zondag 6 september 2020

Lina Wolff, De polyglotte geliefden

Vert. Janny Moddelbeek-Oortgiesen. Atlas-Contact, Amsterdam-Antwerpen 2018. Oorspr. De polyglotta älsarna. Albert Bonniers Förlag, Stockholm. 2016. E-boek op basis van de eerste druk van de vertaling; 204 bladzijden.

Als ik in een recensie het volgende lees in een citaat uit een roman, zonder dat de recensent er een opmerking over maakt (of over de vertaling, maar ik weet niet waar de bron ligt), dan krab ik mij achter een oor en frons ik een brauw: 'Haar keel leek zich te te hebben dichtgesnoerd'. Dan ga ik me proberen voor te stellen hoe zo'n strottenhoofd zichzelf zoiets zou hebben kunnen aandoen, maar schiet er me geen enkele in het nauw gebrachte gorgel voor het geestesoog. Het citaat vervolgt met de consequentie van deze zelfsnoersessie, die er helaas met een in deze context uiterst onbeduidend nevenschikkend voegwoord aan vastgeknoopt is: 'en de laatste woorden van de zin kwamen er zwak uit, bijna fluisterend.' Daarbij denk ik: zouden die woorden er niet 'bijna als gefluisterd' uit zijn gekomen, want van fluisterende woorden heb ik nog nooit gehoord en ze roepen een beeld op dat wel mooi is maar dat helemaal niet past bij het hieraan voorafgaande. En: waarom 'bijna'?

Had ik deze recensie eerder gelezen, dan was ik misschien niet eens aan het boek begonnen, hoewel het me werd aangeraden door iemand die echt geen beroerde lezer is, om er maar eens een understatement in te gooien. Maar diezelfde recensent van hierboven plaatst (het mensbeeld van) Wolff in een rijtje dat begint met 'Brett Easton Ellis, Houellebecq en bij ons Arnon Grunberg.' Dat spitst de aandacht toch wel. En als ik wat verder door internetteksten blader, krijg ik de indruk dat De polyglotte geliefden inhoudelijk interessant moet zijn. Bovendien las ik dat deze roman, de tweede van Wolff (1973), in de prijzen is gevallen: 'Sweden's biggest domestic literary prize, the August Prize, as well as the Svenska Dagbldet Prize' (aldus Wikipedia).

Toch heb ik de lectuur gestaakt na 49 bladzijden (ik was nog niet eens bij die pijnlijke keel gekomen). Terugblikkend blijkt het ongenoegen al in de de eerste zin gezaaid te zijn: 'Dat het internet mijn ding zou zijn om de ware te vinden had ik nooit gedacht.' Oh jee, een voor zich uit babbelende ik-vertelster (ze heet zoals de titel van deel een: Ellinor). En dan de nog vreeswekkender tweede zin: 'Ik vond het iets marketingachtigs hebben, bovendien had ik nog nooit een contactadvertentie geschreven, iets anders ook niet trouwens, en ik wist niet hoe je je schriftelijk moest verkopen.'

Niets aanmoedigends schuilt er mijns inziens in een vertelster die het eerste van de drie delen van een roman het woord zal voeren terwijl ze nog geen contactadvertentie in haar portfolio zegt te hebben. Daarvan geeft ze inderdaad blijk met spreektalige slappe thee als 'mijn ding', 'iets marketingachtigs' 'je je' en 'trouwens'. En daarna komen nog: 'Mijn vriendjes waren altijd doodgewone jongens', 'helemaal niets bijzonders', 'in elk geval', 'zo op het eerste gezicht' (hoezo 'zo'?), en nog eens 'in elk geval'. Een archetypisch geval van woordarmoede, lijkt me dat (en woorden zijn het bloed van een roman). Deze diagnose kon ik al te stellen op basis van het eerste bladzijdje met grote letters op mijn e-readertje (op papier slechts het eerste kwart van de pagina).

Ellinor beschrijft op bladzijde negen een kelder waar een vechtclub traint:

Iedereen kwam tegen iedereen uit. Je ging een trap af onder een school en dan liep je een kelder in. Overal zaten tegels in een kleur tussen bruin en oranje in, maar het waren rare, matte tegels die in tegenstelling tot hoe tegels normaal werken, alle geluiden leken te absorberen. Je liep daarbeneden ver door onderaardse gangen. Iedereen was doodstil, had blote voeten en droeg een tas met sportkleding over de schouder. Het enige wat je hoorde, waren de ventilators.

Het komt mij vreemd en verwarrend voor dat in de eerste zin van dit citaat de beschrijving wordt gegeven van wat er doorgaans in die kelder gebeurt, terwijl daarna beschreven wordt hoe de vertelster (voor het eerst) in die kelder terechtkwam; en dat gebeurt dan niet in een beschrijving van wat ze zelf mee heeft gemaakt, maar met een veralgemenisering door middel van 'je', terwijl er niet van iets algemeens sprake is. Deze vreemde wijze van formuleren komt vaker voor in de eerste 49 bladzijden; al in de hiervoor aangehaalde tweede zin van de roman staat er een voorbeeld van, nog wel een met de lelijke consequentie 'je je' - zonder problemen en veel duidelijker had daar 'ik me' kunnen staan.

Het blijft in de kelderdescriptie de vraag hoe 'je' bij die trap kunt komen, die immers onder een school is gelegen. Misschien is die vaagheid veroorzaakt doordat de aandacht van Ellinor werd getrokken door de uiterlijke verschijning van overal zittende (?) tegels; ze zijn niet bruin en niet oranje, en mat. Maar daarna blijkt dat niet het uiterlijk van die tegels opmerkelijk is, maar de werking ervan (op zich wel een grappige formulering, dat tegels zouden werken). Hun werking is dat ze iets lijken te doen: ze 'lijken' alle geluiden te absorberen. Ze doen dat kennelijk niet. Deze lezer vraagt zich af wat er dan werkelijk aan de hand is, daar bij die 'rare' tegels. Helemaal niets? Nee, de tegels hoeven niets te absorberen: 'Iedereen was doodstil'. En wat erger is: de rare tegels werken helemaal niet goed, want de ventilators zijn, naar het schijnt, prima te horen. Waartoe dan toch die hele soesa met die maffe tegels daar beneden in het ondergrondse onder de trap onder de school?

Ik stopte bijna bij: 'Dat was niet iets wat je aan Calisto kon vertellen; voor bepaalde dingen [jawel: 'dingen', en dan ook nog 'bepaalde'] die je zei, kon hij af en toe ontzettend zijn neus ophalen, maar ik vond dat ik wijzer werd van kijken naar waar ik naar keek', en haakte definitief af na: 'Want je snapt dat Walt [uit Breaking Bad] zijn leven niet on hold heeft gezet om op de ziekte [kanker] te wachten.' De overtreffende trap van een open deur.

zaterdag 29 augustus 2020

Michel Faber, Het boek van wonderlijke nieuwe dingen

Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema. 4e dr. 2015 (1e dr. 2015). Amsterdam - Antwerpen, Podium - Vrijdag. 637 blz. Oorspr. The Book of New Strange Things. Conongate Books.

Een tijdje geleden gekocht, tijdens mijn verkenning van de nieuwe vestiging van Broese (mooi). De eerste bladzijde beviel me zeer. Het eerste hoofdstuk niet minder. Faber kende ik van zijn beroemde historische roman Lelieblank, scharlakenrood (2002), de bundel verhalen The Fahrenheit Twins (2005), en (de verfilming van) Under the Skin (2000). Die laatste laatste twee werken boden me een kennismaking met sci-fi-achtige of dis- dan wel heterotopische aspecten van zijn werk, waar ook dit Boek van wonderlijke nieuwe dingen een exponent van is.

Deze laatste roman van de Nederlands-Australische Schotse auteur ('I think I have written the things I was put on earth to write. I think I've reached the limit') gaat over een gelukkig getrouwde, ex-drank- en drugsverslaafde dominee, Peter Leigh, die door een organisatie, USIC, die hij eigenlijk niet kent, wordt uitverkoren om – weliswaar zonder zijn vrouw Beatrice, die ook dominee is – uitgezonden te worden naar een buitenaardse kolonie waar wezens wonen die in zoverre vreemd zijn dat ze op hun schouders  iets hebben dat wel een hoofd lijkt maar alles behalve een gezicht heeft, dat ze voor Peter niet in seksen zijn in te delen, en dat ze slissend praten. Ze hebben een eigen taal, maar ze zijn zo vriendelijk om te proberen Engels te praten met hun overheersers. De 's' en de 'd', die ze niet goed kunnen uitspreken, worden in hun personagetekst weergegeven met aparte symbolen die aan het Hebreeuws lijken te zijn ontleend.

Peter is niet de eerste evangelist op/in Oasis; zijn voorganger is spoorloos verdwenen, maar des niet tegenstaande dragen de originele Oasiërs als naam allemaal 'Vriend van Jezus', gevolgd door een nummer, en vragen ze Peter dringend om te lezen uit het boek van wonderlijke nieuwe dingen, naar hij aanneemt een aanduiding van de Bijbel. Het is wellicht een leuk grapje dat de titel van het eerste hoofdstuk van deze roman luidt: 'Uw wil geschiede', en dat de naam van de dominee niet zonder christelijke connotatie is, maar verder dacht ik vooral: wat het hekje moet die man daar ver weg voor werk verrichten?

En er zijn meer vragen, waarop geen antwoord komt in de 288 bladzijden die ik van de roman heb gelezen voor ik hem te koop zette op Boekwinkeltjes.nl (G-Lu! is weer in de lucht). Wat stelt die USIC eigenlijk voor? Wat doet die organisatie daar in de ruimte? Welk belang heeft ze bij Oasis? Waarom tonen die Oasiërs geen enkel teken van zelfrespect of verzet? Wat is er zo bijzonder aan die planeet (als het dat is), behalve dat er rare plantjes groeien en dat de tijd er anders dan op aarde verstrijkt, waardoor de correspondentie tussen Peter en Beatrice niet vlotjes verloopt (maar die de facto helemaal door niets gehinderd wordt)?

Behalve aan mijn onvolgroeide liefde voor dit soort fantasy (als ik het genre zo kan noemen), ligt de oorzaak van de gebrekkige aansluiting tussen mij en deze roman mijns inziens in Fabers onvolkomen beschrijving van de vreemde wereld. Die wil maar niet tot beelden leiden op het netvlies van mijn geestesoog. Bovendien bespeur ik geen prikkelende problematiek en voel ik me ook niet zodanig bij mijn leeskladden gegrepen dat ik welwillend mijn ongeloof aan de literaire wilgen ophang om mijn best te kunnen doen het geheel als een kritische allegorie van onze moderne, westerse, aardse samenleving te lezen.

Moge het virtuoze, het door de ziel snijdende, waanzinnig meeslepende, betoverende en buitengewone karakter waarvan de blurb op het achterplat rept, te vinden zijn op pagina 289 tot en met 637.

donderdag 30 juli 2020

Atte Jongstra, Het fluïde tijdperk

Beeldende kunst, identiteit en ondernemen; overlevingsoefeningen. De arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2017. Paperback, 287 bladzijden inclusief register onder de titel 'Stroomgebied; een woord van dank'. Rijk voorzien van schitterende en bizarre illustraties, omwille waarvan (denk ik) heel het boek op fraai papier is gedrukt; goed gelijmd, valt lekker open, slaat stevig dicht en weegt gedegen op de hand.

Een prima boek om te lezen na Joe Morans First You Write a Sentence. Jongstra is een zeer behendig en geverseerd schrijver van zinnen die van kop tot kont, of von Kopf bis Fuß, om het zo eens te zeggen, vakkundig in elkaar gegoten zijn en zonder enige hindernis, dam of barrage van de initiële hoofdletter vloeien naar de afsluitende punt.

Alleen waar het zinvol is en/of klankrijk uitpakt, legt de schrijver als het ware een kiezel of een kei in de inktstroom. Er is geen sprake van dat Jongstra doet wat onlangs een journaliste op tv een strafrechtadvocate onheus in de schoenen probeerde te schuiven: "Maar is dat lommerrijk taalgebruik niet ook een expres rookgordijn?" Jongstra's reactie op zo'n suggestie zou weleens even kort kunnen zijn als die van de advocate: "Neen."

Maar dat is slechts de halve waarheid, en misschien een van de zevenendertigduizend verschillen tussen literatuur en strafrecht. Jongstra, zo stel ik mij voor, als ik me – hoe bezopen dat ook is – even op zijn praatstoel probeer te verplaatsen, zou ook volmondig en bondig "Ja" kunnen antwoorden op diezelfde vraag, want hij is een onbedaarlijk taalgebruiker en een ongebreideld wijds denker, als zijn schielijk schaatsen over associatieve ijsschotsen nog denken mag heten.

Het kan een wonder heten dat de man nog reguliere boeken schrijft, hoewel die bijvoeglijke bepaling enigszins onder druk staat bij elk van zijn werken, uiteenlopend van een documentaire, verhalen en romans tot essays en een lexicon. De laatste afbeelding in Het fluïde tijdperk is die van een vulpen, met het onderschrift: "De vulpen, een uitvinding van Louis Waterman (1837-1901). Foto collectie auteur". Van zijn eerder verschenen oeuvre wordt achterin dit boek slechts een selectie van de titels genoemd, en die bevat er al negentien, alle van werken van papier en inkt. Als de hyperlink niet door Douglas Engelbart was uitgevonden, had Jongstra dat waarschijnlijk gedaan. Hij zwaait en zwiert van onderwerp naar zijspoor naar dwarsverbinding en weer terug tot je er als lezer van duizelt en vrolijk losgezongen van het alledaagse meedraait in die semantische wieling die je doorheen zijn halve oeuvre leidt, wat meteen de andere helft impliceert, zodat we toch weer rond zijn.
Het gaat met kunst niet om stromingen, het gaat om stromen. Het ware genot ligt in het vergelijken van kunst uit alle perioden van de geschiedenis, je eraan spiegelen. Om je erin te vinden? Zeker. Ik denk ook aan genot. (218)
Bij een Portret van Lola Montez (1847) door Franz Xaver Winterhalter (het internet staat bomvol Lola Montez, maar een repro van het portret uit een privécollectie dat de auteur heeft kunnen zien, is er niet bij) noteert Jongstra:
Winterhalter heeft zich gedwongen gezien Lola's lange haren wat uit beeld te schuiven, om het oog de kans te bieden in haar decolleté te verzinken. Bijna had ik geschreven 'verdrinken', maar dat oog is meteen gretig op weg naar de spiegel aan haar voeten: daar is het vrij schaatsen, op het beeld van Lola's onbedekt weerkaatste schaamte. (205)
Mij als lezer brengt zo'n bijna-verschrijving van een auteur onmiddellijk naar Gerrit Achterberg, mede doordat elders in het boek sprake is van verdronken land, dat mij deed denken aan zijn gedicht 'Reimerswaal'. In 'Beaulieu', het eerste gedicht van Spel van de wilde jacht (1957), schrijft Achterberg onder meer over "weeldemeisjes", wat best een verwijzing naar een Lola zou kunnen zijn; maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om het begin:
Bij een zondagnamiddagwandeling
liep ik de buitenplaatsen in te kijken.
Achter droomramen leefden daar de rijken,
verdronken met hun meubels en gezin.
(de held van deze verhalende dichtbundel heeft, dit terzijde, al net zo'n afdwalende blik als Jongstra, wat beiden trouwens in verband brengt met Willem Brakman, over wie we de laatste tijd te weinig kunnen lezen; bij Achterberg gaat het niet om een gewone wandeling, zelfs niet een zondagse wandeling, maar om een zondagnamiddagwandeling; hoe ver kan je dwalen? (of: hoe klein is de wereld: de vierde afdeling van Het fluïde tijdperk heet "Wandelen"); en de aandacht van de ik in het gedicht wordt niet getrokken door doorsnee plaatsen, maar door buitenplaatsen, waarvan er een "Welgelegen" heet, maar niet in het Nederlands; ook de ramen zijn niet rechtstreeks reëel, maar droomramen; het is een en al mentale af-dwaling)

Zoals iedereen na kan gaan in de historisch-kritische editie van Achterbergs Gedichten, heeft de dichter rond het geboortejaar van Jongstra (1956) in regel 4 van dit gedicht getwijfeld tussen "verdronken" en "verzonken" – hij noteerde eerst "verdronken", schreef toen een "z" boven "dr" om het alternatief aan te geven en te archiveren voor zichzelf, en streepte die letter vervolgens door, om nooit meer op die beslissing terug te komen: "verdronken" moest het zijn en bleef het.

Waarom? Dat is nog een vraag. Een antwoord kan zijn: omdat verzinken kan duiden op verdieping van de aandacht, terwijl verdrinking leidt tot de "dood", en dat contrasteert mooi met "leefden" in de derde regel, en het kan erop duiden dat die rijke lui niet echt meer leefden in de optiek van de ik-figuur: het geestesleven was eruit, laat staan dat ze nog ergens in verzonken zouden kunnen raken. Verderop in de bundel heet het:
Spookhuizen staan langs stille weteringen,
hun dode ogen binnenwaarts gekeerd;
tot conferentieoord gedegradeerd
voor volksdans en wereldverbeteringen.
Dat water, dat stroomt niet meer. Dooie boel.

Maar niet in Het fluïde tijdperk. Daar spat het vrolijk alle kanten op. 
 

zaterdag 25 juli 2020

Joe Moran, First You Write a Sentence.

The Elements of Reading, Writing... and Life.
Penguin Books, s.l., 2019 [1st. edition Viking 2018].  Paperback, 230 bladzijden, inclusief Select Bibliography, Acknowledgements en Index.

Geen enkele hedendaagse of recente typograaf laat zich een interpunctieteken opdringen bij het ontwerpen van (de tekst voor) een boekomslag – en zeker geen punt na de titel. Wie het ook waren, de typografen van Herinneringen van een bramzijgertje, Herinneringen van een “Oorlogskind”, Herinneringen van een ‘Moffenkind’, herinneringen [sic] van een friese [sic] landarbeider, Herinneringen van een joods meisje, Herinneringen van een denkbeeldig vriendje, Herinneringen van een Schoolmeester, Herinneringen van een engelbewaarder, Herinneringen van een angstige tiener, Herinneringen van een hutjongen, Herinneringen van een vader, Herinneringen van een welopgevoed meisje, Herinneringen van een pelgrim, Herinneringen van een onzichtbare man, Herinneringen van een gewone jongen, Herinneringen van een oude pruik, Herinneringen van een dommen jongen, Herinneringen van een Rotterdams revolutionair, Herinneringen van een Rotterdams jongetje, Herinneringen van een Haagse jongen, Herinneringen van een mooi meisje, Herinneringen van een regisseur, Herinneringen van een Arabische prinses of Memoires van luipaard zetten er geen punt achter


Een punt op die plaats is onconventioneel en/want foeilelijk. Maar achter First You Write a Sentence. hoort een punt. Die zegt veel over dit boek. Verder dan die punt en dan de zin komt het niet. Joe Moran, hoogleraar Engels en Culturele Geschiedenis aan de John Moores University in Liverpool, doet wat hij schrijft. Hij noteert als een gedrevene opbeurende zinnen waarmee hij uitvoert wat hij erover zegt. Na een schets van wat de metafoor doet (het onbeschrijflijke relateren aan de blote feiten van ons leven) en wat nominalisaties doen (zinnen verbergen die gebeurtenissen beschrijven die wèl voorstelbaar zijn), noteert hij bijvoorbeeld: de nominalisatie ‘is the white dwarf of a sentence. […] A nominalisation is the shrunken remains of a verbal clause, a noun-heavy mass compacted with pre-learned knowledge.’ (57) Nominalisaties werpen doorgaans dan ook hindernissen op tussen wat een schrijver zeggen wil en een lezer kan begrijpen.


Niet alleen leep is Morans tekst, ook behartenswaardig: ‘writing is not just a way of communicating; it is a way of thinking. Nouny writing relieves the writer of the need to do either.’ (61) Typerend is dat hij in deze uitspraak nominalisaties gebruikt. Maar deze zijn geen obstakels: ze bevatten de kennis die zojuist in andere woorden is gedeeld. Bovendien demonstreren ze een ander aspect van Morans opvattingen: een stelregel is nooit eenduidig of simplistisch, laat staan absoluut (net als in het ongeschreven leven).


Hij doorspekt zijn tekst met de nodige one of more liners, behartenswaardige wijsheden die de lezer naar believen met een korreltje zout kan nemen. Een voorbeeld:

Writing is not conversation, nor a speech-balloon text waiting for a response. The point of writing is to store and spread information in a form that does not require anyone else's bodily presence while it is being written. (115)

Omdat zelfs een duidelijke boodschap niet in een keer doorkomt, schrijft hij tien bladzijden later, in een ander hoofdstuk:

We must keep remembering, since we keep forgetting, that our writing will be read in our absence and it must clear up any confusion all on its own. (125)

Nog een wijsheid:

If you have something weird or astonishing or heterodox to say – if you want to stretch the confines of the credible and be true to the world in all its beautiful, brain-melting absurdity, which you should want to do – then say it with the plainest words and in the plainest order you can find. (123)

Wat de meest duidelijke woorden en schikkingen zijn, weet Moran doorheen het hele boek goed te bespreken.


Voor wie veel werkstukken, essays of papers moet nakijken, kan het verhelderend zijn Morans observaties of opinies te lezen, zoals de volgende:

Prepositions are a bad way to stitch up long sentences because they neither connect phrases clearly, like conjunctions, nor separate them clearly, like punctuation. They are the worst of both worlds. (141)

Moran wordt zelf ook geconfronteerd met deze materie.

An English lecturer gets used to listening to laments about the younger generation's slide into illiteracy. I remain unconvinced. Of course, when marking essays I come across lots of bad sentences. The cut-and-shut jobs, which embark on a thought and then set off on an other before the first is done with, until the end of the sentence has erased any memory of its beginning. The breathless run-ons: clauses just squashed together, needing full stops like lungs need air. The accidental fragments that, shorn of any sense of causation, read like bad haiku. The slowmotion car crashes, which start out fine until some slight syntactical wobble makes them career off the road, where the mangled syntax lies sprawling until the full stop ends its agony. The ones with just too many needless words in them, stifling sense like knotweed. (15-16)

Er is geen bewijs voor de stelling dat mensen slechter zijn gaan schrijven. Diezelfde klacht was er al in de middeleeuwen. 

No, these sentences are bad because they stopped being visible and hearable to their writers. The writer knew what she wanted to say, thought she had said it, and gave up reading and listening. To write well you need to read and audit your own words, and that is a much stranger and more unnatural act than any of us know. (16)

Een zin, meer in het bijzonder: een goede zin, kan onbeschrijflijk veel verschijningsvormen hebben, vanaf de hoofdletter waar ze doorgaans mee begint, tot de punt waarmee ze – eveneens door de bank genomen – wordt besloten. En dat laatste is niet zonder doel, zin of reden:

A plain English sentence moves smoothly and easily towards its final point. The best way to ensure this happens is to put the important stuff at the end. (119)

Merk op dat deze twee zinnen (uiteraard) een punt aan het eind hebben en dat 'het belangrijke spul' daadwerkelijk aan het eind staat: “its final point.” respectievelijk “at the end.”  Merk daarnaast op dat zowel “final point” als “the end” hier dubbelzinnig opgevat kunnen worden en dat beide woordgroepen het interpunctieteken betekenen dat erop volgt. De zinnen zijn metalinguaal op een niet-dikdoenerige manier (wat zonder ironie niet van de onderhavige zin gezegd kan worden).


Precies Morans uiterst toegankelijke wijze van schrijven (die hij uit principe en in de praktijk bepleit) maakt dit boek bijzonder aantrekkelijk. Het enige minpunt is dat je, al lang voordat je halverwege bent, spijt hebt gekregen van de meeste zinnen die je tot dan toe in je leven zelf hebt geschreven.


Een ander minpunt is dat Moran zich ook uitlaat over de alinea. Het zesde hoofdstuk gaat onder andere over cohesie en coherentie en hij verlaat daarmee het vertrouwde niveau van de enkele zin. Het is niet dat Moran daar onzin beweert, maar de scherpte is dan een beetje van zijn betoog af. Saai wordt zijn vertelling overigens nooit. Hij bracht me – ik weet niet eens meer precies waarmee – in herinnering dat ik zelf ooit vast was gelopen in een schrijfexperiment, en dat ik mijn onbezonnen epos pas weer vlot kon trekken toen ik een app had gevonden waarmee je een typemachine kon nabootsen op je iPad, inclusief letterhamersgeluid en de plotse "PLIENG" bij het naderen van de rechtermarge van het fictieve blad papier en inclusief het onverwacht opduiken van het einde van de pagina, de onderkant van het a4-blad, en exclusief de mogelijkheid om tikfouten anders te corrigeren dan door ze door te strepen halen en erboven of erna de verbetering te typen. Die app dwong me beter op te letten, leverde me gratis een mooi kader voor mijn hoofdstukken (a4) en deed me, voor alles, terugdenken aan mijn vaders ambachtelijke Adler. Maar dit ter zijde.


In dat hoofdstuk over de alinea staat een derde minpunt: de domste omschrijving van het sonnet die ik ooit zag. "A sonnet, fourteen lines of ten syllables each [...]". (189). Gelukkig is deze Anglocentrische onzin onderdeel van een kleine beschouwing over een heel ander onderwerp, namelijk de functie van het wit om de tekst, meer in het bijzonder reclameteksten. De zin gaat verder met: "is an oblong block of type in the centre of the page, bordered by silence."  De woorden "oblong", "block", "bordered" en "by" maken al een mooi aanloopje naar het eind van de zin, die met "silence" opeens een semantische wending maakt waardoor het geheel toch nog klinkt als een van de honderd klokken die London doen bonzen.


Typerend is dat na dat hoofdstuk over de alinea er nog een volgt, waarin Moran opmerkt: "Most books go on for fifty pages longer than they should." (199) Klopt. Het hoofdstuk over die alinea's begint op pagina 157. Maar toch voegt het slothoofdstuk iets toe waarzonder het boek niet af was. De titel luidt: 'A Small, Good Thing. Or why a sentence should be a gift to the world'. Hierin voegt Moran onder meer een persoonlijke noot toe die een deel van de verklaring is waarom het boek, zoals zijn ondertitel zegt, onder andere handelt over The Elements of [...] Life. En hij spreekt erin de hoop uit "that a love letter to a small, good thing will feel more useful to the reader than an English lesson." (210) Klein terzijde: op zijn universitaire webpagina vertelt Moran: "My interest was/is in the seemingly uninteresting and banal details of everyday life, what Mike Leigh calls 'the nose-picking, arse-scratching, mundane world'." 


Dit geschreven hebbend, bedenk ik dat dit kleinood van Moran in wezen een persoonlijk pleidooi is voor een studieus soort mindfulness als het beginsel van goed schrijven. Het boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die aan een academische studie begint. Beter nog: ieder academisch jaar opnieuw zou het verplichte leesstof moeten zijn voor iedereen in het academisch onderwijs, studenten even zo goed als docenten. Studenten Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht moeten vanaf 2020 gelukkig al Schrijven voor de wetenschap aanschaffen en bestuderen. Maar First You Write a Sentence.



maandag 8 juni 2020

Antjie Krog, Broze Aarde

Een mis voor het universum. Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar. Amsterdam, Podium 2020. Hardback, 47 bladzijden, tweetalige uitgave.

De oorspronkelijke titel van deze tekst luidt: O Brose Aarde. 'n Misorde vir die Nuwe Verbond. Me dunkt dat die een beetje vreemd vertaald is. Waar is de uitroep in de hoofdtitel gebleven, die bij uitstek past bij deze hartstochtelijke tekst? En waar komt dat universum in de ondertitel vandaan, waar is het nieuwe verbond gebleven? Ik weet er het theologisch fijne niet van, maar ik ben bang iets te missen zonder het Afrikaans. Gelukkig is de rest van de bundel tweetalig, met links de vertaling, rechts het origineel.

Behalve de oorspronkelijke titel staat in het colofon ook deze mededeling: 'Deze mis werd mede mogelijk gemaakt door het Nasionale Afrikaanse Teater-inisiatief.' Ik ontleende er de aansporing aan om de tekst hardop te lezen (zonder toehoorders), maar liever nog had ik Antjie Krog haar horen voordragen. Wie haar een keer heeft gehoord, krijgt daar niet genoeg van, denk ik. De tekst moet tot klinken worden gebracht, ze moet afwisselend gesproken, gefluisterd, gezongen, gebeden en geroepen worden. Het is ook een gedicht, maar meer nog de basis van een opvoering, een uitvoering. Theatraal, ja.

Het onderwerp is door de titel al duidelijk en wordt nader ingeleid in de openingswoorden:
hoe kan ons die planeet versorg as ons nie mekaar versorg nie / hoe kan ons mekaar versorg as ons nie die planeet versorg nie?
Anders dan in de werkelijkheid, belijdt hier, meteen in het begin al, de gemeente haar zonden:
Ons bely dat ons uitermate sondig deur mekaar,
en die aarde wat ons onderhou, daagliks
te beskadig en te vernietig
deur wat ons doen
en versuim om te doen.

Skuld, ons dra skuld.
Ons dra almal groot skuld.

Wees ons genadig.
O Allesomvattende Aarde – wees ons arme stommerikke genadig!
Amen.
Het is prachtig hoe Krog hier het model van de mis gebruikt om een nieuw, kosmisch en mythisch verbond aan te geven tussen de mens en de aarde (niet: 'zijn' aarde), uit eerbied en schuldbesef, in een uitermate lyrische taal, die ritmisch over de bladzijden swingt. Lees maar, je zult ermee instemmen.

Robert Anker, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

Gedichten
. Amsterdam-Antwerpen, Querido, 2015. Paperback, 88 pagina's, inclusief inhoudsopgave en aantekeningen.

Eerst even iets anders:
Ik kwam tot hier, en zag. Ik zocht
Iets anders maar geen sterfling vindt,
Ook niet aan 't einde van zijn tocht,
De dingen die hij droomde als kind.
Dit is het eerste, titelloze gedicht uit de bundel Gedichten (1917) van P.N. van Eyck. Ik zag net pas dat de eerste regel een allusie is op de beroemde woorden van Julius Cesar. De afwijking van de geno-tekst is betekenisvol: Van Eyck was geen winnaar; een beetje een somberaar, en een dromer, maar wel een met heel veel eerbied voor en een voortdurende nieuwsgierigheid naar het onbegrepen leven.

Een heel erg klein beetje lijkt Anker wel op Eyck: altijd zoekend, altijd strevend, bijna tegen beter weten in, en altijd ook in de slagschaduw van het einde. Welhaast in een J.C. Bloem-achtig besef van Media vita. Maar de bijna honderd jaren die tussen beide bundels liggen, zijn niet te veronachtzamen, en vooral niet het stijlverschil, dat zich niet in drie woorden laat beschrijven.

Ik herlas Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd (2015) kort nadat ik ook De vergever (2016) had herlezen en nu ben ik klaar voor de herlezing van In de wereld (2017), Ankers laatste werk. Weemoed, en ook heimwee, was zelden afwezig in het oeuvre van Anker, maar zijn laatste poëziebundel en zijn op één na laatste roman staan wel heel sterk in het teken van de eindigheid en van het einde zelfs van het leven, dat voor Anker persoonlijk in 2017 toesloeg.

Het motto van De vergever is een Borges-citaat: "Ik heb de vreselijkste zonde begaan/ Die een mens maar begaan kan. Ik ben niet/ Gelukkig geweest." Hoe opmerkelijk dat een NRC Handelsblad-recensent het boek 'goedgeluimd' heeft genoemd... Ofschoon ook wel begrijpelijk: Ankers werk is melancholisch (lijkt die figuur op het omslag van Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd niet op een haas?) maar des niet tegenstaande ook vol van levensdrift, da's waar. En zeker Sander Schwarz is niet gespeend van zowel gevoel voor drama (sterk vergroot) als voor vooruitdrang.

Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd lijkt niet goedgeluimd. De laatste vier regels van de bundel luiden:
We waren kansloos vanaf het begin
grappig dat je dat pas weet
als het eindigt
zoals nu.
De tweede afdeling heet, en gaat over, 'Het lege hart'; elk van de veertien gedichten (er zou eens niet met het sonnet gedold worden) begint ook met die woordgroep; nou ja, een ervan begint met 'Il cuore vuoto'; typisch Anker: als herhaling, dan een afwijking.

Dat geldt ook voor de bundel als geheel: ze bevat genoeg motieven die bekend zijn uit eerder werk, maar de toon is toch anders, zoals ook in De vergever, op het moto waarvan gezinspeeld lijkt te worden aan het eind van 'Normaal':
en inderdaad, onze levensweg was een belediging
voor de werkelijkheid en ja, dat is een schuld
die wij op ons geladen hebben en de straf is
dat wij niet gelukkig zijn geweest.



maandag 18 mei 2020

Maxim Februari, De maakbare man

Notities over transseksualiteit. 3e dr. Prometheus, Amsterdam, 2013. Paperback,  128 bladzijden. Oorspr. 2013.

Vorige week ben ik voor het eerst sinds de afkondiging van de Corona-toestand weer eens over de drempel van een boekhandel gestapt. Wat een weldaad. Lekker langs al dat drukwerk slenteren, beetje koekeloeren, beetje bladeren, beetje lezen, boek terugleggen, heerlijk ("...shit, zo wel weer m'n handen wassen...") en almaar denken aan wat er nog op de plank ligt thuis, en virtueel in de e-lezer, wat er nog gelezen 'moet' voordat er ook weer wat mag... eeuwig dilemma... En opeens: een boekje van Februari dat ik nog niet las.

Ik had net een heel dik boek gelezen dat wel interessant is, maar ernstig lijdt aan een gebrek aan betoogkracht, visie, humor, eruditie en stijl; een boek, kortom, dat geen enkele  van de bundel eigenschappen heeft, die al de teksten van Februari (essays, romans, columns, interviews) zo ver boven het literair-culturele maaiveld doet uitsteken. Welnu: De maakbare man is een klassieke Februari.

Het bestaan van het boekje was me bekend, maar ik was er eerlijk gezegd schoorvoetend omheen gelopen omdat de teksten van Februari me dierbaar zijn en ik het bijzonder waardeer dat hij zich altijd onttrok aan het gebruikelijke schrijversspektakel, dat onvermijdelijk een overdreven en vaak ook overbodige aandacht voor de persoon van de schrijver meebrengt, ten koste van die voor de inhoud van het werk. Februari's optreden in DWDD naar aanleiding van het verschijnen van dit boek was aan me voorbijgegaan doordat ik televisie het medium bij uitstek vind dat op een verkeerde manier met boeken en schrijvers omgaat (uitzonderlijke programma's daargelaten). Ik kijk geen tv meer.

Een uitzondering maakte ik afgelopen zomer voor Zomergasten, althans voor de uitzending met Hannah Bervoets en die met Februari, die ik terugzag via internet. Februari vond ik in dat programma gelukkig sprekend lijken op de implied author annex implied philosopher die ik tijdens het lezen van zijn werk steeds op mijn geestesnetvlies krijg. Iemand met een heldere, rustige betoogtrant, een afgewogen, genuanceerde visie op kwesties van bovenpersoonlijk belang, goedgeïnformeerd, uitstekend formulerend en rijk aan subtiele humor.

De maakbare man, hoezeer ook geworteld in een persoonlijk lotgeval, past, zoals ik al aangaf, naadloos in dit beeld. Op intelligente wijze bespreekt Februari transseksualiteit als een maatschappelijk en socio-cultureel onderwerp en ontwart de terminologische (spraak)verwarring die eromheen is ontstaan, waardoor zijn hier verzamelde notities een grotere reikwijdte krijgen dan de ondertitel van het boekje doet vermoeden. Het gaat, vaak prikkelend humoristisch, subtiel schakelend van serieus en ernstig naar sprankeltjes superieure lichtvoetigheid, onder meer over wederzijds begrip, beschaving, rechten, fatsoen.