zaterdag 7 januari 2017

Vladimir Nabokov, The Original of Laura

(Dying is Fun). Edited by Dmitri Nabokov. Penguin Classics, London 2009. Hardback met stofomslag. 278 blz.

Op het stofomslag luidt de ondertitel: A Novel in Fragments, wat maar gedeeltelijk klopt, want het is de facsimile-editie van het materiaal van Nabokovs laatste, onvoltooide roman, die door die onvoltooidheid  fragmentarisch is. Mijns inziens wijst niets erop dat de roman fragmentarisch bedoeld was, denk ik. In ieder geval ging Nabokov dood voor hij ermee klaar was. En hij had te kennen gegeven dat het materiaal vernietigd moest worden als hij voortijdig zou sterven. Dat laatste hebben zijn nabestaanden, vrouw en zoon, niet gedaan; in tegendeel.

Het materiaal bestaat uit 138 systeemkaarten die enkelzijdig zijn beschreven, de meeste met potlood, een enkele, beter gezegd: één enkele met ballpoint. Onder alle kaarten is een transcriptie van de tekst opgenomen. De bezorger, Dmitri Nabokov, heeft helaas geen poging gedaan ook de doorhalingen te leesbaar te maken. En een beetje jammer is dat de transcripties niet echt diplomatisch en sowieso niet integraal zijn. Een zelf-instructie van de auteur op p. 211 wordt bijvoorbeeld helaas niet getranscribeerd. In de rechter hoek van de kaart die gaat over 'self-extinction' en 'self-immolation' noteert Nabokov bovenaan: 'three card[s] at least / of this stuff'). Een schitterend kijkje in de keuken, en een mooie tegenhanger van J.H. Leopolds 'Niet teveel gelul'.

Het boek is er een dat je echt in handen moet hebben, niet in digitale vorm moet lezen, want het is heerlijk materieel, niet alleen doordat er zwaar papier voor gebruikt is, waardoor het boek goed weegt, en ook niet alleen doordat al die facsimile's erin zijn opgenomen, maar vooral doordat al die systeemkaarten rondom geperforeerd zijn: je kunt ze uit het boek halen en proberen er een betere roman van samen te stellen dan in deze editie gebeurd is (de bladzijden zijn dus systeemkaart-dik). Leuke klus voor hoogmoedigen die denken Nabokov te kunnen verbeteren (er schiet me een herinnering te binnen aan, ik meen, 'Wild Gardening' van Bernlef; maar dit terzij).

Een van de verhaallijnen in de roman, neergelegd in de laatste tientallen kaarten en aansluitend bij de ondertitel, is die van en over 'Dr. Philip Wild, a man of brilliance, wit fortune and tremendous bulk, [who] is used to suffering humiliation at the hands of his wife, the young, slender, and rudely promiscuous Flora. [...] Wild still finds pleasure in life by indulging in virtual self-annihilation, beginning with the removal of his toes.' Aldus de flaptekst, die al wat te proeven geeft van het rijke vocabulaire en de dito syntactische stijl van Nabokov zelf.

Dat in aanzet ondernomen levenseinde van Wild komt mooi tot uitdrukking in de onvoltooidheid van de, gaandeweg steeds fragmentarischer wordende roman-in-wording. Deze paradox alleen al maakt deze tekst een echte Nabokov-roman, eens te meer omdat precies dat ertoe leidt dat je toch kunt betwijfelen of deze roman als roman wel echt onvoltooid is.

Die twijfel wordt alleen maar sterker voor wie Nabokovs Pale Fire las, een roman in de vorm van de geannoteerde leeseditie van een onvoltooid episch gedicht. In The Original of Laura komt een andere roman ter sprake, My Laura, geschreven door een amant van Wilds eega Flora, die ergens in deze roman ook voorkomt als FLaura. Het is wel te begrijpen dat Vera en Dmitri Nabokov er dertig jaar over hebben gedubd vooraleer ze de roman toch maar uitgaven; uiteindelijk heeft Dmitri, die in het voorwoord spreekt van 'Dmitri's dilemma', dat gedaan, Vera was toen al overleden.

Eigenlijk is er niets zo leuk als door een roman, in welke vorm dan ook, op het verkeerde been gezet te worden, of nu eens op het ene, dan weer op het andere, en dat allebei eigenlijk best wel goed zijn, maar niet tegelijkertijd. Maar lastiger wordt het, als ook de editie zelf niet geheel betrouwbaar lijkt. Want de bezorger heeft de ruimte gekregen om ook alle achterzijden van de kaarten in facsimilé op te nemen. Geen van die achterzijden is beschreven; die reproducties zijn dus louter luxe maar wel goed voor het effect van echtheid, zeker voor wie de kaarten uit het boek sloopt en er zelf mee verder gaat goochelen. Maar wie goed oplet, ziet niet alleen dat op sommige achterzijden een kruis staat, maar ook dat een fors aantal van die kruizen domweg (tot in detail) identiek zijn (plaats, schrijfstof, ductus), bijvoorbeeld die op p. 134 en 138 (zie foto's hieronder) maar ook die op p. 140 en 144, en nog veel meer. Twee soorten kruis domineren vele van de achterkanten: er is dus ronduit op z'n Volkswagens gesjoemeld met de facsimile's. Da's nou jammer.

De kaarten bestaan toch echt: in 2009 zijn ze geveild, blijkens The Wall Street Journal. Stel je voor, dat van een roman die The Original of Laura niet het originele materiaal bewaard zou zijn, en dat daar niet een facsimile van zou bestaan. Er is al onzekerheid genoeg in de wereld. 'Toch?'



donderdag 5 januari 2017

Kamel Daoud, Meursault, contre-enquête

Roman. Actes Sud, z.p. 2014 (oorspr. Éditions barzakh, z.p., 2013). Paperback met flappen, 153 blz.

Deze debuutroman is te zien als een contrafact van de debuutroman van Albert Camus (destijds ook een jonge journalist te Algerije). Begint L’Étranger (1942) met de vermelding van de dood van de moeder van de ik-figuur, Meursault, contre-enquête begint met de mededeling dat de moeder van de ik-figuur nog leeft. Schiet Meursault zomaar een Arabier’ dood, in deze roman is de broer van die ‘Arabier’ aan het woord, en door hem pas krijgt die Arabier een naam, Moussa,  en dus ook een broer (die pas op pagina 115 te kennen geeft dat hij Haroun heet), en een moeder, die steeds ‘M’ma’ wordt genoemd, kortom: een aanzet tot persoonlijke identiteit.

Deze roman is uiterst toegankelijk en toch zit ze net een tikkeltje ingewikkelder in elkaar dan die van Camus. Het is weliswaar ook een ik-vertelling, maar deze Algerijn steekt zijn verhaal – in het Frans – in een kroeg af tegen een anoniem iemand, zoals dat ook gebeurt in Camus’ La Chute. Deze iemand beschouwt hij als een bewonderaar van Meursault, die hij vereenzelvigt met de schrijver van (wat wij kennen als) het verhaal over Meursault. Hij stelt ook het jaar van verschijnen van L’Étranger gelijk aan het jaar van de moord door Meursault. Tegen het eind van de roman, op bladzijde 137, blijkt dat ‘eigenlijk’ niet Camus’ debuut de grondstof is, maar de (fictieve) roman L’Autre, geschreven door ene Meursault.

Regelmatig zegt de ik-figuur tegen de ‘tu’ iets over ‘ton héros’, doelend op Meursault. Ik ontkwam er niet aan me, als westerling, aangesproken te voelen; gelukkig is Haroun geen haatdragend mens. Hij heeft het nochtans niet zo op die Meursault, niet alleen omdat die achteloos zijn broer doodschoot,  meer nog omdat hij zijn broer in zijn roman niet eenmaal bij zijn naam noemde doch vijfentwintig keer slechts met ‘Arabier’ aanduidde, en diens lijk heeft doen verdwijnen in het niet. De rouw van Haroun en zijn moeder bleef eindeloos, wegens gebrek aan afscheidsritueel, afronding. En vergeet ook niet dat Meursault niet ter dood werd veroordeeld wegens de moord, maar wegens het niet in acht nemen van de gewoon geachte (christelijke) gebruiken van rouw bij het overlijden van een moeder.

De ik-verteller van Daoud is een verteller binnen een raamvertelling: de tekst wordt niet door de dagen achtereen pratende Haroun zelf genoteerd, maar door die aangesproken ‘tu’. De roman, of Haroun, legt een aantal cruciale manco’s in Camus’ debuut bloot, koloniale en/of racistische manco’s. Anderzijds wordt duidelijk dat Haroun veel kernwaarden van de ethiek of de filosofie van Meursault/Camus onderschrijft. Hij ziet zichzelf, begrijpelijk, als een absurde held. De moord op zijn broer werd gepleegd toen de verteller zeven jaar oud was; de rest van zijn leven, goeddeels doorgebracht met zijn moeder, die de moord niet kan verkroppen (zijn vader was er al voor de moord vandoor gegaan). Haroun heeft het gevoel dat hij steeds maar het lijk van zijn broer de helling op zeult, dat het dan weer naar beneden dondert, en hij van voren af aan verder moet. Gelukkig, zoals we ons Sisyfus volgens Camus’ Le Mythe de Sisyphe (1942) moeten voorstellen, is hij bij dit alles echter niet. Onmogelijk.

Om het leven toch nog enigszins in balans te brengen, vermoordt Haroun twintig jaar later (en dat is twee jaar na de dood van Camus) een Fransman, Joseph Larquais. Haroun wordt geen moord verweten, maar wel dat hij die moord (pas) heeft gepleegd na de be-eindiging van de Algerijnse vrijheidstrijd (5 juli 1962) en niet tijdens die oorlog, dat hij, met andere woorden, niet met zijn broeders heeft gestreden. Door het achterwege blijven van een officiële beschuldiging (zo erg was het nou ook weer niet om nog een Fransman om zeep te brengen), is zijn daad onbedoeld even gratuit als die van Meursault in de roman van Camus. Bovendien blijft Haroun daardoor een buitenstaander, een vreemdeling. Meer nog dan hij al dacht, leidt hij een absurd bestaan. Deels is dat een keuze, doordat hij zijn individualiteit claimt of probeert te claimen en daarmee zijn vrijheid. Heel fraai verwoordt hij dat in relatie tot het geloof: ‘La religion pour moi est un transport collectif que je ne prends pas. J’aime aller vers ce Dieu, à pied s’il le faut, mais pas en voyage organisé. Je déteste les vendredis depuis l’Indépendance, je crois.’ (p. 76)


Deze roman laat prachtig zien waartoe een goede roman bij uitstek in staat is: het voorstelbaar maken van het niet bestaande, van het onbestaanbare. Daouds debuutroman lijkt wat dat betreft op die van Hagar Peeters, Malva.

P.S.
Bas Heijne schreef in 2015 in de NRC een mooi stuk over de roman van Daoud.