zaterdag 20 april 2013

Dirk van Weelden, Het laatste jaar

Roman. E-versie van de eerste druk. Amsterdam-Antwerpen: Uitgeverij Augustus. 230 pagina's.

Behalve het boek waarin de lezer continu aan z'n kop wordt gezeurd door een stom stuk schilderslinnen, heb ik nooit een wonderlijker roman gelezen dan deze jongste van Dirk van Weelden.

Deze zin schoot me te binnen toen ik erachter kwam dat in ieder hoofdstuk van deze roman een (andere) mechanische schrijfmachine de verteller is. Achterin het boek worden ze netjes voorgesteld, elk met een fotootje erbij en een fragmentje tekst in ieders eigen letter. Hoe bizar het ook lijkt, vreemd is het niet, als je maar eventjes een blik wierp op de website van de schrijver.

Van Van Weelden had ik al verschillende romans in huis, en die heb ik alle ook gelezen, maar geen van alle heb ik daadwerkelijk uitgelezen. Op een vreemde manier ben ik kennelijk (toch) gefascineerd door Van Weelden. Toen ik het eerste rumoer over deze laatste van zijn romans las en een interview in de Volkskrant ben ik evenwel/dan ook* (* ik weet niet wat hier van toepassing is, want van Martin Bril, over wie deze roman ook gaat, heb ik hoegenaamd niets gelezen, en zijn rokjesdag vind ik een überstompzinnig mannelijkheteroseksuele idiotie) toen dus, ben ik naar de digiboekhandel gesneld en heb me deze prachtroman op de hals gehaald, als ik dat nu eens zo mag zeggen.

Mooi aan deze roman is, wat mij betreft, niet dat (auto-) biografische fundament (want ik ken beide heren niet), mooi is (als in: vind ik) niet het omslag (want ik kocht een smoelloos e-boekje), mooi zijn niet de klaterende metaforen (die zijn er niet), maar mooi is de melancholie, het idealisme, de eigenzinnigheid, de welwillende rechtlijnigheid van de verteller achter de machines, zijn strakke, feilloze taalgebruik, en het absurde vertelperspectief, en het 'ronde' van de vertelling. Dat laatste in die zin dat de roman voortdurend refereert aan het gezamenlijke debuut van de twee hoofdfiguren, in wie inderdaad Van Weelden en Bril met hun Arbeidsvitaminen (1987) te herkennen zijn, mooi is dat dit verhaal toch geschreven is vanuit het standpunt van maar één van de hoofdfiguren, door de helft van een vriendschap, door een na-bestaande, door iemand die bestaat na de dood van een naaste, door wie een roman wil schrijven over zijn vriendschap met die ander, die andere schrijver, die inmiddels een jaar geleden overleden is. Je leest in zekere zin de roman over het ontstaan waarvan deze roman handelt, en daarmee lees je over het gehele oeuvre van de ene hoofdfiguur, van zijn debuut tot en met zijn laatste (jongste) roman, de onderhavige roman. De titel is dan ook ambigue: de roman gaat over het laatste jaar van het leven van (en met) de vriend, en over het jaar na de dood van de vriend, over het afgelopen jaar, en impliciet over het nieuwe begin in/tijdens het jaar na die dood.

Lastig: ik las deze roman op het apparaat waarmee ik nu dit bericht schrijf; even iets nazoeken kan wel, maar ik heb de tekst er niet letterlijk naast liggen. Onhandig, zeker waar het gaat over een roman waarin de tastbare mechanica, de techniek, de τέχνη van het schrijven zo centraal staat. Ook dat, het fysieke, en/maar interesselose Wohlgefallen, dat zo centraal staat in deze roman (en, denk ik, in het oeuvre van Van Weelden), maakt deze roman zo intrigerend. Het is misschien niet een mooi verhaal, maar wel een zeer fraai verhaal.

Eigenlijk houd ik niet heel erg van schrijversromans die over schrijvers gaan. Maar in deze roman is het schrijven zo fundamenteel verankerd in het leven, nee: in deze roman is het leven van de (achter de machines verscholen liggende) verteller zo fundamenteel verankerd in het schrijven, is zijn schrijven zozeer zijn zijn, dat het er niet toe doet dat hij niet een doorsnee burger is. Het schrijven is zo essentieel voor zowel de ene als de andere hoofdfiguur, dat ik die Künstlerischkeit niet erg vind. Het is een meta-roman die des niet tegen staande heel basaal, zeer fundamenteel is.

Als ik dit soort frases uit mijn beeldschermtoetsenbord weet te wringen, ben ik óf ver heen óf bijzonder onder de indruk van wat ik heb gelezen. Ik kies, met gemak, voor het laatste in dit geval. Dit was weer eens een roman die ik zo snel mogelijk uitgelezen, geabsorbeerd wilde hebben. Waarom, heb ik vast niet duidelijk kunnen maken in het bovenstaande. Hoe moeilijker dat is (of: hoe meer ik denk: wat dondert dat nou?!), des te beter is de roman waar het over gaat, denk ik. Tijdens het het lezen heb ik wel vaak gedacht: aantekening maken! Maar dan las ik toch maar liever door, zonder weerwoord.

maandag 11 februari 2013

Shira Keller, M.

Amsterdam: Podium, 2012. Paperback met flappen, 144 bladzijden.

Een gros bladzijden boordevol vertelkracht. Binnen een weekeind tweemaal gelezen, tweemaal genoten. Dat is wat kwantiteit betreft niet verbazingwekkend, aangezien de tekst - zoals gebruikelijk - pas op pagina 7 begint, en pagina's 8 t/m 10, 45 en 46, 133 en 134, 138 t/m 140 gereserveerd zijn voor de overgang tussen de vier delen, en de pagina's 36 89 en 113 slechts een kort, los alineaatje beslaan, en ieder van de vele, ongenummerde hoofdstukken niet bovenaan de pagina begint en niet ondereen eindigt. Zo blijven er minder dan 126 pagina's tekst over. In de beperking toont zich de meesteres. En gelet op de kwaliteit van de tekst is die snelle herlezing ook niet verrassend: goed spul!

Hoe beheerst van omvang, toch beschrijft deze roman van Keller een heel leven (heerlijk, een debuterend auteur die eens verder kijkt dan het eigen, particulier, dagelijks gedoe). Het vertelpunt ligt bij de beeldhouwster Leah Rosenberg, die een eervolle uitnodiging krijgt een zelfportret te maken; ze loopt daar echter op vast, door gebrek aan inzicht, door een te sterk besef van een gebrek aan identiteit, door het besef dat een mens het lot en het leven niet in eigen hand heeft. Maar de roman begint met deze zin: 'Breekbaar als een ongekookte spaghettistengel staat mijn moeder op de wc-rand, op haar sokken.' Als een burgerlijke uitvoering van de schikgodin Atropos staat dat mens, zoals iedere dag, niet met een schaar, maar met behulp van een liniaal een blad van de kalender te verwijderen. De jonge Leah walgt ervan.

De rode draad van de roman ligt tussen die jeugd en die volwassenheid. Het is de tragische geschiedenis van de uitzichtloze en al te eindige verliefdheid van Leah als derde klasser op haar leraar klassieke talen. Niet alles wordt verteld, en al zeker geen alledaagse dingen. Veel Raffung en ellipsen, gelukkig (want er wordt te veel gekletst in Nederlandse debuten, er wordt eindeloos geleuterd). Geen opvallende stilistische strapatsen, wel goede taalbeheersing, geen stoplappen, wel zinrijke herhalingen, geen flauwe humor, wel tragiek, geen zware pathetiek, wel intrigerend heen en weer springen tussen jeugd, verliefdheid en volwassenheid, geen melige woordgrapjes, wel - en betrekkelijk onnadrukkelijk - referenties aan de last van een Joodse achtergrond, allusies, verwijzingen naar Doornroosje, Pyramus en Thisbe, het ironische lot van Oedipus; zelfs The Cure wordt in dit netwerk geweven.

Vanaf het begin is er sprake van verdubbeling in een spiegelbeeld, waardoor het soms voor Leah onzeker is wat werkelijk, wat gedachtenwereld is. Die verdubbeling staat haaks op haar latere onkunde, onmogelijkheid zichzelf in een portret te objectiveren, en werkt dus zeer diep door, zozeer zelfs dat ze eraan gaat twijfelen of die hele verliefdheid, die relatie er ooit wel geweest is. Of het niet een sprookje was. Dat de leraar, met wie ze iedere dag een sprookjesachtige tijdloosheid beleeft, Markus Prins heet, lijkt te zeer aangezet, als ik het zo navertel, maar in de roman stoorde het me werkelijk niet. Ook de driemalige, stekelige verwonding aan haar hand is misschien op het randje, maar blijft mijns inziens binnen de perken, mede doordat Keller enerzijds ingetogen vertelt, anderzijds, op macro-niveau, ontzettend gevarieerd schrijft, componeert; de onderdelen zijn bijvoorbeeld aangenaam ongelijk van lengte. En naarmate de tragiek groeit, neemt het vertelritme toe. Deel II eindigt zelfs met drie alinea's die alleen bestaan uit het woord: 'Tijdsprong.' Gewaagd, maar effectief.

Omdat het zo diep grijpt (dit individuele geval is verre van singulier), is het maar goed dat de potentiële pathetiek in deze roman gekanaliseerd wordt in bijvoorbeeld de referenties aan verhalen, muziek, schilderkunst en mythen. Knap is de vondst, zowel letterlijk als figuurlijk, die Leah uiteindelijk van haar beeldhouwers-block verlost. En nee, dit is geen roman met een blij einde, maar een die uitmondt in moeizaam verworven inzicht.

vrijdag 1 februari 2013

Arjan Peters, Kreten uit een urn

De criticus in deze tijd. Nijmegen: Vantilt 2013. Geniet katern met omslag met flappen. 32 pagina's.

Even overwoog ik hier als titel boven te zetten: Peters gaat over lijken. Maar dat zou een afwijking zijn van de gewoonte van dit blogje; bovendien gaat Peters strikt genomen over as. Ratelband light!

Gisteren en vandaag keken mensen op treinstations en in treinwagons me vreemd aan. Ik zat het boekje te lezen waarin Arjan Peters twee lezingen en een necrologie heeft gebundeld. Niet dàt vonden ze vreemd, denk ik, maar wel dat ik steeds zat te grinniken en te schokschouderen van het lachen bij het lezen van die kreten. Het is trouwens een boekwerkje met een eenvoudige, stijlvolle, kraakheldere typografie (jammer dat het met krammen in elkaar getimmerd is en niet genaaid met een touwtje).

De titel van het boekje is ook de titel van de eerste lezing; de tweede lezing gaat over een van de activiteiten van een literatuurcriticus, namelijk het schrijven en op tijd en zo correct mogelijk plaatsen van schrijversnecrologieën in een dagblad, en de derde tekst is de liefderijke necrologie van Michaël Zeeman, eermalig chef en vriend van Peters; die necrologie verscheen op 28 juli 2009, de dag na Zeemans dood, in de Volkskrant onder de titel 'Strijder tegen de middelmaat' (die titel is tevens als zelfportret te lezen). Geen geheim zal het zijn dat ik het boekje vooral kocht en las wegens die eerste SCARAB-lezing d.d. 14 december 2012. SCARAB staat voor Studying Criticism And Reception Across Borders, een onderzoeksprogramma van de faculteit Letteren van de Radboud Universiteit Nijmegen.

D'outre-tombe, als het ware, maakt Peters maar weer eens duidelijk dat de literatuurkritiek nog steeds niet dood is (ondanks Martin Walsers Tod eines Kritikers uit 2002 of Rónán McDonalds The Death of the Critic uit 2007). Hij maakt daarnaast duidelijk dat we eigenlijk ook niet weten of de kritiek er vroeger echt beter aan toe was, ook al zijn er steeds weer mensen, ook critici, die dat beweren. Het een gaat vaak samen met het ander; Gail Pool doet in Faint Praise (2007) niet vrolijk over de staat van de kritiek en schetst een grote, lange, neergaande historische lijn, die vreemd genoeg aanvangt met het begin van de kritiek zelf; kritiek is in veler opinie niet goed, of ze deugt niet. En steeds denkt men uit te moeten leggen hoe het beter kan (Jos Joosten - van SCARAB - onderzocht die literatuurkritiekkritiek en stelt er tegenover dat academisch kritiekonderzoek niet gericht moet zijn op wat de criticus moet, maar op wat de criticus doet, zoals ongeveer de titel van zijn oratie uit 2007 luidt).

Peters' betoog is helder, scherp, geestig, vilein en, als gezegd, optimistisch. Het evangelie van de criticus bestaat uit drie woorden, stelt hij: nieuwsgierigheid, hartstocht en stijl. Gedurende al de achttien bladzijden die zijn lezing telt, geeft hij er blijk van dat evangelie van harte en met verve uit te kunnen dragen. Peters slaagt er, zoals anderen die het belang van de kritiek benadrukken, niet goed in een heel concreet doel van de kritiek te formuleren. Als dat al zou kunnen. Hooguit: 'reageren op het verschijnen van een boek, vertellen hoe het in elkaar zit en laten zien hoe je erover kunt oordelen - wat iets heel anders is dan verwachten dat de lezer jouw opmerkingen onderschrijft.' (5)

Aan dat laatste is gekoppeld dat een criticus ook niet hoeft te verwachten dat zijn lezers rechtstreeks naar de winkel rennen. In tegendeel: liever niet! Stel je voor dat een criticus die invloed had. Dat zou pas een dooie boel worden. Die macht wordt de criticus wel toegedicht, zeker de criticus uit de goede oude tijd; die kon immers een schrijver maken of breken. Maar, zegt Peters, 'In de twintig jaar dat ik kritieken schrijf in de Volkskrant heb ik nog niet één keer een schrijver gebroken, ik hoor het me haast me spijt zeggen.' (11) Peters op z'n best: puttend uit eigen ervaring, scherp oordelend als Hermans, en schrijvend met een stijl en een humor als van Brakman.

Peters noemt recenseren ook terugschrijven, niet aan de auteur, maar aan het boek (11). Een criticus gaat een gesprek aan met een boek. Maar een boek spreekt niet terug; een schrijver wordt ook niet geacht terug te schrijven; en critici reageren, denk ik, zelden direct op elkaars kritieken. Lekkere gesprekken zijn dat?! Maar ze zijn nodig, omdat de verspreiding van wat kwaliteit heeft en kwetsbaar is, niet vanzelf spreekt (18).

Misschien lijkt literatuurkritiek op de literatuur zelf, is haar belang alleen in paradoxen te formuleren en wordt ze, om de gisteren geabdiceerde DDV aan te halen, bedreven 'uit nutteloze noodzaak'.

maandag 28 januari 2013

Philip Roth, Everyman

London: Jonathan Cape, 2006. 186 bladzijden.

Het boek lag al gelezen in huis, maar nog niet door mij; wel ooit Portnoy's Complaint (toen niet geheel aan mij besteed) en recentelijker (maar historische fictie is een vak apart); en toen hield de goede man op met schrijven terwijl ik net verlegen zat om een stuk epiek. Nou, sprak E. E. de Ga, dan doe je deze toch, en hield een overzichtelijk, zwart boekwerk omhoog, hardcover met zwart stofomslag. Roth, dus. En ik dacht: 'Ja'.

En terecht. Ik heb het - bezigheden buitenshuis hebbende - niet zeer vlot uitgelezen, maar dat stemde me zeer gelukkig. Zolang ik het niet uit had, kon ik erin verder. Wat een eenvoud van vertelling en wat een krachtig opgeroepen wereld en tijdperk. En dan al die noodlottige mislukbaarheid van het leven, die erin wordt uitgeserveerd alsof het een heerlijkheid is. Wat een ritme van vertellen ook.

Bizar is het perspectief. Een alwetende vertelinstantie. Maar eigenlijk een (verhulde) ik-vertelling. Maar ja, het begint bij de begrafenis van de hoofdfiguur; dan kan je niet met een ik-verteller aankomen. Wel met zo'n schier neutrale alweter; die overziet dat hele leven. Ik liet me er lijdzaam door leiden. Van de ene mislukking langs de volgende naar het eind.

Opmerkelijk, dat het Roth is gelukt de hoofdpersoon geen naam te geven, dat geen van zijn tegenspelers hem bij zijn naam noemt, en dat dat geen enkele keer storend of kunstmatig is; het valt eigenlijk nauwelijks op. Daardoor kan hij inderdaad een elckerlyc worden. Heel vrolijk hoef je daar niet mee te doen, want het is allemaal maar uitstel tot de ondergang. Maar mooi geformuleerd. Ik sla het boek echt lukraak open en lees:

"I took it," she said. "I can't take any more."

Geen mooimakerij, geen gedraai. Beginnen bij het graf, en er langzaam naartoe werken. Daartussen een levenomspannende roman over een mens die het toch maar probeert.

vrijdag 4 januari 2013

Hanneke Hendrix, De verjaardagen [2.0]

Breda, De geus, 2012. Hardcover met omslag. 285 blz.

Een opmerkelijk boek, over twee vreemde personages, Boris en Lies, in een dorp, door een verteller die er niet is, maar zich toch regelmatig tussen de regels dringt met opmerkingen over wat 'we' van het leven (moeten) vinden, of wat 'je' ervan weet. 'Je hoort mensen weleens zeggen dat je niet kunt missen wat je niet kent, maar Lies was het levende bewijs van het tegendeel.' (74) Soms wordt zelfs de lezer heel amicaal toegesproken. 'Als je als kind ooit kwaad werd op een ouder die voorzichtig je haar uitkamde, maar je tóch pijn deed, dan kun je je misschien inleven in hoe het bij Lies werkte.' (85)

Maar dat stoorde me niet, doordat ik veel te nieuwsgierig was naar hoe het verhaal zich zou ontwikkelen. En die ontwikkeling gaat aanvankelijk alles behalve vlug. Ook dat vond ik niet erg, omdat het over van die maffe personages gaat; misschien is 'absurde' hier een betere karakterisering; het zijn lichtgestoorde buitenstaanders à la Renate Dorresteins figuren. Of ook wel Tommy Wieringa's personages. Want aan die lui in dat dorp van Joe Speedboot zitten ook een paar steken los, en ook zij staan enigszins naast de gemeenschap waar ze toe (moeten) behoren (waarom weet ik nu nog dat dat dorp Lomark heet?). Ook Pontus Beg is weer zo'n zijdeling, net als de vluchtelingen en anderen in Dit zijn de namen, opnieuw een roman die gesitueerd is in een maar half-bekend oord (vergelijk Caesarion en meer nog Alles over Tristan).

Lies heeft een ernstige huidaandoening, waardoor ze voortdurend gezalfd en gezwachteld door het leven gaat en bijna nooit buiten komt en vrijwel geen aanraking verdragen kan. En ook haar innerlijk is kwetsbaar; ze eet daarom alles aangelengd met grote hoeveelheden mayonaise. Boris daarentegen, wiens moeder de deur niet meer uit komt, is eveneens vaderloos maar voorzien van een andere afwijking: bij het minste of geringste gaat er van alles onder zijn handen aan scherven, in gruizels en erger. Ook opzettelijk. Hij is bij vlagen verwoestend. Wat z'n ogen zien, maken z'n handen kapot. En die twee vinden elkaar (duhuh, ze wonen zelfs naast elkaar). Die Boris is soms net Theo Maassen, of een andere Maaskanter, bijvoorbeeld als hij tegen zijn wettelijke maar niet biologische vader uitvaart: '"En wie ben jij nou helemaal? Jij moet je bek houden," zei Boris zonder van zijn Libelle op te kijken.' (119)

In deel twee (119-209) loopt het helemaal uit de klauwen, vooral met Boris. Volkomen door het lint. Een schier apocalyptische verwoesting, maar dan op dorpsschaal. En deel drie volgt na een ellips van maar liefst vijftien jaar, wat een aangename, onverwachte verandering in het tempo en de blikrichting van verhaal is. Nee, geen blij einde. In zeker zin zelfs geen einde. Maar dat ga ik hier niet verklappen, behalve dan dat die structuur goed aansluit bij het eerste motto van de roman, dat ontleend is aan Camus' De mythe van Sisyphus.

Ik heb deze debuutroman nog eens op m'n gemak herlezen [16-01-2013] omdat de sfeer ervan me erg beviel, en dat doet ze nog steeds. Een beetje Alex van Warmerdammerig, inclusief absurdistische dialogen en de personages, zeker de bijfiguren, die een opzettelijk bordkartonnen gestiek en een schematische karakterstructuur hebben. En niet minder interessant vind ik de wijze waarop Hendrix zin en onzin mengt, en hoe ze nu eens expliciteert wat toch al voor de hand ligt en dan weer onverklaard laat wat moeilijker te begrijpen is. Dat amalgaam draagt de opmerkelijke sfeer van deze.

De wijze waarop de titel is verwerkt in het verhaal, is ook een voorbeeld van de eigenaardige compositie. Belangrijke gebeurtenissen vinden plaats op verjaardagen van personages; dat lijkt op een heldere structuur, maar anderzijds is het volkomen irrelevant dat die combinatie er is; maar bij een derde blik is er toch weer een thematisch verband met de buitenhuwelijkse, of zelfs buitenrelationele verwekking van Lies en Boris; die vond plaats op een verjaardag van hun respectieve moeders, maar daarmee hoeft nog niet ook hun eigen verjaardag belast te zijn; toch is daar ook iets mee.

Behalve absurd, in de tragische zin van het woord, zijn de in het leven geworpen (hoofd)personages ook fundamenteel gekwetst en machteloos. Toch is deze roman niet pessimistisch of deprimerend. De lichte, humoristische kant van het absurdisme heeft namelijk ook veel ruimte in De verjaardagen, misschien wel doordat het boek 'bijna in z'n geheel geschreven [is] aan tafel 11 op de bovenverdieping van Café In De Blaauwe Hand' (287). Maar ja: 'Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval.'

maandag 24 december 2012

Marjolijn van Heemstra, De laatste Aedema

Roman. Amsterdam, De Bezige Bij, 2012. Paperback 255 blz.

Tien maanden geleden werd ik tijdens i-Poetry Live van het Poëziecircus overdonderd door de voordracht van Marjolijn van Heemstra. Ik heb daarna onmiddellijk haar bundel Als Mozes had doorgevraagd gekocht, maar die heb ik tot op heden alleen maar doorgebladerd, niet gelezen. Hoe gek het kan lopen met het lezen. Drie maal raden wat mijn eerste goede voornemen voor het nieuwe jaar is, want inmiddels las ik haar roman, De laatste Aedema.

Het is een lang- en behoedzame, opmerkelijk on-spectaculaire vertelling door een ik-figuur die wel wat gemeen lijkt te hebben met Van Heemstra, blijkens de achterflap. Doorgaans word ik wederspannig van dat soort prozadebuten. Maar in dit geval stoorde me het dicht-op-de-huid-van-de-auteurse niet.

Misschien doordat de proloog niet 'Proloog' heet maar titelloos is en wel van pagina 5 tot en met 20 duurt en twee hoofdstukken lijkt te beslaan, waarna onverwacht toch nog hoofdstuk 'Een' begint, het eerste van totaal 27 hoofdstukken, waarop geen epiloog volgt. Is ook niet nodig.

Wellicht is een aantrekkelijkheid van deze roman ook dat de vele dialogen die erin voorkomen, typografisch in het geheel niet gemarkeerd zijn. De tekst is een geheel. Geen aanhalingstekens, geen liggende streepjes bij een nieuwe claus. Ik heb er de thuisbibliotheek maar eens steekproefsgewijs op nageslagen, althans het deel Anker, Robert t/m Hertmans, Stefan dat in de woonkamer staat: geen enkele roman heeft dat; allemaal hebben ze aanhalingstekens of van die liggende streepjes. Opmerkelijk sober, deze roman, en toch ook niet bijzonder opvallend of epaterend. Het past.

De stijl van Van Heemstra de prozaïste is, zoals de typografie van de roman, betrekkelijk kaal. De enige uitschieter is van een personage: 'ik ga de bek niet naar het bit zetten'. Een prachtuitdrukking, die ik nog niet kende. Maar daar blijft het wel bij. Sterker nog: het boek is niet vrij van dooddoeners als 'Plotseling schiet me iets te binnen.' Je zou zelfs kunnen zeggen dat er wat veel van dat vertellen in te vinden is, en dat er wat weinig getoond wordt.

Maar dat maakt me in dit geval niet uit. De vertelster is immers voortdurend bezig met haar eigen plaatsbepaling, positie in het leven te overwegen na het overlijden van haar grootvader, die als een vader voor haar was. Want hoewel lid van een oud en adellijk geslacht, staat Loina er wat eenzaam in. Bovendien draait haar vertelling al gauw om de reconstructie van het leven van haar overgrootmoeder, de moeder van haar vaderlijke grootvader; ook hij was wat onthecht. Niet alleen die reconstructie staat centraal, ook het terugvinden van het gebeente van die overgrootmoeder; dat onderneemt ze samen met 'boer Fluit, onze archivaris in Oendijk, die ook de grafkelder beheert.' Door zo'n karakterisering ben ik trouwens wel verkocht, en ook door de rituele handelingen die er in het gedrag van veel personages zijn geslopen.

Loina barones van Aedema - vernoemd, nota bene, naar de afgebrande boerderij van haar stamvader, Grote Ab - is de laatste, de tweeëndertigste Loina. Na haar is er geen jongere Aedema meer, laat staan een die de bijna duizend jaar oude stamboom verder kan laten vertakken. Een droefgeestig maar mooi mooi gegeven (een contrast met een door een van de familieleden ooit ondersteund weeshuis: de jongens die daarin weden opgevangen moesten allemaal dezelfde naam krijgen als de geldschieter, waardoor het op een gegeven moment handig werd ze ook een nummer te geven; het werden er echter zo veel, dat men ertoe overging om ze dan maar bij hun nummer en niet meer bij hun naam te noemen). Het gegeven van groepsvorming en individualiteit, van identiteit en verbondenheid, van elitaire groepsvorming en openheid naar anderen ook, kortom de paradox van 'noblesse oblige' fundeert de gehele roman.

De plot lijkt soms iets gewrongens te hebben door verloren gewaande familieleden en onverwacht opduikende, tot dan toe onbekende bloedverwanten, maar zo vreemd is dat ook weer als het gaat om een dergelijke oude familie; het deed me denken aan het eerste hoofdstuk, 'Komaf', van de biografie van Achterberg, waarvan de eerste paragraaf 'De "freule"' heet. En ook het woelige leven van een Bernhard van Lippe-Biesterfeld kan hier een vergelijkingspunt zijn.

De roman maakt een aangenaam ongekunstelde indruk op me. Zelfs een wending als 'hier beneden is het stil' lijkt geen bewuste, 'literaire' referentie, laat staan een reverentie. Daardoor komt de paradoxale thematiek van traditie en vooruitzicht, elite en openheid rechter naar voren.

De eenendertigste Loina is samen met boer Fluit druk doende het gebeente van haar overgrootmoeder te traceren en te verenigen met de botten van alle andere Aedema's, opdat het familieverleden compleet is. Deze vertelling is onversierd, stakerig, als een skelet, waarzonder geen lichaam, geen verhaal mogelijk is. Dat verhaal staat deels in het boek en vormt zich deels in het hoofd van de lezer. Zo heb ik de personages in mijn lectuur opgetuigd met trekjes van die vreemde familie D'Embeque uit Groningen, uit die roman die stilistisch en verteltechnisch misschien wel haaks staat op De laatste Aedema. Mooi kan verschillende vormen hebben.

vrijdag 12 oktober 2012

Oek de Jong, Pier

en oceaan; roman. Amsterdam-Antwerpen 2012. Digitale versie, naar de eerste druk. 682 bladzijden.

Laat ik er vooraf geen geheim van maken dat ik de roman niet ten einde toe gelezen heb. Midden in pagina 365 heb ik de lectuur gestaakt, be-eindigd. Dat is aan het eind van paragraaf 4 van hoofdstuk IV van deel Vier (er zijn in totaal vijf delen). Qua pagina's net over de helft. Terwijl ik het al als een voordeel opvat dat de e-versie niet de roemruchte, in alle kranten en advertentiën gemelde 800 bladzijden telt, maar - ik weet niet hoe het kan - slechts 682. Elektronisch is dit opus wat omvang betreft dus iets minder magnum dan het klakkeloos gekopieerde epitheton ornans van de commercie en journalistiek het wil laten lijken. Maar ook figuurlijk vind ik dit werk niet groot.

Het kan best zijn dat de resterende 317 bladzijden bieden wat ik in de eerste 365 miste. Grandeur. Vaart. De grote greep. Epische kracht. Ik weet dus ook niet of 'ze' elkaar krijgen aan het eind. Of kinderen. Of dat ze doodgaan. Of dat ze gelukkig leven. Of met hun duim in de dijk.

Meer dan een grote roman lijkt me het gedeelte dat ik ervan las een verzameling chronologisch geordende, verbale familiekiekjes - zwart-wit, maar met alle tinten grijs daartussen - waar de eermalige fotograaf op een herfstige zondagmiddag in het bejaardenhuis herinneringen bij ophaalt, en daar zelf geen genoeg van krijgt zonder zich te bekommeren om zijn publiek, dat verveeld wegzakt terwijl de thee koud en de cake op is en borreltijd nog lange niet in zicht.

De stijl van en de onderwerpen in deze roman lijken ontleend aan Haanstra's Alleman. Dat mag harmonieus lijken, het levert mijns inziens niets op. Het ontbreekt me aan waardering voor deze oeverloze aandacht en zelfs eerbied voor de gewoonste dingen, die onder anderen Lieuwe Roorda, de vader van Abel, wel schijnt te hebben: 'Daar genoot hij van: elke ochtend in een nog rustige dorpsstraat dezelfde dingen te zien, dezelfde mensen die die dingen deden.' Ik zie wel dat De Jong in deze roman probeert aan te geven dat Abel probeert en meer nog hoopt van dat alledaagse aardse los te komen, het te ontstijgen, maar ik vind dat Abeltje geen vleugels krijgt, niet gedreven wordt door een verzengende kracht, opgejaagd wordt door een demon, bezeten raakt. Zwemles, doorlopers en een paardenstaart zijn geen bouwstenen voor een groots werk. Althans niet voor de helft van een groots genoemd werk.

Verder lezen helpt niet.

'Toen Dina wakker werd, was ze vergeten dat ze zwanger was.'
Een geestig begin. Niet zo sterk als de onthutsende openingsscène van Hokwerda's kind, maar wel intrigerend. Ik wil dan meteen meer informatie over zo'n personage. Een dergelijke informatieachterstand van de lezer is niet vreemd aan het begin van een roman. Maar gaandeweg stelt De Jong zijn lezer steeds vaker voor zo'n leemte. Ook nog in deel 4 van hoofdstuk IV van deel Vier. Dat begint zo: '"Eindelijk zien we je weer es," zei mevrouw Wisse.' Het deel ervoor was Abel nog bij mevrouw Postma. Heel iemand anders. En er is geen enkele narratieve overgang tussen deel 3 en 4 van hoofdstuk IV van deel Vier. Ook elders ontbreekt vaak een overgang, deel Een uitgezonderd, omdat daarin het verhaal is opgehangen aan een treinreis van Dina. Doorgaans heeft de roman, ondanks de basale chronologie, het karakter van een caleidoscoop, en moet de lezer steeds omschakelen en, zeker na een witregel, zich her-oriënteren (waar zijn we nu weer, wie is nu de hoofdpersoon en/of focalisator?) om vanuit de scherven het overzicht op het geheel te behouden.

Maar steeds wordt de lezer na zo'n zo'n overgang, in een paar regels, toch bijgepraat. Zoals na dat '"Eindelijk zien we je weer es," zei mevrouw Wisse.' Daarop volgt: 'Niet wetend wat te doen [...] was hij [...] naar het huis van de Wisses [gelopen], en langs de achterdeur naar binnen gegaan, alsof hij er nog steeds kind aan huis was.' Tegelijkertijd wordt de lezer daar niets wezenlijks wijzer van. En dat vind ik onaangenaam: dat er in zo'n grote roman zo veel gebabbeld wordt en er eigenlijk niets gebeurt; dat het bijvoorbeeld in een passage van zes bladzijden als een existentieel evenement wordt gepresenteerd dat de kleine Abel aan de paardenstaart van een meisje trekt.

Die Dina, aan het begin van de roman, wordt 'gewekt door het gerinkel van melkflessen', waarna er voor alle duidelijkheid bij is genoteerd: 'Ze hoorde [...] het rinkelen van de lege flessen'. Dat, zou mijn moeder zeggen, haal je de koekoek. Daarna ligt Dina '[m]et gesloten ogen [...] naar de melkman' te luisteren, draait ze zich om , voelt haar kind bewegen en: 'Ze was wakker geworden zonder eraan te denken.' Daarmee zijn we weer terug bij zin één en geen meter opgeschoten. Voor alle zekerheid volgt nog: 'Ze was vergeten dat het er was.'

Een dergelijke overduidelijkheid, om nog maar niet van redundantie te spreken, tekent ook de descripties, waarvan de roman er vele kent, althans het deel dat ik ervan las. In een Hollandsche roman over een opgroeiende jongeling, type Woutertje Pieterse-Kees de Jongen-Anton Wachter-en noem zelf de overige tien van het dozijn, kan het eerste paar schaatsen bijvoorbeeld niet ontbreken:

Een smal stuk hout dat aan de voorkant opkrulde, een stuk ijzer eronder dat door liep tot achter het hout. Bij de voorvoet en de hiel waren gaten in het hout geboord voor twee leren banden, waar een lange veter doorheen was gehaald. Friese doorlopers werden ze genoemd. Ze waren tevoorschijn gekomen uit vergeelde kranten.
Alsof Kader Abdolah De Jongs ghost writer is.

Zoals met schaatsen (al waren die van Abel wel wat roestig en oud), is het plattelandsjoch dat hier de held heet, ook verheugd bij het ontwaren van een tram:

'Mam, een 24,' riep hij, 'kijk, een 24!' Boven op het dak van de tram [...] hing in de beugel het getal 24. [...] over het Rokin naderde een 4. Ook dit getal in de beugel [...]. 'En daar een 16!'
Leerstelle voor de oplettende lezer: 8 en 12.

En dan op naar de Cineac in diezelfde grote stad. 'Daar ga je wat beleven, knul'. En daar is dan 'de lichtbundel, die de zaal doorkliefde', en een bladzijde later 'de zich verwijdende lichtbundel die de donkere zaal doorkliefde'.

Oom Gregoor, de kunstenaar van de familie die in de stad woont, bedenkt zich dat hij binnenkort Dina, Abels moeder, 'zijn zusje [...] weer eens' ziet. En de meteen daarop volgende alinea begint met: 'Hij had haar jaren niet gezien, sinds haar bruiloft eigenlijk niet meer, zeven jaar geleden.' Een pagina later is het voor Dina 'een schok haar broer na zeven jaar terug te zien.' Dat klopt. En zeven pagina's verder is er weer iets 'zeven jaar geleden' gebeurd.

Nog zo een:

Elke seconde was een kilometer, legde [Lieuwe] uit. [...] Na een uur trok het onweer af. Zwaar ruisend viel de regen neer.

[nieuwe alinea, over Dina] Ze hoorde niets anders dan het ruisen van de regen en zonk diep weg. [...] De regen ruiste zo zwaar dat ze amper zichzelf hoorde. [...] Het geluid van de slagregen drong weer tot haar door.

Dat alles in anderhalve bladzijde. Dat krijg je met dat heen en weer springen tussen die personale perspectieven; voor elk personage afzonderlijk geldt dat er iets zeven jaar geleden gebeurde of dat de regen ruisend neerviel. Maar bij dat personale vertellen past mijns inziens niet een superauctoriale opmerking als: 'Later, terugdenkend aan die dag, herinnerde ze zich niet dat [...].' Ook is het vreemd dat een zesjarige knul weet wat een timpaan is en dat een achtjarige 'een soort craquelé' van opdrogende karnemelk op zijn huid voelt ontstaan, en dat met betrekking tot dat joch wordt genoteerd: 'Steeds wist hij waar dit onvervaarde meisje zich bevond.' Die begrippen heeft de vertelinstantie hem vast ingefluisterd, dezelfde die onbedoeld geestig is door te schrijven: 'Uitgestorven lag de begraafplaats erbij'. Maar weer kinderlijk onbeholpen is deze Abelse observatie van de werking van de typemachine van zijn vader, een Underwood: 'Langzaam een toets indrukken, net zo lang totdat de wagen met een rukje opschoof naar rechts - het deed zijn hart bonzen.' Dat moet een Hebreeuwse of Arabische Underwood zijn geweest.

Door de frequentie van de beschrijvingen van dergelijke alledaagse kinderkleinigheden, die nergens omgeven worden door ware actie, grote tragiek of wereldgeschiedenis, ging ik vanaf pagina 154 steeds vaker struikelen over woordruis als 'Abel weigerde te eten. Hij had alle hoop verloren en wilde niet meer eten.'

'Tussen de jutezakken met aardappels - het mud dat zijn grootvader jaarlijks bestelde - vond hij een stoel. Zijn grootmoeder bracht een paardendeken, en onder die deken zat hij urenlang tussen de aardappels.'

'Abel zag een waterhoen van blad naar blad stappen - en precies zo had ook hij, als Klein Duimpje, over die bladeren willen lopen [...]. [...] aan deze poel, waar hij een waterhoen bedaard en voorzichtig van het ene blad op het andere zag stappen.'

'Hij nam een plechtige houding aan en zei:
"Mon Dieu, Mon Dieu, ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple!"
Hij lachte naar zijn kinderen.
"De beroemde laatste woorden van Willem van Oranje."
[...]
"Ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple!"
Lieuwe herhaalde de legendarische woorden nog eens.'

QED of zo.

'Hij huiverde in zijn windjack, het kippenvel stond op zijn blote benen, hij had het koud'.

'Nu en dan hield hij zijn hoofd onder water, ook al werd dat niet gevraagd. Zijn moeder had hem een "echte waterrat" genoemd. Om een echte waterrat te lijken duwde hij van tijd tot tijd zijn hoofd onder water.'

'De zondag had zich al kenbaar gemaakt [...]. Maar het zondagsgevoel begon pas [...]. [...] zijn zondagse kortebroek [...] zijn zondagse schoenen [...]. Zondagse kleren [...]. Beneden werd het zondagsgevoel alleen maar sterker.' In dertien digitale regels tekst.

En die woordenrijkdom bevat erg veel broodmagere telling als: 'Dit waren belangwekkende geluiden voor hem.' Andere struikelpunten zijn stilistische oubolligheden als: 'een weelderige boezem'. 'Hij nam een nonchalante houding aan, die hij nog verschillende keren wijzigde.' 'Hij [de dokter in de optiek van Dina] maakte altijd een gezwinde indruk.' Op een bouwterrein: 'Overdag woedde hier de daadkracht, nu was het er stil.' 'Bedrukt registreerden de kinderen de agitatie van hun moeder.' 'De legerpukkel die hem tot schooltas diende'. 'Job zat in kleermakerszit op zijn bed en bediende het woordenboek.' 'het verre Amsterdam', een bladzijde later 'het oproerige Amsterdam.' Over den rebelschen haardracht: 'De disciplinering door schaar en tondeuze was wat hem betreft voorbij.' 'Hij had zichzelf als jongen leren zwemmen - in zekere zin een revolutionaire daad, want geen van zijn voorvaderen was de zwemkunst machtig'.

P.S.

Met mijn Ouariachi-recensiequotiënt zit het wel goed: (682+10):1774 = 0.39.

P.P.S Vreemd, om vandaag in de NRC de recensie van Sebastiaan Kort te lezen: 'Perplex sta je door het stilistisch vermogen dat Oek de Jong tentoonspreidt in Pier en Oceaan.' 'Je' is een ander, om Rimbaud maar eens te verhaspelen.