zondag 18 mei 2014

J.J. Abrams and Doug Dorst, S.

Mulholland Books, 2013. 456 plus blz.

Een uitzonderlijk boek. Een uiterst materieel boek, waarvan ik me niet kan voorstellen dat er een goede digitale editie van is gemaakt; die schijnt er wel te zijn; ik betwijfel of dat zinnig is qua leeservaring.

Van de beide auteurs had ik, eerlijk eerst, nog nooit gehoord. Abrams is onder andere de regisseur van Star Trek uit 2009, een film uit het genre semi-sciende fiction, en/of suspense fiction waar ik, zeker wat betreft uitingen ervan op het gebied der letteren, uit vrije wil geen kennis belief te nemen; boeit niet. Ja, ja, dat stoelt op een grondig, evidence based vooroordeel. Abrams leverde het idee voor deze roman, en Dorst, die schrijver schijnt te zijn, werkte het uit.

Dat het boek in 2013 verscheen, staat alleen in de achterplattekst van het kartonnen foedraal, samen met de auteursnamen en die van de uitgever, die ik al evenmin ken. Ik begaf me dus op geheel onbekend terrein, maar toen een studente, die voor iets heel anders langskwam, me vertelde over het boek en het me toonde, dacht ik, nee: impulsde ik: h e b b e n.

Om het boek te kunnen lezen, dien je het papieren zegel van het omslag te verbreken. Je kan dus niet 'gewoon' beginnen met lezen, je moet dat als een welbewuste handeling verrichten. Zodra je dat wilt doen, zie je dat er een verkeerd boek in het foedraal zit, namelijk Ship of Theseus van V.M. Straka, een uitgave van Winged Shoes Press. En er zit een bibliotheekcatalogussticker op de rug geplakt: '813.54 | STR | 1949'. Het omslag van dat boek in het foedraal heeft inderdaad veel kenmerken van wat ik denk dat een boek uit de jaren veertig is, afgaand op het linnen en de typografie en de illustratie voorop.

Sla je het boek open, een gebonden pil van meer dan 450 bladzijden, die er nog dikker uitziet, dan zie je op het schutblad een rood gestempelde tekst: 'BOOK FOR LOAN'. Dat dacht ik dus niet, na er dik 39,95 euri voor neder te hebben geteld aan de balie van Waterstone's in Amsterdam.

Op het schutblad achterin het boek is een uitleenformulier aangebracht, met datumstempels vanaf 'OCT 6-1957' tot en met 'OCT 14 2000'. Achterin het boek ligt ook een tweedelige windroosachtige set roteerschijven. Verder staat achterin de oproep aan de leners gestempeld om de bibliothecaris op de hoogte te stellen als er aantekeningen in het boek gemaakt zijn. Voorin, op de titelpagina staat een stempel dat aangeeft dat het boek eigendom is van de Laguna Verde H.[igh] S[chool]. Mooi van niet, deze is van mij!

Vergeefse moeite van die bibliothecaris: van vrijwel alle bladzijden zijn de ruime marges minder of meer volgeschreven met kant- en aan- en andere tekeningen in allerlei kleuren inkt, en ook een serie in potlood; het is zelfs voor een amateurfiloloog niet moeilijk om er - zoals de paleografen zeggen - twee 'handen' in te onderscheiden en verschillende tijdslagen. Niet alleen de marges zijn bezwadderd, ook in de gedrukte tekst van de roman zijn aantekeningen en markeringen en onderstrepingen aangebracht (gruwels die mij er doorgaans van weerhouden romans uit de UBU te lenen en lezen). En tot slot - en daarom kan ik me niets voorstellen bij een digitale uitgave - het boek is doorregen van fotokopieën, krantenknipsel, brieven, ansichtkaarten, foto's, bladen uit een collegenotitiebloc, zelfs een papieren servetje met de schets van een plattegrond, en wat al niet. De marges waren duidelijk te klein voor de zich documenterende, glossen aanbrengende lezers die dit boek bezoedelden; vochtvlekken zitten er ook in.

Het gaat hier om de 19-de en laatste roman van V.M. Straka, als gezegd uitgegeven in 1949 door Winged Shoes Press, niet Straka's reguliere uitgever, maar een ad hoc uitgeverij, opgezet door de vertaler van deze roman, F.X. Caldeira, die ook een voorwoord heeft geschreven en in de roman tal van annoterende, commentariërende, interpreterende en biografisch contextualiserende en tekstgenetische voetnoten heeft aangebracht. Wie Straka is, weet niemand. Ook voor Caldeira is zijn identiteit een probleem. Roemrucht en revolutionair schijnt hij wel te zijn. En niet minder geheimvol is hij voor de twee academici die de marges van het boek volschreven, een promovendus, Eric, en een studente, Jenny. In meerdere leesrondes maakten zij hun notities, onderwijl het boek steeds terugleggend in de bibliotheek, waar de ander het dan weer ophaalde, verder las, er aantekeningen in maakte en teruglegde.

De identiteit van de hoofdfiguur van de roman is al niet minder problematisch. Deze S. is het zicht op zijn eigen zijn, inclusief zijn geheugen, geheel kwijt; zijn geliefde is ook spoorloos; en dat alles wil hij gaarne terugvinden, maar hij raakt verwikkeld in een bizar verhaal vol kidnapping, kapitalistische uitbuiting, wapenhandel, geweld, revolutie en verdwijningen. Daarmee neemt dat verhaal genretrekjes aan die mij eigenlijk niet zo erg aantrekken in literatuur; ik heb mijn portie James Bond en fantasy wel gehad, maar dan vooral in de bios. Ik hoef die zooi niet meer te lezen. Hoewel de griezelige bemanning van het schip waarop S. geshanghai'd wordt, wel 'geinig' is, met hun met naald en draai dichtgenaaide monden; ook S. valt dit onderwerpingsritueel ten deel; puike vermomming.

Dat de ontrafeling van de fabel van de eigenlijke, gefoudraleerde roman over S. (me) niet boeit, is, lijkt me, helemaal geen probleem: zijn zoektocht naar identiteit, verleden en geliefde, kortom naar de structuur en betekenis van zijn leven, is als motief erg werkzaam doordat eenzelfde zoektocht centraal staat in het vertaal- en annoteerwerk van Caldeira, en nog meer in het lees- en speur- en marginaal annoteerwerk van de twee academische lezers, wier beider toekomst overigens ook nog eens in raadselen en vooral vijandige nevelen gehuld is.

In die meerlagige interferentie schuilt (wat mij betreft) de lol van het lezen van dit boek. Terwijl je met een nadrukkelijk materieel boek in handen zit - als je niet oppast, zoals mij meerdere keren gebeurde, duvelen er een paar van die realia uit, die je dan toch liefst op de oorspronkelijke plek wilt terugsteken, waarvoor je dan een website kunt raadplegen, - terwijl je dus met een uiterst materieel boek in handen zit, - waarvan het tegelijkertijd evident is dat het een facsimile is, maar dan wel een facsimile van een boek waarvan het origineel nooit bestaan heeft, - terwijl je dat dus leest, ben je, door het verhaal gedwongen, nadrukkelijk bezig met betekenisgeving van minstens drie lagen fictionaliteit, waarvan er twee zelf al object van duiding zijn in de roman. Daar komt nog bij dat Eric en Jenny overal aanwijzingen voor geheime betekenissystemen zien en daarnaast sterk met oogkleppen lezen, want ze zien in de roman vaak parallellen met hun eigen situatie, hun precaire academische status en hun zich gaande weg ontwikkelende gevoelens voor elkaar.

In de roman en in de marginalia, ik bedoel dus in SOT en in S., spelen overal opduikende vogels en vogelnamen en andere ornithologia een rol van (mogelijke) betekenis, net als de letter S, als ook het getal 19. In een wereld vol verhalen, achterdocht, samenzwering en onbegrip kan alles een betekenis (blijken te) krijgen.

Inderdaad, deze roman heeft generische overeenkomsten met onder andere Pale Fire van Nabokov, met Ansichten uit Amerika van Brakman, met House of Leaves van Danielewski, met De avonturen van Henri II Fix van Jongstra. Leugen en bedrog, schijn en werkelijkheid, feit en fictie; je interpreteert je wezenloos, en tegelijk ervaar je dat je ermee bezig bent, samen met de personages. En met andere lezers, want er is een discussiewebsite gewijd aan de geheimzinnigheden van dit boek (al ben ik na een paar bezoekjes gaan twijfelen aan de echtheid van dat forum; het kon zomaar een extensie van de roman zijn, de roman waarin trouwens uiterst zelden aan het internet wordt gerefereerd door de marginalisten).

Fantastisch mooi vind ik Jenny's aantekening op de laatste bladzij van het boek, de bladzij ná de pagina waar 'END' staat. Daar schrijft ze: 'Hey, put the book down. / Come in here + stay.' Ja, ja: ' in here' is voor de lezer juist weer in 'the book'. Mooie loop. Bevreemdend is dan weer dat zij noch Eric enige aandacht besteedt aan het gegeven dat alleen in hoofdstuk 8 er iets mis is met het zetsel van de voetnoten: er staan op allerlei plekken letters niet goed op de regel. Zit daar dan niet een boodschap in? Een uitdaging, lijkt me, voor iedere hermeneut. Ik werd heel vrolijk van dit boek. En het verontrustte me ook, trouwens.

P.S.

Dat gedoe in die voetnoten is al opgelost (?):

Geen opmerkingen: