zaterdag 3 mei 2014

Fleur van Greuningen, 'Parijse mannen'

In: De Internet Gids, vanaf 3 mei 2014.

Deze blogpost behoort - naar mijn mening - niet tot 'de verzameling teksten waarin, zonder opgelegd eindoordeel, subjectief, publiekelijk en op schrift - of anderszins geboekstaafd en raadpleegbaar - recent verschenen publicaties becommentarieerd zijn die in aanmerking komen voor het predikaat "literair".' Zo althans definieert Jos Joosten in zijn oratie Niet wat de criticus moet, maar wat hij[/zij] doet (Nijmegen 2007: 12-13) 'literaire kritiek', een tekstsoort die ik liever 'literatuurkritiek' noem. En ik vind dus niet dat deze schrijfsels hier de naam literatuurkritiek mogen dragen. Het zijn hooguit leesverslagen. Ik denk hier nu aan, doordat ik, dit jaar samen met collega Jeroen Dera (ook uit Nijmegen), weer een collegereeks geef over literatuurkritiek. En men moet praktiseren wat men preekt, nietwaar?!

En als ik nog eens goed naar die definitie kijk en me realiseer wat en hoe ik hier schrijf, dan zijn mijn blogpostjes op Klasse! misschien toch wel zowel subjectief als publiekelijk toegankelijk en raadpleegbaar en gaan ze doorgaans inderdaad over publicaties die in mijn optiek althans in aanmerking komen voor het predicaat 'literair'; en ik ben mij bij het schrijven niet bewust van een opgelegd eindoordeel over die voor dat predicaat in aanmerking komende publicaties.

Welnu, als het literatuurkritiek zou zijn, wat ik hier bedrijf, dan zou ik me aan de geschreven en ongeschreven regelen en richtlijnen van dat genre en dat métier moeten houden, geplogenheden die zo nu en dan onder woorden worden gebracht door al wie ideeën daaromtrent heeft, zoals de door Joosten enigszins verguisde (bijzondere) hoogleraren literatuurkritiek en literatuurwetenschap (onder andere) die zich meer of minder schoorvoetend op dat terrein begaven vóór hij het - voorzien van kersverse, stevige wetenschappelijke stappers, een baret en een toga - deed in dat reeds genoemde jaar van zijn oratie.

Ik zou, om korter te gaan, mij dus niet moeten uitlaten over werk van mensen die ik ken langs andere dan alleen die strak afgebakende paden der literaire werken, om de mogelijke schijn van belangenverstrengeling en/of vooringenomenheid dan wel partijdigheid te vermijden.

Welaan, omdat ik vind dat ik hier geen literatuurkritiek in strikte zin bedrijf, hoef ik mij niet aan die mores te houden, en kan ik hier vrijelijk werk aanprijzen dat gemaakt is door een alumna van de BA-opleiding Nederlandse taal en cultuur van de Universiteit Utrecht, meer in het bijzonder van een oud-studente die bij mij onder andere het college Literatuurkritiek heeft gevolgd, en die ik begeleid heb bij het schrijven van haar eindwerkstuk voor die opleiding, in de hoofdrichting Moderne Nederlandse Letterkunde. Bedoelde oud-studente is inmiddels bijna afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld-Academie te Amsterdam.

Nog korter: lees 'Parijse mannen', het wekelijks feuilleton dat Fleur van Greuningen vanaf vandaag schrijft op De Internet Gids, en oordeel zelf (maar niet voordat het feuilleton voltooid is, natuurlijk, want zelfs als niet-literatuurkritiserend lezer moet je wel netjes volgens de regels werken, vind ik).

woensdag 2 april 2014

Hanneke Hendrix, @AMHHendrix

Ondertussen ontplooit zich op Twitter een heel glanzende reeks UKV's, ultrakorte verhaaltjes, notities meer, van Hanneke Hendrix. Zoals deze:

'Naast me in de trein zit iemand te rochelen alsof hij een klein knaagdier heeft ingeademd en vanochtend viel op de badkamer 'n sok in de wc.'

Uitermate curerend, andermens' ochtendweerbarstigheden.

vrijdag 28 maart 2014

Robert Anker, Schuim

Roman. Amsterdam-Antwerpen: Querido, 2014. 302 bladzijden.

Maar vergis je niet. Ankers vorige roman, Oorlogshond (2011), telt 334 pagina's, maar is uit een kleinere letter gezet, maar Schuim is van een groter formaat. Oorlogshond meet van buiten, net als de eerdere romans (bij benadering, ik heb ze niet allemaal langs de liniaal gehouden), 135 x 215 mm, Schuim meet 155 x 235 mm. De zetspiegel van Oorlogshond meet 99 x 173 mm, die van Schuim 110 x 182 mm, met 37 respectievelijk 35 regels per bladzijde.

Allemaal onzin. Ik schrijf dit alleen maar op omdat ik niet weet wat ik over Schuim moet zeggen, doordat ik de roman net uit heb en heel erg fraai vind. Nou vooruit. Schuim, geen asch, dit boek. Zo vitalistisch als Marsman op zijn beste momenten. Pure levensdrift en levensnood ook, in een klaterende liefdesroman, met drie à vier dragende personages: een onaangename havenbaron, zijn dochter die wereldberoemd violiste is, en de geliefde van de dochter, een dominee die niet (meer) gelooft dat God bestaat en schaakvriend van de vader is. Inderdaad: de zakenman, de kunstenaar en de intellectueel/filosoof. En gaandeweg wordt duidelijk dat de bedrogen echtgenote van de dominee ook zeer belangrijk is in deze verbeelding van de onkenbare veelvormigheid van de liefde.

Een liefdesroman. Achterop het boek staat onder meer: 'Het drama dat zich ontwikkelt sleept de lezer in een even heftige als ontroerende ontwikkelingen mee naar een slot dat in zijn onverwachte sereniteit zijn weerga niet kent.' Alle kans op drakerigheid. En niet ten onrechte wordt de roman in de lovende kritieken die ik las, een melodrama genoemd. Heftig, zou je er ook over kunnen zeggen. Liefde, roem, existentiële twijfel, seks, kapitalisme, overspel, rijkdom, dwarslaesie, zelfmoord, zinledigheid, muziek en veel denkwerk over het leven en de liefde en idem zo veel gesprekken.

Ik vond het een feest, het lezen van deze roman waarin Anker vol op het orgel gaat in alles waar hij als romancier goed in is: enthousiasmerende, bezielende beschrijvingen van muziek, van mensen (onder andere een eclatante, schier onberedeneerde, razende en tierende godverende woedeuitval van de violiste), van hun denkbereik, van gesprekken, van elementen uit de hedendaagse werkelijkheid ingepast in een fictionele wereld, enorme variaties in verteltempo, sprongen in de tijd, schakelingen van monologues intérieurs naar die bekende bemoeizuchtige, commentariërende vertellersstem (al is die laatste in deze roman danig beteugeld), soms opeens uit- en doorschietend in een bladzijdenlange zin. En bij al die branie toch diepe aandacht/Andacht.

Een daverende verbeelding van een uit ander werk van Anker wel al gekend, voortdurend denkwerk over hoe in het leven te staan, denkwerk dat niet in een eenduidig antwoord uitmondt maar steeds in beweging is, over 'er zijn', aanwezigheid en over wat liefde is of kan zijn. Kunst, schreef Anker op 15 februari 2014 in de NRC, is de ervaring van een dringende aanwezigheid van het vreemde. Dat heeft hij opnieuw bereikt met deze roman.

Een mooi interview met Robert Anker over Schuim, door Lex Bohlmeijer voor De correspondent.

donderdag 13 maart 2014

Tommy Wieringa, Een mooie jonge vrouw [1] en [2]

CPNB, 2014. Geplakt boek met harde kaft. 94 bladzijden.

[1] Het is lang geleden, dacht ik, maar niet geheel terecht, bij nader inzien, dat ik met plezier een boekenweekgeschenk las. Tot vandaag. Vandaag realiseerde ik me dat ik in 2012 van Heldere hemel genoot, in 2004 van Spitzen, in 2000 van Het theater, de brief en de waarheid; zo is er om de vier à acht jaar wat leesbaars in boekenweekgeschenkland. En nu is het, na nog maar twee jaar, al weer raak: nog maar een uur geleden las ik met plezier het boekenweekgeschenk van dit jaar. Ik kreeg het geschenk cadeau, van iemand die wèl een boek van minimaal € 12,50 had gekocht. Dat is aardig. (Vraagje: zou je, als je een e-boek koopt van zo duur, ook een e-boekenweekgeschenk krijgen?

[2] Antwoordje: ja, dat is zo, blijkens een berichtje van eBook.nl dat ik vandaag - 13-03-2014 - ontving).

[1] Scheelt het dat ik een positief vooroordeel heb met betrekking tot de kwaliteit van het werk van Wieringa? Vast wel. Maar het is maar een beperkt vooroordeel. De reis- en de andere verhalen las ik niet (of: daarvan ben ik vergeten dat ik ze las, wat erger zou zijn). En het 'essay' genoemde werkje De dynamica van begeerte herinner ik me als volkomen oninteressant, hoewel 'herinnering' hier een wat groot woord is. Maar ik denk toch dat ik het eens ga herlezen, want wat die Wieringa in dit boekenweekgeschenk over begeerte te berde brengt... ik weet het niet, of ik dat wel allemaal zo boeiend en correct vind.

Echter: al het andere proza van Wieringa - waarvan mijn lectuur begon met, jawel, Joe Speedboot en toen terugsprong naar Alles over Tristan (dat ik minder vaak, maar toch ook veel herlas)

[2](Wieringa's debuut, dat in het voorwerk van dit geschenk niet is opgenomen in de lijst van zijn werken, las ik nog niet)

[1] en die daarna met het verschijnen meeging - lees ik zoals een renpaard na een wedstrijd krachtvoer slobbert (ervan uitgaande dat renpaarden dat dan doen). Ook dit boekenweekgeschenk weer, waarvoor ik de lectuur van ander werk contre coeur onderbrak. Toch vind ik het boekenweekgeschenk niet héél erg goed, om de eenvoudige reden dat er wat storende 'dingen' in zitten. (Hoe formuleer je zo iets aldagelijks beter?)

[2] Inmiddels, wat wil zeggen: na herlezing van het boek, en na lezing van de recensie door Daan Stoffelsen op Recensieweb en die van Jeroen Vullings in VN, weet ik beter: het is wel degelijk een goed boek, en ik herlas het bovendien omdat het, hoewel ik na de eerste lezing misschien niet helemaal tevreden was, toch in mijn kop bleef rondgaan.

[1] De titel vind ik, om het zacht te zeggen: dom. Platte pilsreclametaal. Misschien ingefluisterd door de CPNB. ('Hé, het moet wel veel mensen aanspreken, hè, Wieringa!' 'Ja, dat kan wel wezen, maar ik wil een kèrs voorop, en iets met kersenbloesem op de schutbladen; geen mokkel op het voorplat!') Ik las in een bespreking in een krant, meen ik, dat die mooie jonge vrouw als personage niet zo best uit de verf komt. Ik kreeg, inderdaad, nauwelijks een idee wat er nou zo mooi aan die Ruth zou zijn. Ja, die kont op die bergfiets op de eerste pagina. Tweemaal nog wel. Vond ik een beetje al te simplistisch. Dat ze, Ruth dus, later wordt geassocieerd met onredelijke 'logica' onder invloed van na-weeën, dan wel moederlijke zintuiglijkheid, vind ik ook niet erg origineel. Weer zo'n hysterisch mens. Dat weten we nu wel. Re-productie van een stereotype.

[2] Ja, maar, op het gevaar af van Hinein- of Überinterpretierung, wil ik er nu toch wel bij opperen dat die titel en dat gedoe over die kont wellicht afkomstig zijn uit / representant zijn van de optiek van de niet geheel sympathieke hoofdfiguur, Edward Landauer. Zijn probleem, en het grondmotief van de tekst is een absentie van, of minstens een deficit aan empathisch vermogen.

[1] Dat er op pagina 91 staat: 'hij kon zich niet heugen wanneer hij voor het laatst op een fiets gezeten had' doet mij het glazuur van het taalgevoelig Jérôme Heldring-gebit springen. Gelukkig blijft het hiertoe wel beperkt

[2], meen ik, wat foutjes betreft, bedoel ik (de 'typefout' op pagina 80 die Jisca Cohen signaleert in haar interwiew met Wieringa in Nu.nl is zo petiterig, die zag ik pas na twee keer lezen en vier keer gericht zoeken).

[1] Dat er wel erg veel metaforen en vergelijkingen-met-'als' in het boek staan, zou me ook zijn opgevallen als Marc van Oostendorp er in Neder-L niet over zou zijn begonnen. Ik merkte op een gegeven moment dat ik er tijdens het lezen op ging wachten: wanneer komen de volgende twee vergelijkingen op deze pagina? En ze kwamen vlak erna. Beetje veel, dus.

[2] Bij de tweede lezing ben ik gaan letten op de vergelijkingen. En: het viel reuze mee. Er staan er genoeg fraaie in, maar toch echt niet te veel. Pas vanaf pagina 58 ben ik ze gaan tellen, en ik kwam niet veel verder dan een stuk of negentien in die laatste 34 bladzijden, en dat zijn lang niet allemaal snoeiharde metaforische spierballen van de verteller, maar ook veel voorzichtige pogingen tot vergelijkende omschrijving door of namens de personages.

[1] Laatste kritiekpuntje is dat die Edward al ruim voor zijn vijftigste verjaardag wordt neergezet als een door het leven murwgeslagen, fysiek uitzakkende, aan kraakbeenuitdroging lijdende ouwe zak. Nog geen vijftig is hij en kan de blik in de spiegel al niet meer verduren. Wieringa (1967) is nog geen vijftig en is, zoals te zien op het achterplat, nog lang niet onderhevig aan de door hem aan Edward toegedichte slijtage... dus waar haalt die die masculine mysogerontie-preacox vandaan?

Dat het gebeuren goeddeels in Utrecht is gesitueerd, vind ik leuk, draagt bij aan mijn (particuliere) leesplezier, maar ik tel het niet mee als positieve kwaliteit van het boek. Althans, niet hardop, misschien stiekem wel.

Dat de hoofdfiguur van de roman - want dat is het wel zo'n beetje, een roman, meer dan een novelle - door de (voor 98 % achter de schermen opererende) verteller zorgvuldig, behoedzaam en vakkundig naar de gallemiezen wordt geleid, ja, dat vind ik uitermate bekoorlijk (dat het een personage betreft van mijn leeftijd, ach, tsja, daar zet ik me dan wel overheen, omdat die ondergang zo grandioos gepresenteerd wordt; als het dan toch moet, dan maar zo).

Dat het boek leest als een tierelier kan ik niet anders dan als een pretje beoordelen (wetende dat ik niet alleen maar dit soort werk wens te lezen, en dat er gelukkig allerlei uiteenlopende werken op de wereld zijn, en dat van die soorten dit de vertegenwoordiger van één ervan is) (ik zal hier niet uitweiden over dat multi-meerlagige puzzle-boek S., dat ik eigenlijk aan het lezen ben).

Dat Wieringa zich behoorlijk uitslooft op z'n beeldspraak is ook al een pre, zeker in aanmerking genomen dat daar pracht-exemplaren uit spruiten als deze:

Morris [de kersverse boreling van held en heldin] werd schoongemaakt en gewogen, en toen ze uren later naar huis gingen met het kind in de drager, voelden ze zich bang en onoverwinnelijk als een tienerstel in een gestolen auto.

Dat Morris (ook) een automerk was, doet er even niet toe. En dat vis op de markt eerst wordt gewogen en dàn pas schoongemaakt, ook niet; daardoor weten we dat die Morris hier een mensje is. Maar die vergelijking, om dat gevoel van bangigheid mèt onoverwinnelijkheid weer te geven, 'als een tienerstel in een gestolen auto', is wat mij betreft als een knalhard doel treffende omhaal van buiten het strafschopgebied. Terwijl ik er ook bij denk: wie van de lezers van dit geschenk zal de ervaring kennen van het met je maatje rondscheuren in een gestolen auto? En dat wij lezers het toch over de betekenis ervan eens denken te kunnen zijn... Althans: dat hoop ik.

Herleesbaar, dit boekenweekgeschenk. [Q.E.D.] Dat is handig, voor als het weer acht jaar duurt voor het volgende lezens waardige geschenk geschonken wordt. Pro sit.

P.S. Zie ook De Reactor.org (http://www.dereactor.org/home/reacties/wieringas_waarheden/)

zondag 2 maart 2014

Hélène Gelèns, Applaus vanuit het donker

Gedichten. Amsterdam: Cossee 2014. Paperback. 61 blz (incl. aantekeningen).

De vorige dichtbundel van Hélène Gelèns, zet af en zweef (2010), was reden genoeg om ook haar debuut, niet beginnen bij het hoofd (2006), te kopen en lezen, want een mooi, nieuw geluid en nieuwe bewegingen in de poëzie zijn aangenaam; nieuwe bewegingen hier niet bedoeld als groeperingen of generaties met nieuwe opvattingen (hoewel die ook welkom zijn), maar in het geval van Gelèns' gedichten op te vatten als: bijna fysieke figuren van gestiek, uitgedrukt met en in taal. Reden genoeg ook om nieuwsgierig uit te kijken naar haar jongste bundel, applaus vanuit het donker (2014). Deze bundel is weer een prachtige uitgave van Cossee, met een vrolijk omslag, dat sterk doet denken aan de blaadjes op het omslag van zet af en zweef; nu zijn ze niet groen maar rood, en het zijn dan ook bloemblaadjes. Ze suggereren opnieuw: beweging.

En dit zijn opnieuw gedichten in beweging, beter: gedichten van beweging, welhaast Tonnus Oosterhoffiaans, maar dan toch, heel Gelènzig, statisch op papier genoteerd en typografisch gerepresenteerd. De beweging zit helemaal in de taal en in het proces dat in veel gedichten wordt weergegeven, zoals in het openingsgedicht 'sluitingstijd' uit de eerste afdeling 'applaus'. In dat gedicht wordt onder andere geschrapt: 'vijf uur is de sluitingstijd van alles // terwijl je nog schrapt: alle all al a'.

Opmerkelijk genoeg schrijft Gelèns in deze bundel daarnaast formeel heel statische gedichten, althans gedichten die als beeld vastgelegd zijn ('concrete poëzie'). Er is een gedicht in de vorm van een straaljager, en een dat eruit ziet als een zandloper, en een dat een rechthoekig zwembad vol haaien is, vol met het woord 'haai' dus. Paradoxaal wel, een stilstaande straaljager of zandloper. Dat wel. Maar wat dan?

Er is ook weer een beurtzang-achtig gedicht, 'uw beurt!' geheten, waarin twee stemmen door- of tegen elkaar te zien zijn, romein en cursief gezet; en nog een: 'prikstokken (niet uitgespeeld)'. Het is een vorm die nu een trucje lijkt, terwijl ze in de vorige bundel nog erg sterk werkte: 'gedicht voor twee stemmen en een klok', dat Gelèns fenomenaal kan voordragen. Maar ik word nu niet springerig meer van weer dergelijke gedichten, en ook niet van die wel zeer vaak herhaalde, soms weinig zeggende woorden: 'zij vrezen mij. zij vrezen mij niet. vrezen mij. / vrezen mij niet. vrezen mij. [maar één wijst]', en: 'mier na mier / na mier / mier / mier [...]', en woordspelletjes die worden gespeeld met behulp van schuivend wit: 'aaihaai'. Het klinkt en beweegt allemaal, het doet vaak wat het zegt. En dan?

Maar ik laat graag de mogelijkheid open dat het minder aan de gedichten dan aan mij ligt. Gedichten moeten het van twee kanten hebben, niet waar? Deze kregen mij niet in beweging, helaas.

zondag 1 december 2013

Piet Gerbrandy, Vlinderslag

een beurtzang

Amsterdam-Antwerpen: Atlas-Contact 2013. Paperback. 95 blz. (incl. 'Verantwoording'). Boekverzorging: Melle Hammer.

Heel vaak zeg ik tegen studenten en beginnende literatuurlezers dat ze niet van het lieve dichtwerk hoeven ijzen, dat er menigten romans zijn die minstens net zo 'moeilijk' zijn, zo indirect, zo talig. Ik denk dan aan Ulixes, aan al de romannen van Brakman, het proza van de inmiddels ook al dode Krol, en dat van Vogelaar, Verhelst, en, waarom ook niet, Bordewijk. Proza dat niet zo maar effe voor het verhaaltje gelezen kan worden, laat staan genoten. Waar je wel wat voor moet doen. En ik zeg erbij dat er poëzie is die je lezen kan zoals een warm mes door verse boter zijgt. De eend, 'Awater', 'Persephone', Mattheus (daarbij verzwijg ik gemakshalve de clausule: op het eerste gezicht).

Maar er is toch ook steeds weer de poëzie die lijkt te voldoen aan de standaard-vooroordeel-kwalificaties: gedrongen stukken tekst van maximaal een pagina omvang, waarin de dichter de taal geheel naar eigen wil en luim gekneed en -vormd heeft totdat het resultaat kenbaar lijkt en klinkt als een pracht van een klok, een heel carillon zelfs, zij het met, in dit geval, voornamelijk bassen; en het geval is: de jongste bundel van Gebrandy. Die te lezen deed me ook beseffen dat de invloed van hectiek, haast, werkdruk en zo meer ervoor zorgt dat de rust verdwijnt die nodig is voor aandachtig lezen.

Nog steeds is Gerbrandy's werk norsig, lidwoordarm, en vooral bloedmelancholisch. Poëzie die je proeven moet, hard-, nee: luid gelezen liefst. Poëzie waarbij het begrijpen niet dondert, niet in de eerste plaats althans; poëzie die ook zonder begrijpen naar binnen dendert, recht door je ribben in je ziel en je hart, vlak onder je donder, net naast je mieter, en die daar gerust nog dagen lang nagalmt.

En boordevol geleerde referenties, aan klassieke poëzie, die Gerbrandy kent maar die mij althans ongewoon is; referenties ook aan teksten die ik deels of minder dan half maar herken. Maar vooral: die eigen toon.

Meanderende teksten waarin af en toe een kernzin de kop opsteekt. Eerder bleef ik om een mij onbekende reden hangen aan: 'Begeeft het dak dan heten wij dat jammer'. Ook handig voor in het dagelijks leven.

Al een tijdje, om niet te zeggen: reeds acht jaar, voorziet Gerbrandy zijn gedichten niet van titels maar van onderkoppen. In dit geval lijken het me luchthartige ready mades, aangetroffen in kranten en jaarverslagen, zoals 'Niet ieder is voor doe-het-zelver in de wieg gelegd.'

In Vlinderslag staan niet alleen gewone gedichten, ook prozagedichten en een (pseudo?)vertaling van een (pseudo?)laat-antieke dialoog. En sinds Gerbrandy bij de Contact-stal hoort, past zijn werk niet meer in mijn boekenkast (als een late variant van Barbarber, te hoog voor de gewone boekenplank) en wordt het steevast prachtig verzorgd door Melle Hammer (al moet ik er ditmaal bij zeggen dat het boek erg stug in de rug is en dat op één pagina die voetregel mogelijk van de bladzijde loopt; ik hoop maar dat het een bindfoutje is, alleen in mijn exemplaar).

Ik heb deze bundel nog niet voor een kwart onder de knie, en ik weet niet of ik dat wel wil: liever wil ik het boek lezen en herlezen. Ik hoef dit niet te begrijpen. In de laatste tekst van de eerste afdeling, 'Noorderlicht', schrijft Gerbrandy:

Zinnen schrijven waarvan je alleen de boventonen hoort. Waarvan de afzonderlijke woorden tijdens het lezen zonder geheel onhoorbaar te worden de specerijen in de stoofpot zijn. De knechten van de renner in het geel. Handvatten voor het ongrijpbare.
En dergelijke zinnen schrijft hij met al die weerbarstige versregels als: 'Hoe voed je vriend je lucifere lampen?' Je moet er goed bij opletten, want hier is een geverseerd classicus aan het woord die leestekens uit de weg gaat en zware teksten bouwt waardoorheen hij (vergeef me de rammelende beeldspraak) weemoedzware parels strooit als:
Ik heb je niet gezocht. Het was goed zo.
Dat is de melancholie die hier lijkt te heersen:
Hoe ben ik een gebogen man geworden.
En:
Hij zou hier willen marren maar dat gaat niet.
Niet hier en ook niet waar ook want het waait zo.
Het waait zo in de holten van de nacht.
Of:
Niet slaapt het naast wie te mooi is
om lekker te noemen want schoonheid
schoonheid is een grootheid zonder klieren.

woensdag 13 november 2013

David Van Reybrouck, Tegen verkiezingen

Derde druk. Oktober 2013. Amsterdam: De bezige bij [sept. 2013]. 174 blz. Paperback.

Ja, dat is nog eens een intrigerend boekje. Prikkelend en toegankelijk. Zet aan tot denken. Ik deel weliswaar vooralsnog niet het standpunt waar het Van Reybrouck om te doen is, maar zijn analyse van wat we gewoon zijn hier in het witte westen 'democratie' te noemen vind ik subliem. Onthutsend ook. En - niet om onaardig te zijn - zo raak en zo helder, dat ik althans achteraf dacht: dat had ik al lang moeten hebben bedacht, moeten hebben gezien.

En meteen vandaag nog: ik werp een blik in de courant en zie een bericht over een nieuw wetsvoorstel. Het stuk, op de eerste pagina der NRC begint met deze - stuitend domme en irrelevante - opmerking:

Voor de PvdA-afdelingen in het land kan het niet anders zijn dan slecht nieuws op een verkeerd moment: net nu ze zich voorbereiden op de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in maart, komt het kabinet met een wetsvoorstel dat vooral tegemoet komt aan de wensen van coalitiepartner VVD - en dat mensen in de bijstand hard raakt.
Zo stupide gaan we in dit land om met het bestuur van dit land: we piekeren over de belangen van een partij bij gunstige omstandigheden bij verkiezingen, en niet over het wetsvoorstel. Althans: niet in de eerste, de belangrijkste plaats.

De analyse die Van Reybrouck geeft van wat democratie was, had moeten of kunnen zijn, en wat het nu daadwerkelijk is, is - voor dommelige mij althans - schokkend verhelderend. Ik wist niet dat een zo wijd open staande deur nog voor me moest worden opengetrapt.

Maar toch ben ik, na dik honderdvijftig bladzijden hoofdtekst, niet overtuigd van zijn gelijk, namelijk dat bestuur op basis van loting pas de ware democratie zou opleveren. Of misschien levert loting wel de ware democratie, maar dan twijfel ik er nog steeds aan of ik die ware democratie ook daadwerkelijk verkieslijk acht boven het systeem dat we nu hebben. Van Reybrouck gaat op het eind van zijn lucide essay ook in op overwegingen die aan de basis liggen van dit soort bezwaren; maar dat deel van zijn betoog overtuigt me niet. Dat komt misschien doordat hij van meet af aan al wist waar het naartoe moest: naar een moderne variant van de goede, oude (heel erg oude) Atheense democratie.

Van Reybrouck hield me wel heel erg lang goed bij de les met zijn overdonderend erudiet onderbouwde verkenning van heel de westerse politieke geschiedenis; een voor mij onthutsende geschiedenis. Maar toch denk ik nog steeds dat die Atheense stadstaat van honderdhonderden jaren her wel iets heel anders was dan een Nederland, een (West-)Europa van nu. En ik vertrouw de veronderstelde volledigheid van zijn schets van dat oude Athene ook nog niet. Was daar nou echt iedereen betrokken bij het bestuur, ook alle vrouwen, ook alle slaven, ook alle buitenlanders, ook alle allochtonen, ook alle boeren, handwerkslieden... Die schets komt me te ideaal voor. En: hoewel de voorbeelden die hij geeft van recente experimenten met bestuur-op-basis-van-loting goed en imponerend zijn, toch denk ik erbij: het gaat steeds om sub-sub-sub-groeperingen binnen een verder betrekkelijk goed georganiseerd en zeer complex geheel. Is het niet zoals het slapen in de wigwam dat ik vroeger deed: in de tuin van mijn ouders,in mijn dromen zeer gevaarlijk, maar met de bammetjes met hagelslag daarna gewoon op tafel, kortom: heel erg in vitro vergeleken met de echte werkelijkheid?

Ik heb er de kennis niet voor om Van Reybrouck tegen te spreken; sputter alleen maar wat als een ongelovige tegen. Wat me er niet van weerhoudt om zijn analyse nog een keer van harte aan te bevelen in je aandacht. Die veranderde in ieder geval mijn kijk op democratie, heden, participatie en massamedia. Yep: a sadder and a wiser man he rose the morrow morn.