt te zijn van de moeilijke toegankelijkheid van het verleden, terwijl daar zich wel heel onaangename zaken hebben afgespeeld en hij zelfs zo etterig is om jegens anderen te suggereren dat er zich in het verleden van zijn vriendin Veronica ooit wel eens iets beschadigends voorgedaan zou kunnen hebben. En daar komt bij dat hij dus steeds refereert aan een rechtszaak; alsof hij onbewust weet dat er iets fors mis is, dat niet de geschiedenis of het leven, maar hij zelf in staat van beschuldiging gesteld zou kunnen worden.

Als hij veertig jaar na dato wanhopig in het reine probeert te komen met Veronica, voegt zij, onwelwillend, hem meer dan eens toe: 'You just don't get it, do you? You never did, and you never will.' Hilarisch en tragisch is dan dat deze onwetendheid gespiegeld wordt in een maffe scène in een pub rondom handgesneden patatjes, die Tony liever dun wil dan dik, wat in een dialoog met de barman niet blijkt te kunnen. 'I'm just puzzled. I never realized that "hand-cut" meant "fat" rather than "necessarily cut by hand".' / 'Well, you do now.' / 'I'm sorry. I just didn't get it.'

Irritant is dat ik ook nog steeds niet precies weet wat er nou mis is gegaan in dat leven van Tony, of meer nog in het leven van Victoria; want als er iemand de tragische held van deze roman blijkt te zijn, is zij het wel, hoe weinig ze ook van Tony op de voorgrond mag treden. Dus, met andere woorden, en om voor de duidelijkheid dan maar de roman te parafraseren: I just don't get it, do I? En zo samengevat, is mijn leeservaring een uitwerking van een centrale notie van de roman. Is dit de kwadratuur van de semiotische donut?

maandag 21 november 2011

Willem Jan Otten, De vlek

een vertelling. Eerste druk, oktober 2011, Van Oorschot, Amsterdam. 89 blz. Hardcover met stofomslag; achterin een cd met registratie van de voordracht van de gehele vertelling (plm. 77 minuten) door Otten.

Voor lange, verhalende gedichten heb ik een zwak. Van Ottens epyllion De eend (1975) heb ik zeer genoten, zoals ook van zijn 'oude' werk, tot ongeveer Ons mankeert niets (1994) en Eerdere gedichten (2000). Van zijn Libris Literatuurprijswinnende roman Specht en zoon (2005) was ik evenwel bepaald niet onder de indruk; sterker: ik ben toen een beetje opgehouden met Otten te lezen. Maar dit kleine epische gedicht trok m'n aandacht, ook omdat het een mooi boekje is, gezet uit een mooie letter, de Remer (van Gerrit Noordzij).

Het band- en omslagontwerp is van Christoph Noordzij. Mooi, maar er is iets mee aan de hand. De afbeeldingen van het opslag die op internet te vinden zijn (zoals die ik hierboven gejatplakt heb), zijn beter dan het echte omslag. Op het boek heeft het silhouet van deze fraai 'biddende' kiekendief heel lelijk een lullig oogje gekregen; eigenlijk gewoon een gat in z'n knar; niet bepaald realistisch ook nog (zie de foto van mijn exemplaar hierneven; en vergelijk 'm met deze vroege vogel).

Dat beest speelt een cruciale rol in de vertelling, waarvan het plotje gemakkelijk is te vinden op internet, onder andere bij de uitgeverij. De vlek op de X-ray, bijvoorbeeld, wordt in de proloog al beschreven als 'Een dubbele vorm, een donkere vleermuis zich spreidende wijd over / alles wat long is, een aswolk met vleugels, een omtrek lukkraak / als een aardschol maar even exact als een vlinder, een engel van inkt.'

En het beest komt ook voor in een oerscène in het gedicht (of: het onderdeel) 'Een kiekendief in 1960', en die speelt 'Ten tijde van hun moeders dood', wanneer de tweeling Abel en Ton Kans op vakantie op Vlieland is en vanuit een geheime plek in de duinen omhoog kijkt: 'Daar stond zij, / zwijgend als een vlieger, / wijde brede vleugels / met gespreide vingers, / een dubbele vorm gitzwart / in het tegenlicht. / De kiekendief, zei Abel zacht.' En dan worden ze geroepen; moeder overleden.

Later, als Abel te horen krijgt dat hij een vlek op zijn longen heeft, ontkomt broer Ton 'niet aan weten dat hij, starend / naar het nabeeld van de X-ray dacht: / daar heb je hem dan dus. De kiekendief. / Dit is de kiekendief die altijd op mij wacht.' Tot slot, in de epiloog, realiseert Ton zich, als zijn broer toch gestorven is, zij het niet direct aan de vlek, die immers niet op zijn, maar op Josefssons longen zat: 'kiekendief hangt boven jou, / zingen zul jij aan je broer z'n graf.' En nog wat: broer Abels boot, zijn geliefde vluchtplaats van de wereld, heet Bird, niet alleen als eerbetoon aan Charly Parker.

Die vogel is lot en God in één; het alziend oog. En omdat het al zo duidelijk is, had dat beest op het omslag niet dat suffe oogje moeten krijgen. Het rare is dat ik denk dat Otten er mede verantwoordelijk voor is, voor dat oog. Het strookt namelijk niet met de Noordzijdelingse strakheid, en wel met de al te grote explicietheid van Ottens vertelling, zijn overladen symboliek. Het verhaal speelt zich op één dag af (maar heeft een reikwijdte van zeker een halve eeuw). Niet zo maar een dag, neen: 'Het is dinsdag, de eerste na Pasen, twee duizend tien.' De hoofdpersoon heet Abel, Abel Kans, voormalig fenomenaal saxofonist met de artiestennaam Aby Chance ('wonderen, daar gelooft een Kans niet in'). Wel weer aardig is dat zijn broer, die grotendeels de verteller is, zowel ik-verteller als afstandelijke vertelinstantie in vogelvlucht, niet Kaïn Kans heet, maar gewoon Ton. Net zo goed als het leuk is dat die Ton de hele dag bewakingscamerabeelden bestudeert; past mooi bij zijn rol als verteller. Hij werkt in een ziekenhuis; niet zo maar een ziekenhuis, maar het Onze-Lieve-Vrouwe-Gasthuis, voorzien van kapel waarin een koor het Kyrie van Bach oefent en waarin een bijbel opengeslagen ligt met wijze teksten, en waar een Braziliaanse pater werkzaam is die - nota bene - Josefsson heet (dan moet zijn voornaam wel Jezus zijn). Alsof de verwisseling van de röntgenfoto door een zeven maanden zwangere radiologe, die op dezelfde dag voortijdig van een gezonde jongen verlost wordt, niet genoeg ellende veroorzaakt, is er ook nog een zeventienjarige met de 'ogen van Callas' die een sporttas in 'de hospitaalhal die Lichtstraat heet' achterlaat, waarvan iedereen denkt dat die een bom bevat, maar waarin een vondeling blijkt te liggen, 'het Adidaswonder', en deze Baby Boem komt toevallig of niet in een couveuse naast die van de vroeggeboren Johannes (ja ja) van radiologe Nana. En ook komen pater Josefsson en Abel Kans, de eerste met, de tweede zonder vlek, naast elkaar op de IC te sterven te liggen. Het kon allemaal best wat minder.

Toch heeft deze vertelling ook z'n aantrekkelijke kanten. Dat het zo'n beknopte vertelling is, bijvoorbeeld. Dat Otten zeer vaardig gebruik maakt van uiteenlopende versvormen (van mij had hij echter meer gebruik mogen maken van de ouderwetse, brede, klassieke versmaat, zoals in de proloog) en stijlen en niet alleen Bach noemt, maar ook, bij wijze van existentiële vraag van Abel, 'is dit alles wat er is' citeert, en - een beetje flauw - wanneer een rijnaak langs Ton vaart, wat grasduint in de Nederlandse klassieken: 'Ik lees de boeg, Johan-Christina, de vrouw in het stuurhuis zwaait me toe / en wat ik hoor dat daar klinkt is Sky Radio', en het even gemakkelijk heeft over God als over snot ('etterbak, je lekt, hou daar mee op'). Intrigerend vind ik de wisselende rol van de verteller (personage en alwetend); gevaarlijk de referentie aan internet ('groot muzikant, / straks zoek ik op You Tube / de Cape Town Sessions op, / uw broer leeft in zijn solo's voort') als daar vervolgens niets te vinden is, althans geen saxsolo's; niet erg mooi de vele spaties tussen woorden die aaneengeschreven horen te zijn; pijnlijk het 'ziekenhuiszijl'; bizar soms Ottens woordgeknutsel: 'Ik besef dat ik raaskal, ik roep / om Josefsson, tier Jezus Christus / ik beweeg hemel en aarde, jawel. / Hoe moet ik nog zijn blik vergeten, hoe boosheids gesloten ook zijn ogen', dat soms ook resulteert fraaie passages: 'ademtocht / voor ademtocht, heel het wisse stikken / scheuren smeken om morfine heel / de santekraam van mens onteren'.

Ik ben er, ouderwets gezegd, wat dubbel over.

P.S.
dat is me bij nader inzien een te zwak slot. Dus beter nog iets aantrekkelijks genoemd. De titel van het laatste onderdeel voor de epiloog: 'Er moet nog begrepen worden hoe het is bedoeld'. Want zo is het ook nog een keer: deze vertelling wil niet een rotsvaste overtuiging opdringen. Onzekerheid of verbazing over wat er allemaal gebeurt lijkt te overheersen. En dat is aangenaam.

P.S. II
Vandaag - 25 november 2011 - had ik - misschien een beetje vreemd, maar het is nu eenmaal zo - op de sportschool m'n i-podje mee met daarop de door Otten voorgelezen versie van De vlek. Nieuwsgierig, want ooit heeft Otten me versteld doen staan tijdens De Nacht van de Poëzie. Hij kwam op met geen bombarie (en heel groot is hij ook al niet), ging ontspannen op dat grote toneel in die muziekschuur Vredenburg (1.0) staan, één hand in een broekzak, en stak, geheel anders dan al die andere lieden, helder en volledig uit het hoofd van wal. Impressief.

Kort en goed: de voordracht van De vlek viel me tegen. Te 'dichterlijk' met slepende medeklinkers op woordeinde onder andere. Weinig theater ook. En vooral: dit was de derde keer dat ik de tekst tot me nam, en nu ging die me toch tegenstaan. Die Jezusrol van Josefsson viel me veel meer op (en tegen). Het blijft wel zo dat er ook ruimte is voor afwijkende visies op het leven, onder andere die van dokter Benjamin, maar het goddelijk plan overheerst bij nader inzien. Zelfs die titel van de laatste afdeling - 'Er moet nog begrepen worden hoe het is bedoeld' - is niet slechts een leuk auto/metacommentaar van de verteller op de vertelling; ze is ontleend aan die zalverige Josefsson, en die bedoelt ermee dat we Gods dobbelspel met de mens op die manier maar hebben te accepteren.

woensdag 3 augustus 2011

Vakantielectuur-II

Herman Koch, Het diner. 28e dr. Z.p. 2010 [eerste dr. 2009]. 498 blz.

Mijn coll/e/ega had deze publiekslieveling meegenomen. Zelf had ik er niet aan gedacht, hoewel het alle kwaliteiten van een vakantieboek heeft, en dan doel ik vooral op de materiële.
Het is klein: kan last minute overal tussen gepropt worden en raakt dan niet vervormd of beschadigd.
Het is hanteerbaar: het ligt fijn in de hand, of je er nu mee zit op een kampeerstoeltje, ligt op je kampeermatrasje, of hangt over een kampeertafel om iets van de parasolschaduw mee te kunnen pikken, en zo voort en zo verder.
Het is licht: gaat moeiteloos in de dakkoffer, de rugzak, de handtas of langs de incheckbalie (wat de vriendin van onze dochter met haar 0.7 kg zware Tolkien, die nu thuis op haar ligt te wachten, op Eindhoven Airport niet kon zeggen).
Het is welgevormd: 8 x 11,9 x 1,2 cm, een mooi ingenaaide paperback met linnen rug, en dat boekblok ligt dan weer in een hardcover, alleen aan de achterzijde vastgelijmd, zodat het geheel soepel openvalt; daar is over nagedacht. En leuk: alleen de onderste pagina heeft een paginanummer, waardoor de totale bladspiegel, van het opengeslagen boek, lijkt op die van een reguliere paperback (ook al passen er maar 30 regels op).

Regelmatig sta ik in die uitstalkastjes met Dwarsliggers te staren, omdat ik het van die leuke boekjes vind, terwijl er bijna nooit een mij boeiende titel tussen zit. Wel was ik immer bang, al bladerend, dat het bijzonder dunne papier (Indoprint van Bolloré Thin Papers) tijdens het lezen te veel van de vorige en volgende pagina's te zien zou geven.

Nou, dat lezen is helemaal geen enkel probleem. En dan bedoel ik vooral het - zeg maar - technisch lezen. Het ziet er wel vreemd uit, vind ik, als iemand ergens zit, het hoofd licht geknikt, één hand voor zich uit en verder niks. Pas in tweede of latere instantie zie je dan dat die iemand een Dwarsligger hanteert.

Maar dan het boek als leesplezier. Twee echtparen gaan uit eten, maar daar gaat het niet om. Dus op pagina 180 kletst de ik-verteller nog steeds over allerlei beuzelarijen en lucht hij nog immer zijn hart van afkeer van het gedoe in een voor zijn doen te duur restaurant, waar hij in verzeild is geraakt op uitnodiging van zijn broer die landelijk bekend politicus is die streeft naar het premierschap na de verkiezingen die over een paar maanden gehouden zullen worden, maar die van nul en geen enkel belang zijn voor wat er in deze roman verder nog ter sprake wordt gebracht. Het kletst maar voort, het stelt maar uit, het komt maar niet tot de kern; en dat heet dan wellicht de spanningsopbouw waaraan dit boekwerk zijn kwalificatie pageturner te danken zal hebben.

Op zoek naar zijn vrouw en schoonzus, die het (wat? iets) even allemaal te veel is geworden, bezoekt de ik-verteller het damestoilet: 'Op de plaswand na was de ruimte identiek aan het herentoilet. Roestvrij staal, graniet en pianoklanken. Het enige verschil was de vaas met witte narcissen die tussen de twee wastafels in stond.' (160) Hoezo, het 'enige' verschil? Ik tel er twee.

Veel gedoe ook met mobiele telefoons, en of je die van iemand anders mag inzien om sms'jes te lezen, en of je, als je dat doet, je sporen dan wel of niet kunt wissen; ellenlange verhandelingen daarover. Onzin als deze:
Nog voordat ik mijn hand met het piepende mobieltje weer tevoorschijn haalde, begreep ik hoe de vork in de steel zat. Hoe Michels mobieltje in de zak van mijn jasje terecht was gekomen, kon ik niet zo een-twee-drie reconstrueren, maar ik zag me nu wel met het simpele feit geconfronteerd dat iemand Michel belde: op zíjn mobiel. (178)
En dat gaat nog een stuk verder:
De ringtone klonk behoorlijk luid nu hij niet langer door de afgesloten ruimte van mijn jaszak werd gehinderd, zo luid dat ik vreesde dat je hem tot ver in het park zou kunnen horen.
'Kut!' zei ik.
Het beste was natuurlijk om het mobieltje net zo lang door te laten jengelen tot het vanzelf in de voicemail schoot. Aan de andere kant wilde ik dat het nu onmiddellijk stil zou worden.
Aan de andere kant was ik nieuwsgierig wie er belde.
Ik keek op het display om te zien of ik misschien een naam herkende, maar een naam lezen bleek niet nodig te zijn. Het display lichtte op in het duister, en ook al waren de gelaatstrekken wazig, het kostte me geen enkele moeite het gezicht van mijn eigen vrouw te herkennen. (178-179)
Hoe moeilijk kan je doen over niks?

De babbelaar, want een echte verteller is het niet, heeft heeft de centrale focalisatie maar helaas ook het vernuft van een dodo en bespat al zijn waarnemingen met zijn flodderige overwegingen, zoals in het citaat hierboven, en anders wel met zijn kleverige waarden en normen. Spanning ontstaat in dit verhaal alleen maar doordat de verteller niet in een keer alles vertelt wat relevant is en verder alles wat hij niet weet probeert te vervangen door zijn veronderstellingen.

Zo zal het heel spannend zijn dat je er pas heel laat van op de hoogte wordt gesteld dat de verteller misschien een ernstige ziekte heeft die ertoe leidt dat hij zijn emoties niet op sociaal acceptabele wijze kan kanaliseren en zo nu en dan iemand volkomen in elkaar slaat, liefst door met zijn vuist die iemand de tanden uit de bek te rammen. Hetgeen dan straffeloos gebeurt. Hij mishandelt onder anderen de rector van de school van zijn zoon en heeft al eerder zijn eigen broer met een hete pan in zijn smoel geslagen, maar ook dat bleef zonder kennelijke gevolgen.

Vervolgens wordt natuurlijk verondersteld dat de zoon mogelijk erfelijk belast is, en dat zou dan weer (mede) kunnen verklaren waarom deze met twee neefjes een dakloze bekogeld, in de fik gestoken en aldus vermoord heeft. Dat zou die kinderen dan niet helemaal aan te rekenen zijn, en niemand weet ervan dus zouden ze er geen ruchtbaarheid aan hoeven te geven, maar dat komt die politicus natuurlijk niet goed uit, of juist wel; ligt eraan hoe je het beziet.

Maar omdat dit een vertelling par derrière is, slaat die hele, die schier eindeloze reeks van brokjesgewijze onvolledige informatievoorziening aan de lezer helemaal nergens op. Pageturner? A pig in a poke!

zondag 31 juli 2011

Vakantielectuur-I

Robert Anker, Oorlogshond; roman. Querido, Amsterdam-Antwerpen 2011. 334 bladzijden.

Wat ik vreesde, is werkelijkheid geworden: korte vakantie in Italië, zelfs nog geen twee romans uit; de lectuur van de tweede pas zojuist en thuis beëindigd. En dan te bedenken dat ik ook nog een meer dan zevenhonderd pagina’s dikke Amerikaanse roman mee had. Ballast. Die moet dus ook nog mee naar Engeland, waar ik nog een weekje ga wandelen.

Ten eerste: de jongste van Robert Anker, Oorlogshond. Ongeveer alles van Anker gaat er bij mij in als een preek in een ouderling, en ik geef het Woord ook graag door: dochterlief had, nadat ze eerder Hajar en Daan gelezen had, nu Een soort Engeland van me geleend, voor aan het Gardameer, en zoonlief had voor de terugreis via Oostenrijk Oorlogshond van me geleend. Dus/En ook naar deze, wederom forse, roman had ik de hals gereikt de dagen voor de vakantie toen ik het werk voorprettelijk had aangeschaft. De cover had me misschien moeten waarschuwen. Maar dan, wat is een cover nog in letterland?

Als ik mijn oordeel in één woord moet samenballen: ‘te’. En dat dan te plaatsen voor alles wat / iedere kwalificatie die wellicht de bedoeling was van de auteur: vlot, hip, actief, getapt, lekker leesbaar, dramatisch, erg, heftig, meeslepend, episch; noem maar op. Want het is duidelijk dat Anker daarop heeft ingezet: keiharde, rücksichtlose actie en vertelgeweld. En het moet gezegd: deze schrijver verstaat zijn vak (als ik dat zo zeggen mag); de vertelkunst spat ervan af.

Maar toch: de erg onsympathieke held (wat op zich geen bezwaar hoeft te zijn voor een lekkere lectuur), die te zeer een uitvergroting van een klassieke held is (wat vervelend wordt doordat de verteller geen afstand van hem neemt, maar voluit met hem sympathiseert en zelfs met hem samenvalt), hing me al snel de keel uit. A l l e s lukt hem: studeren (twee studies), kickboksen of iets dergelijks, een professionele militaire opleiding, een doctorsgraad halen in de filosofie (maar liefst summa cum laude), hals over kop leraar worden zonder enige specifieke opleiding daartoe, het eigenhandig hervormen van een onderwijssysteem op een scholengemeenschap, het versieren, veroveren en veelstandig penetreren van allerlei hyperintelligente, voorbevochtigde, jonge, maar wel zelfstandige en juridisch volwassen leerlingen. Wapen nodig? Michiel de Ruyter regelt het. Coke? Geen probleem. Goede ideeën? In overvloed. Relativering? No way. Iemand in elkaar slaan? Hoppa, in een oogwenk en straffeloos voor elkaar. Iemand doden? Even zo gemakkelijk en meer dan eens. Zelfs voor een aartstrouwe hond hoeft hij geen moeite te doen: die volgt en gehoorzaamt hem ex nihilo. Allemaal intertekstueel verantwoord, naar ik aanneem, maar zeer vervelend, doordat de held geen seconde zelfs maar een snipper van tragiek heeft of krijgt, ook niet wanneer een geliefde door zinloos geweld sterft; en nog een. En: alles weet hij beter. Hij kankert er maar op los; niets wat niet Michiel de Ruyter zelf is, deugt; type: Youp van ’t Hek, maar dan met (spier)ballen en zonder brilletje.

Zo veel succes, zo veel geweld, zo veel geld, wapens, seks en overwinningen in zowel studie, vechtsport, wetenschap, autoracerij als duistere oorlogen in Afrika en het oosten van Nederland, daar moet wel een greintje ironie bijgeleverd zijn. Maar ik heb het niet kunnen ontdekken. Zelfs al Michiels leerlingen slagen voor hun eindexamen en de meeste studeren met succes en promoveren daarna ook nog, en blijven idolaat van hun leraar die zich van het nieuwe leren niets aantrekt maar ze even indrukwekkend en frontaal lesgeeft als hij ze lichamelijk bejegent. Doordat deze postmoderne terminator klassieke talen en filosofie heeft gestudeerd, denkt hij overal mee weg te kunnen komen door er een klassieke, met Nietzsche en Heidegger aangelengde, saus van intellectualisme over te gieten (zoals moorden in Afrika kennelijk minder erg is als hij er Homerus bij citeert).

De handelingen van de drie delen zijn gesitueerd in Nederland, een fictief Afrikaans land, respectievelijk een fictieve provincie in het oosten van Nederland die naar autonomie streeft. De drie verhalen over drie episoden uit het leven van deze zich noemende Michiel de Ruyter, spelen zich af in een vage toekomstige periode, wat mogelijk bedoeld is om de ruimte te creëren voor maatschappelijke en sociaal-culturele kritiek zonder werkelijk realistisch te hoeven worden. Dat heeft soms tot leuke vondsten geleid, zoals de naamgeving van politieke groeperingen als Wouters Verjaardag en Voorheen de Moslimpartij. Maar op mij heeft die plaatsing in de toekomst vooral het effect dat de indirecte referenties aan de huidige realiteit/actualiteit er allemaal niet toe doen; het is toch maar fictie; niets dat hier bespot wordt, bestaat echt. Dat, gevoegd bij de al te lomp opererende held, maakt dat de kritiek op het Nederlandse onderwijs in deel 1 te gemakkelijk is, om niet te zeggen gemakzuchtig. Het Afrikaanse avontuur in deel 2 is volgestopt met militair-strategische en wapenkundige beschrijvingen die van ieder actueel belang ontbloot blijven behalve het aanleiding geven tot meer beschrijvingen van geweld en het onfeilbare genie van De Ruyter. Dat geldt ook voor deel 3 waarin de streek Saumerland door een stelletje radicalo’s, bij wie De Ruyter zich om niets aansluit, naar de autonomie wordt gevochten, ten koste van bomaanslagen en vele doden (het is enigszins verwarrend dit na 22 juli te moeten noteren).

Al met al geloof ik dat Anker probeert te betogen dat de kennelijke idealen van deze De Ruyter uiteindelijk loos zijn, geen hogere doelen zijn, maar alleen de glans van zijn eigen ego dienen, of dat nu gaat via de Bildung van nieuwe aristoi in VWO-5, via een op economische belangen van een buitenlandse miljardair gefundeerde stammenstrijd in Afrika, of via het onparlementaire streven naar zelfstandigheid van een Nederlandse regio. Het zal wat.

Wat me aantrok in deze roman, was het begin. Daarin presenteert zich de naamloze ik-verteller als de biograaf van de held, wiens ware naam we niet te horen krijgen; de held laat zich, ook door de biograaf, Michiel de Ruyter noemen. Grapje, waardoor duidelijk wordt dat meneer eerder een mythisch dan werkelijk personage is; iets wat weer goed aansluit bij zijn eerste lessen in klassieke cultuur aan gym 5 of 6, monologische lessen die hoorcolleges lijken en handelen over de aristocraten, elites en het boven de moraal verheven zijn.

Bijzonder aan de verteller is dat hij zich een embedded biograaf noemt. Hij leeft dus letterlijk met de held mee; tegelijk is hij geen personage tussen de andere personages; alleen met Michiel spreekt hij af en toe, wanneer deze weer een passage uit zijn biografie gelezen heeft (waardoor deze biografie dus bepaald geen zuiver, objectief verslag meer is, want Michiel bemoeit zich er actief mee). Echt leuk wordt het als de biograaf zich soms zo inleeft in het leven van Michiel de Ruyter, dat hij de derde persoon loslaat, en het heeft over ‘wij’ en ‘ons’, maar die gezamenlijkheid weer snel loslaat wanneer het gevaar te groot of levensbedreigend wordt; dan schiet de bange biograaf toch maar weer terug in de veilige ‘zij’- en ‘hun’-vorm.

In zekere zin is deze embedded biograaf weinig meer dan de concretisering van een klassieke alwetende verteller. De vraag is evenwel wat deze concretisering toevoegt aan de roman. Het antwoord op die vraag heb ik niet gevonden. In tegendeel: ik denk dat de roman erbij gewonnen zou hebben als Anker had gekozen voor een ouderwetse neutrale vertelsituatie, gecombineerd met een wat kwetsbaarder, tragischer hoofdfiguur, of anders voor een sterker van de held afwijkende verteller, een tegenspeler, een antagonist. Het ontbreekt deze omnipotente De Ruyter aan werkelijk tegenspel en dito tegenslag. Daardoor is in mijn optiek de roman niet geworden wat er op de achterkant staat: 'een harde, verontrustende roman over iemand die alleen staat in een angstaanjagend lege wereld.'

PS (30-12-2011)

Herlezen tijdens kerstreces, wegens m'n grote waardering voor In het westen, de laatste trans. Maar dat heeft niet geholpen. De pathetiek aan het eind van het eerste deel bijvoorbeeld, als die mysterieuze, platonische geliefde, Lot zich in de baan van het schot werpt dat voor Michiel bedoeld is, ik blijf het een draak vinden die scène, ook al probeer ik me te bedenken dat Michiel niet reëel is maar een ouderwetse, een homerische Held, en die Lot een vermomde Godin die de Held bijstaat; en ook de opmerking van de verteller/biograaf 'het werd deerniswekkend' (129) trekt de boel niet in een ander licht. Licht dat alleen heel indirect schijnt wanneer bijvoorbeeld Michiel een nieuwe collega tegenkomt op school, en dat er dan staat: 'Deze was Job.' Dat moet letterlijk uit Bint komen (ik heb het niet nagezocht), die even overdreven (maar veel kortere) roman van Bordewijk.

In het begin van deel II vind ik die verteller ook weer even leuk doordat hij veel explicieter optreedt als personage en tegelijk wat onvolkomener, slordiger wordt als verteller; en het is best wel aardig dat daar in Afrika zich weer een Godin-achtige bij Michiel voegt, Sibongile, zo dat je je ervan bewust blijft dat Michiel niet realistisch bedoeld is maar als een tweede Achilles of zo; maar dat dat mens dan ook weer door lomp geweld aan haar einde moet komen aan het einde van dat deel, is me dan weer drie mijl te veel. Sowieso vind ik dat hele Afrikaanse deel net zo interessant en spannend als, noem eens iets saais: dat geknok en gedoe in de Ilias.

Wel weer aardig is dat in deel III zich, zoals eerder Lot en Sibongile, een hond, Hans gedoopt, zich onafwijsbaar aan zijn zijde voegt (zal wel refereren aan Kapitein Rob en diens Skip, maar De thuiskomst van kapitein Rob vond ik veel beter, ook en vooral dat waanzinnige titelverhaal). En nee, die hond wordt niet doodgeschoten aan het eind, want de roman eindigt een beetje flauw in een quasi voormalig-Russich staatje, waar de held, na zijn volkomen debacle in Saumerland, met zijn nieuwe lief Dakota, en oude hond mogelijk weer nieuwe avonturen tegemoet gaat.

En ook de verwisseling van Held en verteller in het hart van het boek (166-167) is aardig, te meer daar die plaatsvindt na een dialoog tussen beide waarin de een de ander toevoegt: 'Volgens mij ben jij zo iemand die niet weet hoe hij moet leven, of erger nog: de kracht niet heeft om dat te doen. Eigenlijk leef jij gewoon via mij, weet je dat?' En daarmee is een link naar Ankers episodische gedicht Goede manieren gelegd; maar in dat gedicht is het inzetten van Van Beek als een Awater, een verkenner van het leven veel intrigerender dan in deze roman.

Vreemd, er zijn tal van ingrediënten aan te wijzen die smaak en pit geven aan ander werk van Anker, en er is een thematische verwantschap te zien met In het westen, en toch 'doet' deze roman me weinig.