Picador Edition, London 1985. Paperback, 190 bladzijden. (1st ed. Jonathan Cape, London 1984). Straatbibliotheekexemplaar.
Toen ik een eindje gevorderd was in dit boek, las ik pas de loftuitingen op het voorplat (een echte Barnes is immers altijd goed). Daar wordt het zowel ‘A tour de force’ genoemd als ‘A book to revel in!’ (dat dacht ik op voorhand). Ik werd verrast door: ‘The best novel published in England in 1984’ en ‘An intricate and delightfull novel’. ‘[B]est’, ‘intricate’ en ‘delightful’, ja, ja natuurlijk, maar dat het een roman wordt genoemd...
Verder lezend kwam ik erachter dat de inhoud niet anoniem wordt gepresenteerd door de schrijver zelf maar als ware het de tekst, een monoloog of vertelling, van ene Geoffrey Braithwait, weduwnaar en voormalig arts (een soort dokter Bovary). Inderdaad, het boek ontplooit zich gaandeweg als een roman; een hilarische roman, die even zo goed een biografie-in-wording lijkt te zijn als ook een verzameling opstellen over wetenswaardigheden en trivia betreffende Gustave Flaubert, benevens een een ironisch-kritische reflectie op academische literatuurstudie en nog zo wat.
Het is een boek in de geest van Nabokovs Pale Fire en willekeurig welk werk van Atte Jongstra maar dan met veel minder voet- en eindnoten. Je weet na drie bladzijden niet meer of het allemaal onzin is of toch helemaal niet. Noem het vertelbranie, of -bravoure. Hilarisch, dat zei ik al.
Het is ook een literaire flipperkast; anders gezegd: als lezer voel ik me als een kogel die rond wordt gekaatst door zo’n mechanische speelkast; geen idee wie er aan de knoppen zit. En het gekke is niet dat ik door die wisselende tekstsoorten en (ingebedde) vertellende instanties en perspectieven en focalisaties steeds de weg kwijt raak tussen waarheid en fictie, maar dat er, ondanks al de kolder en ironie die er doorheen is gehusseld, toch allerlei waarheid in te vinden is, niet noodzakelijk op biografisch niveau, maar waarheid zoals die in een roman is te vinden, uitspraken die je je als lezer aantrekt. Dat werk.
Ik neem aan dat me dit te binnen schoot doordat er opeens een hoofdstuk kwam waarin Flauberts minnares Louise Colet lang en aanhoudend in de ik-vorm aan het woord komt. Een intrigerende contra-focalisatie.
Maf en mij ontregelend is het dat na dit persoonlijke verhaal een hoofdstuk volgt met een Flaubert-pastiche van de hand van de oorspronkelijke verteller, getiteld ‘Braithwaite’s Dictionary of Accepted Ideas’. Zo weet je aan het eind van een hoofdstuk nooit wat er om de hoek op je staat te wachten. Heerlijk.
Het geheel wordt afgesloten met een hoofdstuk over de twijfelachtige echtheid van een of twee (geleende) opgezette papegaaien van Flaubert, een chapiter dat evident ook iets zegt over al de in het voorgaande opgediste feiten, weetjes en halve of hele waarheden over leven en werk van Flaubert.
Het herlezen zeker waard, denk ik. Dat wordt dan de Nederlandse vertaling van dit boek.

