vrijdag 5 januari 2018

Maxim Februari, Klont

Hardback. 270 blz. Omslagontwerp Tessa van der Waals. Prometheus, Amsterdam 2017.

Het boek eenmaal gelezen en onmiddellijk daarna aan deze notitie begonnen, schrijf ik er meteen bij dat ik - hoewel niemand die dit nu leest, het merkt - eerst slechts een aanzetje van die notitie noteer, omdat ik vandaag, en dat is pas vele weken na de eerste lezing, onmiddellijk begonnen ben aan de tweede, en pas daar weer na deze notitie afrond. Maar ik kan dus al wel notuleren dat ik dit een daverende roman vind.

[Beetje slordig, dat ik, nu ik opnieuw voor de tweede maal de roman aan het lezen ben, niet meer weet wanneer ik de eerste notitie noteerde; en ja: 'opnieuw voor de tweede maal', want de eerste herlezing strandde doordat er andere werken in het leesvaarwater verschenen, maar nu, sinds 1 januari 2018 ben ik bezig met de voortzetting van de volledige, integrale herlezing; deze herlezing is dus Oud-en-Nieuw-overbruggend].

Bij een van de boekpresentaties (gek, dat zoiets een meervoudige bijeenkomst is op allerlei plaatsen en tijden), namelijk die in oktober 2017 in een broeiend-warm Brussel, bij De Buuren, viel me – weer – op wat een innemende, intelligente, welbespraakte, meer nog: goed formulerende, erudiete, beleefde en zeer vriendelijke man Februari is, en daarna hoezeer de verteller in/van zijn roman dat ook is, maar dan veel veel minder bescheiden en iets minder fijnbesnaard. Mooi contrast, waar deze roman, meer nog: de centrale personages in de roman volgens mij niet echt helemaal los te zien zijn van de persoon Maxim Februari zoals die zich onder meer uit in zijn column in NRC Handelsblad en in het 3-D-openbaar als romanschrijver.

In zijn prachtige recensie op De Reactor schijft Bart Vervaeck dat deze roman hem doet denken aan Bint (1934) van Bordewijk. Vervaeck vraagt zich zelfs in de titel van zijn bespreking af of deze roman wellicht de nieuwe Bint is. Dat doet hij natuurlijk mede op basis van de bonkigheid van de titels van beide romans. Misschien speelt ook het de prachtige omslag mee. En ook dat er een actuele ethische kwestie wordt aangesneden door middel van een verhaal. Ja. Maar Vervaeck merkt ook op dat Klont bepaald niet zo bondig is als Bint: 'Klont heeft niet de meesterlijke beknoptheid van Bint, maar het is een even dwingend verhaal over maatschappelijke disciplinering.'

Inderdaad. Stel je voor, tachtig jaar later... Het is maar goed ook dat Februari stilistisch niet (meer) bordewijkt. In Klont wordt namelijk narratief juist on-Bordewijks meesterlijk geschmierd, op een wijze die mij veeleer aan Kellendonk denken doet (maar nou ja, die twee, Kellendonk en Bordewijk, liepen op een of andere, namelijk: poëticale wijze ook niet voor elkaar weg). Heerlijk.

Het boek is inmiddels in de pers de hemel in geprezen. En terecht. Mooi, hoef ik dat niet nog eens expliciet te doen.

Klont snijdt een forse problematiek aan (dataficering, plagiaat en kortademige 'nieuws'garing), en tegelijk is het boek zowel luchtig als zeer lucide, en daarnaast complex (of: ik lees te snel en slordig doordat ik me mee laat slepen door de doorgaans luchtige vertreltrant). Als gezegd schmiert Februari in deze roman, zowel stilistisch als narratief. De platte spreektaal waarin een 'hogere' thematiek door sommige personages wordt aangesneden, wil ik noemen als voorbeeld van stilistisch schmieren; de al in het tweede hoofdstuk op het laatste moment ingetrokken maar reeds aangekondigde zelfmoord van een van de hoofdpersonages, Bodo Klein, als voorbeeld van hetzelfde op het gebied van de narratio. Daarenboven lopen er verschillende verhaallijnen door elkaar en verschillende vertellagen. Het eerste hoofdstuk is bijvoorbeeld niet een echt hoofdstuk maar een voorwoord, en het is, afgaande op de titel – 'Alexei Krups schrijft een voorwoord' – door een van de hoofdpersonages geschreven (met aanvankelijk de ironische mogelijkheid dat hij ook de verteller is van de hoofdstukken die handelen over het andere hoofdpersonage, Bodo Klein). Krups is ook het personage dat in het vierde hoofdstuk – 'In de werkplaats van Alexei Krups, de oplichter' – tegen andere personages zegt dat hij een boek gaat schrijven dat als titel zal dragen: Klont. Jawel, in de roman zelf wordt deze roman geschreven... 'For fuck's sake.' Aldus Krups zelf.

En dan is er nog een hoofdstuk waarin Krups en Klein in dezelfde ruimte verblijven: Klein luistert naar een rede van Krups, om meer over hem en zijn vermoede plagiaat te weten te komen. Krups is daarin in de eerste persoon enkelvoud aan het woord, terwijl er in de derde persoon enkelvoud over Klein wordt verteld. Ze komen dus niet echt op een en hetzelfde vertelniveau al bevinden ze zich wel op hetzelfde verhaalniveau, als u begrijpt wat ik bedoel.

En toch oogt de roman nadrukkelijk niet als een klassiek gevalletje (al dan niet: neo-) post-modern vertellen. Vind ik. Hoewel voor deze lezer (nu, dit noterende bij de herlezing, tot pagina 60 gevorderd), niet duidelijk is wie dan weer verantwoordelijk is voor de hoofdstuktitels, die afkomstig lijken uit / ontleend lijken aan een negentiende-eeuwse avonturenroman – wat op zich wel weer een post-modern dingetje is...

Tweeëndertig bladzijden verder, wist ik niet meer precies hoe die romantheorie van Krups in het geheel past, maar dat wordt later opgelost; of eerder al, door pagina 76-77 goed te herlezen. Daar citeert de charlatan Krups een essay van Walter Benjamin over de crisis van de roman: 'Die Geburtskammer des Romans ist das Individuum in seiner Einsamkeit.' En: 'Een roman schrijven, zegt Benjamin, houdt in dat je in je schets van het menselijk bestaan het unieke op de spits drijft. Het met andere mensen onderling onvergelijkbare, het incommensurabele, das Inkommensurable. / Maar in de eenentwintigste eeuw was opeens niets meer incommensurabel.' En dat laatste komt doordat we niet   meer als individuen leven in de gewone, reële werkelijkheid, op de aardkloot, maar als abstracties in een daarvan afgeleide onoverzichtelijke hoeveelheid eenvoudig meetbare (en verhandelbare) gegevens, in de klont.

Voor je het weet, ga je te snel door dit boek heen, bleek me, zoals onder andere bovenaan pagina 93, waar Krups betrekkelijk onbehouwen uit de hoek komt:
Het meisje met wie ik in die begindagen van mijn grote lezing een affaire had, Susan nog-iets, bracht me tijdens onze gezamenlijke uitstapjes in contact met de offline wereld van de rijken, voor wie ze badkamers ontwierp.
Nogal Kellendonkiaans, lijkt me, in de schijnbaar los uit de pols genoteerde bijzinnen, die op de bijbel steunen. En dat 'op de spits drijven', is dat niet vergelijkbaar met Kellendonks oprecht veinzen?

De onderkoelde beschrijving van het apocalyptische noodweer in het hoofdstuk 'Regen en rampspoed' (alleen die titel al, nèt op het randje) past al op het eerste gezicht wonderwel in het verhaal en doet overigens denken aan in wezen niet minder hilarische descripties van ogenschijnlijk realistische scènes in Spieltrieb en Unterleuten van Julie Zeh, Bert Natters Begeerte heeft ons aangeraakt ('De spruitiging' heet het hoofdstuk, meen ik, dat ik hier vooral bedoel), Tommy Wieringa's Joe Speedboot, Peter Buwalda's Bonita Avenue (passim), Kellendonks Mystiek lichaam (partout) en het oeuvre van Bordewijk (integraal). Vergeet ik bijna (vooral het opzettelijke treinongeluk in) De verjaardagen van Hanneke Hendrix.

Op een gegeven moment bekent Krups dat hij zijn eigen succes-lezing pas begon te begrijpen nadat hij er al beroemd mee was geworden en er een reputatie als intellectueel mee had opgebouwd. Maar hij ziet dan in dat het ware verhaal over de klont heel saai zou zijn. Daarom bleef hij liever zijn lezing onveranderd houden over de dood van de roman... 'ik schmierde erop los.'

Zo hoort het, althans: zo kan het leuk worden: in de roman wordt niet alleen de roman zelf pas net  geschreven, ze wordt er ook al in geanalyseerd.

Wel weer vrolijk-makend-vreemd is het gegeven dat de ontmaskering van Krups niet en détail wordt weergegeven, maar op een wat abstracte en indirecte wijze wordt behandeld door datacenter-mannetjes in een hoofdstuk dat uit een thriller-achtige spionageroman afkomstig lijkt.

Het slot is deels menselijk – dat wil hier ook zeggen: data(ficatie)loos – en deels vrolijk, namelijk door de geboorte in Bodo Kleins huis van een nieuw mens (een stiefkleinkind van Klein), en deels zwart, vooral door de totale ondergang van de echt niet volledig misdadige Krups en door de – na zijn loutering – toch nog onverwacht uitzichtloze Sisyphus-situatie waarin de eenzame Bodo Klein zich terugvindt. Bijzonder naar en wanhopig is diens gedachte: 'Kinderloosheid is een vergrijp tegen de gemeenschap' (waardoor deze roman wellicht een even wrange spanning krijgt als Kellendonks controversiële roman eertijds, anno 1986).

Ik geloof d.d. 5 januari 2018 dat ik toe ben aan een derde lezing.

donderdag 28 december 2017

Maartje Wortel, IJstijd

Roman. Digitale uitgave op basis van de eerste druk. De Bezige Bij, Amsterdam 2014.

De eerste keer las ik deze roman in het kader van een college over literaire kritiek, en nu heb ik hem herlezen omdat de eerste-jaars Nederlandse Taal en Cultuur aan de UU de roman moeten lezen in de literair-historische cursus Moderne Tijd. En opnieuw heb ik er zeer van genoten (terwijl ik in de tussentijd Wortels verhalenbundel Er moet iets gebeuren anno 2015 las, die me duidelijk minder beviel, zo weinig zelfs, dat ik in kon stemmen met Arjan Peters' karakterisering 'dertien kleuterverhalen', al vond ik dat één verhaal er duidelijk positief uit sprong).

De tragiek van de romance tussen James Dillard en Marie, de woeste eenzaamheid van de in hotels wonende James en het mesjoche marktgedrag van literair redactrice Monica weet Wortel in een gortdroge stijl prachtig en aangrijpend neer te zetten (en ik ben bang dat het juist die stijl is die me deed stuiteren van ongenoegen bij het lezen van die verhalenbundel uit 2015; gek toch, zoals dat leesplezierkwartje kan kantelen). 

Het boek past helemaal in één van de tendensen die er in de hedendaagse literatuur zijn te onderscheiden. Welke, ga ik hier niet noteren - stel je voor dat studenten de weg naar dit blog weten te vinden... ik wil de goede antwoorden niet verklappen, zo die er al zijn.

vrijdag 22 september 2017

Ali Smith, Autumn

Hamish Hamilton, z.p., 2016. Hardback met half stofomslag, 260 blz.

Deze roman heeft wel wat van een collage. Er zit geen eenduidige, eh: geen rechtlijnige ontwikkeling in. De verhaallijnen zijn verknipt, in stukken, en die zijn niet evident logisch-chronologisch geordend, maar op grond van een ander principe; welk, is mij nog niet bekend. In en tussen de verhaallijnen zelf wordt heel veel gebruik gemaakt van associatieve verbanden, meer dan van wat ik voor het gemak maar even noem: realistische ontwikkelingsverbanden. Het geheel is daardoor heerlijk springerig.

Daar komt nog bij dat er een tamelijk expliciete verteller is, die een hoofdstuk begint met een opmerking als deze:
Here's something else from another time, from when Elisabeth was thirteen, that she als remembers shreds and fragments of.
Een verteller ook die nauwelijks onderscheid maakt tussen vertellerstekst en personagetekst, tussen gesprekken en gedachten, tussen haar ' eigen' verhaal en intertekstuele referenties. Deze roman is een collage.

Maar nu moet ook weer niet de indruk ontstaan dat het maar een zooitje is, want er zit wel degelijk de suggestie van een verhaal in, en wel een rond de personages Mr Daniel Gluck en Elisabeth Demand en haar moeder. Fragmenten van Elisabeths vroege jeugd, haar puberteit, haar adolescentie en haar volwassenheid worden door elkaar gehusseld   gepresenteerd, en steeds is Daniel oftewel Mr Gluck ergens in de buurt, letterlijk of figuurlijk, reëel of imaginair, feitelijk of in Elisabeths gedachten.

Aan het eind van wat misschien zijn leven was, is Gluck ruim over de honderd jaar oud. Aan het begin van het verhaal spoelt hij aan op de kust van wat Rilke wel eens heeft omschreven als 'das gutgelegene, das immersüsse'. Daniel Gluck verkeert dan, in medias res, in een coma, enigszins vergelijkbaar met die van Fransje Hermans in de openingsscène van Tommy Wieringa's Joe Speedboot. Maar voor de rest slaat een vergelijking tussen deze twee romans echt helemaal nergens op. Behalve dat Mr Gluck in Elisabeths gedachten even mythische proporties heeft als Joe Speedboot in die van Fransje Hermans.

Over de bijzondere band die er ontstaat, nee: die er is tussen Elisabeth en Daniel, zegt de auteur ergens
Well. When she walks past his door, music is always playing. His house is full of art. Love and the imagination are connected. And he's different from anyone else she's met. And she already sees him for what he is, past appearance, and that's how he sees her. And a hundred other tiny details. But above all, she, like he, knows somewhere at core as soon as they meet that they're about to be the lifelong friends that they'll become – I have a theory that we do know our lifelong friends, we intuit it as soon as we meet them. It's something about recognition. And love takes all sorts of forms that the cliched archetypes of love don't habitually leave much room for.
Maar ja: ik heb het nu - impliciet - op me genomen, uit te leggen waarom deze roman uitzonderlijk (misschien niet voor iedereen in dezelfde mate goed, maar wel) intrigerend is. Dat komt vooral doordat Smith heen en weer flipt tussen episch en lyrisch, tussen vertellen en dichten, tussen verhaal en taal, wekelijkheid en fantasie, referentialiteit en verbeelding. Dat maakt het boek zo vrolijk, terwijl het toch ook gaat over een land dat naar de gallemiezen gaat ten gevolge van interne verdeeldheid en eenzijdige afzondering van de rest van wat je toch ook als een soort - zij het moeizame - eenheid of gemeenschappelijkheid kan zien (noem het Europa).

De bijzondere band tussen Daniel en Elisabeth is ook een fraai onderdeel. Hoe ze elkaar uitdagen in dialogen (waarin de kleine Elisabeth veel te wijs praat voor haar leeftijd, maar dat maakt in de quasi sprookjes- of droomachtige setting helemaal niet uit), hoe ze met elkaar verhalen bouwen op basis van andere verhalen, hoe ze elkaar herinnerde of verdwenen schilderijen vertellen. En op een steelse wijze is dat een draadje naar een ingeweven essayistische biografie van Pauline Boty, de enige Britse vrouwelijke Pop Art-kunstenaar, die in haar schilderijen de collagetechniek prominent toepaste en wier schilderij Scandal '63 van de aardbodem verdwenen is; dat schilderij refereert aan een politieke leugen, die weer te verbinden is met de politieke leugens die ten grondslag liggen aan de Brexit, die ook in deze roman een rol speelt.

Zo'n roman is het. Lees 'm maar eens.

donderdag 7 september 2017

Ali Smith, Public library and other stories

Hamish Hamilton, z.p. 2015. Hardcover met stofomslag, 220 blz.
Ik las een exemplaar van de speciale oplage gemaakt voor de bekende Britse boekhandels Waterstones, die een exclusief zkv bevat (zie foto beneden).

In The guardian van 3 november 2015 staat een recensie van deze bundel, die ik volmondig (aan het ontbijt, namelijk) instemmend knikkend heb gelezen. Dus volg de link maar die verstopt is in die krantentitel. Het is een heldere bespreking, helderder dan wat ik hier zou kunnen noteren.

Misschien komt dat doordat Smiths schrijven besmettelijk is. En da's niet best voor het gewone dagelijks leven. Je krijgt de indruk dat zij, of de vertellers die ze opvoert, ongebreideld vertelt respectievelijk vertellen en blijven vertellen, daarbij vrijwel geen enkel associatief zijpad in het tekstenbos overslaand terwijl ze toch het (welk?) spoor niet bijster raken.

Daar komt bij dat Smith een bijna absurde aandacht heeft voor woorden en woordbetekenissen, waardoor een vertelling op onverwachte plekken opeens uit het verhaal en in de taal schiet.

Daar komt ook bij dat deze bundel doorstoken is van commentaren van vrienden, bekenden en wie nog meer, die Smith optekende terwijl zij de bundel aan het samenstellen was, en die alle betrekking hebben op het belang van (het behoud van) openbare bibliotheken. En alle verhalen die door deze teksten  omringd worden, zijn weer doorstoken van het rijke gevolg van het bestaan van bibliotheken: ze barsten uit hun hechte voegen van de ingelaste encyclopedische feitjes en van de referenties aan literaire schrijvers en teksten.

Klik om te vergroten

maandag 28 augustus 2017

Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

[ook in de digitale versie die ik las, heeft dit boek als ondertitel] roman. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2017 (e-boek op basis van de eerste papieren druk, 2017).

Als er één ding duidelijk blijkt uit alle - doorgaans positieve, maar tegelijk over de genre-aanduiding struikelende - recensies, dan is het dat dit boek allerlei is, maar geen (doorsnee-) roman. Het is trouwens ook geen verhalenbundel, geen dichtbundel, geen essaybundel, geen verzameling beschouwingen, geen plaatjesboek, geen graphic novel, geen bloemlezing, geen veldboeket zkv's, geen autobiografie, geen klimatologisch rapport, geen onderzoeksverslag, geen wat-dan-ook. Een handiger ondertitel was misschien geweest: literatuur, of: bellettrie. Gemakkelijkste ondertitel wellicht: geen. Of, bij nader inzien, best goed gekozen, deze ondertitel: roman.

Al dat geneuzel in recensies over plot, personages, (thematische) samenhang, klimaatbeschouwing (met als literair-kritisch dieptepunt de opmerking: 'Er is aan Lieke Marsman geen grote realistische romancier verloren gegaan', een gotspe in de orde van: er is aan Lionel Hampton geen groot trombonist verloren gegaan) is een hilarische demonstratie van een klamme generische hokjesgeest. Dit boek is ronduit een literair leesboek, en wel een dat je alle hoeken van je binnenkamertje en de buitenwereld laat zien. Heerlijk. Wat literatuur (onder andere) moet zijn.

Alleen plaatjes staan er niet in; maar voor de rest zo veel wèl, dat ik althans die plaatjes geen seconde miste. Ik was voor de eerste lectuur al wel 'gewaarschuwd', maar dat hielp niet: ik struikelde  blij-verbaasd drieëndertig keer rond in dit boek; en bij tweede lezing vierenzestig keer. Het lijkt me zowel roman, als (quasi-) autobiografie, als ook filosofie, als ook essay, als ook poëtisch, als ook afstandelijk en tevens navelstaarderig beschouwend, poëticaal, sekse- en/of gender-kritisch, eco-kritisch, nou ja, dat doet er allemaal ook niet toe. Het is een leesfeest, dat tegelijk een feest van verwarring in je hoofd veroorzaakt.

Dus: nee, het boek biedt geen antwoorden, geen eenduidige antwoorden in ieder geval. Maar het stelt wel veel zaken aan de orde, en legt tegelijk uit waardoor de aangekaarte problemen zo problematisch zijn. Als ik er een les uit zou moeten trekken, dan deze: dat de mens eindelijk eens zou moeten leren bescheidener te zijn; een les die Marsman opmerkelijk genoeg duidelijk probeert te maken door als naamgeving van het huidige geologische tijdvak voor te stellen: het antropoceen. Een paradox meer of minder,  zoals ook die van de genre-aanduiding, - Marsman draait haar pen er niet voor om met een schijnbaar luchthartig schrijfgemak. Knap, zeker waar het boek enerzijds navelstaarderig zou kunnen lijken, maar het dat toch niet is. Het schiet maar heen en weer van literatuur naar filosofie naar eco-pessimisme naar liefdesverdriet naar de wereld en naar de lezer en weer terug.   


vrijdag 25 augustus 2017

Richard Powers, Het zingen van de tijd

Vertaald door Mieke Lindenburg. 5e druk. Olympus (onderdeel van Atlas Contact), Amsterdam 2014. Paperback à 765 bladzijden, exclusief twee pagina's noten van de vertaalster. 1e dr. 2003. Oorspr. The Time of Our Singing (2003).

Episch, lijkt me een goede karakterisering van deze vuistdikke roman. Het is een veel meer dan alleen zijn eigen levenstijd overschouwend relaas van Joey Strom, opgetekend in 2001. De onderliggende geschiedenis begint in zekere zin op Paaszondag 1939 wanneer de Duitse, Joodse natuurkundige David Strom en de Amerikaanse, gekleurde zangeres Delia Daley elkaar ontmoeten tijdens het door 75.000 mensen bezochte openluchtconcert van de eveneens Afro-Amerikaanse zangeres Marian Anderson; zij zong op de treden van het Lincoln Memorial, toen de 'Daughters of the American Revolution' weigerden haar op te laten treden in de Constitution Hall in Washington, D.C. Maar deze (familie)geschiedenis reikt veel verder terug, tot in 1843, en tot vele eeuwen ervoor.

Die onoverzichtelijke historische dimensie, die zich zo moeilijk verhoudt tot elk individueel mens, vormt het centrale thema van deze roman. Meer in het bijzonder gaat het verhaal over ras (en het door mensen daar aan verbonden rassenonderscheid); ras als een dominante, dwingende bovenpersoonlijke dimensie, en rassenonderscheid dat het de individuele mens vrijwel onmogelijk maakt om in de maatschappij eigen-zinnig en vrij te handelen en te zijn wie hij of zij denkt, voelt en wenst te zijn.

Centrale personages zijn de broers Jonah en Joey Strom, al in hun vroegste jaren door hun ouders met muziek overladen en al heel vroeg zeer getalenteerd als zanger, respectievelijk (begeleidend) pianist. Vooral Jonah is uitzonderlijk begaafd en zijn prestaties worden bijzonder intens en lyrisch en liefdevol door zijn broertje beschreven. De muzikale extase die Jonah - ook bij zijn publiek - steeds weer weet te bereiken, blijkt geleidelijk ook zijn doem, zeker in de ogen van hun jongere, niet minder muzikaal begaafde zus Ruth; het zusje dat zij wanneer ze aan hun carrière bouwen, uit het oog verliezen; het zusje dat ziet hoe haar broers de gewelddadig racistische (Amerikaanse) samenleving uit het oog verliezen, om wille van hun ideale muziek, waarvan zij, wat naïef, veronderstellen dat die mensen samenbrengt, zoals muziek het jonge gezin regelmatig innig verbond met improvisatie-avonden.

Belangrijke kanttekening is dat David Strom en Delia Daley eigenlijk niet met elkaar konden en mochten trouwen, een witte en een zwarte, anno 1940 in Amerika. Dwars door alle verbod, weerstand en afkeer heen doen ze dat wel en zetten hun lichtgekleurde kinderen in die maatschappij, kinderen die in de ogen van de witten zwart, in de optiek der zwarten wit zijn. David en Delia onderwijzen hen  thuis, sturen ze niet naar gesegregeerde scholen, en proberen ze op te voeden tot een eerste generatie kleur-vrije mensen.

De roman vertelt (dus) allerlei hoogte- en dieptepunten, vooral uit het leven van Jonah en Joey; en dat gaat vaak van dik hout. Van effectbejag en pathetiek is deze roman van Powers niet vrij. Maar eerlijk gezegd vond ik dat helemaal niet erg.

Ik denk dat dat mede kwam doordat deze hele familie-saga verweven is met talloze feitelijkheden uit de (Amerikaanse) sociale en culturele geschiedenis, en niet te vergeten met voortschrijdende denkbeelden omtrent het wezen van de tijd; dit laatste vooral via David Strom, die zich aan de universiteit onledig houdt met post-Einsteiniaanse natuurkundige theorieën, die hij - via Powers - behoorlijk aanschouwelijk weet te maken, inclusief de consequenties die ze hebben voor wat gewone mensen denken dat tijd is.

Maar vooral de historische uitingen van alledaags racisme, die Powers door deze fictieve saga weeft, maken het lezen van deze roman tot een onthutsende ervaring. De vertelling loopt door tot en met de Rodney King-rellen in april-mei 1992, en het is niet moeilijk de lijn door te trekken met de actualiteit van de V.S. dagelijks in de krant (ik bedoel natuurlijk niet dat racisme alleen daar voorkomt).

Een andere actualiteit maakt dit boek ook pikant: het recent ook in Nederland opgelaaide vuur van het racisme- en (culturele)toe-eigeningsdebat. Pikant, omdat Richard Powers, als ik het goed zie, tamelijk wit is (maar wat zou het; meerdere personages in zijn roman wijzen erop dat geen enkel ras 'zuiver' is; Joey, onder anderen, weet dat te waarderen want 'de uniformiteit [houdt] alles wat uiteenloopt er alleen maar onder [...] dankzij pure terreur. Zonder vermenging stagneert de wereld.')

P.S.
De Nederlandse vertaling bevat deze zin, die betrekking heeft op de improvisatie-avonden van de familie Strom: 'Brokken Barber vanuit de badkamer botsten op Carmen die uit de keuken klonk.' Dan denk ik: het origineel zal net zo goed zijn.

dinsdag 2 mei 2017

Arjen Fortuin, Geert van Oorschot, uitgever

Gebonden, met stofomslag en leeslint. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 763 blz. inclusief Epiloog, Noten, en Bijlagen, exclusief fotokaternen.

Het is al weer eventjes geleden dat dit op klassiek-Van Oorschotse wijze uitgevoerde boek verscheen (november 2015), iets minder lang geleden dat ik het kocht (19 december 2015, in Groningen, in de context van een bezoek aan de Bowie-tentoonstelling), en korter geleden dat ik erin te lezen begon. En nu heb ik het uit.

De kwaliteiten van deze prachtbiografie zijn inmiddels breed uitgemeten; ik heb daar, meer dan een jaar na de eerste uitgave, weinig aan te voegen. Het is een goed geschreven biografie, een biografie die tevens de geschiedenis van de uitgeverij is, tevens een partiële cultuur- en literatuurgeschiedenis van Nederland.

Het strikt persoonlijk-biografische deel, voor zover dat eruit te isoleren is, heeft wel wat weg van een roman, en dat komt door de denderend pathetische persoonlijkheid van die dragonder van een uitgever. Zie dat portret op het omslag: pure pose. En dat is: het is een pose, en het is de man zoals hij was, of zoals hij voor mijn geestesoog oprijst uit deze biografie. Gepassioneerd, eigengereid, vindingrijk, onverzettelijk, en gaarne bereid door roeien en ruiten te gaan. Een onmogelijke vent dus, die toch ook door velen op handen gedragen en in het hart gesloten werd.

Intrigerend is de uitgebreide en goed gedocumenteerde informatie over het reilen en zeilen van deze literaire uitgeverij, de opmerkelijke combinatie van inhoudelijke hoge kwaliteit en snoeiharde commercie.

Als je het nog niet deed: lezen!