zondag 19 augustus 2018

Laurent Binet, HhhH

Himmlers hersens heten Heydrich. Roman. Vert. [uit het Frans] door Liesbeth van Nes. 13e dr. [1e dr. 2010]. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2011. Hardback, wrs. oorspr. met stofomslag, maar mijn exemplaar zonder. 347 blz. (Oorspr. HHhH, 2009)

Mijn stofomslagloze exemplaar van deze roman heb ik of gevonden, of in de ramsj of bij een uitverkoop op de kop getikt, al een tijdje geleden; typisch geval van: 'Wil ik eigenlijk ook nog lezen, destijds goede dingen over gelezen, geloof ik.'

Nou, niks mis mee, om negen jaar na verschijnen een succes-debuutroman alsnog te lezen. Een voordeel van dit late lezen en van het succes dat het boek had en heeft, is dat ik nu vast niet meer het verhaaltje hoef na te vertellen.

De titelpagina geeft het nadrukkelijk aan, en ook de ik-verteller laat er geen twijfel over bestaan: dit boek is een roman. Maar doordat die verteller zo druk doende is met het schrijven en het reflecteren daarop, moet dit ook een meta-roman heten. De naamloze ik-verteller reflecteert van meet af aan over de tekst die hij aan het schrijven is, over zijn personages, of misschien moet ik zeggen: over de figuren in zijn roman, die, doordat dit een roman is, personages zijn geworden, terwijl ze gebaseerd zijn op historische mensen, zoals alles in deze roman stevig gefundeerd is in de werkelijkheid, vooral de afgrijselijke werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog. Daarom wil de verteller, die haast onvermijdelijk gelijk te stellen is aan de schrijver, nadrukkelijk proberen niet(s) te fabuleren. Toch neemt hij, zoals iedere verteller van een historische roman, af en toe zijn toevlucht tot verzinsels, beter gezegd: fictionele reconstructies, maar nooit zonder daar dan weer bij stil te staan.

Deze constructie is dus zeer expliciet en zichtbaar, wat de lezer, deze lezer althans, intrigeert en bij de les houdt, en misschien ook wel om de tuin leidt, want wat kan deze zelfbewuste verteller je allemaal op de mouw spelden wanneer hij per ongeluk of expres eens niet reflecteert op zijn eigen fictionalisering?

Binet heeft voor deze roman mijns inziens de Pris Concourt du Prmier roman (2010) niet voor niets gekregen. Hij heeft enorm veel noten op zijn zang, heeft enorm veel historisch onderzoek gedaan (vermoed ik en vertelt hij - maar anders dan Johnatan Littell in zijn De welwillenden geeft hij geen bronnen), stapelt 257 hoofdstukken van zeer uiteenlopende lengte op elkaar, schiet heen en weer van vertellerstijd naar vertelde tijd en reageert daarbij ook nog op andere boeken en films over 'zijn' onderwerp, waarbij vooral het drie jaar oudere De welwillenden het moet ontgelden, al was het maar omdat de hoofdpersoon daarvan een geheel fictionele constructie is. Bovendien weet Binet zijn verhaal heel goed te versnellen en vertragen, te concretiseren en te vervagen, en heen en weer te slepen naar het historische dan wel het theoretische, tussen het feitelijke en het persoonlijk betrokkene. Mede door dat sterk afwisselende vertelritme komen de gruwelijke feiten van het nazionaal-socialisme ijzingwekkend hard aan. 

Bijzonder is dat toch: dat de werkelijkheid, die je al wel een beetje dacht te kennen, duidelijk(er) wordt door middel van de fictie. Zeker in dit geval, omdat Binet er aandacht voor heeft dat het leven, zelfs het ├╝ber-georganiseerde nazi-leven, vol zit van stupide toevalligheden, onverklaarbare stompzinnigheden; dat houdt de menselijke maat erin, die de onmenselijkheid van de oorlogsmisdaden des te erger doet uitkomen.