donderdag 27 april 2017

Katie Roiphe, Uncommon Arrangements

Seven Marriages in Literary London 1910-1939. London, Hachette Digital 2010 [oorspr. 2007].

Een bijzonder enerverend en leerzaam en bovendien zeer goed geschreven boek, dat is deze, vanuit een grote, oprechte nieuwsgierigheid opgezette, poly-biografische, historische studie naar het huwelijk. Roiphe noemt in het voorwoord, 'Marriage à la mode', haar belang met het schrijven van dit boek nogal zelfzuchtig, en niet wetenschappelijk: 'In some sense, what I am after is the distilled wisdom of decades lived, of mistakes made, of love stirred by time.' 

Vanwege dat eigen belang duikt ze in de levens van negen huwelijken in een tijd dat dat instituut in bepaalde kringen als het ware opnieuw uitgedacht en doordacht werd, er althans werd geprobeerd andere vormen ervoor te vinden, andere randvoorwaarden en andere invullingen.

De mensen waar haar aandacht naar uitgaat, omschrijft ze als 'those inhabiting the fringe of respectable citizenry'. Het zijn H. G. Wells en Rebecca West; Katherine Mansfield en John Middleton Murry; Elizabeth von Arnim en John Francis Russell; Vanessa en Clive Bell; Ottoline en Philip Morrell; Radclyffe Hall en Una Troubridge; en Vera Brittain en George Gordon Catlin. Ze hebben een Wittgensteinse Familienähnlichkeit (als ze al niet letterlijk familie van elkaar zijn) want of ze kennen elkaar en kwamen bij elkaar over de vloer, of ze kennen vrienden van elkaar, correspondeerden onderling, en ik geloof dat in ieder geval iedereen bekend of bevriend was met Virginia Woolf, die zelf dus niet 'in the picture' komt.

Het zijn literaire en artistieke figuren die bekend, beroemd en soms schandaleus waren of nog steeds zijn. En het zijn ook stuk voor stuk lieden die nou niet echt om geld en vrije tijd verlegen zaten. Prettige 'bijkomstigheid' van die beschikbaarheid van tijd is dat ze – allen gedreven, denkende schrijvers – grenzeloos veel brieven en dagboeken konden produceren, en sommigen ook essays, romans verhalen. Bronnen genoeg dus voor Roiphe, waar nog bij komt dat veel van die lieden goed konden schrijven, net als Roiphe zelf. Uncommon Arrangements is behalve een interessante studie, ook echt een heerlijk leesboek, niet alleen vanwege de inkijkjes in al die niet probleemloze levens, om eens een understatement te gebruiken, maar zeker ook door de fantastische stijl.

Niet alleen de mensen en de schriftelijke bronnen zijn interessant, ook de historische periode. In die tijd was er allerlei gaande op sociaal-cultureel gebied onder andere, zoals een geest van modernisering en voortgaande emancipatie, en een pogen zich ontworstelen aan de erfenis van de hypocriete Victoriaanse tijd door er een nieuw soort persoonlijke oprechtheid tegenover te plaatsen; en ook nog een enorme demografische ontwikkeling ten gevolge van de grote oorlog (er stierven bijzonder veel huwbare mannen), wat dat denken over relatie- en samenlevingsvormen een impuls gaf.

Heel prettig is dat Roiphe nieuwsgierig is en zich zo veel mogelijk tracht te onthouden van oordelen. Ze roept dus bijvoorbeeld niet verontwaardigd: 'Waarom scheiden die idioten niet?' als er een huwelijk vreselijk uit de klauwen giert, maar blijft vragen naar waarom iets gebeurde zoals het gebeurde, en komt, zoekend in die lang vervlogen tijd, vaak tot fraaie inzichten, zoals deze met betrekking tot het niet-be-eindigen van een huwelijk:
But the supreme importance of habit, the inertia of accumulated life, the fidelity toward one's former self, cannot be underestimated. [...] To leave a marriage is to lose time: it is like voluntarily shaving years off one's own life. And then, of course, there is the other maverick, inexplicable substance holding seemingly unhappy people together: love.
Opmerkelijk, maar in overeenstemming met wat er uit haar bronnen naar voren komt, is dat het argument 'maar de kinderen' niet genoemd wordt; kinderen waren echt bijzaak in dezen.

Zo'n zinsnede als 'the inertia of accumulated life' maakt het lezen van dit boek voor mij tot een genot. En anders wel een opmerking als de volgende over Lady Ottoline Morrell: 'She dressed as if she were about to be painted, and often she was.'  En natuurlijk ontkomt Roiphe soms niet aan een oordeel. Maar dat geeft ze dan wel grandioos vorm, zoals na een korte beschrijving van het hoog-autobiografische oeuvre van Vera Brittain: 'She seemed to find it nearly impossible to exhaust the litterary possibilities of herself.' 

vrijdag 14 april 2017

Robert Seethaler, Ein ganzes Leben

Roman. 12. Auflage. Taschenbuchausgabe. Goldmann, München Februar 2016 [1e dr. 2014]. Pocket met flappen, 185 blz.

Werd me vrijwel ex nihilo, maar in het kader van de voorbereiding van een ad hoc-leesgroep, aangeraden, door iemand die me nimmer eerder een boek aanried. Maar hij liet het me zien, vertelde erover en ik was verkocht (niet alleen door de omvang, het formaat, de fraaie uitvoering en de opmerkelijke titel).

Is een enorm verkoopsucces in Duitsland en Oostenrijk, naar het schijnt. Ik had nog nooit van boek of auteur gehoord. Achterop wordt het verhaal samengevat:
Ein Dorf in den Alpen, ein Alltag voller Entbehrungen, das Staunen über die Momente des Glücks – die Geschichte eines Lebens.
Zo ook de stijl van het verhaal, van de vertelling: gortdroog, samenvattende stappen tussen uitgewerkte beschrijvingen van dramatische hoogtepunten, mooie tempowisselingen, weinig tot geen psychologische uitweidingen, en al helemaal weinig dialoog, want een waarheid van een collega waar de hoofdfiguur, Andreas Egger, zich wel in kan vinden, is: 'Wem das Maul aufgeht, dem gehen die Ohren zu.'

De stijl van het vertellen, het taalgebruik van de alwetende vertelinstantie is veel gevarieerder. Er zijn dat soort granieten uitingen, maar ook veel wondermooie volzinnen, zoals de eerste:
An einem Februarmorgen des Jahren neunzehnhundertdreiunddrei ßig hob Andreas Egger den sterbenden Ziegenhirten Johannes Kalischka, der von den Talbewohnern nur der Hörnerhannes gerufen wurde, von seinem stark durchfeuchteten und etwas säuerlich riechenden Strohsack, um ihm über den drei Kilometer langen und unter einer dicken Schneeschicht begrabenen Berpfad ins Dorf hinunterzutragen.
Een tamelijk heroïsch begin, bovendien, waar nog bij komt dat die eerste gebeurtenis bijna surreëel wordt, wanneer de stervende geitenhoeder er toch opeens nog vandoor gaat en uit zicht verdwijnt, en pas een leven later als een soort Ötzi, maar dan met een been eraf, in het ijs wordt teruggevonden. Het leven is van dood doortrokken.

Die Andreas Egger heeft iets heroïsch', doordat zijn herkomst enigszins nevelig en zeker niet burgerlijk verantwoord is; zijn precieze geboortejaar, laat aan het eind van de negentiende eeuw, is onbekend. Hij wordt met tegenzin in een pleeggezin opgenomen, en in zijn jeugd door zijn pleegvader afgebeuld, zozeer zelfs dat het hem een gebroken been en aansluitend een levenslange  hinkende gang oplevert.

Een zwijgzaam, hardwerkend figuur, die, zodra hij dat pleeggezin ontvlucht is, in eenzaamheid net buiten het dorp verderleeft, medewerker wordt van het bedrijf dat de eerste kabelbaan in het dal aanlegt, waardoor later de toeristenindustrie ontstaat, waar Egger zelf eigenlijk niks van moet hebben; hij houdt van stilte, en van de bergen zoals ze waren; hij overleeft een afschuwelijke, maar goeddeels niet verhaalde oorlogsperiode in Rusland; pas aan het eind van zijn leven verlaat hij het dorp nog eenmaal, om er onmiddellijk terug te keren. Hij vindt in dat dorp toch nog, want schuchter is hij, een geliefde, die hem echter al snel door een lawine uit het leven gerukt wordt. En zo volgen er nog meer tegenslagen en ontwikkelingen die met een groeiende moderniteit te maken hebben, waar Egger niets mee te maken zou willen hebben.

Ik was er wel even aan toe, aan zo'n strak geregisseerd verhaal, met weinig moeilijk-doenerij, meer van: 'niet lullen, maar poetsen'. Het boek zou een Heimatsroman genoemd kunnen worden; deed me wel denken aan De vlaschaard bijvoorbeeld, Houtekiet maar met een vleug Manon des Sources en De kleine Rudolf wellicht. Dat werk. Mist, mest en rotsen, niet te veel mensen, niet te veel denken. Maar dus ook weer geen rauwdouwerij en geen friemelig natuurgetut. Misschien had Elsschot zo geschreven als Antwerpen in de Alpen had gelegen.

Laat in zijn van zijn leven komt Egger op geheel onspectaculaire wijze nog een andere vrouw tegen, de dorpslerares. Ze zijn wel aan elkaar gewaagd.
'Der mensch is oft allein in dieser Welt', sagte sie.
     Dann drehte sie sich um. Sie zündete zwei Kerzen an und stellte sie auf den Tisch. Zog die Vorhänge zu. Schob den Riegel vor die Tür.
     'Komm jetzt', sagte sie.
     Egger starrte immer noch auf den dunklen Fleck auf der Tischdecke. 'Ich bin erst bei einer Frau gelegen', sagte er.
'Das macht nichts', sagte die Lehrerin. 'Es ist mir recht.'
Dat werd dus niks meer. 

zondag 9 april 2017

Piet Gerbrandy, Steencirkels

Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2017. 95 bladzijden inclusief de verantwoording. Het omslagontwerp en de typografie van het binnenwerk zijn van de onvolprezen Melle Hammer.

Zoals er mensen schijnen te zijn die niet van de muziek van Tom Waits houden, of die geen waardering kunnen opbrengen voor het werk van Peter Brötzmann, schijnen er ook mensen te zijn die niet houden van de poëzie van Piet Gerbrandy. Heel vreemd.

Beslist doen, zou ik zeggen: Steencirkels lezen. Nu. En nee, daar word je niet vrolijk van. Maar het is overdonderend en indrukwekkend en aangrijpend. Niet zoetgevooisd maar zeer wel luidend; niet subtiel, toch op een bepaalde manier fijnzinnig; nauwelijks olijk, zeker niet lichtvoetig maar nors en zonder haten (zoals een bundel  van Gerbrandy uit 1999 heet). Fors, massief haast; lidwoord-arm en honderd procent kommaloos. Kortom: lapidair. Een geheel, waar moeilijk een onderdeel uit te lichten is (al heeft Gerbrandy onderdelen eruit voorgepubliceerd in zeven periodieken).

Sinds Drievuldig feilloos vals uit 2005 heeft Gerbrandy al zijn gedichten van een 'bodem' voorzien. Die bodem is hier uitgegroeid tot een soort lichtkrant, meer in het bijzonder een onder alle gedichten doorlopende hervertelling van de schepping van de aarde, haar daaropvolgende vernietiging haast in de ijstijd en haar regeneratie daarna en vervolgens het ontstaan van de mens, de totaal alleen staande mens. Paradise lost, maar dan zonder God. De woordvoerders van deze bodemtekst, goddelijken die niet alwetend zijn ('Men vertelt maar bronnen / zijn altijd onachterhaalbaar'), vragen zich af waartoe die mens toch: had de aarde 'niet genoeg meer / aan zichzelf en alles wat tot dan toe had voldaan? Verlangde zij naar iemand / om haar uitputtend in kaart te brengen uit te baten en te duiden? Had zij behoefte aan gezelschap om haar tot in haar diepten uit te wonen?'

Het is onvermijdelijk om in die ene mens ook de mensheid te zien enerzijds en ook, als representant,  de epische held van de gedichten die erboven staan anderzijds: 'Het gaat om een man. / Wij noemen hem O voorlopig. / [...] / Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween.' Aldus het openingsgedicht 'open', waaronder staat: 'Het geldt als beleefd eerst goden de woorden te laten.'

Dit gedicht wordt gespiegeld door het slotgedicht met dezelfde titel. Daartussen staan vijf afdelingen: 'damp', 'loo', 'hol', 'kust' en 'gas'. De geschiedenis lijkt me met de laatste afdeling van het verhaal nog niet afgelopen, als ik denk aan de (volks-)etymologische verwantschap van 'gas' met 'chaos', de woest- en ledigheid waaruit traditioneel de wereld ontstond.

De verhaallijn van Steencirkels staat beknopt in het openingsgedicht:
Dit is waar we gekomen zijn
        een stoombad in de provincie
        een open plek in het bos
        een plein tussen kale gevaarten
        een oliestrand in het westen
        een bed in de smeltende toendra
           en op later later geen kijk.
Steencirkels is dus geen bundeling van losse gedichten, maar een groot, doorlopend maar gefragmenteerd en gevarieerd want ook proza bevattend, verhalend, breed-opgezet episch gedicht, dat heel menselijk en lyrisch, liefdesverdrietig en erotisch is, terwijl het ook die menselijke maat overstijgt, bijvoorbeeld door die bodemtekst en door de indringende eco-kritiek die erin verweven is. 'Misschien', staat op de achterkaft, 'wordt hier de poëzie opgeblazen. Dat moet dan maar.'

Een brisant boek is het, maar dan wel een dat de poëzie verrijkt. Het gedicht-geheel en al de onderdelen apart zijn – zoals min of meer gebruikelijk bij Gerbrandy sinds Drievuldig feilloos vals – voorzien van motto's, ontleend aan klassieke teksten. De vijf centrale onderdelen, bijvoorbeeld, hebben opschriften die zijn ontleend aan de vijf boeken van Boethius' Consolatio Philosophiae.

Het middelste deel, 'hol' getiteld, heeft als motto 'inferna adiit domos', achterin voor de leek vertaald met: 'Hij betrad de woonplaatsen daar beneden'. O bevindt zich dan, volgens het openingsgedicht van het boek, hierboven aangehaald, op 'een plein tussen kale gevaarten'. Op de eerste bladzij van 'hol' heet dat: Is dit een plein? / Is het niet veeleer een kale vlakte / omgeven door stenen gevaarten zonder ziel?' En meteen daaronder zegt een andere stem (cursief weergegeven): 'Wrijf het er maar in. Hier is geen hoop.'

Het is niet moeilijk in deze locatie iets als een Amsterdamse Zuidas te herkennen, en in deze tekst een referentie te zien aan Dante's Inferno. En juist in deze helse afdeling wordt de verwording van de westerse wereld geschetst. In het deel erna, 'kust', komt O terecht in een verbeelding van het half-mythische Ierland. Adriaan Roland Holst ligt om de hoek, als het ware. Vervolgens belandt O op de poolcirkel. Anders dan die van Dante, eindigt zijn (zoek)tocht niet in hemelse sferen, en een Beatrice is er al helemaal niet in te vinden.

'Leegte', staat er in 'hol', 'hoe definitief ook behoeft een locatie. Een plek waarop zij aan te wijzen is. Steencirkel in het gras. Krater in de toendra. Schedel in een prehistorisch graf. Baarmoeder van de singulariteit.' Gerbrandy heeft met dit boek een locatie gemaakt voor de tragische leegte en verlatenheid van O. Het boek is niet gewoon maar poëzie, het is meer. En hiervoor geldt weer eens wat Eliot ooit zei: 'Genuine poetry can communicate before it is understood.' En de bundel is zo mooi opgemaakt door Melle Hammer, die al die uiteenlopende vormen van teksten maar tot een geheel heeft moeten zien te maken; wat hem gelukt is.

Eén klein kanttekeningetje: die paginanummers zijn m.i. echt niet nodig in een boek als dit.

woensdag 1 februari 2017

Juli Zeh, Ons soort mensen

Vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming. 4e dr. Ambo|Anthos, Amsterdam 2016. 670 blz. Hardcover met stofomslag. Oorspr. Unterleuten (2016).

Van Duitsland weet ik feitelijk zo weinig, dat het me geen moeite kost om deze realistische roman niet alleen als een fictieve, maar ook als een reële doch gefictionaliseerde beschrijving van een (mogelijke) Duitse realiteit op te vatten. De geografische naam 'Unterleuten', een voormalig-Oost-Duits gehucht, lijkt me net zo fictief als 'Lutjebroek' in een Nederlandse roman, de referentie aan 'Berlijn' net zo evident een fictionele als ook een reële verwijzing, vergelijkbaar met een referentie aan 'Amsterdam' in een Nederlandse roman.

Niets staat een onbekommerde lectuur van de Nederlandse vertaling in de weg. En: het boek is prachtig, klassiek op de pagina's terechtgekomen. Alleen de titel vind ik een beetje bagger in het Nederlands. Maar een betere weet ik niet, dus daar moet ik niet over zeuren.

Waar ik wel over wil zeuren is de afbreking van 'meteen': meer dan eens verschijnt dat woord op twee regels alsof er een suikerzieke Amsterdammer aan het woord is: 'me teen'. Jammer, maar een detail.

Deze roman is groots. Deze roman is een even vreugdenrijke als van kritische misantropie doortrokken amalgaam van - ik doe een gokje - Couperus' De boeken der kleine zielen, Streuvels' De vlaschaard, Claus' De Metsiers en Jonathan Franzens Freedom. Alleen speelt het gebeuren zich af in 2010 en in een voormalig Oost-Duits plattelandsdorp, Unterleuten, waar naast oer-Ossies ook moderne nieuwelingen wonen, waar de geschiedenis van voor de val van de muur nog niet verleden, laat staan verwerkt is, waar het landelijke natuurschoon, biotoop van de kemphaan, bedreigd wordt door de bouw van zeer verantwoorde en gemeentekasspekkende windmolens, en waar mede op basis van die gegevens talloze persoonlijke geschiedenissen, dra- en trauma's zich ontwikkelen, verknopen, tot een climax aanwassen en exploderen dan wel eroderen.

Het boek omvat 62 hoofdstukken, Arabisch genummerd en voorzien van de naam van het - per hoofdstuk wisselende - focaliserende personage; alleen het 62ste wijkt ik zoverre af, dat daarin, als een duveltje uit het spreekwoordelijke doosje, ene Finkbeiner centraal staat, Lucy Finkbeiner, de journaliste die dat dorp eens flink onder de loep heeft genomen nadat ze online een nieuwsbericht had gelezen: 'In een dorp in Oost-Prignitz, in het noordwesten van Brandenburg, was uit een horizontaalfilterput het lijk van een man geborgen.'

In alle hoofdstukken heeft een auctoriale vertelinstantie stevig de stilistische en narratologische touwtjes in handen. Bij alle spectaculaire fragmentatie blijft de roman een sterk geheel. De vertelinstantie presenteert het relaas van Fliess, Franzen (inderdaad), Meiler, Schaller, Gombrowski, Kron, Fliess-Weiland, Wachs, Gombrowski, geboren Niehaus, Seidel en Kron-Hübschke.

De zes Romeins genummerde en van een titel voorziene delen van de roman hebben elk een motto, vaak ontleend aan een van de romanfiguren, soms aan figuren of bronnen die pas bij nader inzien in de roman blijken te figureren. Pas op het allerlaatst blijkt dat Lucy Finkbeiner samenvalt met de vertelinstantie en de implied author.

Inderdaad: dit is een ouderwets opgezette, moderne en kritische en humoristische zedenroman, waar de schrijflust vanaf spat en die de leeslust navenant opwekt.

Frederik haatte de natuur zolang die zich niet in zachte tinten op de beeldscherm-achtergrond van zijn computer bevond.
Ze waren zelfstandig, zelfverzekerd, zelfzuchtig, wandelende selfies, twee steeds in beweging zijnde zelfportretten. Als Meiler zich de nieuwe generatie voorstelde, zag hij een leger van jonge mensen met uitgestrekt rechterarm, niet om de Hitlergroet te brengen, maar om hun eigen gezicht vast te leggen met de smartphone.

zaterdag 7 januari 2017

Vladimir Nabokov, The Original of Laura

(Dying is Fun). Edited by Dmitri Nabokov. Penguin Classics, London 2009. Hardback met stofomslag. 278 blz.

Op het stofomslag luidt de ondertitel: A Novel in Fragments, wat maar gedeeltelijk klopt, want het is de facsimile-editie van het materiaal van Nabokovs laatste, onvoltooide roman, die door die onvoltooidheid  fragmentarisch is. Mijns inziens wijst niets erop dat de roman fragmentarisch bedoeld was, denk ik. In ieder geval ging Nabokov dood voor hij ermee klaar was. En hij had te kennen gegeven dat het materiaal vernietigd moest worden als hij voortijdig zou sterven. Dat laatste hebben zijn nabestaanden, vrouw en zoon, niet gedaan; in tegendeel.

Het materiaal bestaat uit 138 systeemkaarten die enkelzijdig zijn beschreven, de meeste met potlood, een enkele, beter gezegd: één enkele met ballpoint. Onder alle kaarten is een transcriptie van de tekst opgenomen. De bezorger, Dmitri Nabokov, heeft helaas geen poging gedaan ook de doorhalingen te leesbaar te maken. En een beetje jammer is dat de transcripties niet echt diplomatisch en sowieso niet integraal zijn. Een zelf-instructie van de auteur op p. 211 wordt bijvoorbeeld helaas niet getranscribeerd. In de rechter hoek van de kaart die gaat over 'self-extinction' en 'self-immolation' noteert Nabokov bovenaan: 'three card[s] at least / of this stuff'). Een schitterend kijkje in de keuken, en een mooie tegenhanger van J.H. Leopolds 'Niet teveel gelul'.

Het boek is er een dat je echt in handen moet hebben, niet in digitale vorm moet lezen, want het is heerlijk materieel, niet alleen doordat er zwaar papier voor gebruikt is, waardoor het boek goed weegt, en ook niet alleen doordat al die facsimile's erin zijn opgenomen, maar vooral doordat al die systeemkaarten rondom geperforeerd zijn: je kunt ze uit het boek halen en proberen er een betere roman van samen te stellen dan in deze editie gebeurd is (de bladzijden zijn dus systeemkaart-dik). Leuke klus voor hoogmoedigen die denken Nabokov te kunnen verbeteren (er schiet me een herinnering te binnen aan, ik meen, 'Wild Gardening' van Bernlef; maar dit terzij).

Een van de verhaallijnen in de roman, neergelegd in de laatste tientallen kaarten en aansluitend bij de ondertitel, is die van en over 'Dr. Philip Wild, a man of brilliance, wit fortune and tremendous bulk, [who] is used to suffering humiliation at the hands of his wife, the young, slender, and rudely promiscuous Flora. [...] Wild still finds pleasure in life by indulging in virtual self-annihilation, beginning with the removal of his toes.' Aldus de flaptekst, die al wat te proeven geeft van het rijke vocabulaire en de dito syntactische stijl van Nabokov zelf.

Dat in aanzet ondernomen levenseinde van Wild komt mooi tot uitdrukking in de onvoltooidheid van de, gaandeweg steeds fragmentarischer wordende roman-in-wording. Deze paradox alleen al maakt deze tekst een echte Nabokov-roman, eens te meer omdat precies dat ertoe leidt dat je toch kunt betwijfelen of deze roman als roman wel echt onvoltooid is.

Die twijfel wordt alleen maar sterker voor wie Nabokovs Pale Fire las, een roman in de vorm van de geannoteerde leeseditie van een onvoltooid episch gedicht. In The Original of Laura komt een andere roman ter sprake, My Laura, geschreven door een amant van Wilds eega Flora, die ergens in deze roman ook voorkomt als FLaura. Het is wel te begrijpen dat Vera en Dmitri Nabokov er dertig jaar over hebben gedubd vooraleer ze de roman toch maar uitgaven; uiteindelijk heeft Dmitri, die in het voorwoord spreekt van 'Dmitri's dilemma', dat gedaan, Vera was toen al overleden.

Eigenlijk is er niets zo leuk als door een roman, in welke vorm dan ook, op het verkeerde been gezet te worden, of nu eens op het ene, dan weer op het andere, en dat allebei eigenlijk best wel goed zijn, maar niet tegelijkertijd. Maar lastiger wordt het, als ook de editie zelf niet geheel betrouwbaar lijkt. Want de bezorger heeft de ruimte gekregen om ook alle achterzijden van de kaarten in facsimilé op te nemen. Geen van die achterzijden is beschreven; die reproducties zijn dus louter luxe maar wel goed voor het effect van echtheid, zeker voor wie de kaarten uit het boek sloopt en er zelf mee verder gaat goochelen. Maar wie goed oplet, ziet niet alleen dat op sommige achterzijden een kruis staat, maar ook dat een fors aantal van die kruizen domweg (tot in detail) identiek zijn (plaats, schrijfstof, ductus), bijvoorbeeld die op p. 134 en 138 (zie foto's hieronder) maar ook die op p. 140 en 144, en nog veel meer. Twee soorten kruis domineren vele van de achterkanten: er is dus ronduit op z'n Volkswagens gesjoemeld met de facsimile's. Da's nou jammer.

De kaarten bestaan toch echt: in 2009 zijn ze geveild, blijkens The Wall Street Journal. Stel je voor, dat van een roman die The Original of Laura niet het originele materiaal bewaard zou zijn, en dat daar niet een facsimile van zou bestaan. Er is al onzekerheid genoeg in de wereld. 'Toch?'



donderdag 5 januari 2017

Kamel Daoud, Meursault, contre-enquête

Roman. Actes Sud, z.p. 2014 (oorspr. Éditions barzakh, z.p., 2013). Paperback met flappen, 153 blz.

Deze debuutroman is te zien als een contrafact van de debuutroman van Albert Camus (destijds ook een jonge journalist te Algerije). Begint L’Étranger (1942) met de vermelding van de dood van de moeder van de ik-figuur, Meursault, contre-enquête begint met de mededeling dat de moeder van de ik-figuur nog leeft. Schiet Meursault zomaar een Arabier’ dood, in deze roman is de broer van die ‘Arabier’ aan het woord, en door hem pas krijgt die Arabier een naam, Moussa,  en dus ook een broer (die pas op pagina 115 te kennen geeft dat hij Haroun heet), en een moeder, die steeds ‘M’ma’ wordt genoemd, kortom: een aanzet tot persoonlijke identiteit.

Deze roman is uiterst toegankelijk en toch zit ze net een tikkeltje ingewikkelder in elkaar dan die van Camus. Het is weliswaar ook een ik-vertelling, maar deze Algerijn steekt zijn verhaal – in het Frans – in een kroeg af tegen een anoniem iemand, zoals dat ook gebeurt in Camus’ La Chute. Deze iemand beschouwt hij als een bewonderaar van Meursault, die hij vereenzelvigt met de schrijver van (wat wij kennen als) het verhaal over Meursault. Hij stelt ook het jaar van verschijnen van L’Étranger gelijk aan het jaar van de moord door Meursault. Tegen het eind van de roman, op bladzijde 137, blijkt dat ‘eigenlijk’ niet Camus’ debuut de grondstof is, maar de (fictieve) roman L’Autre, geschreven door ene Meursault.

Regelmatig zegt de ik-figuur tegen de ‘tu’ iets over ‘ton héros’, doelend op Meursault. Ik ontkwam er niet aan me, als westerling, aangesproken te voelen; gelukkig is Haroun geen haatdragend mens. Hij heeft het nochtans niet zo op die Meursault, niet alleen omdat die achteloos zijn broer doodschoot,  meer nog omdat hij zijn broer in zijn roman niet eenmaal bij zijn naam noemde doch vijfentwintig keer slechts met ‘Arabier’ aanduidde, en diens lijk heeft doen verdwijnen in het niet. De rouw van Haroun en zijn moeder bleef eindeloos, wegens gebrek aan afscheidsritueel, afronding. En vergeet ook niet dat Meursault niet ter dood werd veroordeeld wegens de moord, maar wegens het niet in acht nemen van de gewoon geachte (christelijke) gebruiken van rouw bij het overlijden van een moeder.

De ik-verteller van Daoud is een verteller binnen een raamvertelling: de tekst wordt niet door de dagen achtereen pratende Haroun zelf genoteerd, maar door die aangesproken ‘tu’. De roman, of Haroun, legt een aantal cruciale manco’s in Camus’ debuut bloot, koloniale en/of racistische manco’s. Anderzijds wordt duidelijk dat Haroun veel kernwaarden van de ethiek of de filosofie van Meursault/Camus onderschrijft. Hij ziet zichzelf, begrijpelijk, als een absurde held. De moord op zijn broer werd gepleegd toen de verteller zeven jaar oud was; de rest van zijn leven, goeddeels doorgebracht met zijn moeder, die de moord niet kan verkroppen (zijn vader was er al voor de moord vandoor gegaan). Haroun heeft het gevoel dat hij steeds maar het lijk van zijn broer de helling op zeult, dat het dan weer naar beneden dondert, en hij van voren af aan verder moet. Gelukkig, zoals we ons Sisyfus volgens Camus’ Le Mythe de Sisyphe (1942) moeten voorstellen, is hij bij dit alles echter niet. Onmogelijk.

Om het leven toch nog enigszins in balans te brengen, vermoordt Haroun twintig jaar later (en dat is twee jaar na de dood van Camus) een Fransman, Joseph Larquais. Haroun wordt geen moord verweten, maar wel dat hij die moord (pas) heeft gepleegd na de be-eindiging van de Algerijnse vrijheidstrijd (5 juli 1962) en niet tijdens die oorlog, dat hij, met andere woorden, niet met zijn broeders heeft gestreden. Door het achterwege blijven van een officiële beschuldiging (zo erg was het nou ook weer niet om nog een Fransman om zeep te brengen), is zijn daad onbedoeld even gratuit als die van Meursault in de roman van Camus. Bovendien blijft Haroun daardoor een buitenstaander, een vreemdeling. Meer nog dan hij al dacht, leidt hij een absurd bestaan. Deels is dat een keuze, doordat hij zijn individualiteit claimt of probeert te claimen en daarmee zijn vrijheid. Heel fraai verwoordt hij dat in relatie tot het geloof: ‘La religion pour moi est un transport collectif que je ne prends pas. J’aime aller vers ce Dieu, à pied s’il le faut, mais pas en voyage organisé. Je déteste les vendredis depuis l’Indépendance, je crois.’ (p. 76)


Deze roman laat prachtig zien waartoe een goede roman bij uitstek in staat is: het voorstelbaar maken van het niet bestaande, van het onbestaanbare. Daouds debuutroman lijkt wat dat betreft op die van Hagar Peeters, Malva.

P.S.
Bas Heijne schreef in 2015 in de NRC een mooi stuk over de roman van Daoud.

zondag 18 december 2016

Juli Zeh, Spieltrieb

Roman. Taschenbuch-Sonderausgabe. btb Verlag, München 2011 (Original-Ausgabe: Schöffling & Co., Frankfurt am Main 2004). Hardkaftboek met linnen omslag, en leeslint, 822 pagina's.

Eerlijk is eerlijk: ik heb dit boek gekocht omdat ik 1. in een heel mooie en rijk gevulde boekhandel was waar ik niet vaak kom (de Eerste Bergensche Boekhandel te Bergen N.H.), en
2. het qua materiaal en omvang en gewicht en handpasselijkheid een vrolijk makend mooi boekje vond en nog steeds vind (10 x 15,5 x 5 cm).

Van de schrijfster had ik, tot mijn schande, nog nooit gehoord en van deze roman ook niet (de Nederlandse vertaling, een dito toneelbewerking en een Duitse verfilming ten spijt). Het boek verscheen in het jaar waar het grotendeels ook in speelt, toen de schrijfster dertig jaar oud was. Dat laatste lijkt me niet veel, gerelateerd aan de serieuze, rijke en gevarieerde inhoud van deze roman en gelet op de – voor zover ik dat beoordelen kan – waanzinnig rijke taalbeheersing van de auteur. Of eigenlijk is dat laatste regelrechte onzin. Wat weet ik daar nou van? Ik bedoel alleen maar: Zeh schrijft haar Duits met een Schwung waarvan ik de gelijke in lang niet meer in een Nederlandse roman ben tegengekomen. Herstel: Weijers, Polak, Peeters en Hofstede vormen  hier een heel goed referentiekader.

Voor de zekerheid, wat wil zeggen: ter compensatie van mijn vocabulaire onzekerheid, spiekte ik af en toe in de digitale Nederlandse vertaling, soms om erachter te komen dat ik inderdaad enkele Duitse woorden niet kende, maar vooral dat de moeilijkheden die de roman hier en daar biedt, niet zozeer in het Duits als in de opzet van de roman gelegen zijn, in de vertelwijze. Zeh maakt af en toe vrij wilde vertelsprongen, doordat ze lang niet altijd de personagetekst tussen aanhalingstekens zet, doordat ze zich bij tijd en wijle heerlijk laat gaan in ellenlange uitweidingen en beschrijvingen, en vooral in metaforen die tegelijk buitengewoon en toch ook bijzonder aangenaam en passend zijn; daar komt nog bij dat de zinnen die ze schrijft en dus ook de monologen die ze haar personages laat uitspreken en de dialogen die ze hen laat voeren van een inhoudelijke denkkracht en een vormelijke rijkheid zijn, dat je je er je geestelijke vingers taalkundig nagenietend nog tijdens het lezen bij aflikt.

En dat alles in een verhaal dat handelt over (vooral) twee betrekkelijk jonge personages die nogal grondig onderhevig zijn aan de invloed van het (post)nihilisme en zich te buiten gaan aan een spel-theoretisch onderbouwd ethisch experiment, met extreme consequenties. Dus geen amechtige en monosyllabische, van schuttingtaal doorspekte spreektaalzinnetjes zoals we die uit Nederlandstalige quasi-modern-actuele romannetjes kennen, nee: Taal! Intellectuele uitdaging en -dijing. En dus ook: personages die alles behalve realistisch zijn, maar toch ook zeker niet grotesk worden (vind ik althans).

En dan heb ik nog maar een paar procent meegekregen van de Musil-, Derrida-, Nabokov- en andere referenties in deze roman, die ook doordrenkt is van alle mogelijke clichés die een rol kunnen spelen in een verhaal dat zich afspeelt op een niet echt middle-class middelbare school anno 2004 in West-Europa.

Met minstens zoveel plezier heb ik deze roman in de vertaling herlezen. Het mooie is ondermeer dat het allemaal niet netjes is afgewerkt, maar hier en daar grof, springerig, rommelig, met grote steken in elkaar gezet lijkt. En dan is ook nog het contrast tussen de schijnbaar interesseloze levenshouding van de twee hoofdpersonages en de steeds welverzorgde taal en hun alles behalve oppervlakkige gedachtengangen.